Ds. H. Paul - 2 Korinthe 12 : 7 - 9

Paulus' geloofsroem

Het kruis dat hij moet dragen
De weg die hij moet gaan
De kracht die hij ontvangt

2 Korinthe 12 : 7 - 9

2 Korinthe 12
7
En opdat ik mij door de uitnemendheid der openbaringen niet zou verheffen, zo is mij gegeven een scherpe doorn in het vlees, namelijk een engel des satans, dat hij mij met vuisten slaan zou, opdat ik mij niet zou verheffen.
8
Hierover heb ik den Heere driemaal gebeden, opdat hij van mij zou wijken.
9
En Hij heeft tot mij gezegd: Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht. Zo zal ik dan veel liever roemen in mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij wone.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 66: 8
Lezen : 2 Korinthe 11: 16-29
Lezen : 2 Korinthe 12: 1-10
Zingen : Psalm 54: 1, 2, 4
Zingen : Psalm 85: 4
Zingen : Psalm 31: 17, 18

Gemeente, de tekst vindt u in het gedeelte van het Woord van God u voorgelezen, uit 2 Korinthe 12, en daarvan de verzen 7 tot en met 9, waar we Gods Woord en onze tekst lezen:

 

En opdat ik mij door de uitnemendheid der openbaringen niet zou verheffen, zo is mij gegeven een scherpe doorn in het vlees, namelijk een engel des satans, dat hij mij met vuisten slaan zou, opdat ik mij niet zou verheffen. Hierover heb ik de Heere driemaal gebeden, opdat hij van mij zou wijken. En Hij heeft tot mij gezegd: Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht. Zo zal ik dan veel liever roemen in mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij wone.

 

De tekst spreekt ons van: Paulus’ geloofsroem.

 

1. Het kruis dat hij moet dragen

2. De weg die hij moet gaan

3. De kracht die hij ontvangt

 

1. Het kruis dat hij moet dragen

 

Onze tekst, gemeente, is uit de tweede brief van de apostel Paulus aan de gemeente van Korinthe. Een gemeente die hij gesticht heeft op de tweede zendingsreis. Hij heeft anderhalf jaar in die gemeente gewerkt en hij heeft er veel zegen ontvangen. Hij heeft de boodschap gebracht dat hij niets wenste te weten dan Jezus Christus en Die gekruisigd. De gekruiste, de opgestane Christus was de grote inhoud van zijn prediking en van zijn brieven. Dat was het fundament van zijn leven. Hij had geleerd, door de werking van de Heilige Geest, dat in Hém, Christus Jezus, alleen zijn zaligheid is, en dat wat in Hem is, genoegzaam is tot zaligheid. Die boodschap had hij gebracht en de Heere had die ook rijk gezegend.

Maar nu is hij geroepen zijn apostelschap te verdedigen. In de gemeente waar hij zo mee verbonden was, waren namelijk mensen gekomen die allerlei valse aantijgingen tegen hem inbrachten. Hij was maar een schijnapostel. Hij was geen échte apostel.

En de leer die hij bracht was op zijn minst eenzijdig. Zij brachten een andere boodschap. Ook wel van Jezus, maar toch een andere Jezus, een helpende Jezus, een Jezus Wiens werk moest worden aangevuld met hun daden, met wetsonderhouding, met alles wat van de mens is en wat hij daartoe ook verplicht is aan te brengen.

Dat vond ingang. Dat is immers een leer naar de mens. De mens wil er zo graag iets toe bijdragen, iets in zichzélf hebben wat bij God meetelt. Maar daarmee wordt de leer wel verduisterd. Bovendien werden velen in verwarring gebracht. Want die onder Paulus’ prediking tot God getrokken waren, onderwijs ontvangen hadden, die hadden nu gedachten dat het allemaal niet goed geweest was.

 

Daarom is Paulus geroepen om de leer die hij bracht en zijn roeping te verdedigen, tegenover de aantasting van de ingekropen broeders. Hij mag zeggen dat hij door de Heere geroepen is. Ze zeggen hem wel dat hij een schijnapostel is, maar hij wijst juist de anderen aan als valse broeders, als degenen die een verkeerde leer brachten.

Daar zegt hij van: ‘Zulke valse apostelen zijn bedrieglijke arbeiders. Ze veranderen zich in apostelen van Christus.’ O, ze hebben niet geleerd dat alles hun ontvallen is en dat er maar één grond van zaligheid overblijft. En zijn apostelschap, hij zal niet roemen in wat hij heeft mogen doen, hij zal niet roemen in wat hij is. Want wat hij ontvangen heeft, is enkel genade.

Maar hij komt toch wel voor de zaak op. Hij staat er voor in, wat God gedaan heeft. Hij roept op om dit woord dat hij gebracht heeft, te aanvaarden als de enige grond van zaligheid, als de enige rechte leer. Het andere  is van satan. Hij verwijst ernaar dat zulke mensen zich eigenlijk in dienst stellen van satan, die de ware leer wil verkeren.

