Ds. R. Kattenberg - Micha 6 : 3

God en Zijn volk

Micha 6
Hoe God Zijn volk aanspreekt
Wat God aan Zijn volk vraagt
Waartoe God Zijn volk dringt
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie 'Een zaaier ging uit...' (deel 22)

Micha 6 : 3

Micha 6
3
O Mijn volk! wat heb Ik u gedaan, en waarmede heb Ik u vermoeid? Betuig tegen Mij.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 95: 1, 4
Lezen : Micha 6
Zingen : Psalm 53: 1, 2, 3
Zingen : Psalm 32: 5
Zingen : Psalm 64: 10

Gemeente, met de hulp van de Heere wens ik u het Woord van God te bedienen naar aanleiding van de tekst uit Micha 6 vers 3:

 

O Mijn volk, wat heb Ik u gedaan, en waarmee heb Ik u vermoeid? Betuig tegen Mij.

 

In deze tekst is sprake is van: God en Zijn volk.

 

We zien:

1. Hoe God Zijn volk aanspreekt

2. Wat God aan Zijn volk vraagt

3. Waartoe God Zijn volk dringt

 

Allereerst willen we dus zien hoe God Zijn volk aanspreekt: O Mijn volk.

Vervolgens wat God aan Zijn volk vraagt: Wat heb Ik u gedaan, en waarmee heb Ik u vermoeid?

In de derde plaats waartoe God Zijn volk dringt: Betuig tegen Mij.

 

Weet u wat de naam Micha betekent? Micha - voluit Michaja - wil zeggen: Wie is als de Heere? Wie is als de God van het verbond?

Met deze naam, de naam des Heeren, treedt de profeet op onder het volk. Hij doet dat ongeveer tegelijkertijd met de profeet Jesaja, zo tussen 750 en 700 voor Christus, de tijd van de koningen Jotham, Achaz en Hizkia.

Het is een tijd van afnemende welvaart, afnemende inkomsten en anderzijds een tijd van toenemende politieke spanningen; een crisistijd. Donkere wolken beginnen zich met name samen te pakken boven de hoofden van de inwoners van Juda.

 

Dan weet Micha het: het gaat niet goed. Als het zo doorgaat, dan pakt het totaal verkeerd uit voor het volk van Juda. Dit kan zo niet goed gaan. De man Gods weet dat, als hij in de Naam van de Heere komt en gaat prediken van – ja, schrik niet – van oorlog en van oordeel. Wat is er aan de hand? O, de Heere ziet het wel. Wat dan? Nou, dat sociale onrecht. ‘Zijn er in het huis van de goddelozen niet de schatten van de rijkdom?’, zo vraagt de Heere in het tiende vers. ‘Zijn dat allemaal dingen die u rechtmatig verkregen hebt?’, vraagt de Heere. ‘Kunt u daar de hand voor in het vuur steken?’

‘Nee’, zegt de Heere, ‘Ik zie dat wel, want daar staat een schaarse efa, en die is te verfoeien.’

Een efa is een korenmaat van zo’n 36 liter. En dan weet u wel, als je zo’n maat een stukje kleiner maakt, dan gaat er iets minder in. Als je er een randje af haalt ziet niemand dat, maar u weet het wel. Zo deden ze dat in Juda: een stukje eraf. Kwam er dan iemand die een efa koren moest hebben, dan bestelde die dus 36 liter. Maar omdat die maat iets kleiner gemaakt was, kreeg hij maar 35 liter. Mooi meegenomen toch? Jawel, maar oneerlijk verkregen. Die maat klopt niet, die geeft niet de goede hoeveelheid aan.

 

Datzelfde geldt ook voor de bedrieglijke weegstenen die u hanteert in uw dagelijkse praktijk. Weegstenen, dat wijst op de betalingen die de mensen moesten doen. Een bedrieglijke weeg­steen was een te zware steen, dan liet je de koper te veel betalen. ‘Ziet u dat wel?’, zegt de Heere.

Wat een sociaal onrecht! De rijken beroven de armen. ‘De huizen waarin u woont’, zegt de Heere, ‘eerlijk verkregen? En als u loopt over uw akker grond, kunt u dan zeggen: ‘Ja hoor, dat is echt eerlijk van mij?’ Hoe hoor Ik dan die arme schreeuwen? Hoe komt die man dan alles tekort? Omdat u hem opzij geduwd hebt, u, met uw grote mond. Wat durfde die arme terug te zeggen? Niks! Die moest maar in zijn schulp kruipen.’

 

Alsof dit al niet erg genoeg is, er is nog meer aan de hand. De Heere zegt: ‘Ik zie ook de dienst van Omri en van Achab onder­houden worden, de inzettingen van Omri en het ganse werk van het huis van Achab.’

Omri en Achab moet u niet zoeken in Juda, maar in Israël, in het tienstammenrijk. Goddeloze konin­gen waren het, die er mede voor gezorgd hebben dat de Baäldienst zijn intrede deed onder het volk van Israël.

Maar wat hebben ze nu in Juda gezegd? Dit: ‘Als wij die goden ook eens hadden... als wij Baäl ook eens zouden vereren, en Astarte, en misschien nog wel anderen... Wel, wat let ons eigenlijk? We kunnen ze toch zo over de grens halen? We hoeven toch niet minder te zijn dan het tienstammenrijk?’

