Ds. J.S. van der Net - Genesis 4 : 5b - 7a

God bemoeit Zich op een liefdevolle wijze met Kaïn

Een ontdekkende vraag
Een liefdevolle roepstem
Een ernstige waarschuwing

Genesis 4 : 5b - 7a

Toen ontstak Kaïn zeer en zijn aangezicht verviel. En de HEERE zeide tot Kaïn: Waarom zijt gij ontstoken, en waarom is uw aangezicht vervallen? Is er niet, indien gij weldoet, verhoging? En zo gij niet weldoet, de zonde ligt aan de deur.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 84: 1
Lezen : Genesis 4: 1-16
Zingen : Psalm 2: 3, 6
Zingen : Psalm 86: 1
Zingen : Psalm 86: 3
Zingen : Psalm 95: 4

Het Woord van de Heere dat in deze dienst tot ons komt, kunnen we vinden in het boek Genesis, het vierde hoofdstuk, en daarvan vers 5b tot en met vers 7a, waar we het Woord  van de Heere aldus lezen:

 

Toen ontstak Kaïn zeer en zijn aangezicht verviel. En de Heere zeide tot Kaïn: Waarom zijt gij ontstoken, en waarom is uw aangezicht vervallen? Is er niet, indien gij weldoet, verhoging? En zo gij niet weldoet, de zonde ligt aan de deur.

 

Gemeente, deze schriftwoorden preken ons: God bemoeit Zich op een liefdevolle wijze met Kaïn.

 

Een drietal hoofdgedachten:

1. Een ontdekkende vraag

2. Een liefdevolle roepstem

3. Een ernstige waarschuwing

 

1. Een ontdekkende vraag

 

Gemeente, het gaat in deze dienst dus over Kaïn. Meisjes en jongens, jullie weten wel dat Kaïn de eerste baby is die hier op de wereld werd geboren. Kaïn werd niet in het paradijs geboren, maar Kaïn werd buiten het paradijs geboren.

Gemeente, toen Kaïn geboren werd, hadden Adam en Eva hoge verwachtingen van hem. Dat blijkt ook als ze Kaïn zijn naam geven. Dan roept Eva uit: Ik heb een man van de Heere verkregen! (Gen.4:1). En ze noemde haar kind Kaïn. Dat betekent: pilaar, de krachtige. Adam en Eva hebben gehoopt en gedacht dat dit kind de Messias zou zijn en de satan zou overwinnen.

Later werd er een tweede kind geboren. Dat weten jullie ook wel, meisjes en jongens. Ja, precies: Abel! Toen Abel geboren werd, juichte Eva niet. Al gauw bleek dat Adam en Eva  van dit kind niet zulke hoge verwachtingen hadden. Ze noemden dit kind Abel. Dat betekent eigenlijk: nietigheidje, kleinigheidje, ijdelheidje. Die woorden zeggen al genoeg. Adam en Eva hadden daar niet zoveel verwachting van. Ze hebben niet gedacht dat het juist Abel zou zijn die in de gunst van God zou delen.

Als later deze twee kinderen groter geworden zijn, werkt Kaïn in de landbouw en Abel in de veeteelt. Kaïn en Abel hebben toen samen de Heere geofferd. De meisjes en jongens weten wel wat er toen gebeurd is.

Ja, de Heere nam het offer van Abel aan en het offer van Kaïn nam de Heere niet aan. Hoe kwam dat? Dat lezen we in de brief aan de Hebreeën: Door het geloof heeft Abel een meerdere offerande Gode geofferd dan Kaïn, door hetwelk hij getuigenis bekomen heeft dat hij rechtvaardig was, alzo God over zijn gave getuigenis gaf (Hebr.11:4).

Door het geloof, staat er in de Hebreeënbrief. Dat wil zeggen: Abel, en dat hoort ook bij het geloof, lag als een diepschuldige zondaar voor God in het stof gebogen en hij pleitte op de moederbelofte die de Heere aan zijn ouders gegeven had. En Kaïn wordt achteruitgezet. Kaïn wordt er door God buitengezet.

 

Daarna lezen we niet zo veel meer over Adam en Eva. Maar dit staat vast: ze hebben allebei leren buigen onder de mening van God. Je leest alleen nog, als Seth geboren wordt, dat Eva zegt: Want God heeft mij, sprak zij, een ander zaad gezet voor Abel; want Kaïn heeft hem doodgeslagen (Gen.4:25).