 

Dan zegt hij wat hij allemaal als apostel heeft ervaren. Dat zegt hij dus niet om er iets mee te zijn, maar de echtheid van zijn apostelschap blinkt erin door. Want wie zou kunnen opbrengen en verdragen wat hij heeft moeten doorstaan? Uit 2 Korinthe 11 is u voorgelezen wat hij allemaal doorstaan heeft. Dat zegt hij niet om medelijden op te wekken. Hij treedt hier in de voetstappen van zijn Meester en bewijst ook dat het een levende wortel heeft.

Want nooit zou iemand kunnen verdragen wat hij moest verdragen, als het alleen maar een ideaal was, als het alleen maar iets was wat hij voor zichzelf nastreefde. Daar kwam zoveel tegenop dat niemand dat ooit kan opbrengen uit idealisme.

Wat heeft hij allemaal moeten ervaren? Hij zegt het: In slagen uitnemender, in gevangenissen overvloediger, in doodsgevaar menigmaal. Van de Joden heb ik veertig slagen min één, vijfmaal ontvangen. Driemaal ben ik met roeden gegeseld geweest, eens ben ik gestenigd, driemaal heb ik schipbreuk geleden (2 Kor.11:23-25).

Zo noemt hij allemaal op wat hij heeft moeten ervaren. Dat kon alleen omdat de Heere hem ondersteunde. Denk aan de gevangenis in Filippi, jongens en meisjes. Jullie weten, toen hij daar met Silas was, met bebloede rug, dat hij Gode lofzangen heeft gezongen te midden van het kruis dat hij moest dragen. Dat bewijst de echtheid van Gods werk. Hij kon het uithouden omdat hij ondersteund werd, gedragen en geholpen, en telkens weer mocht weten: ‘Ik volg mijn Meester.’

Maar niet alleen dat. Hij wijst ook op wat hij heeft mogen ontvangen. Hij heeft een bijzonder gezicht ontvangen. Hij is opgetrokken geweest in de derde hemel, in de hemel der hemelen. Daar heeft hij zaken gezien die hij niet in woorden kan uitdrukken, die zelfs niet geoorloofd zijn uit te spreken. Hij heeft iets gezien van de heerlijkheid Gods en van het Lam Gods. Hij heeft de zaligheid gezien van engelen en van gezaligden en is als met de ziel in de hemel aanwezig geweest. Hij weet zelf niet op welke wijze dat was. Maar hij zal het nooit vergeten.

Niet dat hij daar prat op gaat of dat hij daarmee wil zeggen: ‘Kijk eens, dat heb ik allemaal meegemaakt.’ Veertien jaar geleden is dat gebeurd en hij heeft er nooit over gesproken. Hij heeft in die anderhalf jaar dat hij in  Korinthe was, nooit gesproken over wat hij daarin meegemaakt heeft. Maar nu, nu het erop aankomt, nu hij zijn apostelschap moet verdedigen, nu voert hij het aan als bewijs hoe de Heere hem daarin bijzonder heeft onderwezen en geroepen.

 

Hij heeft een bijzonder gezicht ontvangen. Ja, opgetrokken geweest, als met de ziel in de hemel. U zou het kunnen vergelijken met de Openbaring aan Johannes. Johannes heeft zoveel gezichten, visioenen gezien. Maar Johannes heeft het ambtelijk ontvangen. Hij was het middel om de Openbaring aan Johannes te schrijven en de gemeente bekend te maken wat hij gezien had, wat is en wat na dezen geschieden zal. Dus aan Johannes werd geopenbaard wat zou plaatsvinden.

We zouden zeggen: dat is ambtelijk onderwijs wat Johannes ontvangen heeft, al gaat het natuurlijk niet buiten hemzelf om. Al heeft hij zelf de waarheid van wat hij leerde daarmee bevestigd gezien en eigen verbondenheid met Christus er ook in doorleefd. Maar toch, het was niet zozeer een persoonlijke geloofsoefening.

Dat was het bij Paulus wel. Bij Paulus was het een bijzondere geloofsoefening, die hij ontvangen heeft om de vastheid van wat God hem geleerd had te bevestigen en te weten in Wie alleen de zaligheid is.

 

Wanneer is dat gebeurd? Niet bij Damascus. Dat was al twintig jaar geleden. Niet in Jeruzalem toen hij in de tempel dat gezicht ontving, dat de Heere Jezus hem ver tot de heidenen zou afzenden. Het is op een bijzonder ogenblik geweest, dat de Heere hem dus zo diep inleidde in de heilgeheimen van de zaligheid in Christus. Paulus zag de rijke vrucht van hetgeen Christus verworven heeft en de zaligheid die Hij verdiend heeft.

Hier op aarde mocht hij er in delen, maar straks mag die vrucht volmaakt door hem worden genoten. Paulus mag zien hoe nu reeds velen daarin delen.

