Ds. J. Schipper - 1 Korinthe 15 : 8

Christus door Paulus gezien

Als laatste van allen
Als van een ontijdig geborene

1 Korinthe 15 : 8

1 Korinthe 15
8
En ten laatste van allen is Hij ook van mij, als van een ontijdig geborene, gezien.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 6: 1, 2
Lezen : 1 Korinthe 15: 1-11
Zingen : Psalm 51: 3, 7
Zingen : Psalm 32: 3, 5
Zingen : Psalm 68: 14

Geliefden, wij hebben het eerste gedeelte van 1 Korinthe 15 gelezen, en wij wilden nu in het bijzonder stilstaan bij het achtste vers, dus 1 Korinthe 15 vers 8:

 

En ten laatste van allen is Hij ook van mij, als van een ontijdig geborene, gezien.

 

Het gaat dus over: Christus door Paulus gezien.

 

Twee gedachten:

1. Als laatste van allen

2. Als van een ontijdig geborene

 

1. Als laatste van allen

 

Het zal in de jaren 50, 51 na Christus geweest zijn dat Paulus ongeveer anderhalf jaar gewerkt heeft in die grote stad Korinthe, de hoofdstad van Achaje. Daar heeft hij dus geruime tijd gewerkt. Korinthe was een bedrijvige stad. Het was een handelsstad, een havenstad. Het had een uitstekende ligging daarvoor: Italië in het westen, Azië in het oosten. Dat Korinthe lag dus heel gunstig voor de handel. Het werd niet voor niets genoemd ‘het oog van Griekenland’, de uitkijkpost van Griekenland. Meestentijds was de stad vol met kooplieden, die natuurlijk probeerden zoveel mogelijk geld te verdienen. Helaas moeten we zeggen dat het met de eerlijkheid en de zedelijkheid in die stad niet zo best gesteld was. Men nam het niet zo nauw. Korinthe was een zondige, goddeloze stad.

Er waren wel christenen. Mede door de arbeid van Paulus is die gemeente ontstaan. Die in een huisgemeente samenkomende christenen hadden het dan ook niet zo gemakkelijk, te midden van de bedreigingen van die goddeloze wereld. Dat was voor die jonge christengemeente heel wat. De verleidingen en de verzoekingen waren er ook toen in grote mate. Toch heeft de Heere ook in Korinthe willen werken door de dwaasheid van de prediking heen, en een gemeente willen vergaderen. De vrucht op de prediking van Paulus is onder de Joden aldaar niet zo groot geweest, al zijn er ook Joden vanuit de synagoge die zich bekeerd hebben tot het christendom. Maar dat aantal was niet zo groot. Wel waren er nogal wat heidenen die met het Evangelie in aanraking zijn gekomen en zich hebben bekeerd, althans, in die christelijke gemeente zijn terechtgekomen. Slaven en havenarbeiders kwamen over. Al met al werd het werk in deze grote stad gezegend, zelfs rijk gezegend, zodat men sprak over veel volk in deze stad (Hand.18:10). Dat zeiden ze vroeger ook van Rotterdam: veel volk in deze stad. We mogen geloven en hopen dat er nog een overblijfseltje is. Dus ‘veel volk’ mocht van Korinthe gezegd worden.

Waren dat allemaal edelen, machtigen, rijken? Nee, het waren over het algemeen arme mensen, ja, slaven, havenarbeiders. Het dwaze, het verachte, het zwakke heeft God uitverkoren, opdat het zich zou verwonderen over de werken des Heeren in hun leven. Het rijke en degenen die zich verhieven boven die armen, werden beschaamd. Maar dat dwaze en arme heeft God dus uitverkoren, opdat Hij het wijze en sterke beschamen zou.

 

Helaas moeten we ook zeggen, dat er in die jonge gemeente van Korinthe na het vertrek van Paulus heel snel misstanden werden waargenomen. Misstanden waren er te bespeuren, zelfs partijschappen en scheuringen. De een zei: Ik ben van Paulus. Een tweede zei: Ik ben van Céfas. Een derde: Ik ben van Apollos. En een vierde zei: Ik ben van Christus. Nu, dat begrijpt u wel, partijschappen, scheuringen, u kent dat helaas wel, en dat onder degenen die zo dicht bij elkaar staan en eigenlijk één zouden moeten zijn; daar gaan we maar verder niet op in. Maar toen waren er dus ook al een heleboel partijschappen, en dat is niet bevorderlijk voor de eenheid in de gemeente.

Bovendien slopen er allerlei zonden binnen, en de tucht werd veronachtzaamd. Daar moeten we ook als ambtsdragers altijd voor uitkijken, dat we het met de tucht niet al te gemakkelijk nemen. De tucht is niet voor niets ingesteld in de kerk. We hebben te waarschuwen, en moeten vermanen, enzovoort.

 

Paulus schrijft dus een brief, om die gemeente van Korinthe te waarschuwen en de christenen aldaar wat aanwijzingen te geven. U kunt daarvan lezen in hoofdstuk 5, dat Paulus een brief schrijft. Die brief is niet bewaard gebleven. Voor ons ligt de eerste brief aan de gemeente van Korinthe, maar eigenlijk is het de tweede brief aan de gemeente van Korinthe. Die eerste is dus niet in de canon opgenomen en bewaard gebleven. Maar deze brief, de eerste brief die eigenlijk de tweede is, heeft hij vanuit Éfeze geschreven in het jaar 53, bij zijn derde zendingsreis. Nu gaat Paulus in op enkele kwesties die hem zijn voorgelegd door de christenen uit de gemeente van Korinthe.