Dan zwijgt Eva over Kaïn. Ze mag bukken onder God. Gemeente, dat is nu genade. Om de Heere vrij te mogen laten, om te buigen onder de vrijmacht van God. U begrijpt wel, dat kan alleen genade. Om als een vader en een moeder, als het gaat over je kinderen, te buigen onder de vrijmacht van God. Zo was het bij Adam en Eva.

 

En hoe was dat bij Kaïn? Wel, gemeente, van Kaïn lezen we helemaal niet dat hij gebogen heeft. We lezen van Kaïn evenmin dat hij gezegd heeft: ‘Heere, U hebt helemaal gelijk. Want dat offer, de manier waarop ik het bracht, hoe het was in mijn hart en mijn ziel, dat klopte helemaal niet. Heere, U hebt groot gelijk.’

Nee, dat lezen we niet van Kaïn. We lezen juist precies het tegenovergestelde. Want dan lezen we in het vijfde vers: Toen ontstak Kaïn zeer en zijn aangezicht verviel. Oordeelt God anders dan zijn vader en moeder? Oordeelt God anders dan dat hij zelf oordeelde? Dat neemt hij niet! Ziet de Heere hem en zijn offer niet aan?

Ergernis en nijd vervullen het hart van Kaïn. En die ergernis en nijd in het hart van Kaïn, dat groeit en dat groeit en dat groeit, totdat het wrok is geworden en boosaardige toorn tegen God.

Het staat er ook zo: ‘Toen ontstak hij zeer.’ Ontsteken. Meisjes en jongens, waar heeft dat mee te maken? Dat heeft te maken met vuur. Eigenlijk staat er: het hart van Kaïn begon te branden vanwege jaloezie, vanwege wrok, omdat God hem er buiten gezet had.

 

Toen ontstak Kaïn zeer en zijn aangezicht verviel. Gemeente, dat kunt u ook begrijpen. Daar is een nauwe samenhang tussen lichaam en ziel. Dat vormt met elkaar een eenheid. Bij Kaïn was het zo: de nijd, de wrok, en de jaloezie, eten als het ware Kaïn lichamelijk op. Het was te zien aan Kaïn. Hij werd er mager van en zijn aangezicht had een bittere uitdrukking.

En de blik in zijn ogen voorspelde niet veel goeds, want hij gaat vol van wrok en vol van jaloezie over de wereld. Zijn aangezicht verviel. En Abel? Die verwaardigt hij geen blik. De gezondheid van Kaïn lijdt onder zijn ingehouden toorn en wrok.

 

Gemeente, dat komt ook vandaag nog voor, nietwaar? Als er verstoorde verhoudingen zijn met medemensen, misschien wel uw man of uw vrouw, uw vader of uw moeder of andere mensen, als er verstoorde verhoudingen zijn met God, dan kan het ook gebeuren dat de boosheid en de irritatie van ons gezicht is af te lezen. Dan vervalt ook ons gelaat. Dat is heel wat anders dan verdriet.

Verdriet, daar ga je onder gebogen. Maar haat, nijd en jaloezie, die verteren een mens. En als dat ons in de greep heeft, dan kan ons gezicht vervallen.

Dan is Kaïn geen uitzondering. Want ons gezicht hoeft niet eens vervallen te zijn om op Kaïn te lijken. U zegt misschien: ‘Wat bedoelt u? Geef eens een voorbeeld.’

Ik zal het proberen. Het Heilig Avondmaal wordt bediend in de gemeente. En u gaat naar de kerk en u weet het wel voor uzelf: zoals het er nu voor staat van binnen, bent u geen waardige avondmaalganger. U zou uzelf een oordeel eten en drinken, omdat u het lichaam des Heeren niet onderscheidt.

Dan wordt het avondmaal bediend.

En wat gebeurt er? Hé, kijk nou eens! Die man gaat aan! En kijk daar eens, die vrouw ook! Je voelt het van binnen: dat valt verkeerd. Je wordt eigenlijk een beetje boos van binnen. Die man en die vrouw wel, en nota bene, daar valt zoveel van te vertellen en ik heb er nooit iets van gehoord als het gaat over het geestelijke leven…

Dan kan er boosheid en irritatie in je hart zijn. Als we dan de volgende dag mensen uit de gemeente tegenkomen, dan maken we van ons hart ook geen moordkuil. Gemeente, dan lijkt u op Kaïn!

 

Ook onder Gods kinderen kan zoiets voorkomen. Want dan zie ik daar een kind van God, bij wie het vanbinnen allemaal zo droog en zo dor is. Dan komt hij een ander kind van God tegen, die mag spreken vanuit de ruimte en die mag spreken hoe goed de Heere voor hem is. Dan valt dat verkeerd. Dan zeg je heel boos: ‘Je denkt zeker dat je altijd blij kunt zijn en dat het altijd maar voor het pakken ligt?’