Het is een bijzondere, buitengewone bevestiging van het genadewerk, door God in zijn leven verheerlijkt. De Heere geeft onderwijs uit Zijn Woord, tot bekering, tot kennis van de weg der zaligheid, en tot opwas in de genade en kennis van Christus.

 

Het Woord van God is gegeven tot werking en tot versterking van het geloof. De Heere heeft ook de sacramenten gegeven, tot versterking van het geloof. De Heere doet dat dus middellijkerwijs. Wij moeten niet denken dat de Heere dat nu doet door bijzondere gezichten en openbaringen. Daar moeten we zelfs bevreesd voor zijn, als dat iets zou zijn buiten het Woord om.

Maar bij Paulus ligt dat bijzonder. Hij heeft een zeer bijzondere oefening gekregen in de kennis van wat tot de zaligheid dient en de vrucht van wat Christus heeft verworven.

De Heere gebruikt nu het Woord. De vraag aan u en aan mij is: wat heeft het Woord uitgewerkt? Hoeveel preken hebben we al beluisterd? Hoe vaak is de verkondiging van het Woord tot ons gekomen? En wat heeft het uitgewerkt?

De Heere komt terug op wat ons in Zijn Naam is verkondigd. Eenmaal moeten we rekenschap afleggen van de arbeid, aan ons ten koste gelegd. Daarom mogen we wel biddend opgaan naar Gods huis. We moeten het Woord ook biddend onderzoeken, ernaar uitzien of de Heere dat wil zegenen. Het gaat om de waarheid te mogen verstaan die naar de godzaligheid is. Jongens en meisjes, je moet maar vroeg, als je nog jong bent, vragen of de Heere je wil leren wat je nodig hebt tot zaligheid.

 

Paulus heeft die bijzondere openbaring gekregen. De Heere wil Paulus daarin bijzonder oefenen. Maar er is een gevaar dat we er iets mee willen worden, wanneer we van de Heere zulk bijzonder onderwijs ontvangen. Dat is natuurlijk niet het doel waartoe de Heere dat geeft. Maar we kunnen er zo gauw iets mee zijn. Als gesproken wordt over wat de Heere gedaan heeft, dan zitten we daar zo gauw zelf tussen. Er mag natuurlijk wel worden gesproken over wat God gedaan heeft. Werd dat maar meer gedaan! Horen de kinderen nog hoe God een mens bekeert, wat de Heere aan de ziel gedaan heeft? Zien ze de godsvrucht als een levend bewijs van wat genade vermag?

De dichter zegt het ook: ‘Hoort, wat mij God deed ondervinden, wat Hij gedaan heeft aan mijn geest!’

 

Maar, gemeente, pas op voor het gevaar dat men er iets mee wordt. Er was eens een oude christen die veel geloofsoefeningen had gekregen. Hij had veel van de Heere mogen leren en veel onderwijs mogen ontvangen. Maar hij moest overal gaan vertellen wat hij had meegemaakt. Hij werd door het hele land gevraagd om te vertellen hoe dat allemaal gegaan was. Weet u wat de vrucht was? Hij raakte in het donker, want hij was iets geworden met zijn bevindingen. Hij was de man die het had meegemaakt. Hij mocht het vertellen. Overal luisterde men naar hem. Men zag hem als een bijzonder mens. Dat was voor hem funest. Hij kon uiteindelijk nergens meer bij. Dat is een gevaar.

Het is een groot gevaar om te vertellen wat God aan mijn ziel gedaan heeft. Nee, het gaat erom wat de Heere, wat Hij aan mijn ziel gedaan heeft. Er kan toch niets ergers zijn, dan te gaan pronken met wat God gedaan heeft? Je mag toch nooit iets zijn of worden met wat de Heere uit genade geschonken heeft? Daar moeten we voor bewaard blijven. ‘Open Gij mijn lippen door Uw kracht.’ En gelijktijdig: ‘Behoed de deuren van mijn mond.’

Spreken over wat God gedaan heeft, tot eer van de Heere, dat God erdoor verheerlijkt mag worden en de naaste erdoor gewonnen. Dat moet het hoge doel zijn.

 

De Heere weet dat ook Paulus een mens is als u en ik, in wiens binnenste de hoogmoed leefde. We komen bij ons tweede aandachtspunt.

 

2. De weg die hij moet gaan

 

De Heere weet ook wat Paulus daartoe nodig heeft. Augustinus zegt: ‘Hoogmoed is een vergif, een groot, een dodelijk vergif. Want de vrucht van genade is juist ootmoed.’ De Heere wil nu Paulus bewaren voor hoogmoed. Hij krijgt een tegengif, dat dat gif van hoogmoed ongedaan maakt.

Dat is geen kleine zaak, dat voelt hij; een scherpe doorn in zijn vlees. Nu, de naam zegt het al. Een scherpe doorn doet pijn. Als je een doorn in je voet hebt, dan kun je niet gewoon lopen. Als je een doom in je hand hebt, dan kun je je hand niet gewoon gebruiken. Die doet pijn. Een scherpe doorn, die snijdt in je vlees.

