Ds. L. Huisman - Mattheüs 9 : 27 - 30a

U geschiede naar uw geloof

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Geen ander evangelie’ (deel 2) van ds. L. Huisman (Uitgeverij P. Boekhout, 2000).

Mattheüs 9 : 27 - 30a

En als Jezus vandaar voortging, zijn Hem twee blinden gevolgd, roepende en zeggende: Gij Zone Davids, ontferm U onzer! En als Hij in huis gekomen was, kwamen de blinden tot Hem. En Jezus zeide tot hen: Gelooft gij dat Ik dat doen kan? Zij zeiden tot Hem: Ja, Heere! Toen raakte Hij hun ogen aan, zeggende: U geschiede naar uw geloof. En hun ogen zijn geopend geworden.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 145: 2, 3
Lezen : Mattheüs 9: 18-38
Zingen : Psalm 146: 3, 5, 6
Zingen : Psalm 121: 1
Zingen : Psalm 89: 7, 8

De tekst voor deze dienst vindt u in het u voorgelezen schriftgedeelte, Mattheüs 9 vers 27, 28, 29 en de eerste regel van vers 30:

 

En als Jezus vandaar voortging, zijn Hem twee blinden gevolgd, roepende en zeggende: Gij Zone Davids, ontferm U onzer!

En als Hij in huis gekomen was, kwamen de blinden tot Hem. En Jezus zeide tot hen: Gelooft gij dat Ik dat doen kan? Zij zeiden tot Hem: Ja, Heere!

Toen raakte Hij hun ogen aan, zeggende: U geschiede naar uw geloof.

En hun ogen zijn geopend geworden.

 

Geliefden, het moet ons toch opvallen dat de mensen die in dit hoofdstuk tot Jezus gekomen zijn, allen door Hem genezen zijn. En het moet ons ook opvallen dat het menigmaal gewone, alledaagse dingen waren, die deze mensen in de nood tot Hem deden vluchten.

De één komt met zijn zoon, die heel erg ziek was; de ander komt met haar dochter, die deerlijk van de duivel bezeten was, en weer een ander komt met zijn geheel melaatse lichaam; nog een ander komt met zijn blinde ogen; het waren allemaal, je zou haast zeggen, uitwendige, lichamelijke dingen.

Je leest hier niet dat zij, overstelpt zijnde vanwege het besef van hun zonden, de toevlucht zoeken tot de Zaligmaker, zeggende: ‘Heere Jezus, vergeef toch mijn zonden.’ Maar je leest wel van al deze mensen die hier in het evangelie genoemd worden meest, dat ze tot Hem kwamen met allerlei, we zouden zeggen, uiterlijke dingen.

 

Ik denk dat we dat toch niet over het hoofd mogen zien. Wij houden ons vaak armer dan dat we behoeven te zijn. We zijn soms in onze gedachten zo geneigd om te zeggen: ‘Ach, ja, dat zijn maar uiterlijke dingen. Maar mocht het nu eens echte nood van mijn ziel zijn. Mocht het nu eens echt het gevoel van mijn verlorenheid en van mijn zondigheid zijn. Kon het nu toch eens de benauwdheid van mijn hart zijn, die me werkelijk naar de Heere uitdreef.’

Ik weet dat nog uit mijn eigen jeugd. Ik ben opgevoed door godvrezende ouders en ik wist dus al vroeg dat je ‘bekeerd moest zijn’ om gelukkig te kunnen zijn. Ik wist ook hoe Gods volk bekeerd werd. Ik had dat al vaak bij mij thuis van Gods kinderen gehoord. Maar ik had daar toch geen juiste gedachten over. Ik dacht altijd maar dat als ik nu eens zó vreselijk benauwd zou zijn, dat ik geen uitweg meer wist, dat ik geen raad meer wist, dat ik dan ook tot God zou gaan roepen. En ik weet dat als ik als kind naar bed ging, dat ik me soms lag in te denken hoe het in de hel zou zijn. Om maar benauwd genoeg te worden om tot God te bidden. Ik zeg dit maar, want misschien zijn er wel meer die zo liggen te tobben. Ik wil er echter direct bij zeggen dat dit natuurlijk heel verkeerde gedachten zijn. Maar goed, je kunt er maar mee bezet zijn; je kunt maar met zulke indrukken door het leven gaan.

Ze brengen je echter nergens; hoogstens een tijdlang een beetje angst voor God, waardoor je wat goede dingen doet en wat zonden laat. Maar dan keer je toch weer op je oude pad terug. Die gedachten, zo bewerkt en beleefd, bekeren je hart niet tot God. Nee, laten we toch gewoon het Woord van God proberen te lezen en te verstaan en daartoe verkoos ik ook voor heden deze tekst.

 

We zien dat de Heere Jezus het land doortrok en dat Hij overal Zijn wonderen deed, en wie maar tot Hem kwam, die werd door Hem niet afgewezen. Die wonderen van Jezus waren tekenen. Tekenen van het vrederijk, dat in Jesaja 11 ons getekend wordt. Waar de wolf met het lam verkeert en de luipaard bij de geitenbok nederligt, waar geen twist en wrok, geen verscheuring en wreedheid meer is. Dat vrederijk, dat is in beginsel in Christus Jezus van de hemel neergedaald. Het zal straks volmaakt zijn, wanneer we Christus zullen zien komen op de wolken des hemels. Maar in beginsel is daar, in Efratha’s velden, in Bethlehems kribbe, dat vrederijk reeds tot stand gekomen. Daar is de Koning des vredes en Hij deelt rondom Hem die vrede uit.

Waar blinden zijn, waar melaatsen zijn, waar eenzamen zijn, waar gekneusden en ellendigen en rouwdragenden en bedroefden zijn, daar komen zij met hun noden, met hun ziekten en hun kwalen en hun kinderen naar Hem toe en Hij legt hen de handen op en zegent ze. Als tekenen van wat Hij is en van wat Hij doet.

 

Wanneer op een keer de Joden naar Hem toekomen, zegt Hij: Gij zoekt Mij, niet omdat gij tekenen gezien hebt, maar omdat gij van de broden gegeten hebt (Joh.6:26). Dat was dat ‘vleselijk komen’ tot de Heere, om er beter van te worden; om van Zijn gaven te genieten.