Paulus had al in die voor ons onbekende eerste brief wat aanwijzingen gegeven, maar er bleven kennelijk nog zoveel vragen en problemen over dat hij weer ingaat op die problemen, die met name verband houden met hun christen-zijn in de praktijk van het leven. Het betreft de praktijk van de godzaligheid, want het gaat natuurlijk om leer én leven. Hoe gaan we nu in de praktijk met de dingen om en met de leer om? Dat is voor ons persoonlijk natuurlijk ook belangrijk. Hoe sta ik in de samenleving, in de maatschappij? Hoe ga ik met andere mensen om? Hoe krijgt de leer in mijn leven gestalte? Onderschrijf ik niet alleen de dogma’s van de kerk (dat natuurlijk ook, want die moet je ook kennen), maar mag het werkelijk gaan leven, en mag mijn hart erbij zijn? Het gaat dus om leer en leven, de praktijk van de godzaligheid. De oude professor Voetius heeft daarover een groot werk geschreven, De praktijk van de godzaligheid. Hij liet zien hoe leer en leven, wetenschap en de ware hemelse wijsheid met elkaar verbonden moesten worden.

 

Maar Paulus gaat dus in op de kwesties die speelden in de gemeente van Korinthe. Wat voor kwesties zijn dat? Dat zijn eigenlijk wat wij noemen ‘ethische kwesties’. Het gaat over verdeeldheid, zedelijkheid, huwelijksproblemen, afgodenoffers, misstanden bij de maaltijden; al die dingen.

De eerste vraag bij hoofdstuk 15, het hoofdstuk over de opstanding der doden, zou dus kunnen zijn: waarom gaat Paulus na al die onderwerpen op ethisch gebied, ineens, zo plotseling, zonder nadere inleiding, spreken over Pasen en over al die verschijningen? Want daar gaat het over in hoofdstuk 15. Toch is dat antwoord niet zo moeilijk, want het feit van de opstanding der doden is ook een zaak die in Korinthe veel besproken werd. Dat was behoorlijk in discussie.

Wij moeten zeggen: vanouds zijn er veel twistgedachten geweest over die opstanding der doden, ook in de kerk. In de tweede brief van Paulus aan Timótheüs worden de figuren Hymenéüs en Filétus genoemd (hoofdstuk 2 vers 17). Dat waren er ook twee die de opstanding der doden louter geestelijk verstonden, en niet letterlijk. Zij zeiden: ‘Dat is alreeds geschied in dit leven.’ En dan te bedenken dat er in vers 13 van ons teksthoofdstuk staat: En indien er geen opstanding der doden is, zo is Christus ook niet opgewekt. Die twee houden dus met elkaar verband.

 

Maar nu wordt hier het Evangelie van de opstanding van Jezus dus door Paulus voorgesteld als een onaanvechtbaar, onaantastbaar getuigenis. Zo gaat hij het aan de orde stellen. Dat doet hij om de monden daar in Korinthe te snoeren. Het is, mensen, buiten kijf en het is niet ter discussie te stellen. De opstanding van Christus is een zekere waarborg voor de opstanding van Gods verkorenen, ten eerste uit de geestelijke doodsstaat, maar ook straks uit het graf bij de wederkomst van Christus op de wolken des hemels, op de jongste dag. Zij zullen opstaan, de lichamen zullen verenigd worden met de zielen. Dat, zegt Paulus, is onomstotelijk, onweerlegbaar. Dat wordt ook met de feiten gestaafd.

 

Hij gaat het onderstrepen met de opstandingsgetuigen, die hier genoemd worden. Echter, wat doet Paulus eerst? Hij geeft eerst een apostolisch getuigenis. Dat wil zeggen: gegrond op de Heilige Schrift. Dat zie je in vers 1: Voorts, broeders, ik maak u bekend het Evangelie, dat ik u verkondigd heb, hetwelk gij ook aangenomen hebt, in hetwelk gij ook staat. Dat Woord heeft toch wat gedaan onder u? Dat heeft ook wat gedaan in Korinthe, zeker, het mag heden ten dage gelukkig nog wel wat doen. Zolang de zon en de maan er zullen zijn, zal de Heere toch doorgaan met Zijn werk. Het welbehagen des Heeren zal gelukkiglijk voortgang vinden door Zijn hand. Het Woord heeft dus ook wat gedaan in Korinthe.

Maar als nu het Evangelie kracht gedaan heeft in uw leven, even persoonlijk, als dat nu echt kracht heeft gedaan in uw leven (als dat zo is, dan weet u dat), dan vraagt dat wel om herhaling. Dan is het niet zo dat je kunt zeggen: ‘Twintig jaar geleden heb ik de kracht van dat Woord ondervonden, en nu ben ik klaar.’ Nee, dat vraagt om herhaling en verdieping. Waar staat dat? Welnu, ik geloof al in vers 2. Het moet behouden en onderhouden worden, want, zo staat er in vers 2, door hetwelk gij ook zalig wordt, indien gij het behoudt op zodanige wijze als ik het u verkondigd heb, tenzij dan dat gij tevergeefs geloofd hebt.