Ik weet het wel, als de Heere je op je plaats brengt, dan kom je daar later wel weer op terug. Maar op zo’n moment is er iets van die Kaïn ook in ons hart.

 

Gemeente, leg er allemaal uw leven maar naast. Ik kijk u allemaal aan. Herkent u dat? Heeft u die Kaïn al eens ontdekt in uw eigen hart? Meisjes en jongens, ben je die Kaïn ook bij jou in je hart al eens tegengekomen?

Want we zijn zulke dwaze mensen. Ook wij zijn mensen die ons zo kunnen ergeren aan de vrijmacht van God. Kaïn heeft zich daar ontzaglijk aan geërgerd. Daarom gaat de Heere tegen Kaïn zeggen: Waarom zijt gij ontstoken, en waarom is uw aangezicht vervallen?

 

O gemeente, u zou deze woorden heel goed tot u door moeten laten dringen. Eigenlijk is ieder woord in dat zesde vers even wonderlijk. En de Heere zei tot Kaïn: Waarom? Waarom? Merkt u wat hier gebeurt? De Heere spreekt hier tot een gevallen adamskind. De eeuwig levende God spreekt tot Kaïn. De Heere bemoeit Zich nog met die man, met dat boze hart, vol van wrok en vol van jaloezie, die daarmee de ene dag in en de andere dag uit leeft.

In Zijn neerbuigende goedheid heeft God aandacht voor Kaïn, wiens offer Hij niet heeft aangenomen. De Heere verschijnt aan Kaïn. Wat is de Heere lankmoedig, onuitsprekelijk geduldig. Nee, de Heere straft Kaïn niet direct. Het is nooit te zeggen hoe lankmoedig de Heere is. Hij spreekt vijandige zondaren aan, die onder het Woord leven. Hij stelt ze zelfs vragen. Ook in deze dienst, bij u, bij jou. Hij stelt ons steeds weer voor de vraag: ‘Meisje of jongen, waarom? Waarom? Man of vrouw, waarom zijt gij ontstoken en is uw aangezicht vervallen?’

Door dat ontdekkende vragen wil de Heere Kaïn tot inkeer brengen. Want Kaïn heeft helemaal geen reden voor zijn wrok. Hij heeft helemaal geen reden om toornig te zijn op de Heere en op Abel. Want het was Kaïn zelf die God zijn hart onthouden had.

Hij heeft zich wel beijverd om de Heere offers te brengen, maar hij heeft dat niet gedaan in een waarachtig geloof. Kaïn heeft zich niet geheel en al als een arme smekeling overgegeven aan de Heere Jezus, Die in de belofte van het vrouwenzaad was geopenbaard.

 

Kaïn heeft geen enkele reden om wrok te hebben of om boos te zijn. Hij heeft zélf God zijn hart onthouden. Meisjes en jongens, onthoud het: als je God je hart onthoudt, dan onthoud je God alles! Dat doen we nu van nature: God alles onthouden. Hij heeft geen reden om toornig te zijn. En Kaïn is het zelf die zich handhaaft tegenover God.

Gemeente, ik kom eerst weer bij u terecht. Heeft u er erg in dat de Heere in deze dienst ook tot u komt? Ook als u misschien maar wat doorleeft. Natuurlijk, u komt trouw naar de kerk en u doet van alles. Maar van binnen hè, van binnen zit het niet goed. Van binnen bent u onbekeerd. En soms bent u misschien ook wel eens geïrriteerd dat de Heere een ander wel bekeert en u voorbijgaat.

 

Dan vraagt de Heere: ‘Waarom? Waarom, meisje of jongen, zie je zo uit de hoogte neer op je buren, die misschien wel nergens aan doen? Waarom ziet u zo uit de hoogte neer op andere leden van de gemeente? Waarom oordeelt u zo uit de hoogte over dominees, over ouderlingen, over diakenen? Waarom? Waarom leeft u maar verder in verstoorde relaties, misschien wel met uw eigen man of vrouw, met uw vader of moeder of kinderen?’

 

Als het waar is dat u zoveel beter bent dan die of die – op wie u zoveel kritiek hebt – waarom heeft die man of die vrouw of dat meisje of die jongen, geen plaats in uw gebed? Als het dan waar is dat u zoveel beter bent, waarom worstelt u dan niet om het eeuwig behoud van die man of die vrouw?