 

Hij zegt ook wat het eigenlijk inhield, namelijk een engel des satans, die hem met vuisten slaan zou. Dus een dienaar van satan, een bode van satan. Eén van de gevallen engelen heeft hem op een bijzondere wijze gekweld. Waarmee? Dat weten we niet. Daar moeten we maar niet teveel proberen in te komen. Anders zouden we kunnen denken: ‘Bij mij moet het ook zo. Als ik het zo niet heb is het bij mij niet goed.’

Het was wel een ruw geweld. Want hij slaat hem met vuisten. Een engel heeft natuurlijk geen vuisten. Maar het kwam met kracht in zijn ziel, als een vuist die neerbeukt. Het is herhaaldelijk gebeurd. Het kwam telkens weer terug, en het heeft hem gehinderd in zijn ambtelijke bediening. Zo weet de Heere dus Paulus klein te houden.

 

Gemeente, wat van de hemel is en wat uit de hel is, kunnen vlak bij elkaar liggen. Zoiets bijzonders van de Heere soms genoten en ervaren, en dan alweer snel komt satan daar op af. De Heere liet het satan ook toe dat bij Paulus te doen. Of het nu een ooggebrek was, of dat hij op een bijzondere wijze herinnerd werd aan het vervolgen van de gemeente, dat weten we niet. Het gaat er niet om wát het geweest is. Het heeft hem bijzonder gehinderd. Het heeft hem aan de grond gehouden met alles wat hij ervaren heeft.

Niet om dat te vergeten, en niet om dat klein te achten of als gering te zien. Maar hij werd er niets mee. Want hij voelde telkens weer de kracht van de satan, de vuisten waarmee hij geslagen werd en dat neerbeuken van die vuisten in zijn ziel. Dat hield hem aan de grond. Dat beleefde hij.

 

U begrijpt dat het zwaar viel voor Paulus om dat kruis te moeten dragen. Het was voor hem zelfs zó, dat hij dacht geen ambtelijk werk te kunnen doen. Met dit kruis, met dit lijden, met dat wat hij moest doorstaan, kon hij toch zijn ambtelijk werk niet verrichten? Hij dacht ook: ‘Dat moet ik kwijt! De Heere zal het toch wel van me nemen? De Heere is toch machtig om het van me te nemen? Hij staat toch boven satan? De Heere Jezus heeft op aarde de duivelen uitgeworpen. Hij heeft zelfs legio duivelen uitgeworpen uit die man in Gadara. De Heere staat er toch boven?’ Hij zegt: ‘Heere, verlos me ervan, want zó kan ik mijn werk niet doen. Het hindert me zo en het doet zo’n pijn en het geeft zo’n leed.’ Dat was dagelijks zijn ervaring. Althans, telkens weer.

Wij zouden zeggen: ‘Dat zal de Heere toch wel horen, als Hij Zijn kind, Zijn knecht zó ziet lijden en eronder gebukt ziet gaan? Dan zal de Heere hem daar toch wel van verlossen?’ Ja, maar de Heere heeft het met opzet tóegelaten. Het had een heilig dóel. Het was niet om Paulus te kwellen. Het was ook niet om het hem extra moeilijk te maken. Maar Paulus had het nódig om aan de grond te blijven, om niets te zijn met alles wat hij ervaren heeft. Niets, dan een afhankelijk mens, die beseft: ‘Ik kan van mezelf niets.’

 

Want, gemeente, jongens en meisjes, als Paulus die doorn niet had, dan kon hij het nóg niet. Dat dácht hij wel. Maar dan kon hij het nog niet. Want hij kon níets buiten de Heere Jezus. Zonder Mij kunt gij niets doen (Joh.15:5). De Heere gaat hem nu leren dat hij in alles afhankelijk blijft van de Heere. Hetzij een kruis, hetzij geen kruis, hij blijft afhankelijk van de Heere. En de Heere gééft wat hij nodig heeft. De Heere gaat met hem díe weg, die Hij in Zijn wijsheid, in Zijn liefde, in Zijn trouw Paulus doet ondervinden. Het is Zijn trouw, Paulus, het gebeurt tot je welzijn!

 

Later zegt hij: Deze kastijdt ons tot ons nut, opdat wij Zijner heiligheid zouden deelachtig worden (Hebr.12:10). Het is tot nut van Paulus, hoe onbegrepen Gods weg ook is, hoe het ooit zo kan gaan. Kohlbrugge zegt: ‘Alle verdrukking komt van Zijn hand. Dat we hier met tranen zaaien, en duivel en wereld ons verschrikken, het is alles in Zijn hand.’