 

Zo is de goddeloosheid ook in dat opzicht aan het licht gekomen onder het volk van Juda. Sociaal onrecht en afgoderij. De God van Israël, de ware God van Abraham, Izak en Jakob is verdreven naar de rand van de samenleving. Wat versmaadt u daarin de liefde van de Heere. Afgoderij, en niet de dienst van God. God heeft afgedaan en vreemde goden worden er gediend.

 

U merkt wel hoe actueel de profeten zijn in de wereld van vandaag. Daar kunnen we zo óns leven en óns bestaan naast zetten, nietwaar, en ook dat van ons volk.

Ik kom daar straks nog wel nader op.

 

Als we zo dat volk overzien, dan zal het duidelijk zijn dat de Heere op een gegeven moment zegt: ‘Dat gaat zo niet langer, dat kan Ik niet straffeloos aanschouwen.’ De afrekening zal gaan komen. En die komt ook. Want God is beledigd vanwege Zijn gekrenkte liefde. God is aangetast in het diepst van Zijn hart en van Zijn wezen. Want Zijn eer staat op het spel.

Welnu, de Heere wil de zaak uitgezocht zien, hoe het zit. Met eerbied gezegd: is Híj nu fout of is Júda fout? Waar schort het nu aan? Er moet maar een rechtszaak van gemaakt worden. Dan zal het in alle eerlijkheid onder de loep worden genomen en dan zal er uitspraak worden gedaan hoe de zaken liggen. In de verzen 1 en 2 wordt twee keer het woordje ‘twist’ gebruikt. Dat woord wil zeggen: rechtsgeding. De Heere heeft een twist, heeft een rechts­geding met Zijn volk. Het staat ook aan het slot van vers 2: ‘De Heere zal Zich met Israël (en dan is de bedoeling dus Juda) in rechte begeven.’ Daar is een aanklager, dat is God. Er zijn ook aangeklaagden, die in de beklaagdenbank moeten gaan zitten. En u voelt wel: dat zijn de inwoners van Juda.

 

U vraagt: ‘Zijn er ook getuigen?’ Want wat is een rechtsgeding waar geen getuigen zijn? Dat zou een zaak van willekeur worden... Ja, getuigen zijn er ook.

Wie zijn dat? Weet u, dat zijn de bergen, en dat zijn de heuvelen die hier genoemd worden. ‘Hoort, gij bergen, de twist des Heeren, en laat de heuvelen uw stem horen.’ Die worden hier opgeroepen als getuigen in de rechtszaak die de Heere aanspant tegen Zijn volk.

U zegt misschien: ‘Wat een vreemde getuigen.’ Dat is ook zo. Je bent geneigd om te zeggen: ‘Wat hebben die bergen er mee te maken en die fundamenten van de aarde? Wat doen die heuvelen hier, als de Heere deze rechtszaak aanspant?’

Wel, die moeten getuigen. Weet u waarom? Die bergen en die heuvelen zijn al erg oud, en die hebben zo het nodige gezien de eeuwen door. Als die zouden kunnen spreken, dan zouden ze getuigenis kunnen afleggen van de trouw van God. Ze zouden kunnen zeggen: ‘Elke morgen was de Heere de eerste en elke avond was Hij de laatste. Volk van Juda, het heeft u aan niets ontbroken. De goedertierenheden van de Heere zijn wijd over u uitgestrekt geweest. We hebben dat wel gezien alle eeuwen door. Toen al, toen u uit Egypte werd uitgeleid. Toen al, toen de Heere u door de woestijn heeft gebracht en Hij voor uw aangezicht Mozes en Aaron en Mirjam heeft gegeven. De eeuwen door.’

Die bergen en die heuvelen hebben nog meer te zeggen. Die kunnen ook zeggen wat ze van de inwoners van Juda gezien hebben. Ze zijn al oud, ze hebben dat onrecht ook gezien. Ze hebben die roep van de arme ook wel gehoord en ze weten dat die rijke zijn goed oneerlijk heeft verkregen. En ze weten dat op de glooiingen van de heuvelen de afgodsbeelden zijn neergezet. De ene heuvel zegt: ‘Ik heb een beeld van Baäl’ en de andere berg zegt: ‘Bij mij staan de afgodsbeelden van de Astarte.’ Zo zijn zij rechtmatige getuigen in het rechts­geding, in de trant van: als die bergen en die heuvelen eens konden spreken... Zo worden ze opgeroepen, opdat zij getui­genis zullen afleggen van hetgeen ze hebben gezien.

 

Juda is dus de aangeklaagde, de heuvelen en de bergen zijn de getuigen. En dan, gemeente, dan komt de Heere, de grote Aanklager.

Als we nu zo in ‘t kort in ogenschouw genomen hebben wat er gaande is onder het volk van Juda, bent u het er dan niet mee eens: als de Heere een woord spreekt, dat eigenlijk de getuigen niet eens meer iets hoeven te zeggen? Als de Heere maar één woord laat vallen, bijvoorbeeld: ‘Baäl’, dan is Juda al ten dode opgeschreven. Of als de Heere zegt: ‘Bedrieglijke weegstenen’, dan is er al geen helpen meer aan, nietwaar? Als de Heere zo goed doet, als Hij zo genadig is en als het volk het niet verder brengt dan goddeloosheid en onrecht, dan is één woord voldoende om het vonnis door de rechtbank te laten vellen. Dan is één woord voldoende om het doodsvonnis uit te spreken. ‘Juda, Ik wil nooit meer met u van doen hebben, Ik trek Mijn handen van u af, Ik geef u over aan het oordeel!’

