Ds. D.W. Tuinier - Johannes 6 : 26 en 66

Jezus en het tijdgeloof van de schare

De schare zoekt Jezus
De schare zoekt Jezus om de broden
De schare verlaat Jezus
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenbundel ‘Indien gij gelooft’ van ds. D.W. Tuinier (Uitg. De Banier, 2009).

Johannes 6 : 26 en 66

26 Jezus antwoordde hun en zeide: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u, gij zoekt Mij, niet omdat gij tekenen gezien hebt, maar omdat gij van de broden gegeten hebt en verzadigd zijt. 66 Van toen af gingen velen Zijner discipelen terug, en wandelden niet meer met Hem.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 123: 1
Lezen : Johannes 6: 24-40
Zingen : Psalm 99: 2, 8
Zingen : Psalm 7: 1
Zingen : Psalm 139: 1
Zingen : Psalm 95: 5

Gemeente, met Gods hulp vragen wij uw aandacht voor de verzen 26 en 66 uit het schriftgedeelte dat u zojuist is voorgelezen, Johannes 6. We lezen daar het Woord van de Heere en onze tekst:

 

Jezus antwoordde hun en zeide: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u, gij zoekt Mij, niet omdat gij tekenen gezien hebt, maar omdat gij van de broden gegeten hebt en verzadigd zijt.

 

Van toen af gingen velen Zijner discipelen terug, en wandelden niet meer met Hem.

 

We schrijven onder de tekst: Jezus en het tijdgeloof van de schare.

 

We letten op drie gedachten:

1. De schare zoekt Jezus

2. De schare zoekt Jezus om de broden

3. De schare verlaat Jezus

 

1. De schare zoekt Jezus

 

Gemeente, we lezen aan het begin van dit hoofdstuk dat de Heere Jezus naar Galilea vertrekt. Galilea is de landstreek waar Hij is opgegroeid. In de volksmond wordt deze streek ‘het Galilea der heidenen’ genoemd. Wat is deze streek bevoorrecht, want de Zaligmaker komt zo veel bij hen. Hij preekt daar vaak. Hij preekt zo mooi. En het mooiste is dat Hij Zijn prediking bevestigt door allerlei tekenen en wonderen. Hij geneest de zieken. Iedereen is uitgelaten en opgewonden. De mensen praten over alles wat er gebeurt. Iedereen loopt Jezus na.

We lezen in vers 2: En Hem volgde een grote schare, omdat zij Zijn tekenen zagen, die Hij deed aan de kranken. Wat blijven ze lang luisteren en vooral kijken. Al die nieuwsgierige ogen zijn op Jezus gericht. Ze worden geboeid door Zijn spreken, maar vooral door Zijn wonderen. Ja, de mensen blijven zelfs zo lang luisteren dat ze vergeten om naar huis te gaan. Ze vinden het fijn om de hele dag naar Jezus te luisteren, Zijn preken te horen, maar vooral om Hem bezig te zien.

Vandaag is Hij toch wel heel bijzonder. Hij heeft hen allemaal eten gegeven. Vijfduizend mannen, zonder hun vrouwen en kinderen, hebben genoeg gegeten van vijf broden en twee visjes. Is dit niet heel bijzonder? Vandaar dat zij in vers 14 vol bewondering uitroepen: Deze is waarlijk de Profeet, Die in de wereld komen zou. Deze Jezus van Nazareth, hun Volksgenoot, is een geweldige Man. Hij kan niet alleen mooi preken, maar Hij doet ook uitzonderlijke dingen. Hij is een groot Profeet! Vol enthousiasme willen ze Hem Koning maken.

Maar dat kan niet en dat mag niet. En dat gebeurt ook niet. Nee, dat wil Jezus niet. Dat is niet naar de wil van Zijn Vader. Daarvoor is Hij niet gekomen. Het gaat Hem niet om al die uitwendige bewondering, al die mensen die van heinde en ver komen. Daarom gaat de Heere Jezus weg. Hij gaat naar de berg, om daar alleen te zijn. Hij zoekt de eenzaamheid op.