Waarom? Waarom, gemeente, gaat u toch door om de uitnodigingen van het evangelie te verachten? Waarom? O, jong en oud, het lijdt geen twijfel dat wij van nature geneigd zijn God en onze naaste te haten. En dat wij geen enkele reden hebben om ons boven Kaïn te verheffen. ‘Waarom?’, zegt de Heere.

Gemeente, in dat ene woordje ‘waarom’ dat de Heere hier zegt, houdt de Heere ons en Kaïn de spiegel van Zijn heilige wet voor, om ons te ontdekken aan onze ellende. Hij vraagt: ‘Waarom hebt u Mij niet lief boven alles en onthoud u Mij uw hart? Waarom hebt u uw naaste niet lief als uzelf?’ We horen hier als het ware ook de profeet al uitroepen: O Mijn volk, wat heb Ik u gedaan, en waarmede heb Ik u vermoeid? Betuig tegen Mij (Micha 6:3).

O onbekeerden hier, betuig: Wat heeft God u gedaan? Betuig tegen Hem! Waarom?

In de weg van het ontdekkende vragen wil God laten zien dat we niet beter zijn dan Kaïn, dat we niet anders verdiend hebben dan voor eeuwig verstoten te worden. En als de Heilige Geest zaligend werkt in ons leven, dan wordt het ook beleefd. En dat is een bange les, dat is een pijnlijke les. Als we eraan ontdekt worden dat we werkelijk haters van God zijn en de Heilige Geest ons leert bidden: ‘Ontferm U mijner!’

 

Waarom zijt gij ontstoken, en waarom is uw aangezicht vervallen?

De Heere wil die wrokkende Kaïn tot inkeer brengen. De weg tot de zaligheid staat nog voor hem open. Het is nog niet afgesneden. En dat laat de Heere ook horen als Hij zegt: Is er niet, indien gij weldoet, verhoging?

Dat is onze tweede hoofdgedachte: een liefdevolle roepstem. Maar laten we eerst samen zingen uit Psalm 86 en daarvan het eerste vers:

 

               Neig, o Heer’, Uw gunstig’ oren,

               Om mij in mijn angst te horen.

               ‘k Ben ellendig, diep in nood,

               Gans van heul en hulp ontbloot.

               Hoed mijn ziel, Gij zijt almachtig,

               En ik ben Uw gunst deelachtig.

               O mijn God, Die mij aanschouwt,

               Red Uw knecht, die U vertrouwt!

 

Een ontdekkende vraag. En nu ten tweede:

 

2. Een liefdevolle roepstem

 

Want dan zegt de Heere tegen Kaïn: Is er niet, indien gij weldoet, verhoging?

Gemeente, wat een aangrijpend woord is dat! Meisjes en jongens, ik hoop dat dit woord, dat God hier uitspreekt, in jullie oren zal blijven klinken, ook als je naar huis gaat en als je naar bed gaat vannacht.

Ook in uw oren, als u misschien wel heel erg aan het tobben bent over de uitverkiezing en misschien wel zegt: ‘Ja, maar ik snap wel hoe het zit bij Abel en Kaïn. Abel was uitverkoren en Kaïn was verworpen.’ Gemeente, dat lezen we hier helemaal niet. Want de Heere heeft niet tegen Kaïn gezegd: ‘Kaïn, jij bent een verworpen.  Kaïn, je kunt vragen en bidden en smeken wat je wilt, maar het zal allemaal toch niks helpen, want je bent een verworpene!’

Dat zegt de Heere ook niet in deze dienst tegen u en tegen jou, die misschien wel worstelt met je zonden, maar die alles mist. Dan zegt de Heere in deze dienst ook niet tegen u of jou, als je daar misschien mee aangevallen wordt: ‘Ja, maar je bent niet uitverkoren.’ Dan zegt de Heere nu ook niet tegen u of jou: ‘Je bent een verworpene!’ Nee, dan komt de Heere in deze dienst tot u en tot jou, net als tot Kaïn, met deze zelfde vriendelijke roepstem: Is er niet, indien gij weldoet, verhoging?

Gods lankmoedigheid is zó groot! Hij roept die wrokkende Kaïn, die wrokkende zondaar, tot bekering. En Hij zegt: Is er niet, indien gij weldoet…

 

Wat zou God daar nu precies mee bedoelen, als Hij tegen Kaïn zegt: ‘Je moet weldoen’?

Meisjes en jongens, luister, ik zal proberen het heel eenvoudig te zeggen. Weldoen is leven naar de geboden van God. Om het een beetje ouderwetser te zeggen: dat is nu de hele praktijk van de godzaligheid. Weldoen. De Heere zegt hier: ‘Kaïn, als je leeft naar Mijn wil, dan is er verhoging.’ Weldoen!

