Ds. H. Paul - Filippenzen 1 : 9 - 11

Een gebed om meer genade

Overvloediger liefde
Een godvruchtiger wandel
Een rijker vruchtdragen door Jezus Christus

Filippenzen 1 : 9 - 11

Filippenzen 1
9
En dit bid ik God, dat uw liefde nog meer en meer overvloedig worde in erkentenis en alle gevoelen;
10
Opdat gij beproeft de dingen, die daarvan verschillen, opdat gij oprecht zijt, en zonder aanstoot te geven, tot den dag van Christus;
11
Vervuld met vruchten der gerechtigheid, die door Jezus Christus zijn tot heerlijkheid en prijs van God.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 25: 10
Lezen : Filippenzen 1: 1-11
Lezen : Hebreeën 5
Zingen : Psalm 1: 1, 2
Zingen : Psalm 119: 14
Zingen : Psalm 92: 7, 8

Gemeente, onze tekst vindt u in de brief aan de Filippenzen en daarvan het eerste hoofdstuk, de verzen 9 tot en met 11, waar we Gods Woord en onze tekst lezen:

 

En dit bid ik God, dat uw liefde nog meer en meer overvloedig worde in erkentenis en alle gevoelen; opdat gij beproeft de dingen die daarvan verschillen, opdat gij oprecht zijt en zonder aanstoot te geven, tot de dag van Christus; vervuld met vruchten der gerechtigheid, die door Jezus Christus zijn, tot heerlijkheid en prijs van God.

 

Onze tekst is: Een gebed om meer genade.

 

Daarin bidt Paulus om:

1. Overvloediger liefde

2. Een godvruchtiger wandel

3. Een rijker vruchtdragen door Jezus Christus

 

1. Overvloediger liefde

 

Onze tekst, gemeente, is uit de brief van de apostel Paulus aan Filippi. Daarheen is hij door de Heere geroepen, door een bijzonder gezicht dat hij ontving van een Macedonisch man: Kom over in Macedónië en help ons (Hand.16:9). Al was het door een onbegrepen weg heen, zodat Paulus en Silas in de gevangenis terechtkwamen. In de gemeente te Filippi is een gemeente gesticht. Daar heeft de Heere Zijn genade rijk verheerlijkt. Daar kwam de vrucht ook openbaar in de liefde tot de apostel en tot de dienst van de Heere. Daar was een nauwe, wederzijdse band. Paulus was bijzonder gehecht en verbonden aan de gemeente van Filippi.

Hij zegt: Want God is mijn Getuige, hoezeer ik begerig ben naar u allen met innerlijke bewegingen van Jezus Christus (vers 8). Ook bij de gemeente van Filippi was een hartelijke verbondenheid met hem en daardoor aan de dienst van de Heere. Hij zegt daarvan dat hij weet en verblijd is over de gemeenschap aan het evangelie, van de eerste dag af tot nu toe. Hij mag weten dat de Heere Zijn werk verheerlijkt heeft in het hart van deze Filippenzen. Daar is Gods genadewerk geopenbaard. We lezen: Vertrouwende ditzelve, dat Hij Die in u een goed werk begonnen heeft, dat voleindigen zal tot op de dag van Jezus Christus (vers 6). Er was een goed werk begonnen in die gemeente. Dat zal de Heere in stand houden, ondanks wat er tegen opkomt. Dat goede werk bestond in de waarachtige bekering en het geloof in de Heere Jezus Christus.

 

Maar uit het gebed dat Paulus voor de gemeente doet, blijkt dat hij verlangt dat hun nog meer genade wordt geschonken. Het is voor hun geloofsleven niet om het even hoe het ermee gesteld is. Het is in deze wereld niet om het even hoe hun handel en wandel is ten opzichte van de buitenwereld. Het is niet zo: één keer bekeerd, altijd bekeerd. Het is niet automatisch goed als God eenmaal het goede werk in ons begonnen heeft. Alsof het er dan eigenlijk verder niet meer op aankomt.

Het is opvallend dat de apostel Paulus de gemeente vermaant op te wassen in de genade en kennis van Christus en dat hij ook zo vaak voor hen bidt. Want Paulus was een planter en Apollos was een natmaker. Maar er was er maar Eén Die de wasdom kon geven, en dat is de Heere Zelf. Daarom had Paulus een biddend leven. Hij was een bidder geworden en hij was een bidder gebleven.

Als hij in Damascus is, lezen we van hem: Zie, hij bidt (Hand.9:11). Wat heeft hij toen geworsteld aan Gods troon om behoud, om verlossing, om zalig te kunnen worden. Maar hij is ook een bidder gebleven. Niet alleen voor zichzelf, maar ook voor de gemeenten waarmee hij zo hartelijk verbonden was.

 

We lezen het in deze brief. We lezen het ook in de voorgaande brief: Om deze oorzaak buig ik mijn knieën tot de Vader van onze Heere Jezus Christus, uit Welken al het geslacht in de hemelen en op de aarde genaamd wordt, opdat Hij u geve, naar de rijkdom Zijner heerlijkheid, met kracht versterkt te worden door Zijn Geest in de inwendige mens (Ef.3:14-16).

Dus hij verlangt dat de gemeente van Efeze gesterkt mag worden naar de inwendige mens. Dat wil zeggen dat het geestelijke leven in hen door de werking van de Heilige Geest mag worden versterkt.