Maar de volgende dag komt de schare weer achter Hem aan. De mensen zoeken Hem. Ze zoeken Hem net zo lang tot ze Hem vinden in Kapernaüm. Ze hebben er alles voor over om Hem te vinden, om Hem te horen, om Zijn tekenen te zien.

Wat fijn, toch? Wat geweldig dat er zoveel mensen op de been zijn om de Zaligmaker van zondaren te zoeken. Ze kunnen blijkbaar niet zonder Hem, zonder Zijn prediking, zonder Zijn wonderen. Wat fijn dat de kerk vol is. De gemeente is trouw. De mensen komen graag naar de kerk. Zij zoeken Jezus. Dat zijn vast en zeker mensen met geloof, een groot geloof, een vast geloof, trouwe volgelingen van Gods Zoon. Wat is de schare enthousiast! Nee, dit is geen koude vormendienst. Dit is geen verstandelijke, historische geloofskennis. Dit geloof zit dieper. De mensen zijn onder de indruk. Ze roepen niet voor niets uit dat Hij een Profeet is. Wat hebben zij veel over voor de Heere Jezus. Ze geloven het: Jezus van Nazareth is de beloofde Messias. Hij is het, Die al eeuwen wordt verwacht. Hij is beloofd in het Oude Testament. Nu is Hij gekomen om hen van de vijand te verlossen. Daarom zal het niet lang meer duren of Hij wordt hun Koning, Die hen bevrijden zal van het Romeinse juk.

 

Het gaat over het tijdgeloof; houd dat vast. U bent onder de indruk van al die gelovige mensen, die Jezus zoeken en vinden. Hun geloof zit ook dieper dan alleen in hun verstand. Hun geloof wortelt in hun gevoel. Ze zijn zo enthousiast, zo blij, zo verrukt. Ze vinden de Heere Jezus zo bewonderenswaardig, dat ze Hem Koning willen maken. Aan zo’n Koning heb je tenminste wat. Een Koning Die hen verlost van de vijand. Een Koning Die ook nog mooi kan preken.

Maar nu komt het: als Priester willen ze Hem niet. Een Priester hebben ze niet nodig. En ze weten toch heel goed dat de profeten onder het Oude Testament van Hem hebben geprofeteerd. Dat Hij komen zou om te lijden en te sterven voor de zonden van Zijn volk. Dat weten ze goed, verstandelijk althans: de Messias komt om Zichzelf te offeren, om Gods recht te verheerlijken, om de schuld van de Zijnen te betalen, om hun straf te dragen en om voor hen verzoening en het eeuwige leven aan te brengen. Niemand kan zeggen dat hij of zij dat niet weet. De profetieën staan er vol van.

Maar daar heeft de schare geen oog voor. Daar zijn ze blind voor. Erger nog: daar zijn ze vijand van. Met al hun enthousiasme, hun drukte en hun ingebeelde geloof, willen zij niet horen naar en buigen voor een prediking van zonde en schuld. Met al hun godsdienst en geloof is hun hart nog niet gebroken en verbrijzeld. Ze blijven rechtop staan. Ze buigen niet voor God en Zijn Woord. Ze willen niet horen van het heilig recht van God. Zij kennen geen schuld en zij gevoelen geen smart. En daarom hebben ze geen Borg en Verlosser nodig voor hun schuld.

Ze zoeken Hem wel. Ze vinden Hem ook. Ze horen Hem graag. Ze bewonderen Hem als Profeet. Ze ijveren voor de waarheid. Ze roemen in Jezus. Ze zijn getuigen van Hem. Hij maakt diepe indruk op hen. Ze begeren Hem als hun Koning. Maar Zijn bloed, Zijn offer, tot voldoening van hun schuld…? Nee, dat willen ze niet. Daar zijn en blijven ze vreemd van.