Paulus heeft er ook over geschreven aan Titus. Hij schrijft: ‘Weldoen, dat is het matig, rechtvaardig, godzalig leven in deze tegenwoordige wereld.’

Dus wat roept de Heere Kaïn toe? Hij zegt: ‘Kaïn, bekeer je van je boze, hatende, door en door zondige gezindheid, tegen Mij en je naaste, en bekeer je! Is er niet, indien gij weldoet, verhoging? Keer weder tot Mij, om in Mijn wegen te wandelen. Is er niet, indien gij weldoet, verhoging?’

 

Hier horen we in Genesis 4 de roep van het evangelie. Dat de Heere zegt: Zou Ik enigszins lust hebben aan de dood des goddelozen, spreekt de Heere Heere; is het niet, als hij zich bekeert van zijn wegen, dat hij leve? (Ez.18:23) Gij nu hebt met veel boeleerders gehoereerd, keer nochtans weder tot Mij, spreekt de Heere (Jer.3:1).

Hoe is dat bij u? Ja, u leeft misschien wel heel netjes en heel zorgvuldig. U belijdt ook gerechtigheid. Maar hoe is dat van binnen bij u? Is er misschien bij u van binnen ook boosheid en geïrriteerdheid op de Heere? U hebt het er misschien wel eens moeilijk mee: die heeft wél de Heere leren kennen en ik nog steeds niet.

Hoor dan in deze dienst Zijn Woord! Hij komt met een liefdevolle roepstem tot álle Kaïns. Hij komt met een liefdevolle roepstem, ook tot allen die in een Kaïnsgestalte zijn. Hij roept u en Hij roept jou toe: ‘Bekeert u! Is er niet, indien gij weldoet, verhoging?’ De Koning van de hemel en van de aarde betuigt dat u zich moet bekeren! Is er niet, indien gij weldoet, verhoging?

 

Gemeente, we zijn peilloos diep gevallen. Maar de Heere blijft Zijn beeld terugeisen. Al zijn we peilloos diep gevallen, dat doet niets af van onze verantwoordelijkheid. De Heere spreekt Kaïn persoonlijk aan en de Heere spreekt ook nu in onze tekstwoorden ú en jou, meisje of jongen, persoonlijk aan: Is er niet, indien gij weldoet, verhoging?

Eigenlijk is dat dezelfde manier van spreken zoals je dat ook in Micha tegenkomt. Daar lezen we: Hij heeft u bekendgemaakt, o mens, wat goed is; en wat eist de Heere van u, dan recht te doen, en weldadigheid lief te hebben, en ootmoediglijk te wandelen met uw God? (Micha 6:8).

 

O, wat zijn we toch arglistig! Het is nooit te zeggen hoe arglistig ons hart is. Want als de Heere ons ernstig waarschuwt, wat doen we dan? We redeneren door. En als de Heere ons lieflijk nodigt, we redeneren maar door, om onszelf te handhaven. We laten de Heere maar niet aan het woord komen. En als de Heere zegt: Is er niet, indien gij weldoet, verhoging?, dan laten we soms de Heere nog niet eens uitspreken. Dan zeggen we: ‘Ja, ja, dat staat er allemaal wel, maar ik kán mezelf toch niet bekeren? Ik kán toch uit mezelf niet weldoen?’

‘Welnu’, zegt u, ‘is dat dan niet waar?’ O gemeente, dat is helemaal waar. U kunt uzelf niet bekeren en u kunt uit uzelf ook niet weldoen. Maar het maakt zo’n groot verschil of we dat zeggen vanuit de beschouwing of dat we dat zeggen vanuit de beléving.

Gelooft u dat werkelijk, dat u zich niet kunt bekeren? Hebt u dat in de praktijk zo ervaren? Meisjes en jongens, geloof je dat nu werkelijk, dat je uit jezelf niet kunt weldoen, dat je uit jezelf niets goeds kunt doen? Want als dat waar is, als u dat werkelijk gelooft, dan bent u door de Heilige Geest aan uw onmacht bekendgemaakt. Dan bent u allang op uw knieën terechtgekomen in de binnenkamer. Dan roept u bij dagen en bij nachten tot God.

 

Want als God de bekering werkt, dan doet Hij alles. En als Hij de bekering werkt en wij ons gaan bekeren, dan worden we werkelijk onbekeerd in onszelf. Dan pas ervaren we voor het eerst hoe onbekeerd we zijn van onszelf. Als we werkelijk onbekeerd worden in onszelf, dan worden we tegelijk in de hoogste mate geestelijk actief. Want dan brengt de Heere ons als een smekeling aan de troon der genade.