Als het waarheid is, moet het behouden en onderhouden worden. Dat is nu steeds weer noodzakelijk. Wat is steeds weer noodzakelijk? Mag ik het kort zeggen? De doorleving van de drie stukken: ellende, verlossing, dankbaarheid. De doorleving daarvan; steeds maar weer. Dat zijn dan niet gepasseerde stations, dat weet u, maar dat herhaalt zich in het leven van Gods kinderen. Ze moeten meer en meer zichzelf gaan leren kennen, maar moeten ook verdieping krijgen in datgene wat Christus gedaan heeft voor een arm volk, dat zichzelf niet helpen kan, opdat ze, als regel der dankbaarheid, in een nieuwe gehoorzaamheid met Hem zouden mogen wandelen. Ellende, verlossing, dankbaarheid.

 

Het geschonken geloof vraagt dus altijd om oefening des geloofs. Wanneer wordt het geloof geschonken? In het uur van de wedergeboorte. Maar dan moet het wel geoefend worden, wil het wat doen, wil het vruchten voortbrengen, wil het werkzaam zijn. Dat noemen we de oefeningen des geloofs. Het geloof vraagt om de oefeningen. Hoe anders zal er ooit opwas zijn in de kennis en in de genade van onze Heere Jezus Christus? Hoe zal er anders ooit iets van dat grote doel kunnen terechtkomen waarvan Johannes getuigt in zijn Evangelie (het is eigenlijk de kern van zijn Evangelie): Hij moet wassen, maar ik minder worden (Joh.3:30)? Dan moet die mens gaan verdwijnen en Christus moet meer en meer gaan verschijnen.

Het is toch niet: eenmaal bekeerd, altijd bekeerd? Nee, het vraagt om herhaling, staat hier; behouden en onderhouden. Ik geloof dat er een erfdeel op aarde is dat elke morgen als ze wakker worden, maar weer op de knieën gaan en vragen: ‘Heere, bekeer me, opdat ik bekeerd zal zijn.’ Ze komen ook maar niet verder. Ja, ze mogen wel eens verder geleid worden, maar toch, iedere keer weer is het: ‘Heere, ik heb een dagelijkse bekering van node, dat afsterven van de oude mens en de opstanding van die nieuwe mens.’ Want wat is bekering? Sterven en leven, die twee zaken. Het sterven, afsterven van de oude mens, en de opstanding van de nieuwe mens.

Het geloofsleven vraagt dus altijd om doorwerking. Als het goed is, staat dat niet stil, want die pijl ligt altijd weer verder. Je bent nooit uitgeleerd en af-bekeerd.

 

De gemeente van Korinthe heeft dus die prediking van Paulus aanvaard. Nu is het de vraag: zullen ze er ook bij blijven? Want als ze gaan afwijken op zo’n belangrijk, vitaal punt als de opstanding der doden, ja, dan moet het toch wel verkeerd aflopen.

In Korinthe zijn er mensen, gemeenteleden te vinden die beweren dat er geen opstanding der doden zal zijn straks op de jongste dag. Ik lees het in vers 12: Indien nu Christus gepredikt wordt, dat Hij uit de doden opgewekt is, hoe zeggen sommigen onder u dat er geen opstanding der doden is? Dan komt Paulus weer in beweging, en dan zegt hij dus, in vers 1: Ik maak u bekend… Dat heeft hij al eerder gedaan, dat heeft hij gedaan toen hij daar anderhalf jaar verbleef, in zijn eerste brief en ook nu weer: Ik maak u bekend… Hij gaat hen daaraan herinneren, in de verzen 3 en 4: Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; en dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften.

U voelt wel, Paulus gaat het onlosmakelijk verband aantonen tussen die twee zaken: opstanding van Christus en opstanding der doden. Als het één niet waar is, dan zal het andere ook vallen. Paulus gaat de wederopstanding der doden dus bewijzen door de opstanding van Christus. Dat is eigenlijk het centrale thema van zijn preek: opstanding van Christus. Hij heeft ook drie punten; als je die deelwoorden bekijkt in de verzen 3 en 4, dan heeft hij drie punten: gestorven – begraven – opgewekt. Dat is het hart, mensen, dat is toch de kern waar het om draait, Jezus Christus en Dien gekruisigd; gestorven, begraven, maar ook opgewekt! Dat zijn de dingen van het hoogste belang.

Het kruis en de opstanding zijn onopgeefbaar. In al de brieven van Paulus kom je dat ook tegen, dat staat centraal bij hem: kruis en opstanding. Want, zegt hij, ik heb ulieden ten eerste overgegeven hetgeen ik ook ontvangen heb.

Ten eerste. Dan gaat hij niet een soort opsomming maken van: ten eerste, ten tweede, ten derde; maar met ‘ten eerste’ bedoelt hij: dat is het belangrijkste, het voornaamste. Dat zijn de voornaamste dingen, dat zijn de hoofdpunten: gestorven – begraven – opgewekt. Dat zijn de grote heilsfeiten van Christus’ vernedering en van Zijn verhoging. Hij is gestorven op Goede Vrijdag, begraven op Stille Zaterdag, opgestaan op de Paasmorgen, de eerste dag van de week.