Waarom doet Hij dat? Hij legde Job een zware last op, opdat satan het mocht zien, en voor de hele wereld zou blijken wat in waarheid Gods werk is. De Heere laat zien dat juist in die omstandigheden Zijn werk openbaar komt. Paulus dacht dat hij dat kwijt moest raken om te kunnen functioneren. Maar de Heere laat zien dat Hij hem juist tot zegen stelt, ondanks het kruis dat hij draagt. Dat de Heere in díe weg niets in de weg staat. Dat hij dat kruis moet dragen, in onderworpenheid en gewilligheid aan de Heere. Zo wordt Gods kracht in zijn zwakheid volbracht, opdat gezien wordt wat Gods werk is.

 

De Heere kan in Zijn Kerk juist wel eens laten zien wat Zijn genade vermag. Dan pronkt Hij met Zijn eigen werk in moeilijke omstandigheden. De Heere laat dan zien wat Zijn genade vermag.

Natuurlijk hoeven we niet om zwaarheid verlegen te zijn. Zwaarheid in zichzelf brengt het ook niet. Maar het kan, juist in kruis en ziekte en in pijn en smart, wel eens gezien worden wat genade vermag. Dat je moet zeggen: ‘Dat heeft hij niet van zichzelf, dat heeft hij alléén van boven.’

 

In de pastorale arbeid zien we dat mensen soms veel moeten lijden, maar dat in het lijden geroemd wordt. Dat juist wat men in Hém had, de boventoon voerde. Dan zeg je: ‘Hoe is het mogelijk, dat iemand in díe omstandigheden zo kan zijn en zo kan spreken?’

Het kan zijn dat iemand wordt bezocht met vreselijk veel pijn, die dan toch mag zeggen: ‘Er zijn ogenblikken dat ik het niet kwijt wil, want de Heere heeft het me uit liefde gegeven. Daarom wil ik het op dat moment niet kwijt.’ Dat is echt Gods werk. Dan laat de Heere wel eens zien wat Zijn genade vermag. ‘Roemen in verdrukking’, zegt Paulus later.

Paulus is het ermee eens geworden. We zullen dat straks zien

Er is er ook maar Eén Die vrijwillig geleden heeft, en dat is de Heere Jezus. Dat moeten we nooit vergeten. We zijn niet voor lijden geschapen; wel geboren. Maar de Heere kan wel eens laten zien wat Zijn werk vermag.

We lezen dat Paulus driemaal, dus meerdere malen heeft gebeden. Calvijn en de kanttekenaren wijzen erop dat het telkens zijn gebed is geweest: ‘Heere, neemt U dat toch alstublieft van me.’

 

De Heere heeft geantwoord en de Heere heeft verhoord. Maar niet zoals Paulus verlangde. In dit opzicht mogen we spreken van een onverhoord gebed. De Heere heeft wel gehoord, maar verhoord zoals het naar Zijn eigen goeddunken en wijsheid was.

Die engel van satan wordt niet weggenomen. Hij krijgt er wat anders voor in de plaats, namelijk de toezegging van Gods genade, Gods hulp en de toezegging dat de Héére hem ondersteunt. De toezegging dat de Heere ervan weet, dat de Heere dat uit liefde gegeven heeft. Hij zegt het zelf: Opdat ik mij niet zou verheffen.

Hij heeft het heilige doel van Gods handelen gezien. Opdat ik mij niet zou verheffen. Hij is het er van harte mee eens geworden. Want, gemeente, Paulus wist ook wat in zijn hart leefde. Hij was ook bang voor de zonde van hoogmoed. Als de Heere dan wil dat zo de hoogmoed eronder gehouden wordt, is hij het eens met Gods weg. Dat is geen kleine zaak. Dat noemen we: het verliezen van eigen leven, verliezen van eigen begeerten en van eigen verlangens.

Hij zegt: Opdat de kracht van Christus in mij wone.

 

Bij verlies van veel, hield hij eigenlijk álles over, in de Heere. Want de Heere spreekt tot hem: Mijn genade is u genoeg. Er staat in de grondtaal: ‘Genoeg is Mijn genade voor u!’ De nadruk valt op het woordje ‘genoeg’.

‘Paulus, er is een overvloed bij Mij. Want u denkt wel dat het niet kan omdat u met dat kruis uw werk niet kunt doen, maar er is bij mij zo’n overvloed van genade en kracht en hulp, dat u dat met Mijn hulp wel kunt. Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht. Dat maakt u bekwaam te doen wat uw taak is.’

Dan krijg je aan de ene kant dat kruis, en dat wordt telkens doorleefd. Maar aan de andere kant het wonder van de genade, de ondersteuning en kracht van boven. Genoeg genade. Genade van Christus. Een volheid van genade.

 

Gemeente, genade is een veelvuldig goed. Dat heeft allerlei facetten. De genade is er voor de vergeving van de zonden. De genade is er voor de vernieuwing van het leven. De genade is er voor ondersteuning en kracht. Paulus heeft van alles ondervonden, van de rijkdom van die genade voor zijn schuld. Roemt hij niet in Romeinen 8: Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het Die rechtvaardig maakt. Wie is het die verdoemt? Christus is het Die gestorven is; ja, wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook ter rechterhand Gods is, Die ook voor ons bidt. (vers 33 en 34).