En ach, zulk een komen brengt ons niet in de werkelijke en rechte gemeenschap met Hem; dat is niet die verbintenis der liefde, natuurlijk niet. Want als in dit leven een jongen en een meisje alleen maar van elkaar houden om elkaars geld, om er beter van te worden, om er rijker van te worden, dan is dat natuurlijk geen basis voor een echt gelukkig huwelijk.

Zo is het ook tussen ons en tussen Christus; als we alleen maar in de kerk komen om niet in de hel te komen, om een plekje in de hemel te krijgen, dan is dat niet de rechte verbintenis die standhoudt.

Maar als we tot Hem komen omdat we Zijn wonderen, Zijn tekenen gezien hebben; dat wij zeggen: ‘Heere, U bent de Messias. Als U die dingen kunt doen die U doet, dan bent U van God gezonden. Dan bent U de Profeet, naar Wie de ouden uitgezien hebben, Die aan de vaderen beloofd is, de Christus, de Zoon van David’, dan zullen wij door de tekenen in Hem geloven.

 

Zo trok Jezus rond door Israël; dan was Hij hier en dan was Hij daar. Zo gaat het evangelie nog rond over de wereld. Overal waar het Woord van God verkondigd wordt, daar trekt Jezus – ik spreek Calvijn maar na – in het gewaad van Zijn Woord rond. En Luther heeft gezegd: ‘Het evangelie is als een regenwolk; zij komt, zij regent uit en zij trekt verder; maak er gebruik van, zolang als de regen valt, want zij gaat gewis voorbij.’

Kijk maar wat er is gebeurd met het volk der Joden. De wolk is voorbijgegaan en ze zijn tot vandaag toe verdeeld en verstrooid over het rond van de aarde. En zie maar wat gebeurd is met de zeven gemeenten van Klein-Azië. Hoe heerlijk heeft daar het licht van het evangelie geschenen. En ga nu eens kijken. Je vindt er geen gemeente des Heeren meer terug. En het zal niet beter gaan met Nederland, met Europa. De regenwolk komt en zij regent en zij regent, maar zij trekt verder.

Straks zal misschien – God moge het genadig verhoeden – West-Europa weer wegzinken in de nacht van het heidendom en God geve dat dan Afrika aan de beurt is om beregend te worden door die wolk. Maar ik wens ook dat zij hier blijft! O, ik wens het met mijn gehele hart dat zij nog lange jaren hier zal blijven. Maar er zal een eind aan komen, zoals overal in de wereld. Als Hij, Christus, niet meer erkend wordt, als Hij niet meer aangebeden wordt, als de genade niet meer aanvaard wordt en als men walgt van het evangelie, o, dan trekt Hij verder. Dan gaat Hij naar een andere plaats. Gezegend zij die Hem zoeken terwijl Hij te vinden is, en Hem aanroepen terwijl Hij nabij is.

 

En als Jezus vandaar voortging, zijn Hem twee blinden gevolgd, roepende en zeggende: Gij Zone Davids, ontferm U onzer!

Het valt ons op dat deze mensen in ieder geval ernst gemaakt hebben met hun roepen. Zij hebben Hem nog nooit gezien; zij hebben met hun ogen Zijn wonderen niet kunnen aanschouwen. Maar op de een of andere manier hebben ze van Hem gehoord. En dat horende, dat Hij, Jezus, de Man uit Nazareth, wonderen doet die tekenen zijn, tekenen van het toekomstig vrederijk, van het koninkrijk der hemelen dat nabijgekomen is, zijn ze begonnen om in Hem te geloven, in Hem Die ze niet gezien hebben. Ja, geliefden, want die tot God komt moet geloven dat Hij is, en een Beloner is dergenen die Hem zoeken (Hebr.11:6).

 

Er zijn mensen die zeggen: ‘Ach, de Heere werkt niet meer in deze tijd, de Geest des Heeren werkt niet meer,’ of: ‘Het is een geesteloze tijd. Waar hoor je nog van een ware bekering tot God?’ Geliefden, pas op! Als u met zo’n geest bezet bent, dan kunt u niet zalig worden. Als u niets meer van God verwacht, dan doet God ook niets meer. Onthoud dat goed. Want God wil dat je in het komen tot Hem iets van Hem verwacht! Daar heeft God recht op. God heeft Zichzelf toch nooit tot een leugenaar gemaakt, tot een bedrieglijk man die zijn woord niet houdt? Je kunt God toch niet beschul­digen dat het aan Hem ligt, dat je Hem niet vreest, niet dient, niet nawandelt en Zijn werken niet ziet? Ach, denk toch niet zo van God! Nee, denk liever net zoals deze twee blinden. Ze hebben geen enkel bewijs dat ze welkom zijn.

Begin niet van achteren! Er zijn hier wellicht mensen die zeggen: ‘Ja, maar kijk, ik zou de Heere wel aanroepen, als ik maar wist dat het echt bij mij was, en ik zou wel dag en nacht aanhouden als ik maar wist dat de Heere wel een keer zou horen.’

Geliefden, ik herinner me nog dat Ds. Van den Berg vroeger bij ons preekte en dat hij zei: ‘Gemeente van Nieuw-Beijerland, als ik vanavond jullie kon doen geloven, dat je de hemel kon verdienen door op je knieën van Nieuw-Beijerland naar Oud-Beijerland te kruipen, dan zouden er vanavond nog heel wat mensen aan beginnen.’ O, dat dóen, dat zit ons zo diep in ons vlees, in ons hart, in ons bedorven bestaan afgedrukt, dat we geen – moet ik het een beetje modern zeggen – dat we geen antenne meer hebben, geen opvangpunt meer hebben voor de genade.

Soms zijn we zelfs natuurlijk-godsdienstig zo afgestompt dat we, als er gepreekt wordt, zitten te luisteren voor onze buurman of zelfs helemaal niet. En dat we niet meer horen dat de Heere tot óns spreekt. En ja, als u niet overtuigd bent en gelooft dat de Heere ú toespreekt, dan gaat u Hem natuurlijk ook niet zoeken.