We lezen het ook in de volgende brief, de brief aan de Kolossenzen. Daar lezen we in hoofdstuk 1 vers 9 en 10: Waarom ook wij, van die dag af dat wij het gehoord hebben, niet ophouden voor u te bidden, en te begeren dat gij moogt vervuld worden met de kennis van Zijn wil, in alle wijsheid en geestelijk verstand, opdat gij moogt wandelen waardiglijk de Heere tot alle behaaglijkheid, in alle goede werken vruchtdragende, en wassende in de kennis Gods.

Als het goed is zal elk plantje dat geplant is, groeien en zal het meerdere groei hebben. Zo is het ook in het geestelijke.

 

Het eerste waarom Paulus bidt, is dat de liefde meer en meer overvloedig mag worden. Hij zegt dus niet dat ze die niet hebben. Daarover heeft hij al eerder gesproken. Maar hij verlangt ernaar dat de liefde die er is, zal toenemen. Want de liefde is onverbrekelijk verbonden met het goede werk. Er zou van geen goed werk sprake kunnen zijn als er geen liefde bij was. Paulus zegt in 1 Korinthe 13 vers 1: Al ware het dat ik de talen der mensen en der engelen sprak, en de liefde niet had, zo ware ik een klinkend metaal of luidende schel geworden.

‘Dan was ik’, zegt hij, ‘een levenloos ding zonder liefde.’ Als er geen liefde is, dan is er ook geen sprake van geboorte van boven. Johannes zegt: Wij weten dat wij overgegaan zijn uit de dood in het leven, dewijl wij de broeders liefhebben (1 Joh.3:14). Dat is een onmiskenbaar kenmerk van het leven der genade; dat er liefde is tot God en liefde ook bijzonder tot hen die de Heere kennen en vrezen. Welnu, van die liefde wist Paulus bij de gemeente van Filippi. Dat kwam openbaar. Daarom vraagt hij niet of hun die liefde mag worden geschonken, maar of de liefde die er is meer en meer overvloedig mag worden in erkentenis en in alle gevoelen.

 

Philpot vergelijkt de liefde bij een stromende rivier. Hij zegt: ‘Dan kan Paulus het niet hebben als die stromende rivier een klein beekje worden zou, of die rivier zou uitdrogen.’

Elke rivier heeft nodig, telkens opnieuw, uit de bronnen water toegevoerd te krijgen. Denk aan de Rijn, ontstaan in Zwitserland, maar gevoed door de sneeuw en het ijs, en de zijrivieren in Duitsland. Daardoor stroomt de rivier de Rijn in ons land.

Zo verlangt ook Paulus dat die rivier van liefde in het hart van de Filippenzen in stand mag blijven. Ja, niet alleen in stand mag blijven, maar vermeerderd mag worden. Dat het steeds meer en voller zal worden. De rivier kan geen water hebben als er geen bronnen zijn. Zo ook de liefde niet.

 

Wat zijn dan die bronnen? Wel, Paulus noemt het in onze tekst. Hij zegt: En dit bid ik God, dat uw liefde nog meer en meer overvloedig worde in erkentenis en alle gevoelen. Dus dat zijn de bronnen waaruit de meerdere liefde voortvloeit. Als de bronnen toenemen, als er meer water uit ontspringt, zal de rivier van de liefde steeds rijker stromen. Dat is in de eerste plaats dus de erkentenis. In de tweede plaats: in alle gevoelen. Dat zijn als het ware de twee bronnen waaruit de liefde bij de voortduur toevloeit.

 

Wat is dat eigenlijk, ‘erkentenis’? En wat is dat eigenlijk, ‘in alle gevoelen’? Onze kanttekenaren helpen ons daarbij, als ze zeggen: ‘Erkentenis, dat is kennis van Goddelijke zaken, die ter zaligheid nodig zijn. En gevoelen, dat is inwendig gevoelen van het verstand, waardoor de Goddelijke zaken begrepen en onderscheiden worden.’ Het gaat in wezen over kennis en bevinding van God en Goddelijke zaken.

Als de kennis, de ervaringen en de beleving van Goddelijke zaken toeneemt, dan zal ook de liefde toenemen. Dan wordt die liefde meer en meer overvloedig.

 

Het eerste waardoor die liefde toeneemt en overvloedig wordt is dus meerdere kennis. Dat die kennis hier samengevoegd wordt met gevoelen, oftewel bevinding, betekent dat het zomaar geen oppervlakkige kennis is. Het is zomaar geen verstandskennis. Het is een goede zaak als er verstandelijke kennis van het Woord van God en van dogmatische waarheden is, maar dat wekt de liefde niet op. We kunnen de hele dogmatiek uit ons hoofd kennen, zonder dat ons hart vervuld is met liefde.

Daarom, het gaat hier over kennis die gewerkt wordt door de Heilige Geest. De kennis waarvan de Heere Jezus zegt dat dit het eeuwige leven is, dat zij U kennen, de enige en waarachtige God, en Jezus Christus Die Gij gezonden hebt. De kennis dus van de Goddelijke waarheden met toepassing voor ons eigen leven. Daarmee gaat ook de kennis van onszelf gepaard. Want er is geen Godskennis en geen Christuskennis zonder dat er ook kennis is van onszelf, van wie we zijn tegenover de Heere.

De apostel verlangt dat zij in die kennis zullen toenemen. Dat is ware geestelijke kennis. De oprechte verlangt die kennis te hebben. Paulus, die zoveel geleerd had, zegt: Opdat ik Hem kenne (Fil.3:10). Hij verlangt nog veel meer van de Heere Jezus te kennen. Zo zal degene die kennis ontvangen heeft van geestelijke zaken, nog meer verlangen oprechte geestelijke kennis te mogen bezitten. Kennis verkregen uit het Woord. Dat het Woord opengaat.