Hij roemt in genade. De genade van God en de genade van Christus. O, hij was een schuldenaar. Zo werd hij gearresteerd op weg naar Damascus. Hij heeft ondervonden dat er genade is. De prediking van Ananias heeft hem bekendgemaakt dat er voor hem genade was. Dat is een wonder geweest, een wonder van de genade, van de vernieuwing van zondige mensen in Christus. In Hem een nieuw schepsel. Dat is ook genade. Maar ook genade ter ondersteuning in zijn werk. Alles is louter genade. Genade, die hij ontvangen heeft om daarin te leven, om daarvan te leven. Dat is genoeg, Paulus.

We zouden dus zeggen: een onverhoord gebed, en toch heeft Paulus méér ontvangen dan hij vroeg. Net als bij Mozes, die ook een onverhoord gebed heeft gekend. Hij mocht het land Kanaän niet ingaan. ‘Spreek niet meer van deze zaak’, zegt de Heere. En toch, Mozes mag ingaan in het hemelse Kanaän. Dan ziet hij niet terug naar het aardse Kanaän. Hij ontvangt méér.

Gemeente, wie in Gods genade mag roemen en weet heeft van Gods genade, die weet dat dát het belangrijkste en ten diepste álles is. Want met de Heere kom je het leven door en met Hem het leven uit. Dat betekent: straks eeuwig zalig, eeuwig verlost van jezelf en eeuwig verlost van je kruis.

 

‘k Zal dan gedurig bij U zijn,

In al mijn noden, angst en pijn.

 

Mijn genade is u genoeg. De Heere kan wel eens gebeden afwijzen. Satan zegt dan: ‘Zie je wel; je hebt geen heil bij God! Denk je dat de Heere jou hoort?’ Die komt er op af. Satan zit er altijd weer bovenop met zijn aanvechtingen. Toch, als de Heere de ziel lieflijk toespreekt en Zijn ondersteuning doet ervaren, dan kan het kruis wel blijven, maar het zwaarste van het kruis wordt toch weggenomen, omdat de Heere ondersteunt.

 

Het is net als vroeger met een korenzolder. Een korenzolder werd volgestort met koren. De planken zouden bezwijken. Maar nu waren er dikke eiken balken onder die planken die de zolder intact hielden. Dan kan die zolder dragen wat zonder die balken natuurlijk nooit kan. Zo is het ook geestelijk. Als de Heere het kruis te dragen geeft, dan kan Hij tijdens zo’n periode ondersteuning geven en kracht schenken, dat je mag dragen wat Hij oplegt en achter de Heere aankomen. Deze kastijdt ons tot ons nut (Hebr.12:10).

Wanneer doorleefd wordt dat het tot ons nut is, dan wil je het niet kwijt. Als we weten dat de Heere dat zo uit liefde gegeven heeft, dan mag je het dragen achter de Heere aan. Dan mag je Gods weg goedkeuren. Dan mag je ook Zijn heilige weg billijken en aanvaarden. Dan heb je het goed, te midden van het kruis. Dan heb je het goed, te midden van alles wat je zou terneerdrukken. Dan is de Heere de Eerste en de Laatste.

 

Paulus zegt: En Hij heeft tot mij gezegd: Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht.

‘Paulus’, zegt de Heere, ‘lk heb uw kracht niet nodig. Het is Mijn kracht, die in uw zwakheid volbracht wordt.’

Dan denken we wel eens: als die zonde er maar eens onder was, als ik die gedachte maar niet had, als ik dit of dat maar niet had wat me zo terneerdrukt, waarmee ik zo wordt aangevochten en bestreden…

Maar als de Heere daarin meekomt en op de genade wijst, de kracht van Christus toepast, de genade doet kennen, en de vrede daarin schenkt, dan is er genoeg bij de Heere. Dan mag je achter Hem aankomen.

Dan mag je volgen en mag je ervaren wat we nu samen zingen uit Psalm 85 vers 4:

 

Dan wordt genâ van waarheid blij ontmoet;

De vrede met een kus van ‘t recht gegroet;

Dan spruit de trouw uit d’ aarde blij omhoog;

Gerechtigheid ziet neer van ’s hemels boog;

Dan zal de Heer’ ons ‘t goede weer doen zien;

Dan zal ons ‘t land zijn volle garven biên;

Gerechtigheid gaat voor Zijn aangezicht,

Hij zet z’ alom, waar Hij Zijn treden richt.

 

Gemeente, we hebben stilgestaan bij het kruis dat Paulus moet dragen en bij de weg die hij als kruisdrager moet gaan. In de derde plaats staan we stil bij:

 

3. De kracht die hij ontvangt

 

Paulus is het er ook mee eens. Want zijn geloofsroem doet spreken van de kracht die hij ontvangt. We hebben er al iets van gezegd. Onze tekst spreekt er ook van: Opdat de kracht van Christus in mij wone. En in vers 10 zegt hij: Daarom heb ik een welbehagen in zwakheden, in smaadheden, in noden, in vervolgingen, in benauwdheden, om Christus' wil; want als ik zwak ben, dan ben ik machtig.