 

Als de Heere Zijn mond open doet, zal de oordeelsaankondiging komen en zullen de verschrikkingen geopenbaard worden. Dan zal de Heere spreken in heilige toorn. Vreselijke aanklachten zullen worden gehoord. Nu gaat het komen, en we luisteren mee: Hoort nu wat de Heere zegt: Maak u op, twist met de bergen, en laat de heuvelen uw stem horen. Hoort, gij bergen, de twist des Heeren, mitsgaders gij sterke fundamenten der aarde; want de Heere heeft een twist met Zijn volk, en Hij zal Zich met Israël in rechte begeven (vers 1 en 2).

Ontzagwekkende oordelen, dreigende woorden. Zoals je wel eens ineenkrimpt als er iets ergs gaat gebeuren, dat je wat dekking zoekt, zo is het hier ook. Als de Heere gaat spreken, dan is het einde daar. Maar... het lijkt wel of de Heere wat aarzelt. Hij talmt wat.

 

Dan ineens is er een verrassende wending, een ommekeer, die u en ik en ook Juda niet verwacht zouden hebben. Hoe dan? Wel, de Heere ziet ervan af! Hij doet het niet! Hij buigt Zich diep over Zijn volk en weet u wat Hij dan zegt? Dit: O Mijn volk, wat heb Ik u gedaan, en waarmede heb Ik u vermoeid? Betuig tegen Mij.

Hoort u dat? O Mijn volk! De Heere draait de zaak om. Recht­matig zou Hij mogen komen met Zijn aanklachten, om te zeggen: ‘Juda, dit is fout, en dat deugt niet, en daar bent u mis geweest, en dit heb ik tegen u.’ Maar de Heere draait het om en Hij zegt tegen Juda: ‘Ik zeg niets! Zegt u het maar, wat heb Ik u gedaan? Betuig maar tegen Mij.’

Zal Hij, zal de Heere zeggen wat Hij tegen Juda heeft? Nee, Juda moet maar zeggen wat het tegen de Heere heeft. Laten zij het maar zeggen wat ze tegen Hem hebben. U voelt, gemeente, dat is de omgekeerde wereld.

 

Daar vinden we nu de aanzet in van de genade van God! ‘O Mijn volk, zegt u het maar.’ De aanklager laat Zich behandelen als was Hij de aangeklaagde. Hij daagt Juda uit en Hij dringt Juda ertoe aan om te komen met z’n bezwaren. ‘Zeg dan maar wat u tegen Mij hebt, tenminste, als er iets te zeggen valt.’ Hij lokt ze uit. ‘Zegt u het maar.’

Is dat geen ontroerende ommekeer, gemeente? Is dat geen omkeer van zaken? Die aanklacht klinkt ook niet hard, of vijandig, of wat dan ook. Het is meer een verwijt, wat ons Zijn gekrenkte liefde openbaart.

O Mijn volk, wat heb Ik u gedaan?

 

Mijn volk? En die afgodsbeelden, dat sociale onrecht, die huizen van de goddelozen die met allerhande artikelen gevuld zijn, al die rijkdommen dan? Dan toch ‘Mijn volk’?

Ge­meente, die benaming is door geen duizend zonden weg te werken! Juda is het volk van God, het volk van het verbond! Hoeveel gunstbewijzen heeft God niet betoond? Hoeveel dingen heeft de Heere gegeven? En dan vraagt de Heere in deze woorden: ‘Waarom heb je Mij verlaten? Waarom hebt u Mij de dienst opgezegd? Heb Ik u iets misdaan soms? Wat heb Ik u dan gedaan? Heb Ik u te zware lasten opgelegd, zodat u zegt: ‘Ik ben zo vermoeid!’ Waarmee heb Ik u dan vermoeid? Heb Ik bepaalde verwachtingen bij u gewekt en zijn die niet uitgekomen? Ben Ik niet getrouw geweest naar Mijn woord? Heb Ik iets beloofd en heb Ik het niet gedaan? Waarom hebt u zich gewend tot de afgoden? Heb Ik het niet goed gedaan? Zeg het dan eens...!’

 

Juda krijgt dus alle gelegenheid om tegen de Heere te betuigen. Juda mag de beschuldigingen die er tegen God zijn, op tafel leggen. Het mag zeggen waarin de Heere is tegengevallen. En het mag zeggen waarin de Heere onrechtmatig heeft gehandeld, ja het mag zeggen: ‘Heere, U hebt ook zulke lasten opgelegd, die kan toch niemand dragen, daar moet iedereen toch wel moe van wor­den? En U hebt dingen van ons gevraagd, die kan toch niemand volbrengen?’

De Heere geeft alle ruimte om het te zeggen. ‘Laat het maar horen, Juda; Ik geef u het woord. Ik zeg niets; zegt u het maar. Ik draai de zaak om; komt u maar met uw bezwaren.’

 

Gemeente, wat buigt de Heere diep! Ziet u het voor u, die rechtszaal? Je zou indrukwekkende woorden verwachten van oordeel en van toorn. En dan: O Mijn volk! Dat is toch totaal ongedacht en onverwacht?