 

Nu, dat zijn mooie punten, Paulus, maar hoe kom je daar eigenlijk aan? Het antwoord van Paulus is ondubbelzinnig. Hij zegt aan het einde van vers 3, maar ook aan het einde van vers 4: naar de Schriften. Het is naar de Schriften. Hij verwijst dus, schriftuurlijk, naar de Schrift, wat vanzelf in de tijd van Paulus het Oude Testament is. Hij zegt: ‘Daar staat het; er staat geschreven; het is geschied; lees het maar na.’ In Jesaja 53 staat het toch, dat is eigenlijk het hart, de kern van het Oude Testament. Hellenbroek schreef De evangelische Jesaja. Met name Jesaja 53 gaat over de vernedering en ook al over de verhoging. Dat gaat dus over het hart van de zaak. In Daniël 9 staat het ook. In Psalm 22, een messiaanse psalm, wordt het al voorzegd: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? Daar wordt al voorzegd wat er gebeurt in de hof van Gethsémané: Maar Ik ben een worm en geen man, een smaad van mensen en veracht van het volk.

Al die zaken staan dus geschreven. ‘Kijk maar naar de Schriften’, zegt Paulus. Je hoeft niet te geloven op gezag van mensen, maar het staat in Gods Woord, en Christus bewijst Zichzelf. Het enige wat Paulus hier zegt, is dat hij overgegeven heeft hetgeen hij ontvangen heeft. Hij heeft het zelf uit Gods mond gehoord. U ook? Het is belangrijk dat je kunt zeggen: ‘Ik heb het zelf uit Zijnen mond gehoord.’ En als je dat niet gehoord hebt, moet je er wel naar staan. Dus niet horen van je buurman of zo, maar het gaat over: ‘Ik heb het zelf uit Zijnen mond gehoord’, om dat bezoek van boven te mogen ontvangen, dat de Heere je apart gaat nemen. ‘Ik heb het zelf uit Zijnen mond gehoord.’ Leeft dat in ons hart, gemeente?

 

Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven hetgeen ik ook ontvangen heb. Paulus heeft het gehoord. Hoe hij dat precies gehoord heeft, staat er niet bij, maar het is wel gebeurd. Daar kon Paulus niet van zwijgen. Bovendien was het zijn roeping om te getuigen. Hij kon er niet van stilhouden. Paulus begint in dit hoofdstuk met de bewijzen vanuit de Schrift, en pas daarna gaat hij spreken over de verschijningen. Dat kunt u hier lezen. We zouden kunnen zeggen: hij is eerst voorwerpelijk bezig, en dan onderwerpelijk. Hij is eerst objectief bezig en dan subjectief. Dan gaat hij de personen erbij halen die het zelf hebben ervaren, die Christus hebben ontmoet.

Eigenlijk is dat een richtlijn voor alle predikers van alle tijden, eeuwen en plaatsen. Het gaat dus niet alleen om datgene wat Christus voorwerpelijk heeft aangebracht, door Zijn lijden en sterven en door de opstanding uit de doden enzovoort, maar het gaat erom dat dat onderwerpelijk, bevindelijk, met mijn hart gestalte gaat krijgen in mijn leven. Het gaat over onderwerpelijk en voorwerpelijk, schriftuurlijk en praktikaal, opdat Gods kinderen Hem zullen kennen in de gangen van de vernedering, maar ook in de trappen van de verhoging. Ze zullen daar nooit in uitgeleerd raken. Ze hebben altijd weer onderwijs nodig, zoals Maria aan de voeten van Jezus zit, daar in Bethanië, in dat huis van Maria, Martha en Lázarus, onderwijs ontvangende. Maria kan er niet genoeg van krijgen. Hoe meer onderwijs ze krijgt, hoe meer ze dat Woord nodig heeft, en die profetische bediening en die priesterlijke bewogenheid.

 

Paulus zegt: ‘Het is een onweerlegbaar getuigenis.’ ‘Bovendien’, zegt hij, ‘zijn er de getuigen. Vraag het maar aan hen.’

‘Hoe weet u het dat Jezus Christus uit de doden is opgestaan?’ ‘Welnu’, zegt zo’n getuige dan, ‘ik heb Hem ontmoet… Nee, Hij heeft Zich aan mij vertoond.’ Dat is anders, hè; Hij heeft Zich aan mij geopenbaard; Hij heeft Zich aan mij bekendgemaakt. Want het gaat altijd weer, gemeente, van Hém uit. Hij is de Eerste, het Begin, de Alfa, en ook de Laatste.

Eerst zegt Hij: Gij zijt Mijn volk, en dan zal dat volk vanuit de wederliefde uitroepen: O, mijn God (Hos.2:22). Maar Hij is de Eerste: Gij zijt Mijn volk. De toerekening gaat dus aan de aanneming vooraf, en de toe-eigening volgt altijd op de verzekering van de Heilige Geest. Wij hebben Hem niet uitverkoren, maar Hij heeft die zondaren verkoren. Hij maakt hen gewillig op de dag van Zijn heirkracht. Die liefde van boven zal hen doen overbuigen, want daar kun je niet tegenop. Als Hij die liefde gaat betonen in het hart, o, dan is het ook: O, mijn God. De liefde die van Hem afkomstig is, zal ook tot Hem doen uitgaan, zeker, dan is er de schreeuw naar de levende God.