Dat is tijdgeloof. Niet te zwaarmoedig preken. Niet te moeilijk doen. Niet te veel spreken over zonde en schuld. Geen boetepsalmen zingen, maar juist lofpsalmen.

 

Gemeente, onderzoek uzelf. Het gaat om de persoonlijke toepassing. Leg uw hart er eens naast. Wat aangrijpend: de schare zoekt Jezus, maar ze zoeken Hem om de broden. Het is het tijdgeloof. We gaan naar ons tweede punt. We zingen eerst Psalm 7 vers 1:

 

               O Heer’, mijn God, volzalig Wezen,

               ‘k Betrouw op U, wien zou ik vrezen?

               Red mij hulpvaardig uit de nood,

               Eer mij mijn vijand breng’ ter dood.

               Geef mij ten roof niet in zijn handen,

               Die mij, met felle leeuwentanden,

               Verscheuren zou door wond op wond,

               Wanneer ik geen verlosser vond.

 

2. De schare zoekt Jezus om de broden

 

De schare heeft de Heere Jezus gevonden in Kapernaüm. Ze zijn blij dat ze Hem weer zien. Ze zeggen in vers 25: Rabbi, wanneer zijt Gij hier gekomen? ‘We zijn verheugd U weer te ontmoeten!’ Maar Jezus, de grote Hartenkenner, weet waar het hen om te doen is. Hij ziet tot op de bodem van hun hart. Hij doorziet deze mensen. Hij weet wel dat het bij hen niet meer is dan gevoeligheid en sensatie. Hij weet dat Zijn Woord hun hart niet heeft geraakt. Hij weet heel goed dat al hun bevlogenheid in het uiterlijke, in het gevoel blijft hangen. Het zaad van Zijn Woord heeft geen diepte van aarde. Het heeft geen wortel geschoten. De wortel van de wedergeboorte wordt gemist. Hun hart is wel veranderd, maar niet door Zijn Geest vernieuwd. Daarom antwoordt Hij niet op hun vraag, maar zegt Hij, heel ontdekkend, in vers 26: Voorwaar, voorwaar, zeg Ik u, gij zoekt Mij, niet omdat gij tekenen gezien hebt, maar omdat gij van de broden gegeten hebt en verzadigd zijt.

Jezus zegt: ‘U zoekt Mij om de broden. U zoekt Mij omdat u verzadigd bent. U zoekt Mij niet omdat u tekenen gezien hebt in de broden. U ziet in het wonder van de spijziging van de vijfduizend geen tekenen van geestelijke zaken. U bent blind voor de geestelijke betekenis van dit wonder. Het onderwijs van brood breken, zegenen, uitdelen en verzadigd worden, verstaat u niet.’

Want het wonder van de broden heeft een diepe, rijke, inhoudsvolle betekenis. Johannes, de evangelist, schrijft niet voor niets, geïnspireerd door de Heilige Geest, in vers 4 van dit hoofdstuk: En het pascha, het feest der Joden, was nabij.

Het brood dat de Zaligmaker breekt, zegent en laat uitdelen, wijst naar het Pascha. Hij Zelf is het grote Pascha. Hij is het Paaslam. Hij Zelf is het Brood des levens. Hij zal Zijn lichaam laten verbreken. Hij zal Zijn bloed vergieten tot een volkomen verzoening van de zonden. Dat is de diepste betekenis van het wonder. Daarmee bevestigt Jezus Zijn prediking. Het wonder is een uitroepteken achter Zijn woorden. Hij preekt niet alleen hoorbaar, maar ook zichtbaar. En dat verstaat de schare niet. Daar gaat Jezus Zijn vinger bij leggen.

In het vervolg van het hoofdstuk legt Hij uit dat Hij Zelf het Manna uit de hemel is. Hij is ingedaald in Bethlehems broodhuis, om hongerenden te voeden en om armen rijk te maken in Hem. Dat verstaan de mensen niet. Daar zijn ze blind voor.