Het zijn woorden die getuigen van liefde. Zeker, van gekrenkte liefde weliswaar, maar toch wel van liefde! Want wat denkt u dat de Heere zoekt met deze woorden? Wat zoekt Hij nu bij de inwoners van Juda?

Gemeente, Hij zoekt hun hart! Want dat die afgoden daar staan, dat is het symptoom van het feit dat het in het hart niet voor elkaar is. Dat sociale onrecht, dat geeft aan dat het hart zich van God verwijderd heeft. Nu zoekt de Heere met deze aanspraak het hart van het volk. ‘Uw hart is Mij niet toegedaan. Uw hart is vol van wantrouwen en vol van wrevel.’

 

De vragen die de Heere stelt raken dan ook het binnenste, de kern van de zaak, de kern van het mensenleven.

Gemeente, God blijft niet aan de oppervlakte met Zijn Woord. Wat moet u met een operateur, wat moet u met een chirurg, die zegt: ‘Ja meneer, mevrouw, meisje, jongen, je hebt een ernstige aandoening van binnen’, en hij maakt een voorzichtig schrapje met het operatie­mesje aan de oppervlakte en zegt daarna: ‘Nou, ga maar weer’? Dan zegt u: ‘Maar dokter, daar ben ik toch niet voor gekomen? U zult toch wel moeten snijden?’ Gemeente, wat hebt u er aan als de Heere aan de oppervlakte van uw leven zou blijven? Want het kwaad zit in ons hart! Het hart moet vernieuwd zijn; het hart moet wederom geboren zijn. Het moet van boven geboren zijn, ver­nieuwd tot de eer van God.

 

O Mijn volk. Zo noemt de Heere hen met nadruk. Hoe lang doet de Heere dat al? En hoe lang zal Hij dat nog doen? Mijn volk. De Heere gedenkt kennelijk aan Zijn verbond. Al heeft Juda daar afstand van genomen en al zegt Juda heimelijk in zijn hart: ‘Was de Heere maar voorgoed weg, dan hadden we tenminste onze handen vrij... en dan konden we vrijuit onze gang gaan... dan zouden we een makkelijk leven hebben...’

Dat kan Juda wel zeggen, maar dat neemt de Heere niet over. Nee: Mijn volk! Hij wil Juda niet kwijt. Kijk eens in Juda, wat een godsverduistering! Wat een gods­vervreemding! Wat een ontwrichting van het sociale leven! Wat een onrecht! Wat een zich verrijken ten koste van de ander! En wat een afgoderij! En dan toch ‘Mijn volk’!

‘Ja’, zegt u, ‘dat was toen!’ Ja, dat is ook zo, maar het is vandaag ook zo! De Heere spreekt er u en jou ook mee aan: O Mijn volk! Dat doet de Heere uit kracht van Zijn verbond. Dat verbond is immers ook geopenbaard in ons leven? Dat heeft de Heere toch opengelegd ook in uw leven, in jouw leven? Het verbond met Abraham, Zijn vrind, bevestigt Hij, van kind tot kind!

 

Mijn volk, zegt de Heere. Want, gemeente, pas op voor misver­stand in dit verband. Als wij het over het volk van God hebben, dan bedoelen we daar in ons spraakgebruik doorgaans de waarachtige kinderen van God mee, nietwaar? Zeg maar: de bekeerde mensen, de gelovigen, de Kerk met een hoofdletter. En dan denken we niet zo zeer aan de kerk met een kleine letter, in de zin van de openbaring van de gemeente Gods naar buiten toe.

Pas nu op dat we de Schrift goed lezen! O Mijn volk, dat is het hele volk van Juda, daar horen ze allemaal bij die gemerkt zijn met het teken van Zijn verbond. Dan zegt de Heere niet: ‘Ik spreek er maar een paar op aan, alleen maar de bekeerde mensen.’ Bovendien zou het wel helemaal erg zijn als juist alleen de bekeerde mensen zich overgegeven hadden aan het sociale onrecht en aan de afgoderij.

U voelt wel, de Heere spreekt er heel Zijn volk op aan, bekeerd of onbekeerd, gelovig of ongelovig, hoe dan ook. Hoofd voor hoofd en hart voor hart. Heel het volk wordt ter verantwoording geroepen. Want God ziet de zonde en de ongerechtigheid overal. Niemand wordt overgeslagen. Niemand krijgt ook de gelegenheid om te ontsnappen om onder de ernst van deze uitspraak weg te kruipen.

 

O Mijn volk. De Heere zegt het tegen ons allen. Dat wil zeggen: ‘O Mijn volk, u behoort Mij toe. U behoort voor Mij te leven. U mag niet leven voor het sociale onrecht. U mag niet leven voor de afgoderij. Je mag niet leven voor de dingen van deze wereld, meisjes en jongens, je hebt voor Mij te leven’, zegt de Heere, ‘en daarom vraag Ik je hart.’

Mijn volk. Als dat volk er dan blijk van geeft de aanwezigheid van de Heere niet op prijs te stellen? Als dat volk het dan uitleeft: ‘Aan de kennis van Uw wegen hebben wij geen lust’? Als je dan openbaart in je levenswandel, evenals de mensen uit de tijd van Jeremia, om te zeggen: Wij zijn heren, wij zullen niet meer tot U komen (Jer.2:31)? Wat dan? Gemeente, dan blijft dit woord nog staan! Ook vandaag. De Heere spreekt u er op aan, heel persoonlijk.