In ons leven hebben we een verlicht verstand nodig. We lezen het in de Efezebrief, in hoofdstuk 1, het achttiende vers: Dat Hij u geve verlichte ogen van uw verstand.

Het is kennis die alleen verkregen wordt op de leerschool van de Heilige Geest. Dan wordt het waarheid Wie de Heere is en wie ik in mijzelf ben, zoals Zijn Woord daarvan spreekt. Dan wordt God heilig en ik ben onheilig. Dan is God rechtvaardig en ik ben onrechtvaardig. Dan is God rein en ik ben onrein. Dan sta ik met die God in rekening. En tegenover Hem ontvangen we ook kennis van onszelf en leren we wat het betekent tegen God gezondigd te hebben.

 

Nu verlangt de apostel Paulus dat zij daarin zullen toenemen; dat die kennis meer en meer zal toenemen. De kennis van Wie de Heere is en daartegenover van wie ik ben, maar ook de kennis van de enige Zaligmaker Jezus Christus.

Gemeente, dat brengt liefde voort. Dat is er onverbrekelijk mee verbonden. Hoe meer kennis van Wie God is tegenover mij, mijn verlorenheid, mijn onwaardigheid, mijn goddeloos bestaan in mezelf, en Zijn lankmoedigheid en trouw daartegenover, hoe meer het hart verbroken wordt.

Dat doet de liefde toenemen. Dat kan niet anders. Dan is het zo'n groot wonder dat God naar zo één wilde omzien. In het bijzonder ook als het oog gericht is op de enige Zaligmaker Jezus Christus, Wien te kennen toch het eeuwige leven is. Wie Hij is, waartoe Hij Zich vernederde, waarvoor Hij kwam op deze wereld, wat Hij verlaten heeft, wat Hij wilde ondergaan, wat Hij gedragen heeft. Hoe Hij, als betalende Borg, alles voldaan heeft. Hoe Hij, als Borg en Zaligmaker, de weg ging van lijden en sterven. Dat Hij, zoals Hebreeën 5 er van spreekt, die gehoorzaamheid geleerd heeft en dat Hij alles volbracht heeft.

 

Als we ingeleid worden in die waarheid en de kennis van die waarheid mogen ontvangen met betrekking tot onszelf, dan vermeerdert de liefde. Dan kan het niet anders of dan is er vanuit het verbroken hart maar één verlangen; te doen wat de Heere vraagt. Wie veel vergeven is, die heeft veel lief. De Heere Jezus zegt het Zelf. En naarmate nu de meerdere kennis verkregen wordt van wat in Christus Jezus is tot behoud en zaligheid van zondaren, in die mate zal de liefde ook toenemen.

Daarom bidt de apostel Paulus de gemeente toe dat zij overvloediger mogen zijn in de liefde, die dáárdoor verkregen wordt. Niet zomaar als een gevoeligheid, maar vanuit de ware kennis van Wie de Heere is, Wie Christus is voor een arm, verloren zondaar. Daar ontspringt de liefde. Dat dringt tot hartelijke wederliefde. Ik zal U hartelijk liefhebben, Heere, mijn Sterkte (Ps.18:2).

Wanneer die vrucht ontbreekt, gemeente, is het alles inbeelding en is het alleen maar verstandelijke kennis. Dan mag je met je verstand beseffen Wie de Heere is als de drie-enige God, maar de liefde ontbreekt.

En daar gaat het om. Dat goede werk is onverbrekelijk verbonden met liefde. De apostel verlangt dat die zal toenemen.

 

Maar ook: In alle gevoelen. Dat is dan geen lichamelijk gevoel, maar een geestelijk gevoel. Een verklaarder zegt: ‘Het is een geestelijke ervaring van Goddelijke zaken, waardoor de goedheid der liefde Gods gevoeld en gesmaakt wordt.’ Er is hier dus sprake van geestelijke ervaring, rijkere bevinding. Daar komt het op neer: vordering in het leven der genade.

We hebben gelezen uit Hebreeën 5, waar staat dat de Hebreeën leraars behoorden te zijn vanwege de tijd, maar ze waren nog maar in de kinderstand. Want gij, daar gij leraars behoorde te zijn vanwege de tijd, hebt wederom van node dat men u lere welke de eerste beginselen zijn der woorden Gods; en gij zijt geworden als die melk van node hebben en niet vaste spijze. Want een iegelijk die der melk deelachtig is, die is onervaren in het woord der gerechtigheid, want hij is een kind. Maar der volmaakten is de vaste spijze, die door de gewoonheid de zinnen geoefend hebben tot onderscheiding beide des goeds en des kwaads (vers 12-14).

 

Dus ook in de Hebreeënbrief wordt de grote betekenis van het geoefend geloofsleven benadrukt. Geoefend in de kennis van Christus, in de kennis van zichzelf, in de bevindelijke kennis van de weg der zaligheid. Om meer en meer te horen de woorden Gods. Om meer en meer te smaken dat de Heere goed is en Hem te kennen door het geloof, in Wie alleen de zaligheid is.

Wast op in de genade en kennis van onze Heere en Zaligmaker Jezus Christus (2 Petr.3:18). Daarom, dat kennen gaat gepaard met meerdere oefeningen van het geloof. Dat geeft een vastere grondslag van de zaligheid. De rechtvaardige zal door het geloof leven. Dat doet afzien van zichzelf. Dat leert meer en meer steunen op de God van het verbond en meer en meer steunen op Wie de Heere is en in Zijn Woord toezegt te zullen zijn en blijven.