En u, jij en ik? De schare verstaat het niet, omdat ze geen waarde in Hem zien. Ze hebben Hem niet nodig. Ze zijn verzadigd, rijk in zichzelf, met hun godsdienst, hun degelijkheid en vroomheid. Zij zijn immers kinderen van Abraham? Wat ontbreekt hun nog? Ja, als Profeet bewonderen ze Hem. Als Koning begeren zij Hem. Maar Jezus als het geslachte Paaslam tot verheerlijking van Gods recht, tot verzoening van hun zonden? Nee, daar willen ze niet van horen. Daar hebben ze geen behoefte aan. Daar is geen plaats voor.

 

Hoe ligt dat bij u? Bent u ook een zoeker van Jezus om de broden? U bewondert Hem, u loopt achter Hem aan, u luistert heel ernstig en aandachtig naar de preken. U bent het er hartelijk mee eens. Het liefst wilt u dat er ruim gepreekt wordt. U wilt eigenlijk geen ontdekkende preek. De dominee moet niet te veel zeggen over zonde en ellende. Hij moet niet benadrukken dat de mens geestelijk dood is in zonden en misdaden. Er moet ook niet zoveel worden gewaarschuwd. U wilt de Heere Jezus als Profeet. U begeert Hem ook als Koning. Maar als Priester…? Dat hoeft voor u niet. Zo diep moet de preek niet gaan. Hoe ligt dat bij u?

Als de Zaligmaker gepreekt wordt in Zijn lijden en sterven, dan kunnen we niet om uw zonde en schuld heen. Wil Jezus waarde voor u krijgen, dan moet u worden ontdekt aan uw zonden. Dan moet u leren buigen voor Hem. Dan buigt u voor de welverdiende straf en het rechtvaardige oordeel. En dat wil de schare niet. En u? En jij? En ik?

Deze mensen genieten van Jezus’ preken. Ze bewonderen Hem in Zijn koninklijke macht. Ze hebben zelfs van Zijn broden gegeten en zijn verzadigd. Maar hun hart blijft gericht op het hier en nu. Ze zijn volop gericht op het teken, maar de geestelijke betekenis verstaan ze niet. Hun hart is niet gericht op het hemelse Brood. Waarom niet? Omdat ze geen honger hebben. En daarom zegt de Heere Jezus in vers 27: Werkt niet om de spijze die vergaat, maar om de spijze die blijft tot in het eeuwige leven, welke de Zoon des mensen ulieden geven zal; want Dezen heeft God de Vader verzegeld.

 

Gemeente, dit is tijdgeloof. Jezus zoeken, Jezus vinden, maar Hem zoeken om de broden. Het zaad van Gods Woord komt heel snel op. Helaas, het heeft geen diepte van aarde. Als er ontdekking komt of tegenspoed, als de zon begint te branden, dan verdort het plantje direct, omdat het geen wortel heeft. Dat zien we ook in deze geschiedenis. Als de Heere Jezus vertelt dat Hij het ware Brood is, Dat uit de hemel is gekomen om armen en ellendigen te verzadigen en dat zij Hem eigenlijk niet nodig hebben, dan is het uit. Als Jezus zegt dat Zijn vlees waarlijk spijs is en Zijn bloed echt drank en Hij de schare op hun ongeloof wijst, gaat dat hun te ver. We lezen in vers 36: Maar Ik heb u gezegd, dat gij Mij ook gezien hebt, en gij gelooft niet. Vooral die laatste woorden komen hard aan. Dat is het ontleedmes van Gods Woord. Dat is scherp. En gij gelooft niet…

Wat ontdekkend en beschuldigend! Gij gelooft niet. ‘Met al uw drukte, lawaai en ingebeeld geloof, bent u nog ongelovig. U bent nog zo blind voor Mij, het ware Brood des levens. Ondanks al uw gevoel en blijdschap, blijft u ongelovig.’ Als dat woord nu maar eens naar binnen slaat, bij hen, bij u, bij jou, bij mij… Als dit woord nu maar eens verbreken zal…! Want de schare heeft nog zo veel. Ze weten nog zo veel. Ze bezitten nog veel. Daar ligt de haper. Wij kunnen het leven nog in eigen hand houden. We blijven nog rechtop staan. We zijn nog geen verloren mens voor God geworden.