Als deze twee blinden geen verwachting van Hem gehad hadden, dan waren zij natuurlijk ook niet tot Hem gegaan. En nu moet u weer niet aan de andere kant zeggen: ‘Als een mens Hem eenmaal zoekt, dan is dat een teken dat hij van Hem gevonden is.’ Goed, goed, maar deze mensen, die tot Hem kwamen, die hebben niet eerst een bericht uit de hemel gekregen: ‘Mensen, jullie zijn kinderen van God hoor; nu moet je Hem maar gaan zoeken.’ U moet het paard niet achter de wagen spannen, u moet niet aan de ‘achterkant’ willen beginnen, want dat is onmogelijk.

 

Da Costa heeft eens gezegd: ‘Wie moet er beginnen in het werk der zaligheid, u of de Heere?’ En dan zegt hij: ‘Ú moet beginnen. En u, begonnen zijnde, zult ervaren dat niet u begonnen bent, maar dat Gód begonnen is.’ Dat is echte theologie, dat is kennis van God en goddelijke zaken.

O, dit is vast en zeker waar: geen sterveling zal ooit uit zichzelf begeren om door Christus  verlost en gered te worden. Dat ben ik van ganser harte met u eens! Dat is Gods zaak. Maar er zal ook geen sterveling gered worden, die niet tot Hem komt, en dat is úw zaak!  Want het is úw zaak níet om te geloven de verborgenheden van God, maar het is uw zaak wél om op de roepstem van de Heere naar Jezus te komen. Dát is de zaak.

 

Ik heb vroeger, als ouderling, wel eens een preek gelezen van Avinck en ik herinner me nog dat boven die preek stond: ‘De uitwendige roeping, de grond des geloofs.’ De uitwendige roeping is de grond des geloofs. Die uitwendige roeping, waarmee God heden tot een ieder van u komt, is voor u een grond des geloofs. Op die uitwendige roeping moet en mag u komen. En áls u komt, dan zult u achteraf bevinden, dat die roeping een waarachtige, goddelijke, door de Heilige Geest gewerkte roeping is geweest.

 

Kijk maar hier, naar die twee blinde mensen. Ze hebben van de Heere Jezus gehoord en ze zijn gegaan. Het is hun ernst, heb ik gezegd. Want zij volharden ook in het gaan. Het waren geen mensen die één of twee of drie keer een gebed gedaan hadden, maar er staat dat ze Hem gevolgd zijn. En ik denk wel eens – ik mag dat toch wel afleiden uit de omstandigheden – dat er mensen waren die hen bij de hand genomen hebben. O, wat is het gelukkig als er in een gemeente nog zulke mensen zijn, die zulke blinden bij de hand nemen om hen tot Jezus te brengen. Want hoe zouden ze Hem anders hebben kunnen volgen? Zij waren immers blind. Er zijn dus mensen geweest die tot hen zeiden: ‘Geef mij maar een hand, want ík weet waar Hij te vinden is. Ik zal je bij Hem brengen.’

Ik zeg: zo’n gemeente is gelukkig, waar nog kinderen van God zijn die tot die anderen, die nog buiten zijn, zeggen: ‘Kom maar, ik weet waar Jezus te vinden is. Ik heb Hem zelf ook gevonden; ik weet waar Hij woont en ik weet waar en hoe Hij zondaren ontvangt en ik weet waar Hij ook u ontvangen wil.’

 

Het verbaast mij altijd weer, wanneer ik onze dierbare vaderen lees – ook die Schotse oudvaders – dat zij altijd hun best doen, om elke ‘sluitboom’, elke hindernis tussen de zondaar en Christus weg te nemen. Elke bekommernis die uit het hart van een mens opkomt en al die ja-maars en al dat was-ik-nu-maar-zo, proberen zij altijd met het Woord van God weg te nemen. Net zolang, totdat de zondaar geen enkele reden meer heeft om niet in de handen van de Heere te vallen.

Helaas hoor ik het wel eens anders in de kerk van Christus vandaag. Dan lijkt het wel alsof we allemaal wachters op Sions muren moeten zijn om op te passen dat er niet teveel in de hemel komen. En om zoekende zielen zoveel mogelijk struikelblokken voor te leggen, in de zin van: ‘Ja maar, pas op hoor, dat kon wel eens ‘algemeen’ werk zijn en als het echt is, dan zal het zó en zó in je leven moeten zijn.’

Ach, geliefden, wie zijn wij, dat wij de weg Gods zullen beoordelen? Wie zijn wij, dat wij anderen zullen voorschrijven hoe God met hen handelen moet? Is de Heere daar niet vrij in? De één komt van het noorden en de ander komt van het zuiden. De één komt als langs de rand van de hel en de ander wordt naar de hemel gedragen als op een fluwelen kussen. Wat zullen wij God beoordelen? Wat zullen wij Zijn werk beoordelen, wat zullen wij Hem wetten voorschrijven? Hoe zullen wij zeggen hoe Hij mensen tot Hem moet bekeren? Het beste is dat we met een zoekende ziel, die werkelijk behoefte heeft aan genade, zo vlug mogelijk bij Hem komen, Die de Weg, de Waarheid en het Leven is.

 

Deze twee mensen waren gelukkig dat er zulke mensen waren in dat dorp waar zij woonden. Er staat: ‘Zij zijn Hem gevolgd, en ze hebben niet opgehouden met roepen.’ En wat hebben ze geroepen? Ze hadden een doel in hun roepen. Ze kwamen maar niet naar de kerk – om het nu gelijk maar over te brengen naar ons leven – ze kwamen maar niet naar de kerk om daar anderhalf uur te zitten, omdat het nu eenmaal zondag was. Maar ze gingen naar Jezus, omdat ze iets aan Hem te vragen hadden. Iets wat de nood van hun leven uitmaakte.

Ja, geliefden, ik denk dat veel preken meer kracht zouden doen op ons arme hart, als we onszelf afvroegen: ‘Wie ben ik voor God? Hoe kan ik de straf die ik verdiend heb ontgaan en hoe kan ik weer tot genade komen?’ Als we onszelf eens afvroegen: ‘Wat zit ik nu eigenlijk in de kerk te doen?’ En als we onze knieën bogen, thuis of waar we dan ook zijn, dat we onszelf eens gingen afvragen: ‘O Heere, wat is het doel van mijn leven?’ Deze blinden hebben in hun godsdienst en in hun zoeken van God maar één doel en dat doel is om genezen te worden van hun blindheid. Ze zeggen: Gij, Zone Davids, ontferm U onzer! (Matth. 9:27) Deze mensen eren God in hun gebeden.