 

We meten vaak de Heere af naar onze gevoelens. Is het duister zal de Heere Zijn Woord niet waarmaken. Is het licht, dan kun je goed van de Heere spreken. Dan mag je spreken dat Hij getrouw is. Maar de geoefende, die meer de waarheid mag verstaan met toepassing voor zichzelf en er meer in geoefend is, meer ervaren is in de leer der waarheid, die krijgt een vastere gang in zijn leven.

Welnu, dat verlangt ook de apostel Paulus voor deze gemeente. Hij zegt: Dat uw liefde nog meer en meer overvloedig worde in erkentenis en alle gevoelen.

 

Dat goede werk, gemeente, komt openbaar in de liefde. En als de apostel Paulus dat schrijft aan de gemeente, mogen we ons wel eens afvragen: hoe ligt dat nu in ons leven? Kennen wij ook iets van die liefde? Kennen wij ook iets van die verbondenheid aan de Heere? Kennen we iets van dat verlangen om die kennis te vermeerderen? Verlangen we ook vaster gegrond te zijn op die enige grondslag van zaligheid; om op te wassen, toe te nemen in die enige kennis der waarheid, in de enige Zaligmaker Jezus Christus?

Dat zal de liefde doen vermeerderen.

 

We komen daarmee bij ons tweede aandachtspunt:

 

2. Een godvruchtiger wandel

 

Waarom is het zo belangrijk dat die liefde toeneemt, gemeente? Wel, die liefde is een belangrijke drijfveer. Die liefde is noodzakelijk om, wat onze tweede gedachte zegt, ook in praktijk te mogen brengen. De liefde te ervaren is een rijke genade. Maar die liefde dringt ook ergens toe. Dat is een bron van heiliging. Want rechtvaardiging en heiliging behoren bij elkaar. Daarom zegt de apostel: Opdat… Dat drukt een doel uit. Opdat gij beproeft de dingen die daarvan verschillen, opdat gij oprecht zijt en zonder aanstoot te geven, tot de dag van Christus; vervuld met vruchten der gerechtigheid.

Dat is de juiste bron om naar het Woord van God te handelen. Dat is geen wettische vroomheid. De liefde zoekt niet om door andere mensen gezien te worden, om te tonen wat een godzalige man of vrouw ik ben. Maar de liefde dringt om te doen wat de Heere vraagt.

Voor het leven van de gemeente, ook in zijn openbaring, is dat van zo’n grote betekenis. Daarom zegt de apostel Paulus: Opdat gij beproeven moogt de dingen die daarvan verschillen. Onze kanttekenaren wijzen er op dat het vertaald kan worden met ‘de dingen die uitnemend zijn’. De dingen die dus goed zijn, overeenkomstig het Woord van God zijn. Wij kunnen zeggen dat hiermee wordt gezegd, wat Paulus elders zegt: Beproeft alle dingen, behoudt het goede (1 Thess.5:21). Opdat gij moogt beproeven de dingen die daarvan verschillen, oftewel de dingen die uitnemend zijn.

 

Telkens worden we in ons leven voor een keus geplaatst, iets te doen of iets te laten. Dat geldt ieder. Dat geldt in het bijzonder Gods kinderen. We kunnen ons niet laten leiden door wat de wereld zegt of door wat ons verstand zegt. We kunnen ons ook niet laten leiden door wat gewoonte is in een bepaalde omgeving. Altijd dienen we ons af te vragen: is het naar het Woord? Dat ligt vaak heel moeilijk. Maar het is altijd het verlangen van de oprechte om te doen wat de Heere vraagt.

Welnu, dan zegt de apostel Paulus dus: ‘Beproeft de dingen die daarvan verschillen; beproeft de dingen die uitnemend zijn.’ Oftewel: streef na wat de Heere in Zijn Woord heeft voorgehouden en vermijdt datgene wat strijdt tegen het Woord.

 

Gemeente, van nature, wanneer de liefde ons hart niet vervult, gaan u en ik altijd kijken hoe ver we kunnen gaan. Dan leeft vaak in ons hart: hoe ver kan ik gaan, zonder dat ik nu echt zondig?

Dan gaan we vaak mee met de wereld of met andere mensen. Dat noemen we: ‘Het is op het kantje!’ In ons hart leeft het om mensen, om de wereld en ons vlees te behagen. Dat komt omdat wij liefhebbers zijn van onszelf en onszelf er niet voor over hebben. Dan richten we ons naar anderen, naar gewoonten, naar wat de wereld zegt.

Maar wanneer de liefde ons hart vervult, de liefde zoals ook hier de apostel Paulus zegt, dan krijgen we een andere koers. Dan krijgt de Heere de hoogste plaats in ons leven.

Dan verlangen we te laten wat niet overeenkomt met Gods Woord. Dan verlangen we dat alles onder de tucht staat van het Woord van God. Dat de Heere het voor het zeggen heeft. Dan is er een begeerte: ‘Wat wilt Gij dat ik doen zal?’

 

Dat moet telkens beproefd worden. Telkens worden we opgeroepen tot beproeving of het goede werk in ons verheerlijkt is. Onszelf beproeven uit welk motief ik iets doe en waarom ik iets doe. Handel ik uit de geest van de wereld of door de Geest Die uit God is? Handel ik uit trotsheid, uit een gekwetst eergevoel, uit wraak of hardheid? Of handel ik uit slappe toegeeflijkheid of mensenvrees? In dit alles is beproeving nodig.