 

En gij gelooft niet. Wat een ontmaskerend woord. Moet de Heere dat ook van u zeggen? Hoe zit u in de kerk? Hoe luistert u naar de preek? Het lijkt heel wat, aan de buitenkant. Een kerk vol mensen. Fijn dat u weer gekomen bent. Daar doet u goed aan. Maar de Heere ziet dwars door u heen. Hij weet waar het u om te doen is. Hij weet waarom u gekomen bent. Hij ziet tot in de diepste schuilhoeken van uw hart. Hij weet ook hoe u luistert. Hij weet waar uw hart naar uit gaat. Nee, de preek is niet opbouwend en vleiend voor u. Juist niet. Gods Woord is ontdekkend, mensverootmoedigend. Alles van u en van mij moet worden weggesneden, zodat we hongeren en dorsten naar Christus en Zijn gerechtigheid.

De Heere Jezus zegt zo heel ontdekkend: En gij gelooft niet. Met die woorden ontmaskert Hij vele, vele mensen. En het valt verkeerd. We lezen in de verzen 41 en 42: De Joden dan murmureerden over Hem, omdat Hij gezegd had: Ik ben het Brood Dat uit de hemel nedergedaald is. En zij zeiden: Is Deze niet Jezus, de Zoon van Jozef, Wiens vader en moeder wij kennen? Hoe zegt Deze dan: Ik ben uit de hemel nedergedaald?

Murmureren is een gebalde vuist opheffen. Murmureren is onze paradijszonde. Nee, niet ‘mopperen’. Dat is te zacht uitgedrukt. Murmureren is rebelleren, in opstand komen. Voelt u, als de ontdekking komt, de ontmaskering, als de Heere Jezus ontdekkend preekt, als alles van deze mensen wordt afgebroken en ze in zichzelf niets meer overhouden dan schuld, dan valt het in hun vlees. Hoe durft Hij, die Timmerman uit Nazareth, die Zoon van Jozef, te zeggen dat Hij het Manna is Dat uit de hemel is neergedaald? Nee, dit gaat te ver. En in hun blindheid en vijandschap breken ze met Hem. Ze gaan weg.

Zo komen we bij onze derde gedachte. We gaan eerst zingen uit Psalm 139 vers 1:

 

               Niets is, o Oppermajesteit,

               Bedekt voor Uw alwetendheid.

               Gij kent mij, Gij doorgrondt mijn daân.

               Gij weet mijn zitten en mijn staan.

               Wat ik beraad, of wil betrachten,

               Gij kent van verre mijn gedachten.

 

Het gaat in deze preek over Jezus en het tijdgeloof van de schare. We hebben gezien dat de schare Jezus zoekt, maar ook dat de schare Jezus zoekt om de broden. In onze derde gedachte letten we op:

 

3. De schare verlaat Jezus

 

We lezen in vers 66: Van toen af gingen velen Zijner discipelen terug, en wandelden niet meer met Hem. Het leek zo mooi, maar het is niets. De schare zoekt Jezus. De mensen vinden Hem. Ze zijn enthousiast. Ze begroeten Hem met vreugde en blijdschap. Ze genieten van Zijn preken. Ze zijn gevoed door de broden. Wat is het leven met Jezus goed! Wat een grote Profeet is Hij en wat een heerlijke Koning. Maar Hem nodig hebben als Borg voor hun hemelhoge schuld? Nee. Eén plant met Hem worden in Zijn vernedering? Eén met Hem zijn in Zijn lijden en sterven? Eén met Hem zijn in Zijn opstanding? Een begeerte om heilig voor Hem te leven? Buigen voor Hem? Je eigen leven verliezen, je kruis op je nemen, jezelf verloochenen en achter Jezus aankomen? Nee, dat willen ze niet. Dat nooit!