Ja, als je tot de Heere gaat en je smeekstem tot God opheft, dan moet je grote gedachten van God koesteren. Grote gedachten. Want de Heere hoort o zo graag dat je Hem groot acht en dat je Hem eert. Zij roepen: Zone Davids! Nu, dat heeft voor een Jood alles te betekenen, want de Zone Davids, dat kan er maar Eén zijn. Dan bedoelen ze niet Salomo of Absalom of één van de andere zonen van David, maar dan bedoelen ze de Zoon van David. Als je aan een Jood in die dagen vroeg: ‘Wie is dé Zoon van David?’, dan had hij maar één antwoord: ‘Dat is de Messias.’

En nu is het natuurlijk voor ons niet zo moeilijk om de Messias te belijden, om de Zoon van God, als ‘Heere’ te belijden, maar voor die mensen was het heel wat. Want in die dagen werd Jezus niet geteld; in die dagen erkende men Jezus niet als de Messias. Behalve dan die weinigen. Ja, nog even, dan werpen zij Hem uit en dan zeggen ze: ‘Hij is een verleider.’ Dan zeggen ze: ‘Weg met Deze, kruist Hem, kruist Hem!’

 

Dus, geliefden, in hun gebed, in hun aankleven, in hun zoeken van de Heere, belijden zij de grootheid van Zijn Naam; zij erkennen Hem als de Zoon van David. Laat dan al die andere mensen maar van Hem zeggen wat ze willen, laten ze zeggen: ‘Hij heeft geen gedaante en geen heerlijkheid. Hij is de Zoon van Jozef en Maria, de timmerman van Nazareth.’ Maar als je aan deze twee mensen vraagt: ‘Wie is Hij voor jullie?’, dan zeggen ze: ‘Hij is de Messias. Iemand Die zulke tekenen doet, Die zulke grote wonderen doet, is de Zoon van God.’

Dit belijden zij, terwijl Hij hen nog niet geholpen heeft. Het zijn nog ongeredde mensen, met blinde ogen. Maar toch zeggen ze: ‘Gij zijt de Zone Davids.’ Ja, geliefden, onze gebeden zouden van meer kracht zijn, wanneer we zo biddend bezig waren, zo pleitend op die Naam van de Zoon van God, ‘Zoon van David.’ Want dat betekent: Verlosser, Messias. Dat betekent: van de Vader Gezondene. Dat betekent: Lam van God, Dat de zonde der wereld wegneemt. Voelt u dat?

 

O, onze gebeden zijn dikwijls zoals de gebeden van de heidenen: ‘Geef, geef en houd niet terug.’ We hebben zoveel godsdienst, net om er alleen beter van te worden; dat doen de heidenen ook. De heidenen in Afrika zeiden het ook, als het lange tijd droog geweest was. Dan kwamen ze naar ons toe en dan zeiden ze: ‘Meruti, dominee, ons moet nog een bietje meer bid, want die regen moet kom.’ En dan moet je een beetje gaan bidden en nog een beetje gaan bidden, want de regen moet komen, ze moeten er beter van worden. Dat is de godsdienst van de heidenen en soms ook van de christenen. ‘Geef dit en geef dat en maak het zo en maak het zo.’

Maar vóórdat wij iets van de Heere ontvangen, wil Hij dat wij Hem erkennen als de Messias, als de Redder van zondaren. Nee, de Heere zegt nergens dat alle mensen moeten geloven dat Hij ze reeds gered heeft; dat is een arminiaanse ketterij. Maar de Heere zegt wel tot alle mensen dat ze in Hem, in Christus, moeten geloven en dan gered zullen worden. Dat ze Hem zullen erkennen als de Messias, als de Zoon van David.

En als u Hem kent, denk daar ook eens aan; als u weet Wie Jezus voor u is, als u in het verborgene uw ziel voor Hem uitstort. De Heere Jezus hoort het zo graag, dat u Hem met al Zijn liefelijke Namen aanroept. Dat u Hem eert in Zijn ambt, dat u Hem erkent, als die alleen-wijze Profeet, dat u staat op Hem maakt, als die almachtige Koning, en dat u begeert alleen door Hem geholpen te worden, als die aller-zachtmoedigste Priester. Geliefden, dat doet zo’n kracht op het hart van God, wanneer u zo tot Hem nadert en Hem zo de Namen geeft die Hij waardig is, vanwege hetgeen Hij is en wat Hij doet.

 

Deze mensen vragen: Ontferm U onzer! Deze bidders zijn ook bidders die zichzelf onwaardig gevoelen. Ze zeggen: Ontferm U onzer! Ontferming, dat vraagt iemand die onder ligt, die de strijd moet opgeven. Iemand die uitgepraat is, die overtuigd is van zijn ongelijk, van zijn zwakheid en van zijn ellendige toestand. Zo iemand vraagt: ‘Ontferm U mijner.’

U weet, in een werelds strafproces is het zo: je kunt in hoger beroep gaan en daarna kun je nog in cassatie gaan en als dan dat hele strafproces ten einde is en het vonnis onherroepelijk, dan blijft er nog één ding over; dan kun je aan onze koningin om genade, om gratie vragen. En dat kan zij verlenen uit barmhartigheid. Daar zijn geen ‘rechtsgronden’ voor bij ons. We hebben dan niets meer om te pleiten; onze zaak is klaar, het vonnis is onherroepelijk. Maar dan blijft er nog één ding over: ‘Ontferm u, Majesteit, ontferm u, en scheld mij mijn straf kwijt.’

Nu, daar ligt ook enige gelijkenis in met de mens die tot de Heere vlucht. Dan hebben we niets meer over om met de Heere te twisten, dan buigen we ons hoofd en dan belijden we: ‘Heere, U weet het, ik heb mijn leven verknoeid; het is één grote puinhoop en ik weet geen nieuw begin. Van jongs af aan ben ik een zondaar. Treed niet met mij in het gericht, want ik kan voor U niet bestaan. O God, als U me voor eeuwig verstoot, dan bent U rechtvaardig. Maar één ding zal ik nooit kunnen doen: ik zal U nooit kunnen vloeken Heere, want U bent rechtvaardig. Alleen dit éne nog, Heere, genâ, ontferm U, ontferm U onzer!’