De dichter van Psalm 139 zegt daarom ook: ‘Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart, beproef mij en ken mijn gedachten. Beproeft U mij, Heere. En zie of bij mij een schadelijke weg is, en leid mij op de eeuwige weg.’

Ik kan wel denken dat het niet zo erg is. Later zie ik dan ineens hoe ik op het verkeerde pad gekomen ben.

 

Daarom, als de liefde overvloedig wordt, dan dringt en drijft de liefde tot het doen van wat de Heere vraagt. Dan gaat het niet om de liefde tot mezelf, al raken we dat nooit kwijt. Dan gaat het niet om liefde tot de wereld, hoewel dat ook in ons hart leeft. Maar dan gaat het toch ten diepste om wat de Heere vraagt. Dan wordt de maatstaf van het Woord van God aangelegd. Dat is: God liefhebben boven alles en de naaste als onszelf. Dan leren we ons eigen leven te verliezen en dat bij de Heere te zoeken en te vinden. Opdat gij beproeft de dingen die daarvan verschillen. Dan worden we telkens voor een keus geplaatst. Dan dringt de liefde tot het vragen naar de wil van de Heere.

De liefde is voorzichtig. De liefde is teer. De liefde heeft iets gevoeligs. De liefde wil het voorwerp van de liefde niet kwetsen en niet bedroeven. Dat is in het natuurlijke zo, maar dan geldt het zeker ten opzichte van de Heere. Dat Zijn wil niet wederstaan wordt. Dan ben je voorzichtig. Dan verlang je eerder te laten wat misschien op de grens staat. Haat ook de rok die van het vlees bevlekt is (Judas:23).

Gemeente, als dat ons leven eens mocht kenmerken. Dat is geen wettische vroomheid. Dat is geen eigenbedoeling. Dat is niet: ‘Ik ben heiliger dan gij.’ Of: ‘Dat doen wij, mensen van de Gereformeerde Gemeente, niet.’ Daar gaat het niet om. Het gaat om: wat vraagt de Heere van u en van mij?

 

Paulus verlangt ernaar dat de gemeente van Filippi een gemeente is waarin de liefde overvloediger wordt. Waarin men dus beproeft en onderzoekt hetgeen de Heere behaagt. Wanneer dat ons hart vervult, dan heb je een behagen in de dingen Gods. Een behagen in Wie de Heere is en een behagen in de weg waarin de Heere zondaren zalig maakt. Dan trap je niet tegen de uitverkiezing aan. Dan zeg je: ‘Wat een wonder dat er nog genade mogelijk is voor zondaren!’ Dan verlang je niet zo ver mogelijk mee te gaan met de wereld. Maar dan verlang je te vragen: ‘Wat wilt Gij dat ik doen zal?’ Dat geldt ook voor hetgeen in ons huis is of binnenkomt. Dan ligt er altijd toch, als het goed is, de vraag wat de Heere daarvan zegt.

Paulus zegt: En wordt dezer wereld niet gelijkvormig, maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds, opdat gij moogt beproeven welke de goede en welbehagende en volmaakte wil van God is (Rom.12:2).

Dat is een profijtelijk leven. En toch is dat geen zwaar leven. Wat je uit liefde doet, doe je makkelijk. Liefde als drijfveer, maakt de arbeid licht. Dat maakt ook licht wat je nalaat. Dat maakt ook licht wat je op je neemt. Dat maakt de keus licht, om de Heere te vrezen, het allerhoogst en eeuwig Goed. Daar komt veel tegenop, van binnen en van buiten. Maar toch, waar de liefde de drijfveer is – en dat is de enige goede drijfveer – daar gaat het makkelijk, omdat de Heere het hart vervult.

Daarom, voelt u dat Paulus eerst begint bij de bron? Hij begint niet met een serie wetten: nu moet je zo en zo en zo leven. Hij begint bij de bron. En als het in uw en mijn leven mankeert, mankeert het aan de bron. Dan wordt het overheerst door de wereld en door de zonde.

 

Waar we het Hoofd Christus liefhebben, hebben we ook de leden lief. Dat komt ook tot uiting in de liefde tot de naaste, bijzonder tot de leden van het lichaam van Christus. Als wij die niet liefhebben, als wij de kinderen Gods niet liefhebben omdat het kinderen Gods zijn, dan is de liefde niet in ons.

Paulus zegt: Opdat gij beproeft de dingen die daarvan verschillen. Als dat beproefd wordt, dan is er een verlangen te doen wat de Heere vraagt en te laten wat de Heere in Zijn Woord verbiedt, dat God niet welgevallig is en niet tot eer van de Heere zijn kan.

 

Dan vervolgt de apostel: Opdat gij oprecht zijt en zonder aanstoot te geven, tot de dag van Christus.

Wij hebben het samen gezongen: ‘Laat d’ oprechtheid meer en meer, met de vroomheid mij behoên.’ Oprechtheid wil zeggen dat het het daglicht kan verdragen. Dat het open ligt voor God en mensen.

Onoprechtheid is de Heere een gruwel. De Heere Jezus zegt: Want een iegelijk die kwaad doet, haat het licht, en komt tot het licht niet, opdat zijn werken niet bestraft worden (Joh.3:20). Wie is bang dat hij bestraffing krijgt, laat niets zien en werkt in het verborgene. Maar de Heere Jezus zegt: Maar die de waarheid doet, komt tot het licht, opdat zijn werken openbaar worden, dat zij in God gedaan zijn (Joh.3:21).