O, als we werkzaam worden in het stuk van de bekering, dan krijg je de Heere daar voor nodig. Dan wordt de eer van God gezocht, vóór alles en ín alles. Dan wordt het onze hartelijke begeerte om, zoals de Heere hier tegen Kaïn zegt, wél te doen, om in Zijn wegen te wandelen.

 

Want dat weldoen waar de Heere hier over spreekt, dat is niet een farizeïstische werkheiligheid. Dat weldoen is niet een prestatie van onze wil. Nee, dat weldoen is er alleen in de genade en de kracht van de Heere Jezus Christus. Dat weldoen waar God over spreekt, dat ontspringt aan het toevlucht nemen tot de troon der genade, als een onreine, tot Christus en Zijn gerechtigheid.

Dat weldoen waar God hierover spreekt, dat is niets anders dan het afsterven van de oude mens, door de zondedodende bediening van de Geest van Christus. Maar dat weldoen is ook de opstanding van de nieuwe mens, de hartelijke vreugde in God, terwijl we ons soms leeg schreien voor God.

 

Is er niet, indien gij weldoet, verhoging? Kaïn, je moet bekeerd worden. Kaïn, je kúnt bekeerd worden. Kaïn, Ik zal je niet afwijzen als je met dat gebed tot Mij komt: Was mij wel van mijn ongerechtigheid (Ps.51:4).

Gemeente, u moet eens opletten hóe deze vraag door de Heere gesteld wordt. Zowel in het Hebreeuws als in onze Statenvertaling wordt die vraag door God namelijk zó gesteld, dat de Heere alleen een bevestigend antwoord verwacht.

Is er niet, indien gij weldoet, verhoging? Hoort u het? Dan kan Kaïn toch geen ‘nee’ zeggen op die vraag? Daar moet hij toch ‘ja’ op antwoorden, als de Heere tegen hem zegt: Is er niet, indien gij weldoet, verhoging? Daar past toch maar één antwoord op: ‘Ja, Heere!’

 

Gemeente, dat is dezelfde vraag die God aan ons stelt. Is er niet, indien gij weldoet, verhoging? Daar kun je toch geen ‘nee’ op antwoorden? Heb Ik u daarom niet gesteld onder de bediening van het verbond? Heb Ik u daarom niet laten leven onder al die roepstemmen van het evangelie? Want in het verbond van Gods genade is een onuitputtelijke schat die Christus verworven heeft. Schatten van levendmaking, ontdekking, verbreking, bekering, verootmoediging… Is er niet, indien gij weldoet, verhoging?

De God des hemels en der aarde roept u toe niet door te hollen naar het eeuwige verderf. Meisjes en jongens, de God van de hemel en de aarde roept ook jou in deze dienst toe zo niet door te gaan naar het eeuwige verderf, maar om je te bekeren.

Als er hier in de gemeente nu nog één verstokte zondaar zit, die durft te zeggen dat God hem nog nooit geroepen heeft, die durft te zeggen dat hij van Godswege nog nooit ernstig gewaarschuwd is, dan zeg ik u: dan nodigt de Heere u nú! Dan waarschuwt de Heere jou nú! Dan betuigen we vandaag in Gods Naam dat u van Godswege geroepen en genodigd bent geworden. Is er niet, indien gij weldoet, verhoging? Waarom moet uw levensscheepje te pletter slaan op de rotsen van de eeuwigheid? Waarom, zegt de Heere, weigert u in Mijn Zoon te geloven? Wat winst geeft het u dan toch als u voor eeuwig verloren gaat?

 

Luister eens heel goed: de Heere spreekt hier tegen Kaïn in de tegenwoordige tijd. Hij zegt: Is er niet… Hij zegt niet: ‘Was er niet…’ Hij zegt: Is er niet, indien gij weldoet, verhoging? Niet morgen, maar heden! Laat u met God verzoenen! Laat uw zonden, laat uw verzet, laat uw spitsvondigheden varen en bekeer u! Is er niet, indien gij weldoet, verhoging? Dan zult u ervaren dat er verhoging is.