 

Deze blinden, ze hebben beiden dezelfde kwaal, ze hebben ook een gemeenschappelijk gebed. Ze hebben samen de Heere aangeroepen. Dat is ook zo’n voorrecht dat we nauwelijks meer op prijs stellen, dat we nog in vrijheid samen mogen komen en dat we samen de Heere nog mogen aanroepen. Dat we samen de nood van de gemeente, van ons land en van ons volk en van deze wereld voor God mogen uitschreien en dat we samen mogen roepen: ‘Zoon van David, ontferm U onzer!’

Zij pleiten dus alleen op de ontferming van God; op de barmhartigheid van God. En ze gaan Hem achterna tot in het huis waarin Hij binnengegaan is.

 

We zingen nu eerst Psalm 121 vers 1:

 

‘k Sla d’ ogen naar ‘t gebergte heen,
Vanwaar ik dag en nacht
Des Hoogsten bijstand wacht.
Mijn hulp is van de Heer’ alleen,
Die hemel, zee en aarde
Eerst schiep, en sinds bewaarde.

 

En als Hij in huis gekomen was, kwamen de blinden tot Hem. En Jezus zeide tot hen: Gelooft gij, dat Ik dat doen kan?

Dat is een eigenaardig antwoord van de Heere Jezus. Het lijkt ons wel een beetje afstotend. Waarom zegt de Heere niet tegen deze mensen dat Hij ze graag helpt? Waarom stelt Hij deze vraag? Wel, de Heere wil deze mensen tot inkeer brengen. Deze mensen – en niet zij alleen – moeten leren dat het beletsel niet bij Hem is. O, er zijn ook zoveel mensen hier, die zeggen: ‘Ja, kijk eens, ik zou toch graag bekeerd willen worden; ik zou ook graag een kind van God willen zijn, maar als ik nu maar eens wist dat de Heere het wilde! Je kunt tenslotte toch niet allemaal zalig worden. Het grootste deel van de mensheid gaat toch verloren.’

Nu zeg ik het nogmaals, geliefden: u hebt met het verborgen besluit van God niets te maken. Maar u wordt geroepen te luisteren naar Zijn geopenbaarde wil. En dat is: ‘Kom!’ O, dan weent de Heere over deze plaats en zegt: Jeruzalem, Jeruzalem, (…) hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, (…) en gijlieden hebt niet gewild! (Math.23:37).

 

De Heere gaat deze twee mensen ontdekken dat er bij Hem geen beletsel is om gered te worden. Dat moeten we leren, want we kunnen zo schijnvroom zijn en we kunnen zo doodrechtzinnig zijn, dat we niet eens meer tot Jezus roepen, vanwege onze dode rechtzinnigheid. Dan hebben we de Bijbel doodgemaakt met de Bijbel. We hebben dan de ene Schriftuurplaats gebruikt om de andere Schriftuurplaats te ontkrachten.

Als de Heere dan zegt: ‘Roep!’, dan zeggen wij: ‘Je kunt niet roepen.’ En als de Heere op een andere plaats zegt: ‘Klop!’, dan zeggen wij: ‘Ja maar, dat moet je van de Heere leren.’ En als iemand zegt: ‘Geloof toch in de Heere Jezus Christus’, dan zeggen wij: ‘Man, wat wil je nou? Je kunt mij niets in mijn handen stoppen hoor, ik ben goed gereformeerd opgevoed. Een mens kan uit zichzelf niet geloven! Nee, dat zal zomaar niet gaan!’

Ik geef u het antwoord dat een keer een oude vergrijsde predikant op huisbezoek ook gaf aan een vrouw die al een kwartier bezig was om tegen de dominee te zeggen dat ze het veel beter wist en ‘dat het zomaar niet zou gaan’ en dat genade toch eens een keer genade moest worden en dat hij haar niets wijs moest maken en ‘al dat aan het werk zetten van haar’ zou allemaal niets helpen, want het gaat ‘zomaar’ niet! Toen zei die dominee tegen haar: ‘Maar vrouw, ík geloof niet dat het zomaar gaat, want ík heb aan Gods troon geworsteld, met smeking en gebeden; maar u, wat hebt u gedaan? Niks, net precies niks; ú denkt dat het zomaar gaat. Maar als u zo blijft gaat u voor eeuwig verloren.’

 

Jezus ontdekt deze mensen en zegt tegen hen: Gelooft gij dat Ik dat doen kan? Als deze mensen nu eens gezegd zouden hebben: ‘Nee, Heere, geloven, dat kan ik niet. Geloven, dat is een gave van God’, wat was er dan gebeurd? Dan was er niets gebeurd; dan waren die mensen met hun blinde ogen weer teruggegaan, net zoals ze gekomen waren.

Het is net zoals in Markus 9. Daar lees je van die vader met zijn zoon, die zo deerlijk van de duivel bezeten was. De discipelen konden hem niet beter maken en eindelijk komt hij dan bij Jezus en dan zegt hij: ‘Heere, zo Gij iets kunt, wees met innerlijke ontfer­ming over ons bewogen (Mark.9:22).’ En dan zegt de Heere: Zo gij kunt geloven (Mark.9:23).

Als die man nu eens gezegd had, zoals wij zo dikwijls zeggen: ‘Nee, Heere, geloven, dat kan ik niet’, wat was er dan gebeurd, geliefden? Dan was die jongen dood gegaan in de klauwen van de satan. Het spande daar vreselijk in het leven van die vader, dat kunt u wel begrijpen. Daar ligt zijn zoon; de duivel scheurt hem en trekt hem uit elkaar. Daar ligt hij bloedend en tandenknarsend op de grond. En dan zegt Jezus: ‘Indien gij kunt geloven…’ Nu, dan schreeuwt die vader het uit en de tranen lopen hem met stromen langs de wangen, want hij kan het ook niet, maar hij moet. Want als hij het niet kan, dan is zijn zoon dood.

 

En zo is het met ons ook. Ik weet ook wel – en God weet het ook – dat u niet geloven kunt. Als God daar van uitging, dat u het wel zou kunnen, dan was genade geen genade meer. Maar God roept u, opdat u zou zeggen met deze twee blinden en met die vader, die daar met zijn verloren zoon aan de voeten van Jezus kwam: ‘Heere, ik geloof, kom mijn ongelovigheid te hulp!’