 

De Heere zegt tot Abraham: Wandel voor Mijn aangezicht, en zijt oprecht (Gen.17:1). Oprecht handelen en wandelen. De liefde heeft ook die vrucht. De oprechte liefde verlangt ook oprecht te zijn voor God en mensen. Oprecht te zijn is een profijtelijke zaak. En naarmate de liefde meer het hart vervult, in die mate ook zal de oprechtheid het hart meer beheersen.

 

De apostel zegt: Zonder aanstoot te geven. ‘Aanstoot’ is eigenlijk: een struikelblok waarover een ander valt.

In Leviticus lezen we dat voor een blinde geen aanstoot op de weg mag worden gelegd waarover hij zou kunnen struikelen. Maar zo kun je ook anderen tot een aanstoot zijn. En dan bedoel ik dit, dat je de ander verhindert om naar de kerk te gaan.

Je kunt in handel en wandel zo zijn, dat anderen zich daardoor van de dienst van God afwenden. Dat ze zeggen: ‘Dát zijn mensen! ‘s Zondags naar de kerk, maar in de week…!’ Dat kan vijandschap zijn, maar daar kan ook wel eens een bittere ervaring aan ten grondslag liggen, dat ze zeggen: ‘Vroom in de mond, maar verder moet je niet komen!’ Dat is natuurlijk niet hetzelfde als gewoon ergernis geven. De dienst van God is een ergernis voor de wereld. Die mensen ergeren zich eraan dat mensen naar de kerk gaan. Ten diepste veroordeelt dat hun eigen leven.

Dat de Heere Jezus op de sabbat zieken genas en door het koren ging, wekte de ergernis op van de Joden. Die vonden Zijn wijze van sabbat houden niet overeenkomstig de wet.

U begrijpt, gemeente, dat is niet de ergernis waar het Woord hier van spreekt. Het gaat hier over de oorzaak zijn dat een ander zich van de dienst van God afwendt. Ergernis op de wijze die ik zo-even noemde, die kun je niet voorkomen. Je kunt je nooit richten naar de mensen. Maar het gaat er hier over of men een aanstoot is voor een ander.

 

Tot de dag van Christus. Dus Paulus betrekt alles op de toekomst waarin Christus wederkomt. De toekomst die nabij is. Dán zal alles openbaar komen, hoe ons leven is en wat voor vrucht het heeft afgeworpen.

De Heere Jezus zegt Zelf: Zalig zijn die dienstknechten welke de heer als hij komt, zal wakende vinden ( Luk.12:37).

Gemeente hoe zal hij ons vinden, als Hij wederkomt? Stel dat Hij vandaag eens wederkwam; hoe zou Hij ons vinden? Kan het lijden dat Hij vandaag wederkomt? Bovendien kan het ook vandaag de laatste dag zijn van ons leven. Dan is het voor ons de dag van Jezus Christus, de dag dat we rekenschap voor Hem moeten afleggen van ons rentmeesterschap.

 

Het is opvallend hoe vaak de apostel Paulus zijn knieën buigt en bidt voor de gemeente, dat dit leven der gemeente openbaar komt. Het is een bewijs dat hij daar zwaar aan tilt, dat hij het hoog acht. Nu is het door de Geest aan ons meegedeeld. Dan is het niet alleen Paulus, maar de Heere Zélf, Die er zwaar aan tilt. Mag ik het zo zeggen: het is de Heere Zelf, Die oproept daar acht op te geven.

Wij leven naar de dag van Christus. Laten we ons leven niet los zien van die dag. We hebben als natuurlijke mensen verleerd ons leven te zien tegenover de rechterstoel van Christus. Maar laten we het wel mogen leren. Dat kan nog.

Jongens en meisjes, we kunnen nog leren wat daartoe nodig is. De Heere geeft nog onderwijs. De Heere geeft dat onderwijs waardoor het ons verlangen wordt om te doen wat we nu samen zingen, uit Psalm 119 vers 14:

 

Och, dat ik klaar en onderscheiden zag,

Hoe ‘k mij naar Uw bevelen moet gedragen,

Uw wond’ren recht betrachten dag aan dag!

Mijn ziel druipt weg van treurigheid en klagen;

Ai, richt mij op, verander mijn geklag;

Wil naar Uw woord mij gunstig onderschragen.

 

3. Een rijker vruchtdragen door Jezus Christus

 

In de derde plaats, gemeente, is het gebed van Paulus om rijker vrucht te mogen dragen door Jezus Christus. Het elfde vers zegt ons: Vervuld met vruchten der gerechtigheid, die door Jezus Christus zijn, tot heerlijkheid en prijs van God.

Hij verlangt dus dat de gemeente vervuld zal zijn met vruchten der gerechtigheid. En als je dan vraagt: ‘Wat zijn dat, vruchten der gerechtigheid?’, dan zeggen onze kanttekenaren: ‘Dat betekent, der godzaligheid, der ware vroomheid en der nieuwe gehoorzaamheid.’ Paulus verlangt dat de gemeente vrucht zal dragen tot eer van de Heere, als een vruchtdragende boom vol zal zijn van vruchten. Hij zegt niet dat ze geen vrucht voortbrachten. Maar hij wijst op de noodzakelijkheid van de meerdere liefde, dat die meer en meer overvloedig worde.