Ja, er zijn er natuurlijk wel meer die geschreeuwd hebben. Ezau heeft ook geschreeuwd, met een zeer bittere schreeuw, en Kaïn ook, en Judas heeft ook geschreeuwd, maar ze schreeuwden niet vanuit een levend gemis tot de levende God. Hoe noodzakelijk is het dan altijd weer, ook voor onszelf, om consciëntiewerk te onderscheiden van het waar zaligmakende werk des Geestes. Dan heb je dus ook die Geest nodig, Die in alle waarheid leidt; in de waarheid van de diepte van je val, maar ook in de waarheid van de rijkdom van Gods genade, die in Christus verwezenlijkt is.

 

Dan noemt Paulus een grote reeks van opstandingsgetuigen. Eerst wordt daar genoemd Céfas. En dat Hij is van Céfas gezien. Dat is Petrus, die als een kroongetuige, de representant van al de discipelen genoemd wordt. Hij vertegenwoordigt eigenlijk al de discipelen, want hij was toch altijd de eerste. Hij stond meestentijds een beetje vooraan. Maar goed, Petrus wordt hier genoemd, Céfas. Dat is heel wat geweest, hoor, toen Petrus na de opstanding door de Heere apart genomen werd. Daar is verder ook niet over uitgeweid in de Schrift, maar dat zal wat geweest zijn! Want toen moest het weer vlak komen tussen Christus en Petrus, na de verloochening in de zaal van Kájafas. Maar dat is goed gekomen, dat weten we, hij is ook hersteld in zijn ambt. Petrus, hebt gij Mij lief?, vroeg Christus, tot drie keer toe. Hij is dus van Céfas gezien, zo staat er. Die wordt als de kroongetuige voorop gezet.

Vervolgens van de twaalve, staat er in vers 5. Dat zijn natuurlijk de discipelen, de kleinere kring van discipelen rond Jezus, die met Hem gingen in de omwandeling over de aarde. Het waren er toch geen twaalf meer? Judas is afgevallen, Thomas was er ook eventjes niet bij… Nee, maar ‘de twaalve’ is een begrip, net als ‘de elve’. Maar ‘de twaalve’ wordt ook wel gebruikt, ook al waren het er geen twaalf meer. Dat is dus de kleinere kring van de discipelen. Die worden ook genoemd.

Meer dan vijfhonderd broederen op eenmaal, worden ook genoemd. Dat zijn dus vele discipelen geweest. In één keer, op eenmaal heeft de Heere hen ontmoet. Er staat in kanttekening 15: ‘Wanneer dit geschied is, wordt van de evangelisten niet beschreven. Sommigen menen dat het geschied is op de Olijfberg, als Hij ten hemel opgevaren is. Anderen menen dat dit geschied is in Galiléa, waar Hij vele discipelen had.’ Maar goed, het zijn vijfhonderd broederen in eenmaal.

Vervolgens wordt Jakobus genoemd, waarschijnlijk de broeder des Heeren. Dan worden ook nog al de apostelen genoemd, dus de wat bredere kring van apostelen, veel breder dan die ‘twaalve’. Ook aan hen heeft Hij Zich vertoond.

 

Ik mis nog wat; u ook? De vrouwen staan er niet bij. Die zijn toch ook getuigen geweest? Ja, de vrouwen staan er niet bij. Misschien heeft dat te maken met het feit dat het in Paulus’ dagen niet de gewoonte was om vrouwen als getuigen naar voren te brengen. Hij heeft hen in ieder geval niet genoemd. Ze waren natuurlijk wel getuige.

 

En dat zijn ze dan. Allemaal? Nee, er is er nog één, Paulus zelf, want er staat dus in vers 8: En ten laatste van allen is Hij ook van mij, als van een ontijdig geborene, gezien. Dan spreekt hij zo persoonlijk, zo vanuit zijn hart, dat nu God hem er ook bij gezet heeft. Dan is hij wel vol van ootmoed, gemeente. Ten laatste, zegt hij. Ik was de laatste van al die getuigen. Hij heeft zichzelf ook achteraan geplaatst, de laatste van de apostelen, ook de laatste van al die verschijningen. Maar hij is er bij gezet; op de valreep, jawel, maar hij is er bij. Als een onwaardige, als een verachte, maar hij mag er bij zijn. Dat is zo’n wonder geworden voor Paulus.

Ook van mij, staat er. In het Grieks staat er één woordje, ‘kamoi’, zélfs van mij. Het staat in het Grieks achteraan: ook van mij. Wat een wonder voor Paulus! Het is tot beschaamdheid en tot verwondering geweest in zijn leven. Het was wel laat, maar niet té laat, en dat voor zo een!

 

U weet, alle verschijningen van de Heere Jezus na de opstanding hebben plaatsgevonden vóór de hemelvaart, en daarna niet meer. Dat kun je ook niet meer verwachten, want de discipelen enzovoort moesten – dat heeft Hij ook gezegd – uit het geloof leren leven, niet door aanschouwen. Er vonden toen dus geen verschijningen meer plaats. Daarna was er echter één uitzondering, Paulus, en dat door middel van een buitengewone verschijning, namelijk vanuit de hemel.