 

Gemeente, dat is het tijdgeloof. We lezen in vers 66: Van toen af… Dat wil zeggen: als Jezus door het uiterlijke teken van het brood hen wijst op de noodzaak van Zijn eigen offer, als Hij gaat spreken over Zijn priesterlijk borgwerk, de noodzaak om een Borg te kennen voor hun schuld. Vanaf dat moment gaan velen van Zijn discipelen weg. Ze zijn net als Orpa op de grens van Kanaän. Ze heeft samen met Ruth geluisterd naar de verhalen van schoonmoeder Naomi. Ze is meegereisd naar Israël. Ze heeft meegepraat en meegedaan. Ze is meegelopen met Gods kinderen. Dan komen ze bij de grens. Dan staat ze voor de keus: Moab of Israël. Ze huilt mee. Ze kust haar schoonmoeder. En ze kiest… Dan komt het openbaar: het is tijdgeloof. Net als bij de schare in Johannes 6. Ze keren als een hond terug tot hun eigen uitbraaksel. En ze zijn als de gewassen zeug, die terugkeert tot de wenteling in het slijk.

 

Van toen af gingen velen Zijner discipelen terug. Ze gaan terug. Ze verlaten Jezus. Velen van Zijn trouwe volgelingen, belijdende leden van de gemeente, keren Hem de rug toe. Hun bewondering, hun ijver en hun enthousiaste geloof is maar voor een tijd. Ze gaan weg. Ze gaan over tot de orde van de dag. Aangrijpend! De schare keert Hem de rug toe. Ze doen niet anders dan Adams diepe val uitleven en bevestigen: Wijk van ons, want aan de kennis Uwer wegen hebben wij geen lust. (Job 21:14)

In het oorspronkelijke staat een woord dat betekent: definitief afscheid. Ontzaglijk! In plaats dat de wereld en de zonde een definitieve afscheidsbrief krijgen, krijgt Gods Zoon die. Duizenden gaan weg. Zij verlaten de Zaligmaker. Velen Zijner discipelen. Gelukkig niet allemaal. Er zijn er die blijven, al is het een handje vol. Zij blijven bij Hem. Waarom? Omdat Hij geloof geeft, het ware geloof, en de genade om bij Hem te blijven en Hem te volgen. Zij hebben Hem ook als Priester nodig gekregen. Ook Zijn jongeren, al zijn ze er dan nog zo blind voor.

Als Jezus al die mensen weg ziet gaan, dan richt Hij Zich tot Zijn discipelen. We lezen in vers 67: Jezus dan zeide tot de twaalve: Wilt gijlieden ook niet weggaan? En dan antwoordt Petrus, ook namens de anderen: Heere, tot wien zullen wij heengaan? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens.

 

Gemeente, het komt er voor uzelf op aan. Onderzoekt uzelf of gij in het geloof zijt. (2 Kor.13:5) Waar hoort u bij? Wordt u vandaag aangesproken? Bent u ook zo godsdienstig? Zit het bij u ook aan de buitenkant? En bent u daarbij nog vreemdeling van Gods genade? Hebt u de Heere Jezus wel echt nodig? Niet alleen om de broden? De schare wil er zelf beter van worden. Deze mensen willen verzadigd zijn. Maar zij blijven vijanden van het kruis van Christus. De liefde ontbreekt.