Dat is een vreemde zaak, jongens en meisjes: ‘Als ik zwak ben, dan ben ik sterk.’ Dat sluit elkaar uit, zouden we zeggen. Zwak zijn tegenover sterk zijn, dat kan toch niet? Bij de Heere wel. Hij volbrengt Zijn kracht in de zwakheid van de Zijnen. De Heere is een wonderlijke Opdrachtgever.

 

Als een werkgever een werknemer in zijn dienst heeft, dan verlangt hij dat hij de krachten, de vermogens en de kennis die hij heeft en bezit, zo goed mogelijk gebruiken zal. Dan zegt hij: ‘Dat is een flinke kracht, die ik in mijn bedrijf heb. Een man die wat presteert. Die heeft wat, die kan wat, die weet wat en die doet wat.’ En natuurlijk is elk geroepen zijn vermogens daarin te gebruiken.

Maar de Heere doet het anders. De Heere maakt eerst krachteloos. Want, gemeente, geestelijk gezien zijn het ook slechts vermeende krachten. Krachten die wij dénken te hebben en voornemens die wij dénken te kunnen volbrengen.

Johannes getuigt: Hij moet wassen, maar ik minder worden (Joh.3:30). En Paulus zegt hier: Want als ik zwak ben, dan ben ik machtig. Dat is juist het wonderlijke. Dat betekent: krachteloos in jezelf en krachtig in de Heere.

 

Jongens en meisjes, je zou het een beetje kunnen vergelijken met een klein kind. Laat ik hem maar ‘Jan’ noemen, Er moet in de vakantie een kaart naar opa en oma worden gestuurd. Jan moet ook zijn naam op de kaart zetten. Maar… hij kan het nog niet. En nu pakt moeder de hand van Jan met de pen of met het potlood, en schrijft dan: ‘Jan’. Heeft Jan dat geschreven? Nee, dat heeft z’n moeder gedaan.

Zo is het ten diepste ook met het goede werk. De Heere maakt er bekwaam toe en de Heere geeft alles wat nodig is. Naarmate men meer in het geloof geoefend is, in die mate ook is men kleiner en afhankelijker. Men beseft ook dat we zonder de Heere tot niets in staat zijn. Daarvoor dient dat geoefend worden in het geloof. Daar dienen telkens weer die kruisen voor en de zaken die we in het leven moeten meemaken. Om maar ontkracht te worden in jezelf en om steeds maar de kracht van boven te ontvangen. In alles eigen krachteloosheid te ervaren en kennis van eigen onvermogen te vermeerderen.

Daartoe dienen verdrukking, gevaren, worstelingen, strijd tegen de zonde, wereld en satan. We moeten worden als iemand die het niet kan.

 

Net als Schortinghuis. Hij werd erom bespot, omdat hij schreef: ‘Ik kan niet, ik weet niet, ik heb niet, ik deug niet, ik wil niet.’ Het zijn de bekende ‘vijf nieten van Schortinghuis’. Hij werd erom bespot, maar je moet ook zien wat Schortinghuis nog meer schrijft. Hij schrijft ook dat hij het in een Ander wél heeft, het wel kan, wel wil en wel deugt. Dat wordt dan nooit gezegd. Maar als je het één zegt, moet je het ander ook zeggen. Schortinghuis blijft niet staan bij ‘ik kan niet, wil niet, deug niet, heb niet en weet niet’. Nee, hij zegt: ‘In een Ander kan ik het wél en bezit ik het wél en deug ik wél.’

Zo is nu het ook in het geestelijke. Als ik zwak ben, dan ben ik machtig. Als ik het niet kan, dan kan ik het juist. Dán kan ik het alleen. Een vreemde zaak, zou je zeggen. Als ik het níet kan, dán kan ik het alleen maar. Dat betekent: niet kan van mezelf, niet in eigen kracht, niet met eigen vermogen. Maar alleen door mijn lege handen uit te strekken naar de volheid van Christus. In Hem is alles wat tot zaligheid, tot vermogen, tot sterkte dient.

 

Daarom, echte christenen zijn altijd ware bidders. Grote christenen zijn grote bidders. U hebt misschien wel eens gehoord van de bekende hoogleraar Boerhaave, een groot medicus uit Leiden, die leefde van 1668 tot 1738. Hij was in de gehele wereld bekend. Hij had een vreselijk drukke praktijk en was hoogleraar, dus hij had veel te doen. Maar elke morgen begon hij zijn dag met een uur schriftlezing en gebed. Toen men zei: ‘Hoe kunt u dat toch doen met zo’n drukke praktijk?’, zei hij: ‘Als ik dat niet doe, kan ik mijn werk niet aan.’