U zegt mogelijk: ‘Geldt dat mij?’ Ja, dat geldt ook u. Dat O Mijn volk geldt ons allemaal, als de Heere ons gebracht heeft onder de bediening van Zijn verbond, onder de prediking van het evangelie van Zijn genade.

 

Meisjes en jongens, als je opgevoed wordt in een gezin waar de gouden kandelaar is van het Woord van God, is dat niet zomaar. Daar heeft de Heere Zijn bedoeling mee! Of dacht je van niet? Dat is het bestuur van God in je leven, dat je nu bij deze vader en bij deze moeder hoort en dat je zo gebracht bent onder het Woord van God. Nee, ik zeg niet dat zo’n geboorte de wederge­boorte inhoudt. Dat je zegt: als je maar zo onder het Woord van God bent opgevoed, dan zit het wel goed. Nee, juist hier kun je uit opmaken dat het niet goed zit, als de Heere zegt: O Mijn volk, wat heb Ik u gedaan, en waarmee heb Ik u vermoeid? Betuig tegen Mij. ‘Wat is het nu dat u zo afvallig bent en wat is het nu dat u zo goddeloos bent?’

Hoor je wel? Als het water van de doop ons eenmaal heeft getekend, dan heeft de Heere recht op ons.

Zo komt de Heere tot ons. Vol ernst spreekt Hij: ‘O Mijn volk, u hebt voor Mij te leven, en jij hebt voor Mij te leven.’ Zo vraagt de Heere dat: ‘Wat heb Ik u gedaan? En waarmee heb Ik u vermoeid? Mijn volk, waarom toch? Waarom dat leven zonder Mij? Waarom die verharding, waarom toch die onbekeerlijkheid in uw leven?’ Dat woord dat de Heere hier gebruikt is niet meelijwekkend. Hij zegt niet: ‘Ach ja, u kunt het ook niet helpen, en het is ook niet uw schuld.’ Het is wél uw schuld, en u kunt het wél helpen.

 

Gemeente, dit is een heel ontdekkend woord, in de trant van: ‘Beken het dan! Zeg het dan, wat heb Ik u gedaan dat u niet aanstond?’ Zegt u het eens vandaag voor het aangezicht van God. ‘Wat heb Ik u gedaan?’, vraagt de Heere, ‘dat u reden heeft gegeven om Mij blijvend de rug toe te keren. Wat heb ik u gedaan?’

De wortels van ons bestaan moeten met deze vraag worden blootge­legd, gemeente. Dat is het werk van de Heilige Geest. Dan neemt Hij dit woord mee naar uw hart, ook naar jullie hart, meisjes en jongens. Hij wil met dat woord naar binnen toe. Naar het binnenste van ons bestaan. Want u mag zich niet op de vlakte houden. Dat willen we meestal wel graag, alles een beetje op een afstand houden. Dan kunnen we nog in waarde blijven. Maar waar het woord van de Heere ons ontmaskert en onze zonden openlegt, daar snijdt het diep in, in ons leven. Want de kwaal zit niet aan de buitenkant, die zit aan de binnenkant. Die zit niet aan de rechtzinnige voorgevel, maar die zit in uw hart. En daarom dingt de Heere met deze vraag naar uw hart.

 

Wat hebt u met Gods spreken gedaan? Moet dat woord van God ons niet in staat van beschuldiging stellen? ‘Waar schort het dan aan?’, zegt de Heere. ‘Wat heb Ik u dan toch misdaan? Waarmee heb Ik u dan toch vermoeid?’

Gemeente, meisjes en jongens, hoor toch de stem van de gekrenkte liefde. Als de Heere het ook nu weer vraagt, als de Heere ons ook nu weer waarschuwt, vanuit de liefde van Zijn hart: Waarom weegt gijlieden geld uit voor hetgeen geen brood is, en uw arbeid voor hetgeen niet verzadigen kan? (Jes.55:2) Waarom gaat u toch mee in het spoor van de wereld? Ook als je netjes leeft kun je gaan in het spoor van de wereld, met je hebzucht, met je liefdeloosheid, met je hoogmoed. Of zelfs met uw godsdienstigheid zonder de vreze des Heeren, uw godsdienstigheid zonder de liefde tot de Heere Jezus Christus. De Heere zegt: ‘Ik zie het wel. Ik zie dat afgodsbeeld wel staan.’ De bergen en de heuvelen spreken vandaag niet, want die zijn hier niet, maar als uw huis eens zou spreken? Of uw auto? Of jullie brom­mer? Wat zouden die kunnen zeggen? Zouden die niet kunnen zeggen: ‘Let er toch eens op, man, vrouw, meisje, jongen: Zie je dan niet dat Gods goedertierenheid elke morgen nieuw is?’ Maar wees eens eerlijk: ons eigen bestaan moet de boventoon voeren, niet­waar? En de Heere zegt: ‘Ik zie dat beeld wel staan, dat afgodsbeeld met die twee letters erop, die samen het woordje ‘ik’ vormen.’ Ik… als ík het maar heb! Daar hebt u het dienen van de afgod van deze wereld: ons eigen ik.

‘Waarom?’, zegt de Heere. ‘Hoe lang klop Ik al aan de deur van uw hart? En nog onbekeerd? Betuig tegen Mij wat Ik verkeerd heb gedaan. Vraag Ik dan teveel? Is Mijn dienst dan een zware dienst? En is Mijn juk dan een zwaar juk? Is Mijn last dan geen lichte last? Is het dan een keurslijf om de Heere te dienen en om Hem lief te hebben? Betuig tegen Mij! Beloof Ik te weinig? Of doe Ik het verkeerd? U mag het zeggen.’