 

Nu zet ik een streepje onder dat woordje ‘verhoging’. Is het u al opgevallen? Eigenlijk is dat woordje ‘verhoging’ een tegenstelling. Eerst wordt er gesproken over dat gezicht van Kaïn, dat vervalt. Dat is de beweging naar beneden toe. Maar, zegt de Heere, nu de tegenstelling: verhogen. Want indien Kaïn weldoet, als hij tot bekering komt, dan zal zijn nijd en zijn wrok en zijn jaloezie plaatsmaken voor ongekende innerlijke blijdschap. Ja, ook zijn lichaam zal delen in die vernieuwde verhouding met God. Dan zal dat ingevallen gezicht zich herstellen. Dan zullen de ogen niet meer die bittere en scherpe blik hebben. Het zal zichtbaar zijn. Vervallen, verhogen…

 

Nu moet u opletten wat er eigenlijk in de grondtekst staat. Eigenlijk staat er in het Hebreeuws: ‘Is er geen opheffing van uw aangezicht als u weldoet? Is er geen opheffing van uw aangezicht?’

Wat bedoelt de Heere, meisjes en jongens? Dat kunnen jullie ook snappen. Het zal vast wel eens een keer gebeurd zijn, dat je iets gedaan hebt wat niet mag. Dan weet je dat je papa en je mama daar ontzettend boos over zijn. Dan kom je bij je vader en je moeder, en wat doe je dan? Ja, dan kijk je naar beneden hè? Je durft je vader en je moeder niet aan te kijken. Je staat met je hoofd naar beneden.

Zo gaat het ook als God ons bekeert. Dan durven we niet opzien naar de Heere. Dan zeggen we: ‘Heere, ik heb zo vaak gezondigd. Wilt U me bekeren?’ Net als die tollenaar, weet u wel, die durfde zijn ogen ook niet op te heffen, die keek ook naar beneden. O God, wees mij zondaar genadig! (Luk.18:13).

 

Maar, meisjes en jongens, als je zo voor je vader en je moeder staat en je vindt het zo erg en je durft niet op te kijken, wat gebeurt er dan? Ja, dan ineens voel je de hand van je vader of je moeder. En die duwt je hoofd bij je kin omhoog, net zolang tot jouw ogen kijken in de ogen van je vader of moeder.

Dat doet de Heere nu ook als Hij een mens bekeert. Dan staan we daar als zondaar, met ons hoofd naar beneden. Dan zingen we het met David: ‘Uw doen is rein, Uw vonnis gans rechtvaardig!’

Dan het wonder: in plaats van dat je geslagen wordt, heft de Heere het hoofd op van boetelingen en van zondaren die daar voor Hem hun schuld belijden. Dan komt het ogenblik dat de Heere als het ware met Zijn hand dat gebogen hoofd opheft. Is er niet, indien gij weldoet, verhoging? Is er geen opheffing van uw aangezicht, als u weldoet? Om dan het vriendelijke aangezicht van God te zien, dat geeft vrolijkheid en licht. Milde handen, vriendelijke ogen, die zijn bij Hem van eeuwigheid, in de Heere Jezus Christus.

Gemeente, dat zijn ogenblikken dat we het mogen ervaren dat Hij niet meer op ons schelden of toornen zal.

Dan heft de Heere Jezus Zelf ons hoofd omhoog dóór het geloof. Want buiten het geloof om wordt het nooit ervaren. In Uw licht zien wij het licht (Ps.36:10). Wat is dat een zalige ervaring, als Hij ons hoofd opheft.

 

Is er niet, indien gij weldoet, verhoging? Is er geen opheffing van uw aangezicht als u weldoet? Jong en oud, wat zal dat zijn, als wij op zo’n grote zaligheid geen acht zullen slaan.

 

Laten we nu eerst samen nog zingen uit Psalm 86 en daarvan het derde vers:

 

               Heer’, door goedheid aangedreven,

               Zijt Gij mild in ’t schuldvergeven!

               Wie U aanroept in de nood,

               Vindt Uw gunst oneindig groot.

               Heer’, neem mijn gebed ter ore,

               Wil naar mijne smeking horen,

               Merk naar Uw goedgunstigheên

               Op de stem van mijn gebeên.

 

God bemoeit Zich op een liefdevolle wijze met Kaïn. Een ontdekkende vraag, een liefdevolle roepstem, maar ook nog:

 

3. Een ernstige waarschuwing

 

Want de Heere zegt: Is er niet, indien gij weldoet, verhoging? En zo gij niet weldoet, de zonde ligt voor de deur.

Wat bedoelt de Heere daarmee, meisjes en jongens? Je moet dan denken aan een heel gevaarlijk roofdier. Denk bijvoorbeeld aan een gevaarlijke panter of tijger, in het wild. Die liggen vaak in een hol of op hun leger, vlak voor de opening. Wat doet die tijger of panter? Die houdt alles goed in de gaten. Net zolang tot het roofdier een prooi ziet die hij kan bespringen. En als het gunstige ogenblik daar is, dan springt zo’n roofdier uit zijn hol. Als zo’n roofdier gaat springen – zo’n tijger of zo’n leeuw of zo’n panter – nou meisjes en jongens, dan houd je hem echt niet tegen!