 

Dat is de schreeuw uit het hart dat het niet waard is om gered te worden. Dat geen grond voor geloof in zichzelf vindt, maar zich enkel neerwerpt op de naakte belofte van het evangelie: ‘Heere, U hebt het gezegd, dat die tot U komt niet uitgeworpen zal worden. Hier ben ik, ik kan U niets aantonen waarom U het doen zou, dan alleen Uw eigen beloften. Niet mijn gebeden, niet mijn tranen, niet mijn ernstig zoeken, niet mijn kerkgaan, niet mijn worstelen in de duisternis totdat het licht wordt.’ Ach nee, dat is alles tekort, dat is geen betaalmiddel, maar enkel het geloof in de beloftenissen van God, dat Hij het gekrookte riet niet zal verbreken en dat Hij het rokende lemmet niet zal uitblussen, dat Hij degene die tot Hem komt niet van Zich zal wegstoten. Enkel dat naakte geloof in het Woord van God, dat zegt: ‘O God, die vrouw, die de zoom van Uw kleed aanraakte, hebt Gij genezen, en die melaatse, die aan Uw voeten viel met de belijdenis: ‘Indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen,’ en deze twee blinden, die uit hun nood op de vraag van Jezus zeiden: ‘Ja Heere,’ en die vader, die uitriep: ‘Heere, ik geloof, kom mijn ongelovigheid te hulp…’

Werp uzelf zo neder, zeg ik, op de naakte beloftenissen van God, zonder enig aanknopingspunt aan úw kant. Alleen maar met uw verlorenheid. Ja, als er dan toch wat binnengebracht moet worden, breng dan maar uw verlorenheid, uw ongeluk, uw niet-kunnen, uw niet-weten, uw niet-vinden, kortom: uw zonden. Breng dan al uw ongestalten maar en zeg: ‘Heere, hier lig ik, ik pleit alleen op Uw genade, op Uw goddelijk Woord.’

 

‘Indien gij kunt geloven’, zegt de Heere. Gelooft gij dat Ik dat doen kan? Gelooft gij? Waarom nu gelóóft gij? Wel, geliefden, dat is nogal eenvoudig: omdat het door de werken der wet in eeuwigheid niet meer kan. Er is geen andere weg! Want niet degene die werkt, maar die gelooft in Hem, díe wordt zijn geloof gerekend tot gerechtigheid. Daar is geen andere weg. God maakt op geen andere wijze enig mens zalig, dan alleen via de weg van het geloof. Dat alleen!

Gelooft gij dat Ik dat doen kan? Deze Jezus, Die hier voor u staat, Die gij niet zien kunt, van Wie u slechts gehoord hebt, Die u nog niet genezen heeft, Die geen wonderen aan u verheerlijkt heeft; gelooft gij dat Ik, Die door de mensen veracht wordt, door velen verdacht gemaakt, dat die Jezus, Die straks aan het kruis gaat, van Wie Jesaja zegt: ‘Hij was veracht en wij hebben Hem niet geacht’; Hij de Onwaardigste onder de mensen, een Man van smarten en verzocht in krankheid, voor Wie een iegelijk was als verbergende zijn aangezicht; Deze Jezus, Die de wereld niet wil kennen, Die bleke Galileeër, Die daar hangt te sterven aan het kruis, Die tot in de dood bespot werd, van God en mensen verlaten… Ziet u iets begeerlijks in Hem? Ziet u alles in Hem? Die Jezus, Die om uwentwil arm geworden is, daar Hij rijk was, om u te verlossen van uw blindheid. Gelooft gij dat Ik dát doen kan?

Ach, het helpt niet om tot de Heere te gaan en te zeggen: ‘Heere, ik geloof dat U mijn moeder en mijn vader, mijn kind en mijn broer bekeerd hebt. Ik geloof dat U zo en zo Uw volk bekeert.’ O ja, dat kunnen we allemaal weten, maar dat vraagt Jezus niet! De Heere Jezus vraagt aan die blinde: Gelooft gij dat Ik dát doen kan? ‘Dat concrete in uw leven waar het nu om gaat, die blindheid, gelooft gij dat Ik dat doen kan?’

 

Denk daar eens aan, jongens en meisjes, als je je leven aan het verknoeien bent en je denkt dat er geen weg terug meer is; als je zo heimelijk in de zonden leeft, de één in de drank en de ander aan de rand van de drugs en de derde in de seks en de vierde in zijn schijnvroomheid en noem maar op. Als je je er zó ver ingewerkt hebt, dat je zegt: ‘Ja maar, ik kán niet meer terug, mijn vrienden houden me tegen en ik heb toch eenmaal die verhouding en hoe kan ik ooit mijzelf losmaken uit die knopen van de zonden?’ Wel, geliefden, dan vraagt Jezus op dit uur: ‘Wílt u dat? Wilt u werkelijk van de zonde af? En gelooft u dat Ik dát doen kan, wat juist úw kwaal is?’

En dat zeg ik niet alleen tot de kinderen, dat zeg ik ook tot de mannen en vrouwen, die misschien al jaren in Gods huis komen, met de stille bede in hun hart: ‘Heere, red me toch.’

Dan roept Jezus u op dit ogenblik en Hij wacht op een antwoord, voordat ik straks ‘amen’ zeg. Hij wacht op wat uw antwoord zal zijn. Gelooft gij? Gelooft gíj? Nee, nu niet naar dit kind van God kijken of naar die man van wie u weet dat God in hem werkte; de Heere vraagt het heden aan ú. Daar die vrouw en daar dat kind en daar die man en aan u, hoofd voor hoofd, zoals u hier nu zit: Gelooft gij dat Ik dát doen kan?

Ik ken uw hart niet. Ik weet niet wat scheiding maakt tussen God en uw ziel. Maar ú moet het weten. Als u er van af wil, dan is hier het redmiddel: Gelooft u dat Ik dát doen kan?

En werkelijk – laat het geen dode terminologie zijn – dan is er geen zonde te groot. Al waren dan werkelijk al de zonden van Adams nakroost op uw ziel samengebonden, het bloed van Jezus Christus reinigt van alle zonden!