 

We willen nu eerst samen zingen. Dat doen we uit Psalm 32 het vijfde vers.

 

Wil toch niet stug, gelijk een paard, weerstreven,

Of als een muil, door domheid voortgedreven;

Gebit en toom, door ‘s mensen hand bestierd,

Beteug’len ’t woest en redeloos gediert’;

Laat zulk een dwang voor u niet nodig wezen.

Wie God verlaat, heeft smart op smart te vrezen;

Maar wie op Hem vertrouwt, op Hem alleen,

Ziet zich omringd met Zijn weldadigheên.

 

‘Ik was toch de Getrouwe?’, zegt God, ‘vanwaar dan uw ontrouw? O Mijn volk, betuig tegen Mij!’

Gemeente, laat één ding ons duidelijk zijn: we willen er ten diepste niet aan, aan de dienst des Heeren. Wij handhaven onszelf, wij willen Hem niet. Wij willen Jezus niet.

U zegt: ‘Is de Heere Jezus dan hier in dit woord?’ Jazeker, al zijn we hier in het Oude Testament, hier is de prediking van het evangelie. Jezus heeft gezegd: ‘Onderzoekt de Schriften – dat is het Oude Testament – want die zijn het die van Mij getuigen.’ Van Mij! Als nu het licht van het Nieuwe Testament valt over dit oude Gods­woord Wat heb Ik u gedaan?, dan geeft het Nieuwe Testament het antwoord. Weet u wat God gedaan heeft? Wel, God heeft Zijn Zoon gegeven, het liefste wat Hij had! God heeft Zijn eigen Kind er voor over gehad, opdat zondaren met God verzoend zouden zijn.

 

God heeft Hem gegeven in deze wereld. Hoe hebben we Hem opgevangen, gemeente? Met ‘Nu sijt wellecome, Jesu, lieve Heer’? Helemaal niet! We hebben Hem opgevangen op de speerpunten van ons ongeloof. We hebben gezegd: ‘Wat moet Hij hier eigenlijk?’ Wat moet je als ‘onrechtvaardige’ met de Rechtvaardige bij uitne­mendheid, met Hem, Die zonder zonde is? Daar kun je toch niet mee uit de voeten? Vandaar dat we gezegd hebben: ‘Naar het kruis met Hem!’

‘Wat heb Ik u gedaan?’, zegt God? Het Nieuwe Testament zegt: Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft – een vrije daad van God met een doel – opdat een ieder die in Hem gelooft niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe (Joh.3:16).

Nee, dat is geen tekst voor het remonstrantisme, dat is een tekst voor het evangelie van vrije genade van God. Christus Jezus is gekomen, goeddoende in deze wereld. Maar naar onze begrippen kon Hij kennelijk geen goed doen, want we hebben gezegd: ‘Weg met zo Eén! Het is niet behoorlijk dat Hij leve! Kruis Hem, kruis Hem!’

Hij vraagt het u: Waarmee heb Ik u vermoeid? Heeft Hij juist niet gezegd: ‘Kom tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven. Mijn juk is zacht en Mijn last is licht’? Toch werden we het moe, en zijn we het moe. Vandaag misschien ook wel. ‘Neem weg en kruist Hem!’ Al dat gepreek, al die geboden van de Heere, dat liefhebben van God en dat gaan in de wegen van God...

Ben je het moe, meisjes, jongens? U misschien ook wel, vader of moeder? Als dat nu eens weg was, als dat toch eens verdwe­nen was, als wij ook eens die vrijheid zouden kunnen hebben zoals de wereld die heeft...

Is God daar niet afgeschreven? Is Hij niet weggewerkt uit deze maatschappij? Zien we niet dat ons volk terugkeert tot het heidendom? Het moderne heidendom? We schui­ven Christus weg en we schreeuwen Hem weg.

 

En dan die ernstvolle vragen die ontspringen aan het kruis van Christus: O Mijn volk, wat heb Ik u gedaan, en waarmee heb Ik u vermoeid?

Want dat roept toch wel vragen op, als het goed is, in ons hart. Waar de Heilige Geest het thuisbrengt in ons leven, waar u er niet meer onderuit kunt, waar de Heere als het ware zegt: ‘Nu moeten wij eerst samen praten; nu laat Ik u niet gaan, nu laat lk jullie niet gaan, we moeten eerst samen praten.’ Waar het hart geopend wordt, waar de Heilige Geest Zijn werk doet tot zaligheid, waar Hij krachtig en overredend het Woord van God thuisbrengt, daar klinkt het: ‘Betuig! Zeg het eens!’

Gaat uw mond dan open, gemeente? Hoe ingrijpend! Wat moet je dan zeggen? Wat moet je dan van de Heere zeggen? Wat moet je dan tegen de Heere zeggen, tegen Hem betuigen? Als uw levensboek wordt opengelegd en u moet er zelf in gaan lezen, dan hebt u alleen maar te betuigen tegen uzelf. Dat u het er zo slecht, zo zondig hebt afgebracht voor het aangezicht van de allerhoogste God.