U kent de geschiedenis, als hij op weg is naar Damascus om de hele zaak uit te roeien, dan krijgt Paulus de schuldbrief thuis. Want zo begint het toch, dan krijg je de schuldbrief thuis. Saul, Saul, wat vervolgt gij Mij? (Hand.9:4) En dat is naar binnen geslagen. Toen werd hij van een geopenbaarde zondaar een gearresteerde zondaar. God begeerde Paulus te hebben als kind en als knecht, en toen is waar geworden wat de profeet zegt: Ik ben gevonden van hen die naar Mij niet vraagden, Ik ben gevonden van degenen die Mij niet zochten (Jes.65:1).

 

Is dat voor ons ook al waar geworden, dat we van een vijand een vriend zijn geworden door Goddelijke genade? Saulus werd ontkleed. Als een onwaardige is hij voor de Heere ingevallen. Hij kende God niet, hij diende God niet, ook al wist hij nog zoveel van godsdienst en allerlei dingen. Toen moest hij sterven aan zijn eigen ik, aan zijn hoogmoedige bestaan, en ging hij vragen stellen, als een onwetende. Zijn wij al een onwetende geworden, mensen die het niet meer weten? Die gaan vragen stellen.

Paulus doet dat ook. De eerste vraag die hij stelt, is: Wie zijt Gij, Heere? (Hand.9:5) Wie zijt Gij? De tweede vraag: Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal? (vers 6) De eerste vraag is een vraag naar de rechtvaardiging, naar de Persoon: Wie zijt Gij? De tweede vraag is een vraag die te maken heeft met heiligmaking: Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal? Het gaat dus niet meer om zijn eigen wil, maar hij gaat naar de wil des Heeren vragen. We zien dat in de weg van de schulddoorleving en de schulderkenning, ook de schuldvergeving plaatsvindt.

 

Maar nu de tweede gedachte; we gaan eerst nog zingen van Psalm 32 de verzen 3 en 5:

 

’k Bekend’, o Heer’, aan U oprecht mijn zonden;

’k Verborg geen kwaad dat in mij werd gevonden;

Maar ik beleed, na ernstig overleg,

Mijn boze daân; Gij naamt die gunstig weg;

Dies zal tot U een ieder van de vromen,

In vindenstijd, met ootmoed smekend, komen;

Een zee van ramp moog’ met haar golven slaan,

Hoe hoog zij ga, zij raakt hem zelfs niet aan.

 

Wil toch niet stug, gelijk een paard, weerstreven,

Of als een muil, door domheid voortgedreven;

Gebit en toom, door ’s mensen hand bestierd,

Beteug’len ’t woest en redeloos gediert’;

Laat zulk een dwang voor u niet nodig wezen.

Wie God verlaat, heeft smart op smart te vrezen;

Maar wie op Hem vertrouwt, op Hem alleen,

Ziet zich omringd met Zijn weldadigheên.

 

2. Als van een ontijdig geborene

 

Christus heeft Zich dus aan Paulus getoond op een buitengewone wijze, als van een ontijdig geborene. Als in de misgeboorte; eigenlijk niet levensvatbaar, zouden we zeggen, veel te vroeg. Paulus achtte zich ook onwaardig, onbekwaam om bij die reeks van getuigen geplaatst te worden. Onwaardig vergeleken bij de apostelen, de discipelen die met de Heere Jezus waren omgegaan. Hij had dat niet meegemaakt. Hij was veel minder dan die discipelen. Die kenden Hem, Zijn profetische bediening en ook iets van Zijn priesterlijke arbeid, al was het niet allemaal even goed doorgedrongen, maar toch. Als hij zich dan vergelijkt met die discipelen, dan heeft hij geen persoonlijke omgang gehad met Jezus. Hij heeft Hem vervolgd. Hij was geen volger, maar een vervolger. Vandaar ‘ontijdig’, op een voor de mens onmogelijke tijd. Eigenlijk kon het niet. Wat zegt de kanttekening? Er staat in kanttekening 20 dat het plotseling was, een ‘haastige en onverwachte bekering en beroeping, die beschreven wordt in Handelingen 9, en geschied is nadat de Heere Christus ten hemel gevaren was, en omdat hij Christus tevoren had vervolgd.’ Daarom is het ook een ontijdige geboorte.

De verschijning zelf was niet ontijdig, hoor, want alles geschiedt op Gods tijd. Dan zeggen wij: Nou, dat is te vroeg, of te laat, of… Nee, op Gods tijd, dus die verschijning zelf was niet ontijdig. De Heere doet alles op Zijn tijd, naar de raad van Zijn wil, en naar Zijn soeverein welbehagen, dat geldt hier ook. Maar als Paulus als mens dat vergelijkt met die andere discipelen, dan zegt hij: als van een ontijdig geborene, want het geschiedde in mijn brute vijandschap, terwijl ik de discipelen vervolgde en wilde uitroeien in Damascus. Dat was dus onvoorbereid aan mijn kant. Ik was misvormd door duizenden van zonden, en ik was opstanding en vijandig, en ik haatte Jezus van Nazareth, en toch kwam Hij. Onwederstandelijk, krachtdadig, zeker.