 

O, beproef het toch, leg uw ziel er toch bij. Het is de enige goede weg, er is toch geen andere weg. Het is een heerlijke weg, het is een verheven weg, het is een goddelijke weg. God de Vader dringt u ertoe, en God de Zoon smeekt het u, en God de Heilige Geest staat gereed om het aan uw ziel weg te schenken, want Hij zal het uit het Zijne nemen en zal het u verkondigen en zal Hem verheerlijken.

 

Gelooft gij dat Ik dat doen kan? En zij zeiden tot Hem: Ja, Heere.

Dat is al. Dat was heel de beleving, daar kun je niet eens een boek, niet eens een bladzijde over vol schrijven. Ja, geliefden, die verlossing die door God in Christus Jezus gewerkt wordt, is in al de boeken van de wereld niet uit te schrijven; zo heerlijk, zo groots en zo volmaakt. Maar het is ook met twee woorden te zeggen: Ja, Heere.

Toen raakte Hij hun ogen aan, zeggende: U geschiede naar uw geloof. Dat is al. Toen waren die mensen gered. Ze geloofden en toen gingen hun ogen open.

 

‘Ja’, zegt u, ‘hoe bedoelt u dat nu?’ Als er nu hier werkelijk eens een blinde was, en die zou zo tot de Heere vluchten, zouden dan vandaag ook zijn ogen opengaan? Werkelijk deze ogen? Ik bedoel het nu gewoon lichamelijk, fysiek. Zouden dan die ogen opengaan? Ja, als de Heere dat nodig acht tot bevordering van Zijn koninkrijk, dan zouden ze zeker opengaan. Natuurlijk, vanzelfsprekend, want de Heere zegt: ‘Al zou u tot deze berg zeggen: Word opgeheven en in de zee geworpen, het zou geschieden.’

 

Maar het zou ook kunnen zijn dat de Heere zegt: ‘Mijn genade is u genoeg.’ Maar dan is het toch óók goed, als de Heere uw stem maar hoort. Al moet Paulus dan blijven zwoegen met een doorn in het vlees en met een engel des satans die hem met vuisten slaat, en al staat hij straks met een keten gebonden in Rome, als de Heere toch maar bij hem is, als de genade van God toch maar in zijn hart is en de liefde van Christus maar gesmaakt wordt. Dan reis ik getroost onder het heiligend kruis. Dan heb ik geen last van het kruis, dan klem ik het aan mijn schouder en dan vind ik het een lieve Heere Jezus, omdat Hij mij nooit straft naar mijn zonden, maar omdat Hij mij op een liefelijke, vaderlijke wijze, voort leidt.

Zelfs met dat kruis op onze rug zijn we toch ook gered, dan zijn we toch ook geholpen. Hij hoort altijd ons gebed. Hij vervult het wel eens anders dan dat wij het gevraagd hebben, maar Hij vervult en verhoort. Hij geeft ons wat we van Hem smeken. Hij heeft het toch beloofd. Alles wat we de Vader smeken in Zijn Naam, dat zal Hij ons geven, daar is geen twijfel aan.

 

Toen raakte Hij hun ogen aan, zeggende: U geschiede naar uw geloof. En toen was het gebeurd. En zo is het nog, geliefden. Als we zo acht mogen geven op Jezus, wanneer Hij Zich tot ons wendt, dan spreekt Hij maar één woord; één woord in de preek en één woord in ons hart en we zijn gered. Want als die verbintenis door het geloof, tussen ons en Hem tot stand gekomen is, dan zijn we gered. Want buiten Hem is geen leven, maar ín Hem is het waarachtige leven. Hij is het eeuwige leven. Die in Hem gelooft, die heeft eeuwig leven. Die van het water drinkt dat Ik hem geven zal, die zal tot in eeuwigheid niet meer dorsten.

O, denk daar eens aan, kinderen van God. U hebt soms zo weinig troost van de genade die in u is, omdat u zo weinig op Jezus ziet! Denk er toch eens aan en keer tot Hem weer. Val zo aan Zijn voeten, zie zo op Hem. De aanraking door Zijn hand op uw blinde ogen, op die wond van uw ziel, die doorboorde hand op u gelegd, die geneest elke wond van uw smartvol hart. Met andere woorden: als we zo op Hem zien, zoals Hij tot ons spreekt, vanaf het ruw houten kruis, stervende om onzentwil, lijdende als het Lam Gods, Zijn hoofd bebloed, Zijn handen doorboord, Zijn hart doorwond, roepende, terwijl Hij daar hangt: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? (Matth.27:46) Daar betaalt Hij de prijs voor onze blindheid, maar daar brengt Hij ook het offer, waardoor wij weer ziende mogen worden.

Geliefden, is Jezus u dierbaar? Begeert u zo bij Hem te schuilen en in Hem gevonden te mogen worden? Niet hebbende úw gerechtigheid.

En hun ogen zijn geopend geworden. Ze hebben alles gekregen wat ze gevraagd hebben. En het was maar gewoon natuurlijk. Ja, het was maar een natuurlijke nood, die hen dreef tot de Verlosser en zij verwachtten het van Hem.

 

Goed, nu vraag ik aan u: is er ook niet zulk een nood in uw leven? Misschien hebt u een ongelukkig kind, misschien hebt u een zieke man of vrouw, misschien is uw huwelijk stukgelopen, misschien hebt u uw leven verknoeid van uw jeugd af aan, misschien gaat het in uw werk niet goed, noem maar enig ding op wat u drukt, wat u van God scheidt, wat u met pijn vervult.

Ik predik u heden Jezus Christus, de Gekruiste, Die zondaren tot Zich roept. Laat enige nood – wat dan ook – voor u een middel zijn om tot Hem te gaan. Enige nood, zeg ik, het kan ook een geestelijke nood zijn. Het kan beide zijn. Het kan zijn dat u door uw natuurlijke noden bij uw geestelijke nood terechtkomt en dat u zegt: ‘Dat dat nu allemaal gebeurt in mijn leven, dat komt omdat ik U verlaten heb.’ Maar wat het dan ook moge zijn, Jezus vraagt aan deze twee mensen niet: ‘En waar komen jullie vandaan? En hoe zijn jullie op de weg gekomen en wat is er vooraf in uw leven gebeurd?’ Dat vraagt Jezus nooit. Wij mensen gebruiken dat soms om elkaar van Jezus af te houden. Maar Jezus vraagt het nooit. Als er iemand tot Hem komt, met welke nood ook, klein of groot, dan vraagt Hij niet: ‘Waar kom je vandaan?’ Maar dan vraagt Hij: ‘Waarmee kan Ik je helpen? Waarmee kan Ik je dienen?’