Dan zal er een verlangen zijn om te doen wat de Heere vraagt: oprechtheid, geen aanstoot te wezen, maar ook vervuld te zijn met vruchten der gerechtigheid.

Dat zijn dus niet goede werken in eigen kracht, waardoor ik rechtvaardig zou zijn voor God. Als dat noodzakelijk was, gemeente, was het een verloren zaak. Onze beste werken zijn met zonden bevlekt. Ze zijn een wegwerpelijk kleed. Nee, Paulus had dat zelf wel geleerd. Hij heeft alles schade en drek leren achten toen hij zijn leven zocht in het doen wat de Heere behaagde, om daarmee zalig te kunnen worden. Dat heeft hij grondig afgeleerd. En daarom begrijpt u wel dat hij niet zal wijzen op vruchten der rechtvaardigheid in eigen kracht. Maar vruchten der gerechtigheid door Jezus Christus.

 

Wat zijn dan die vruchten? Wel, dat is de vrucht van de Heilige Geest. Dat is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, ootmoedigheid, zachtmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof. Hij verlangt dus dat de gemeente dat mag openbaren.

Net als een fruitteler, als hij in zijn boomgaard loopt, verblijd is dat de bomen goede vruchten dragen. Een rijk dragende boom, die rijk vruchten draagt, is een sieraad voor het oog.

En weet u wat dan opvalt? Als je een vruchtdragende boom ziet, dan hangen de takken allemaal naar beneden. Hoe meer vrucht aan de bomen hangt, hoe dieper buigen de takken. Dat heeft ons wat te zeggen. Dat is een buigen in ootmoed en verwondering. Dan wordt de vrucht van de Heilige Geest voortgebracht.

Paulus verlangt dus dat de gemeente rijk vrucht zal dragen, als met vruchten beladen bomen, zoals Psalm 1 daarvan spreekt. Telkens op tijd vrucht te dragen, in ootmoed, in verwondering over wat de Heere doet.

 

De vraag kan opkomen: overvraagt de apostel de gemeente nu niet? Kan dit óóit praktijk zijn met ons menselijk, verdorven bestaan? Kan iemand van de gemeente van Filippi ooit daaraan voldoen?

Maar in onze tekst staat: door Jezus Christus. Dat betekent: dit komt niet uit de Filippenzen zelf. Dat zijn vruchten die door Jezus Christus zijn, maar in hun leven openbaar komen. Dus de bron is Jezus Christus.

 

De Heere Jezus heeft de bekende gelijkenis uitgesproken van de wijnstok en de ranken; dat de rank geen vrucht draagt als hij niet in de wijnstok blijft. Die rank heeft, om vrucht te kunnen dragen, sappen nodig van de wijnstok. De rank moet er telkens weer uit putten. Hij kan dat geen ogenblik missen. Als hij afgehouwen is van de wijnstok, verdort de rank.

Daarom zegt de Heere Jezus ook: Die in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht (Joh.15:5). Dat is misschien wel vernederend, want wij mensen willen alles in onszelf hebben. Ook Gods Kerk zoekt vaak iets in zichzelf en is vaak zo verslagen van hart als ze doorlééft wie ze zijn en blijven voor de Heere. Dat is op zichzelf een goede zaak, als ze daar maar niet blijven staan. Want de Heere zegt: Uw vrucht is uit Mij gevonden (Hos.14:9).

 

Weet u wanneer we het nu in een Ander gaan zoeken? Wanneer we verstaan: ‘Uit u geen vrucht in der eeuwigheid.’ Dan gaan we het verstaan, wat de ware Bron is, ook van de goede werken, en dat uit ons geen vrucht meer kan voortkomen. Van zichzelf geen enkele verwachting, maar aangesloten op de Levensbron Jezus Christus, Die is gegeven tot wijsheid van God, tot rechtvaardiging en tot heiligmaking en tot een volkomen verlossing.

Dan wordt déze Jezus dierbaar voor een mens die in zichzelf alleen maar schuld heeft en alleen maar de macht van de zonde voelt, zonder zich daaraan te kunnen ontworstelen. Dan krijgt Hij waarde, Die gezegd heeft dat Hij gekomen is, niet om gediend te worden maar om te dienen. Dan mogen de lege handen uitgestrekt worden naar Hem, in Wie een volheid is en Die op deze aarde kwam als een machteloos Kind, om machtelozen en hulpelozen te redden.

 

Hij is de Held, bij Wie God hulp besteld heeft. Dan is er uitzicht, ook voor iemand die doorleeft wie hij is en blijft van zichzelf, zodat hij moet zeggen: ‘Heere, U hebt nog nooit enig plezier van mij gehad!’ Maar laat dat het laatste woord niet zijn. Het laatste woord is aan Hem: door Jezus Christus.

Paulus wijst de Filippenzen naar Hem, Die kwam om te dienen, Die de Levensbron is, de Wijnstok Zelf is, om uit Hém, uit Zijn volheid te ontvangen genade voor genade. Dat betekent ook dat zij de knieën moeten buigen, om uit Hém te ontvangen wat nodig is tot het dragen van vrucht.

Dat ligt zo buiten ons. Dat wordt wel verwerkelijkt in ons en door ons, maar niet als de oorzaak. En de liefde tot Hem, die gevoed wordt door de kennis van Hem, doet ook zoeken bij Hem wat nodig is om vrucht te dragen. Alles hangt met alles samen. Alles is uit Hem en door Hem en tot verheerlijking van Zijn Naam.