Wat moet u getuigen van uzelf, als het gaat om uw verloren leven? Je staat in de lichtglans van het Woord van God. Je staat voor de spiegel van de heilige wet van God. Ben ik dat? Zo schuldig? Zo vol van onrecht?

 

Misschien hebt u al jaren in de kerk gezeten – het kan ook de eerste kerkdienst zijn die u meemaakt – maar als u dan kijkt in de spiegel van het Woord van God, dan zie je het zomaar opeens, overal in je leven. Daarom, als de Heere het masker afrukt, dan zie je dat afgodsbeeld van het ‘eigen ik’; dat is dan geen klein beeldje meer, maar een groot beeld! ‘Eigen ik’, wat zijn we er voor in de weer geweest!

Wat hebben we ons druk gemaakt om onze naam en om onze zaak en om alles wat van ons is! Zo vaak in de kerk geweest en altijd je eigen standje opgehouden. Zo vaak onder het Woord van God gezeten en nooit gebogen. ‘Betuig tegen Mij! Betuig, zeg het dan.’ Hoe meer de Heere er mee aandringt door Zijn Heilige Geest, hoe minder grond we onder de voeten overhouden. We hebben geen plek meer om op te kunnen staan. Als ons huis tegen ons gaat getuigen en onze auto, als je boeken tegen je getuigen en wat al niet meer, heel je hebben en houden… en als je gaat inzien dat heel je leven een verzondigd leven is, zou ik dan nog tegen God betuigen?

‘Heere, als U zegt: Wat heb Ik u gedaan?, dan moet ik zeggen: U hebt me nooit anders dan goed gedaan! En als U vraagt wat ik tegenover U gedaan heb, Heere, ik heb nooit anders dan verkeerd gedaan. Ik heb tegen U, o Heer, zwaar en menigmaal misdreven. Ik heb gedaan dat kwaad is in Uw oog en daarom, Heere, ben ik Uw gramschap dubbel waardig. Als U Uw mond zou opendoen, Heere, o, één woord bij al die getuigen, dat is mijn dood, dat is mijn ondergang!’

Als we komen te staan tegenover de majesteit van God, wie kan zich dan handhaven waar Zijn rechtvaardigheid openbaar wordt en waar Zijn heiligheid de werkelijkheid voor ons is? Waar u altijd omheen ging, daar kunt u dan niet meer omheen. Dat we onszelf mishagen en ons verootmoedigen voor het aangezicht van God, aangezien onze zonde zo groot is dat God die, eer Hij ze ongestraft liet blijven, bezocht heeft aan Zijn eigen lieve Zoon.

 

Vragen van de Heere, vanuit de liefde van Zijn hart, om u, om jullie, om ons zo in de engte te brengen dat we er niet meer onderuit kunnen. Opdat u zich gewonnen zult geven aan het liefdesspreken van God en opdat u uw oordeel over uzelf zult uitspreken.

Ach, gemeente, dat is daar onlosmakelijk aan verbonden. De moorde­naar aan het kruis zei: Wij toch rechtvaardig, want wij ontvangen straf, waardig hetgeen wij gedaan hebben (Luk.23:41).

Kijk, dan krijgt u ver­zoening nodig, dan krijgt u een Ander nodig in uw leven. Dan krijgt u de vergeving van uw zonden nodig, opdat God weer in gunst op u kan neerzien. Wat heeft Luther er mee geworsteld: ‘Heere, wanneer is het nu weer goed? Wanneer zult u nu zeggen: Maarten, nu is het weer goed in uw leven, nu zie Ik u weer aan in gunst en in ontferming?’ Wat heeft Luther er mee geworsteld! Hij kwam er maar niet uit! U misschien ook niet? Als u bezig bent om van de aarde af op te klimmen naar de hemel met ‘u moet dit en u moet dat’.

‘O’, zegt de Heere, ‘u moet één ding: u moet zich laten zaligen.’ Uit de werken der wet zal geen vlees gerechtvaardigd worden voor God. De Heere wijst u een uitnemender weg, de énige Weg, de Weg des levens, dat is Jezus!

 

Het is zoals Saulus van Tarsen het later heeft ondervonden, als Jezus hem twee keer met zijn naam aanspreekt: ‘Saul, Saul!’ Daar heb je dat ook weer: gekrenkte liefde.

‘Wat ben je toch bezig, Saulus van Tarsen, om de verzenen tegen de prikkels te slaan! Evenals een os voor de ploeg zich pijn doet als hij achteruit slaat tegen die prikkels. Wat doe je jezelf toch pijn, Saul! Ik ben Jezus, Die gij vervolgt.’

Gemeente, daar breekt het hart: ‘Wie zijt Gij, Heere? Wat wilt Gij dat ik doen zal?’ Dat had Saulus nog nooit gezegd, want hij wist het wel. Tenminste, hij dácht dat hij het wist hoe het zou gaan. Maar, gemeente, daar verliest hij het. En dat is het begin van het winnen, namelijk in de kracht die God verleent.

Wat heb Ik u gedaan? Betuig tegen Mij. Wat moet je dan zeggen? Heeft Job niet het juiste antwoord gevonden toen hij zei: Daarom verfoei ik mij, en ik heb berouw, in stof en as (Job 42:6).