Dat is het beeld dat de Heere hier gebruikt. De Heere tekent de zonde in het hart van Kaïn als een gevaarlijk roofdier. Dat roofdier ligt in het hart van Kaïn voor de opening. Eigenlijk staat er in de oorspronkelijke taal: aan de opening is de zonde zich legerende. U voelt wel: de activiteit wordt daarin getekend. De zonde ligt voor de deur. Dat gevaarlijke beest is klaar om te springen. Dat beest van de zonde. Zodra het de kans krijgt, zal het springen en zijn prooi overmeesteren. Dan is de zondedaad begaan.

 

Gemeente, in het Oude Testament worden vier verschillende woorden voor ‘zonde’ gebruikt, maar het woord voor ‘zonde’ dat hier gebruikt wordt, dat tekent de zonde als een actief handelen. Dat tekent de zonde als een zondedaad. Dat tekent de zonde als een misdaad, met als gevolg: de eeuwige straf.

O gemeente, zie de liefdevolle bemoeienis met Kaïn door God! Hij zegt: ‘Kaïn, kijk toch uit! Al die wrok, al die nijd, al die jaloezie, dat is een roofdier. En dat ligt aan de opening van je leven gereed, klaar om te springen. Het is de wortel van doodslag die u koestert. Als je nu die nijd en die jaloezie en die wrok blijft koesteren, dan springt dat roofdier en dan komt het tot de daad van doodslag. O bekeer je toch, want de zonde is een roofdier dat niet te bedwingen is. Het ligt aan de opening van je hart. Bekeer je toch!’

 

Gemeente, het is bijna niet in woorden te vatten, hoe goed de Heere is, dat Hij zo Kain waarschuwt en dat Hij zegt: ‘Breek uw zonden af door gerechtigheid.’ Dat geldt ook voor u en voor jou en ook voor mij. Als we doorgaan met het koesteren van zondige gedachten in ons hart, als we doorgaan met het strelen van jaloezie, nijd en wrok, dan worden die gedachten een daad. En die daad is misdaad.

 

De Heere zegt er nog achteraan: ‘Gij zult over die zonde heersen. Zijn begeerte is naar u, Kaïn, maar gij zult over die zonde heersen.’ En dan zegt u misschien: ‘Hoe kan dat nou? Hoe kun je nu over dat roofdier van de zonde heersen? Hoe kan dat? Moet dat dan in eigen kracht?’

O gemeente, als u dat zou proberen, over dat roofdier van de zonde heersen in eigen kracht, dan springt dat roofdier van de zonde gelijk. Het is niet tegen te houden. Nee, niet in eigen kracht, maar u zult over dat roofdier heersen door de kracht van het vrouwenzaad: Jezus Christus. Om voortdurend op de knieën de Heere Jezus te benodigen. ‘O, bedien me uit U, opdat ik mag afsterven in mijn leven aan al die zonden, ook afsterven aan die zonden van wrok en nijd en jaloezie.’ Zo leren Gods kinderen heersen door de kracht van Christus.

 

Hebt u het gehoord in deze dienst? De Heere betuigt vandaag aan u en jou: Is er niet, indien gij weldoet, verhoging? En meisjes en jongens, als de Heere dat zegt, dan méént Hij dat hoor! Echt waar, Hij meent het. Is er niet, indien gij weldoet, verhoging? Nu laat Hij het nog prediken.

Gemeente, wat zou het groot zijn, als u door Gods genade door uw knieën zou gaan en met schuldbelijdenis zou zeggen: ‘Heere, de satan zegt dat het voor mij niet meer kan.’ Misschien heeft de duivel het onder deze preek ook wel gezegd: ‘Het kan niet meer voor u en voor jou.’ ‘En mijn geweten getuigt dat ik zwaar tegen U gezondigd heb. Tegen al de geboden. Dat belijd ik ook. U kunt me naar recht voorbijgaan. Maar, Heere, U hebt toch gezegd: Die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen (Joh.6:37). Dan zult U mij toch ook niet uitwerpen, hoewel ik het duizend en één keer verdiend heb. Jezus, Gij Zone Davids, ontferm U mijner!’

 

Is er niet, indien gij weldoet, verhoging?

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 95: 4

 

Want Hij is onze God, en wij

Zijn ’t volk van Zijne heerschappij,

De schapen, die Zijn hand wil weiden.

Zo gij Zijn stem dan heden hoort,

Gelooft Zijn heil- en troostrijk woord,

Verhardt u niet, maar laat u leiden.