Dus niet snel een lied Hammaäloth lezen, want het is druk vandaag, of een klein psalmpje misschien. Nee, ‘als ik dat niet doe, kan ik mijn werk niet aan’. Luther zegt: ‘Het is druk vandaag, we moeten veel lezen en veel bidden.’

 

Het geheim van de kracht ligt niet in mezelf. Als ik zwak ben, dan ben ik machtig. Dan ben ik zwak, afhankelijk. Dan kan ik het niet en heb ik het niet, en weet ik het niet. Maar de Heere weet het. En dan volgt het uitgaan uit jezelf naar de volheid van Christus. Dat is het geheim van het geestelijk leven. Dat is een grondregel van het koninkrijk Gods. Paulus heeft het geleerd; dan hoeft hij niets te zijn.

Van Lodenstein zong ook: ‘Zalig, zalig niets te wezen in ons eigen oog voor God.’ Hoe kun je nu zalig zijn als je niets bent? Wel, dat komt omdat dan alles in een Ander is.

In het niets zijn ligt geen zaligheid. Niets kunnen, dat is een gevolg van onze diepe val in Adam. Dus daar ligt de zaligheid niet in. Maar de zaligheid ligt daarin, dat ik wat ik in mezelf kwijtgeraakt ben, nu zo volmaakt heb in een Ander, en zo genoeg heb in een Ander. ‘Genoeg is Mijn genade voor u. Daar heb je genoeg aan, Paulus. Daar kun je het kruis mee dragen en toch je werk doen.’

 

Gemeente, die volheid van genade, daar kom je nooit in uitgeleerd.

Jongens en meisjes, kon ik je daar maar jaloers op maken, om uit die genadevolheid bediend te worden en van genade te mogen leven. De dienst van de Heere is zo’n liefdedienst. Dat brengt wel met zich mee wat Paulus ook heeft ervaren, al is het dan in een andere mate. Maar bij het verlies is zoveel winst. Verlies van eigen leven geeft zo’n rijke winst in het leven in een Ander. Dat is een geheim. Daar moet je achter gebracht worden. Dat moet je leren.

Vraag het dan maar aan de Heere of Hij het leren wil. Want het is naar Gods Woord. Het is waar. Het wordt op de leerschool van de Heilige Geest geleerd, gekend en aanvaard. Als Deze ons tot ons nut kastijdt, dan wil je niet kwijt wat de Heere daarin gegeven heeft. Dan gebeurt er niets bij geval. Die zwakheid, dat kruis, die worsteling, er gebeurt niets bij geval. Het is altijd Zijn hand.

Maar laat ook verstaan worden dat Hij dat doet tot welzijn. Alle dingen moeten meewerken ten goede, degenen die naar Zijn voornemen geroepen zijn. Alles moet meewerken, ook dat. Dat is niet ondanks dit. Nee, het moet juist meewerken ten goede. Dan zal er later, in de eeuwigheid, het licht over vallen. Dan zal gezien worden welke goede wegen God ging. Dwars tegen mijn verlangen in, dwars tegen mijn vlees in en dwars tegen mijn hoogmoed in.

Het ging ook in tegen het in mezelf willen zoeken. Maar gelukkig die het mag verliezen voor de Heere. Want die heeft winst. Daarin ligt het leven. En daar ligt in beginsel reeds de zaligheid in, in wat Hij schenkt, wat bij Hem te verkrijgen is, uit die volheid van genade in Christus.

 

Genade is er nog genoeg. Er is niemand die kan zeggen: ‘De genade van de vergeving is ontoereikend voor mij.’ Daar sla je de Heere mee in het aangezicht. Daarmee trap je God op het hart. Daarmee acht je Christus’ bloed onrein.

Net als Kaïn. Kaïn zei: ‘Dat is ontoereikend voor mij.’

Erskine zegt: ‘Dat hij het ontoereikend achtte dat er voor hem bij God vergeving zou zijn, daar deed hij nog groter zonde mee, dan toen hij zijn broer doodsloeg.’

Het was ongeloof en goddeloos van Kaïn om te zeggen: Mijn misdaad is groter dan dat zij vergeven worde (Gen.4:13). Daarom, genoeg is er bij de Heere, tot vergeving, tot vernieuwing, tot ondersteuning, tot redding, tot behoud en zaligheid.

En wie Hem nederig valt te voet, zal van Hem Zijn wegen leren.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 31: 17 en 18

 

Geloofd zij God, Die Zijn genade

Aan mij heeft groot gemaakt;

Die voor mijn welstand waakt;

Zijn oog slaat mij in liefde gade;

Hij wil mij heil bereiden;

Mij in een vesting leiden.

 

Ik heb, te moed’loos neergebogen,

En door de vrees gejaagd,

Weleer te ras geklaagd:

‘’k Ben afgesneên van voor Uw ogen’;

Dan nog woudt G’ U ontfermen,

Toen Gij mij hoordet kermen.