 

Bij een ontijdige geboorte van een kind is het een dubbel wonder als dat kind blijft leven. Als dat het geval is, dan heb je er ook dubbele zorg voor nodig. Zo’n kind heeft dubbele zorg nodig. Paulus is geestelijk geboren door het onmogelijke heen. Er staat in vers 9: Want ik ben de minste van de apostelen, die niet waardig ben een apostel genaamd te worden, daarom dat ik de gemeente Gods vervolgd heb.

O, Paulus is zondaar voor God geworden, maar hij heeft ook de wapens van verzet mogen inleveren. Dat is een groot voorrecht. Als een blinde bedelaar is hij aan de troon der genade terechtgekomen. Toen zijn ogen geopend werden voor wie hij was voor God, is hij blind geslagen, op die weg naar Damascus. In figuurlijke zin gingen zijn ogen dus open, en letterlijk werd hij blind geslagen. Hij moest sterven.

 

Kennen we dat, te moeten sterven? Dat het sterven mag worden voordat het sterven wordt. Dat geschiedt langs de weg van het wonder der wedergeboorte, langs de weg van de waarachtige bekering. Dan is er zelfkennis, dat ik een zondaar ben, een buitenstaander in de beleving, veroordeeld. Ach, dan is er niet veel goeds te verwachten. Maar het komt aan op die drieërlei kennis, mensen.

Arend Baan, een ouderling in Rijssen in de eerste helft van de twintigste eeuw, zei meestal aan het einde van zijn gebed: ‘Dat we maar beschaamd en verlegen mochten worden, Heere.’ Want die man had drieërlei kennis mogen verkrijgen: zelfkennis, Godskennis, maar ook Christuskennis.

Dan worden we veroordeeld. Natuurlijk niet meer zoals Paulus op de weg naar Damascus enzovoort, want de Heere werkt door Woord en Geest, maar dat we zo mochten verdwijnen met al onze hoogmoed. Dat is namelijk het plaatsmakende werk voor Hem Die de Weg, de Waarheid en het Leven is. Dan gaan we eerst de schuld inleven. Dan wordt zonde zonde, en schuld schuld. Bij Paulus is het allemaal wel heel snel gegaan, zouden wij zeggen, en dat is ook zo. Er is heel weinig tijd tussen het moment dat hij de schuldbrief thuis kreeg en de kennis van Christus. De toeleidende weg, zeggen we dan, is bij Paulus wel heel kort. Dat is meestentijds niet zo, daar kunnen heel wat jaren overheen gaan, tussen de eerste indrukken en de kennis van Christus in de volle openbaring. Daar kan heel wat tijd en moeite overheen gaan. De wegen zijn dus verschillend, maar als Hij komt, dan brengt Hij alles mee, en dan is het ook tot eer en verheerlijking van Zijn grote Naam.

Waar die opgestane Koning verschijnt, daar moet de dood wijken. Dan is het: ik zag Hem… Nee, Hij zag mij. Dat is het wonder van Goddelijke genade.

 

Paulus gaat getuigen in vers 10: Doch door de genade Gods ben ik wat ik ben; en Zijn genade die aan mij bewezen is, is niet ijdel geweest, maar ik heb overvloediger gearbeid dan zij allen; doch niet ik, maar de genade Gods die met mij is. Genade overwint. Maar toch, hij blijft de minste van de apostelen. Zo heeft hij dat ervaren. Hij heeft het ook geschreven en gezegd. Wij hangen liever niet de vuile was buiten, en we willen onze stand een beetje ophouden, maar genade doet bukken en buigen, gemeente. Dat doet ook de onwaardigheid inleven. Dan word je klein, dan word je eerlijk.

Paulus wist dat hij een vervolger was, dat is hij nooit vergeten. Al is de zonde, de schuld daarvan wel vergeven in zijn leven, hij is het natuurlijk nooit vergeten. Dat heeft hem ook altijd aan de grond gehouden. Dat is ook noodzakelijk in het leven van Gods kinderen, dat ze goed beseffen: waar kom ik vandaan? Dat ze zich niet op hun bekering en hun nette kerkelijke leven gaan verheffen, maar: waar heeft de Heere me opgeraapt? Wie was ik, en wie ben ik, en wie blijf ik? Dat u gaat inleven wie u was, en op de weg der heiligmaking maar armer en minder wordt in uzelf, en dat Hij op het hoogst verhoogd wordt.

 

Waarom zou Paulus zo persoonlijk zijn over die ontmoeting en over zijn roeping? Dat doet hij ook om de Korinthiërs (want hij schrijft deze brief aan de gemeente van Korinthe) ervan te overtuigen dat de prediking van de opstanding van Christus door hem, dezelfde prediking is als van al de andere getuigen die hij aanhaalt. Het geloof in de opstanding van Christus is de kern van de zaak.