 

Want er staat ook: Tot heerlijkheid en prijs van God. De Heere heeft alles geschapen om Zijns Zelfs wil, tot verheerlijking van Zijn grote Naam. Dat is ook het verlangen van de Kerk op de aarde, om tot de eer van de Heere te mogen leven. Om aller zonden vijand te zijn en te doen wat de Heere vraagt. Dat wordt versterkt door die liefde.

 

Hoe meer de liefde overvloedig is, hoe meer ze versterkt wordt. Hoe meer de bron van ware kennis, van waar geoefend geloof en van de bevinding steeds meer nieuwe stof aandraagt, zal het verlangen zijn dat de rivier der liefde stromen zal.

Dat het geen beekje is dat dreigt uit te drogen. Dat zijn fonteinen waaruit telkens weer nieuwe liefdebronnen ontspringen. Hoe meer ware kennis, geestelijke kennis, hoe meer oefeningen der godzaligheid, hoe meer ook de liefde overvloedig worden zal en het verlangen zal zijn Gode vruchten te dragen.

En dan ook uit Hem. Want dan wordt ook verstaan dat in Hem alles is.

 

Paulus verwacht niets van de mens. Hij verwacht niets van zichzelf. Hij verwacht het van de Heere. Daarom bidt hij en buigt hij zijn knieën. Laten we dat toch op ons in laten werken, dat de apostel op zoveel plaatsen spreekt van zijn gebed dat het leven der genade in de gemeente mag worden vermeerderd. Het is een groot voorrecht en een rijke genade als het goede werk in ons begonnen is. Maar het is ook zo noodzakelijk dat dat vermeerderd wordt, dat het meer overvloedig wordt.

Dan komen wij alles tekort. Dan moet schaamte ons aangezicht bedekken. Maar aan de andere kant: laat het dan toch niet moedeloos doen neerzitten. Hij wil juist brengen in die omstandigheden, dat je uitgewerkt raakt in jezelf, dat je geen verwachting meer hebt van jezelf en dat er maar één weg overblijft.

Dat we dan niet tevergeefs op die deur zullen kloppen. Dat we dan waarnemen de posten Zijner deuren en wakende zijn aan de poorten van Hem, Die gezegd heeft: ‘Zonder Mij kunt gij niets doen. Ik heb u gesteld dat gij zult heengaan en vrucht dragen, en dat uw vrucht blijve. Ik heb u gesteld, dat u dat doen zou.’

Dat geldt de dienstknechten van Christus. Dat geldt ook elke aparte gelovige. ‘Ik heb u daartoe gesteld.’ En het is onmogelijk, zegt onze catechismus, dat, zo wie Christus door een waarachtig geloof ingeplant is, niet zou voortbrengen vruchten der dankbaarheid. De apostel zegt dat hij verlangt de Heere te erkennen, Die machtig is meer dan overvloedig te doen boven wat wij bidden en denken.

 

Gemeente, laat het ook ons verlangen zijn om daaraan te mogen beantwoorden. Wat is de Heere het waard dat Hij door ieder van ons gediend en gevreesd wordt. Dat zal alleen kunnen in de weg waarin het goede werk in ons verheerlijkt is.

Maar ook als dat vermeerderd wordt, als de liefde, toen geplant, wordt vermeerderd en overvloedig wordt. Dat zal niet zonder vrucht blijven.

Wat is de Heere het waard! Wat zoeken we het toch vaak in onszelf. Maar laat het gezocht worden in Hem, in Wie alle volheid is.

 

Gemeente, jongens en meisjes, dat is het leven van het leven. En dan kun je niet meedoen met alles wat de wereld vraagt. Dan moet je toch een aparte plaats innemen. Dat is geen wettische vroomheid, maar dat is de plaats waarvan je zegt: ‘Hier sta ik; ik kan niet anders. Mijn geweten is gevangen in het Woord.’

Als de vreze Gods ons hart vervult, de liefde tot Hem het hart vervult, dan kies je voor de Heere. Dan ga je als een levende vis dwars tegen de stroom in. Als we dat missen, dan laat je je meevoeren als een dode vis. Maar de Heere is machtig dat goede werk te werken, te onderhouden en te versterken.

 

Daarbij blijft gelden: ‘Niets uit ons, al uit Hem, en zo gaat het naar Jeruzalem.’ Dat volk wordt behouden. Dat heeft een toekomst waarvan de apostel zegt: Vertrouwende ditzelve, dat Hij Die in u een goed werk begonnen heeft, dat voleindigen zal tot op de dag van Jezus Christus (Fil.1:6).

Dat laat Hij níet varen. Maar het is voor het persoonlijke leven van zo grote betekenis hoe het functioneert en op welke wijze het gestalte krijgt.

Dat geldt voor ons persoonlijk.

Dat geldt voor de naaste.

Dat geldt bovenal tot eer van God.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 92: 7 en 8

 

‘t Rechtvaardig volk zal bloeien,

Gelijk op Libanon,

Bij ’t koest’ren van de zon,

De palm en ceder groeien.

Zij die in ‘t huis des Heeren,

In ‘t voorhof zijn geplant,

Zien door des Hoogsten hand

Hun wasdom steeds vermeren.

 

In hunne grijze dagen

Blijft hunne vreugd gewis;

Zij zullen, groen en fris,

Gewenste vruchten dragen;

Om, met verheugde monden,

Te roemen ‘t recht mijns Gods.

In Hem, mijn vaste rots,

Is ’t onrecht nooit gevonden.