U moet alles kwijtraken. U moet alles verliezen. U moet alles schade en drek achten. Zo komt u midden in de dood terecht en leert u uw leven te zoeken in Jezus alleen. Dan stemt u in met Petrus: Heere, tot wien zullen wij heengaan? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens. Ja, dat handje vol blijft. Dat is door God de Vader van eeuwigheid verkoren, door de Zoon gekocht en door de Heilige Geest toegebracht. Al is daar ook een Judas onder. Straks gaat de Meester dat zeggen. Maar zij die voor Gods rekening liggen, leren hongeren en dorsten naar Christus en Zijn gerechtigheid.

Waarom? Omdat ze in zichzelf en in deze wereld de hongerdood moeten sterven. Voor hen blijft er maar één redmiddel over en dat is de gerechtigheid van de Heere Jezus Christus. Zij zijn, net als de verloren zoon in de gelijkenis, omgekomen van de honger in dat vergelegen land. Maar God Zelf werkt door Zijn Geest de honger naar het hemelse Manna, Dat hen alleen verzadigen kan. En met alles buiten dit Manna, alles buiten Jezus, komen ze om. Zij zullen niet alleen in dit leven gevoed en verzadigd worden. Hier al wel in beginsel, maar straks voor eeuwig. Dan zullen zij verzadigd zijn met Zijn Goddelijk beeld.

 

Gemeente, verlangt u naar de Zaligmaker? Hebt u Hem nodig? Mag u door Gods genade met Petrus instemmen: Heere, tot wien zullen wij heengaan? Of zoekt u Hem, net als de schare, om de broden? Wees gewaarschuwd! U komt er eeuwig bedrogen mee uit.

Buiten Hem is immers geen leven, maar een eeuwig zielsverderf. Bij Hem zijn de woorden van eeuwig leven. Bij Hem zijn gedachten van welbehagen, van vrede en niet van kwaad. Bij Hem zijn de rommelende ingewanden van Goddelijke barmhartigheid. Bij Hem zijn de woorden van genade voor zondaren. In Hem is het eeuwige, zalige leven en dat voor hen die midden in de dood liggen. Voor hen wordt zalig worden een onuitsprekelijk groot wonder. Want dat kan nooit meer van hun zijde. Dat is onmogelijk. Maar hun leven en zaligheid ligt in Hem, Die niet alleen hun hoogste Profeet is en hun eeuwige Koning, maar óók hun enige Hogepriester!

Hij heeft met Zijn volkomen offer verzoening voor hen aangebracht en het eeuwige leven bij Zijn Vader. Maar Hij is niet in de dood gebleven. Hij is opgestaan. Jezus leeft, voor eeuwig! Zittend aan de rechterhand van Zijn Vader onderwijst Hij Zijn kinderen, dwaas en blind in zichzelf. Als Priester doet Hij verzoening voor hun zonden en is Hij hun Voorspraak en Voorbidder bij de Vader. Als Koning regeert Hij hen door Zijn Geest. Ook beschermt Hij hen in het strijdperk van dit leven.

Hij is het ware Brood des levens. De nodiging gaat nog uit: O alle gij dorstigen, komt tot de wateren, en gij, die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja komt, koopt zonder geld en zonder prijs, wijn en melk. Waarom weegt gijlieden geld uit voor hetgeen geen brood is, en uw  arbeid voor hetgeen niet verzadigen kan? Hoort aandachtiglijk naar Mij en eet het goede, en laat uw ziel in vettigheid zich verlustigen. Neigt uw oor en komt tot Mij, hoort en uw ziel zal leven; want Ik zal met u een eeuwig verbond maken en u geven de gewisse weldadigheden Davids. (Jes.55:1-3)

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 95: 5

 

Verhardt u niet; neemt Zijn genâ

Ootmoedig aan; laat Meriba,

Laat Massa u ten afschrik wezen;

Waar ‘k door uw vaders ben verzocht,

Toen alles, wat Mijn almacht wrocht,

Hen niet bewoog, om Mij te vrezen.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenbundel ‘Indien gij gelooft’ van ds. D.W. Tuinier (Uitg. De Banier, 2009).