En dan zeggen ze: ‘Heere, dat ik ziende mag worden.’ En dan vraagt de Heere thans: Gelooft gij dat Ik dat doen kan?

 

Ach, kom, ga met die vraag van Jezus eens naar huis. Dan kunt u niet langer de schuld op Hem schuiven. Als u echter zegt: ‘Nee, geloven doe ik niet’, dan moet u het zelf weten. Dan gaat u ongeholpen en ongered naar huis, maar dan bent u de grootste dwaas die er op de aarde rondloopt. Daar geef ik u de verzekering van.

Dan bent u gelijk aan die man die in de gevangenis zit en levenslang heeft. Daar komt de bode van de koning en hij reikt hem de pardonbrief en zegt: ‘Hier, lees deze brief en onderteken hem en de gevangenisdeuren gaan voor altijd open.’ Maar de gevangene zegt: ‘Ach nee, ik kan het niet geloven, ik kan het echt niet geloven dat een misdadiger zoals ik zomaar uit de gevangenis mag gaan.’ Nu, dan blijf je erin. Maar denk erom, als je er hier in blijft, dan ben je er straks voor eeuwig in. Dan komt er nooit meer iemand met het evangelie van Jezus Christus. En als je onder dit evangelie niet tot Hem komt, dan zal er in eeuwigheid geen ander evangelie zijn. Want God heeft ons alles gegeven wat Hij had. Hij had maar één Zoon en Hij heeft Hem gegeven en Hij heeft daarbij laten prediken dat degene die op Hem ziet, niet verloren zal gaan.

 

Kinderen, wat denken jullie ervan? Ik vertel nu een verhaaltje voor de kinderen. Ik las van één van onze vaderen, dat hij zegt: ik wilde eens aan de kinderen duidelijk maken wat geloof was. Toen had ik daar een stelletje kinderen om mij heen en toen haalde ik mijn gouden horloge uit mijn zak en daar stonden die jongens en ik zei: ‘Jongens, dit horloge wil ik weggeven, wie van jullie wil het hebben?’ En de een na de ander zei: ‘Kom, meester, hang geen gekheid op.’ En hij zei: ‘Jan, wil jij het hebben?’ ‘Nee, meester.’ Hij dacht: de meester houdt ons voor de gek. ‘En Piet, wil jij het hebben? Of Marie, wil jij het hebben? Dit horloge, ik geef het weg.’ Maar niemand nam het.

Evenwel, daar achter in de klas stond een jongen. Ach, het was maar een beetje simpele jongen en hij zei: ‘Meester, geeft u dat horloge weg?’ ‘Ja’, zei de meester. ‘Nou, geef het dan aan mij!’ En de meester gaf het en die jongen pakte het! Toen zeiden die andere jongens: ‘Meester, méénde u het dan?’ ‘Ja, jongens, dat heb ik toch gezegd?’

De anderen waren gaan redeneren: ‘Wie is er nu zo dwaas om een gouden horloge weg te geven, een gouden horloge! Ik heb het helemaal niet verdiend, hoe zou de meester dat nu kunnen menen?’ Maar die ene jongen, die een beetje simpel was, ja, die geloofde die meester wel, kinderen. Toen hád hij het.

 

Zo eenvoudig is nu zalig worden! Je gewoon neerleggen aan de voeten van de Heere en tegen de Heere zeggen: ‘Is het echt waar, Heere? Hier ben ik! Dan wil ik mijn hartje aan U geven, voor nu en voor eeuwig. Dan wil ik naar Uw stem luisteren. O, help me dan en vervul me dan met Uw Heilige Geest.’ En dan zal de Heere het doen. Hij zal het zeker doen. Hij heeft het gezworen.

En dat kinderverhaaltje, dat mag u ook onthouden als u tot de grote mensen behoort en nog voor eigen rekening leeft. Dat mag u óók wel onthouden, kinderen van God. We denken soms zo schraal van de Heere, alsof Hij het moe is om ons te helpen. Alsof Hij niet beloofd heeft: ‘Ik zal je leiden naar Mijn raad en dan zal Ik je in heerlijkheid opnemen.’

 

Hij heeft alles gegeven. Hij heeft Zijn Woord gegeven. Hij heeft Zijn Zoon gegeven. En tot hiertoe heeft Hij Zijn evangelie aan ons gegeven. Heden dan, indien gij Zijn stem hoort, verhard uw hart toch niet!

 

En ten slotte nog, als u zegt: ‘Ja maar, mijn zonden, waarvan God weet hoe groot ze zijn…’ Geliefden, dan eindig ik met de dichter:

 

Daar op de heuvel Golgotha,

staat een kruishout opgeheven.

Als ik daarheen de ogen sla,

dan wordt mij alle schuld vergeven.

Onder die ijzeren nagelpunt,

die Uw voeten houdt gebonden,

zij een plaatsje mij vergund,

waar ik mag wenen om mijn zonden.

Geef mij slechts de laagste plaats,

zo Gij mij een plaats wilt geven,

want niemand heeft ooit zoveel kwaads

tegen zoveel goeds bedreven.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 89: 7 en 8

 

Hoe zalig is het volk, dat naar Uw klanken hoort!

Zij wand’len, Heer’, in ‘t licht van ‘t Godd'lijk aanschijn voort;

Zij zullen in Uw naam zich al den dag verblijden;

Uw goedheid straalt hun toe; Uw macht schraagt hen in ‘t lijden;

Uw onbezweken trouw zal nooit hun val gedogen,

Maar Uw gerechtigheid hen naar Uw woord verhogen.

 

Gij toch, Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht;

Uw vrije gunst alleen wordt d’ ere toegebracht;

Wij steken ‘t hoofd omhoog en zullen d’ eerkroon dragen,

Door U, door U alleen, om ‘t eeuwig welbehagen;

Want God is ons ten schild in ‘t strijdperk van dit leven,

En onze Koning is van Isrels God gegeven.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Geen ander evangelie’ (deel 2) van ds. L. Huisman (Uitgeverij P. Boekhout, 2000).