God vraagt antwoord op deze vraag. Dat was toen zo,  dat is vandaag ook zo. De Heere neemt geen genoegen met uw zwijgen. De Heere wil niet dat u zult zeggen: ‘Ik zal het nog wel eens bekijken en dan kom ik er nog wel eens op terug.’ Nee, de Heere geeft dat nú mee, op dit moment. Het evangelie is nooit een boodschap op afstand, ook niet in tijd gemeten. Het gaat om nú, het heden van genade. Het gaat om vandaag, de welaangename tijd, de dag van zaligheid.

 

Betuig tegen Mij. Daar zit ook jets dreigends in, iets in de zin van: ‘Durf dat eens te wagen tegen Mij te getuigen; waag dat eens ten overstaan van de heuvelen en de bergen; waag dat eens in uw eigen leven ten opzichte van alle dingen die Ik u zo-even noemde.’

U hebt het vanmorgen uit de wet des Heeren horen lezen: Gij zult geen vals getuigenis spreken tegen uw naaste. Maar, gemeente, u zult al helemaal geen vals getuigenis spreken tegen de Heere, uw God.

Wordt u nu op heterdaad betrapt? Gode zij dank als je op heterdaad betrapt wordt, als je er niet meer onderuit kunt; als het gaat om de overleggingen van uw hart en u moet het heft uit handen geven. Als u uzelf veroordeelt. Als u zegt: ‘O Heere, hoe moet het dan? Hoe moet het dan verder?’

 

Kan het ook verder? Nee, gemeente, naar onze gedachten niet, het kan niet verder. Hier eindigt het. Met zo’n levensboek en met zo’n schuldregister tegenover een heilig God kan ik niet verder.

Maar de Heere wel! Hoor maar: ‘Wat heb Ik u gedaan? Ik heb u Mijn Zoon gegeven!’ Dat is het antwoord van God, gemeente. Is er nog een weg? Is er nog een middel om de welverdiende straf te ontgaan en wederom tot genade te komen?

Ja, er is een Weg, er is één Weg, de Middelaar Gods en der mensen. Daar is die Ene Wiens Naam Jezus is. Tot Hem mogen we komen met heel ons schuld­register en zeggen:

 

‘k Bekend’, o Heer’, aan U oprecht mijn zonden;

‘k Verborg geen kwaad, dat in mij werd gevonden;

Maar ik beleed, na ernstig overleg,

Mijn boze daân; Gij naamt die gunstig weg.

 

Wat een wonder! Waar de Heere de deur van Zijn evange­lie opent in de Zoon van Zijn liefde, dat het nu kan en dat de Heere dat uitwerkt door Zijn Heilige Geest. Hoe lang? Je leven lang! Maar dan is het van meet af aan – hoe klein het plantje van het geloof ook is – niet om te betuigen tegen de Heere. Nee, dan ga je vragen: ‘Heere, nu ik terugzie in mijn leven, wat heb ik het verzondigd en wat heb ik het verspeeld! Heere, mag ik van U getuigen en mag ik voor U getuigen in de omgeving waar U mij gesteld hebt? Mag ik een goed woord van U spreken? Heere, mag ik iets doorgeven van Uw milde handen en Uw vriendelijke ogen, want die zijn bij U van eeuwigheid. Dat U me aangesproken hebt onder de benaming O Mijn volk.’

 

Al weten we dan alles nog niet – dat zal ook in deze bedeling nooit het geval zijn – als we dat ene dan maar weten: dat Hij het waard is en dat Hij het waardig is om gediend te worden. Mogen we het zo ook doorgeven aan onze kinderen. Mag je het zo ook horen op school, meisjes en jongens, dat er af en toe eens momenten zijn dat je zegt: ‘Kijk, een klein doorkijkje van de genade van God!’ Mogen we het zo doorgeven als we op ons werk zijn, in het leven van elke dag, iets van Zijn opzoekende zondaarsliefde.

Betuigen tegen God? Heere, bewaar me er voor! Maar dat ik van U mag getuigen! Want U bent het zo waard, ook in deze van God vervreemde wereld met zijn sociale onrecht en met zijn afgoderij, aan alle kanten zichtbaar in onze maatschappij.

 

Gaat er van ons een goed gerucht uit, als het gaat om de Koning van het Immanuëlsland? Hebben we zo leren buigen onder de scepter van Zijn genadevolle heerschappij? Is deze Heere en Koning ook onze Koning?

Of u nu op een afstand staat, of dat u dichtbij staat, dat maakt wel veel verschil voor eigen leven, dat weet ik, maar als het gaat om het principe, dan niet. Dan gaat het om die Ene, Wiens Naam Jezus is, opdat Hij de eer zal ontvangen en God zo zal worden grootgemaakt, van nu tot in eeuwigheid.

 

Wel, gemeente, neem deze woorden met u mee en laat het de overdenking van uw hart zijn in de komende week. De Heilige Geest geve dat het zal worden: ‘Ik betuig tegen mijzelf!’, zodat we leren smeken:

 

Genâ, o God, genâ, hoor mijn gebed;

Verschoon mij toch naar Uw barmhartigheden!

Delg uit mijn schuld, vergeef mijn overtreden.

 

Bij U, Heere, is de gerechtigheid, maar bij ons is de beschaamdheid van het aangezicht.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 64:10

 

‘t Rechtvaardig volk zal zich verblijden,

Betrouwend op de Heer’ alleen;

D’ oprechten zullen, weltevreên,

Terwijl zij Hem hun harten wijden,

Zijn Naam belijden.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Een zaaier ging uit…’ (deel 22)