Is dat voor ons ook de kern van ons leven? Van nature, moeten we zeggen, is dat leven uit Hem en door Hem en tot Hem, niet aanwezig. We zijn immers van God afgevallen en afgeweken, met een eeuwige afwijking, om nooit meer terug te keren, tenzij we van nieuws geboren worden. Onze ogen moeten ervoor geopend worden, opdat we ook gaan hongeren en dorsten naar Christus en Zijn gerechtigheid, en we geen rust vinden buiten Hem in allerlei zaken. Wat een kostelijke gestalte als je jezelf mag leren kennen zoals het hier staat, als een ontijdig geborene, als de laatste, als de minste.

‘Ja, maar er is maar één Paulus…’ Ja, wacht even, Lydia heeft dat ook wel ervaren, hoor. ‘Lydia had toch een heel andere bekering?’ Ja, inderdaad, de weg was anders, maar zij heeft zich ook wel leren kennen als de minste, als de grootste der zondaren. Zij zat bij die vrouwen aan de rivier, en toen ging Paulus preken, en toen sprak de Heere door middel van Paulus tot haar, en toen werd haar hart geopend. Toen ging ze acht nemen op het woord dat de Heere tot haar sprak. Wat dacht u, toen is ze wel de minste geworden, hoor. Voor zo een! Wat een verwondering!

Allen worden afgesneden van Adam, ingelijfd in Christus, en nu komt het er zo persoonlijk op aan. Dan ga je de vraag stellen zoals Paulus gevraagd heeft: Wie zijt Gij, Heere? Want je moet Hem leren kennen. ‘Ik lig buiten U.’ Paulus heeft Hem gezien, die opgestane, verhoogde Borg, die triomferende Koning, want Hij heeft getriomfeerd over de oppervlakkige godsdienst van Paulus. Hij heeft getriomfeerd over de vijandschap van Paulus. Hij heeft getriomfeerd over de eigengerechtigheid van Paulus. Toen mocht Paulus een weg zien bij God vandaan, een weg van boven naar beneden, uitgedacht vanuit de stilte der eeuwigheid.

Want de Kerk wordt zalig met behoud van het Goddelijk recht. Het zal zijn tot opluistering van Zijn Goddelijke deugden. Er zijn onderhandelingen geweest in de stilte der eeuwigheid tussen die Goddelijke Personen. Daar heeft de Vader geëist, maar daar heeft ook de Zoon beloofd: ‘Zie, Ik kom, o God, om Uw wil te doen. Ik zal Mij met Mijn hart borg stellen voor dat doemwaardige volk.’

 

Welnu, dat we om ontdekkend licht mochten vragen, gemeente. We kunnen niet zeggen: ‘Ik ben gedoopt, ik heb belijdenis gedaan, ik geloof en ik ga naar de hemel…’ Onze belijdenis reikt niet verder dan de dood. Denk eens aan die vijf wijze en die vijf dwaze maagden. Ze leken sprekend op elkaar, het waren allemaal maagden, ze hadden allemaal lampen bij zich, en ze vielen ook nog allemaal in slaap. Je zou zeggen: ‘Er is geen verschil.’ Maar toen het eropaan kwam, hadden de wijze maagden olie in de vaten, maar stonden de dwaze maagden voor de deur te bonken en te roepen, maar ze konden er niet meer in. Het was te laat. Als Hij sluit, wie zal dan openen? Maar ook: als Hij opent, wie zal dan sluiten?

 

Die drieërlei kennis is zo nodig. Ach, en dan te kennen: gestorven, begraven en opgewekt.

 

Volk des Heeren, wat is er veel in die opgestane Christus te vinden! Veel? Alles. Christus is Alles, maar dat dan in ons ook de begeerte mocht opgewekt worden om Hem meer en meer te leren kennen. Wast op in de genade en kennis van onze Heere en Zaligmaker Jezus Christus (2 Petr.3:18). Dan wordt Hij verhoogd en de mens op het diepst vernederd.

Dat moge de vrucht zijn van Pasen, dat moge Pasen uitwerken in ons leven. En dan elke dag maar weer dat hongeren en dorsten naar die nadere kennis, naar Hem, de openbaring van dé Weg en van dé Waarheid en van hét Leven. Hij wilde Zichzelf neerbuigen over een ontijdig geboren kind, liggend op het vlakke van het veld, vertreden zijnde in zijn geboortebloed, met een zekere dood voor ogen. En dan komt Hij, en Hij zegt: Ik leef en gij zult leven (Joh.14:19). Ik zeide tot u in uw bloed: Leef; ja, Ik zeide tot u in uw bloed: Leef (Ez.16:6). Want deze, zo heeft Hij ook ten aanzien van Paulus gezegd, is Mij een uitverkoren vat (Hand.9:15).

En dan te mogen getuigen, zoals Paulus getuigd heeft: En ten laatste van allen is Hij ook van mij, als van een ontijdig geborene, gezien. Gestorven, begraven en opgewekt!

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 68:14

 

Uw God, o Isrel, heeft de kracht

Door Zijn bevel u toegebracht.

O God, schraag dat vermogen;

Versterk hetgeen Gij hebt gewrocht,

En laat Uw hulp, door ons verzocht,

Uw volk voortaan verhogen.

Dan passen, Uwen Naam ter eer,

Om Uwes tempels wil, o Heer’,

De vorsten op Uw wenken;

Zij zullen U, van allen kant,

Zelfs uit het allerverste land,

Vereren met geschenken.