Ds. H. Paul - Jesaja 45 : 22

Een dringende nodiging

Jesaja 45
Haar adres
Haar inhoud
Haar grond

Jesaja 45 : 22

Jesaja 45
22
Wendt U naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde! want Ik ben God, en niemand meer.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 137: 1, 3
Lezen : Jesaja 45
Zingen : Psalm 65: 2, 3
Zingen : Psalm 145: 2
Zingen : Psalm 143: 8, 10

Gemeente, de tekst vindt u in het gedeelte van het Woord van God, dat u is voorgelezen, uit Jesaja 45, en daarvan het 22e vers, waar we Gods Woord en onze tekst lezen:

 

Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde; want Ik ben God en niemand meer.

 

De tekst spreekt ons van: Een dringende nodiging.

 

We staan stil bij:

1. Haar adres: Alle gij einden der aarde.

2. Haar inhoud: Wendt u naar Mij toe, wordt behouden.

3. Haar grond: Want Ik ben God, en niemand meer.

 

1. Haar adres

 

Aan de rivieren van Babel, daar zaten wij, ook weenden wij, als wij gedachten aan Sion. Wij hebben onze harpen gehangen aan de wilgen die daarin zijn (Ps.137:1-2). Dat volk uit Juda, naar Babel gevoerd, was bedroefd. Het had heimwee naar Jeruzalem, naar de plaats waar de tempel gestaan had; waar de dienst van de Heere plaatsvond. Dáár lag hun hart, en niet in Babel, in het land van de afgoden.

O zeker, er waren er ook die zich daar goed thuis voelden, die het goed en voor de wind gegaan was. ‘Waar mijn brood is, daar is mijn vaderland!’ Maar het beste deel van de ballingen had heimwee naar Jeruzalem, naar de dienst van God. Dat kon het daar in het verre Babel niet uithouden. Er was een trekkende kracht van Gods genade in hun hart gekomen, waardoor het uitging naar de Heere en naar Zijn dienst. Men kon, daar in het verre Babel, de Heere niet dienen naar Zijn Woord. Ze verlangden weer naar de plaats waar de dienst van de Heere centraal stond. Niet naar de Baäldienst, maar naar de dienst van de Heere.

Toch waren ze om eigen schuld daar in Babel gekomen. Het volk had de Heere verlaten. Ondanks de waarschuwingen en de oproep tot bekering, had het volk zich voorheen van de Heere afgewend. Maar een deel was in Babel tot bekering gekomen en had leren zien wie ze geweest waren voor de Heere. Zij verlangden weer naar de gemeenschap met God. Tot hen mag de profeet Jesaja ook spreken.

In het eerste deel van het boek van Jesaja gaat het over de oordelen die God over dat volk zal brengen vanwege hun ongehoorzaamheid. Maar in het tweede gedeelte, te beginnen bij hoofdstuk 40, wordt de verlossing gepreekt die de Heere zal brengen over het volk, uit de macht van Babel. Zij zouden terugkeren. Daar stond de Heere Zelf Borg voor.

Het leek wel onmogelijk dat ze ooit verlost zouden worden uit Babel. Maar de Heere staat er voor in.

 

Want, gemeente, het is niet is zómaar een periode uit de geschiedenis van Israël, dat het volk daar in Babel is. Het is héilsgeschiedenis. Want de verlossing uit Babel, die plaats zal hebben, is een beeld van de geestelijke verlossing uit de macht van de zonde. Dat volk kon in Babel niet blijven. Dat moest eruit worden verlost. Want daar zou de Messias uit voortkomen, uit het huis van David.

De Messias zou niet worden geboren in Babel, maar in Bethlehem. Daar zal de Zoon van God uit Maria worden geboren. Dus het is gelijktijdig heilsgeschiedenis, die heen wijst naar de verlossing die in Christus Jezus is. Daarom wordt ook zo vaak in deze hoofdstukken van Jesaja gesproken van de Knecht des Heeren, dat is de Heere Jezus.

In Jesaja 53 bijvoorbeeld wordt op een diepgaande wijze het lijden beschreven dat de Heere Jezus zal ondergaan. Dat wordt hier ook al geprofeteerd.

Daarom hangt de verlossing uit Babel samen met een geestelijke verlossing die door de Heere Jezus Christus zal worden bewerkt en tot stand gebracht. Die uit Hem is en door Hem is.

 

Daarom zal dat volk in Babel niet kunnen blijven. Babel zal vallen. Juda wordt verlost en Jeruzalem wordt weer bevrijd. Dat leek onmogelijk. In Jesaja 49 vers 24 lezen we het ook: Zou ook een machtige de vang ontnomen worden, of zouden de gevangenen eens rechtvaardigen ontkomen?

Met ‘rechtvaardigen’ wordt hier bedoeld de overwinnaar, die met de gevangenen kan doen naar zijn welgevallen. Zullen de gevangenen van een rechtvaardige ontkomen? Dat leek immers onmogelijk. Want Nebukadnézar had het volk van Juda niet naar Babel gebracht om ze daar een poosje te laten en dan weer vrij te laten. Nee, dat volk moest ondergaan in Babel. Dat moest ophouden een zelfstandige natie te zijn. Dat was de list, ook van satan, om het volk helemaal van de aarde te doen verdwijnen.

Dan lijkt het onmogelijk dat het volk uit de machtige hand van Babel wordt verlost. Maar Jesaja spreekt ervan in Jesaja 49 vers 25: Ja, de gevangenen des machtigen zullen hem ontnomen worden, en de vang van de tiran zal ontkomen; want met uw twisters zal Ik twisten en uw kinderen zal Ik verlossen.

 

De Heere spreekt zo vaak in dit hoofdstuk: ‘Ik ben de Heere, en niemand meer. Ik sta er Borg voor dat Israël zal worden verlost.’ In het zeventiende vers lezen we het ook: Maar Israël wordt verlost door de Heere met een eeuwige verlossing; gijlieden zult niet beschaamd noch tot schande worden tot in alle eeuwigheden. De Heere staat er Zelf Borg voor. En er zal geen macht ter wereld in staat zijn het voornemen Gods te weerstaan. Het leek inderdaad onmogelijk. Maar Kores, door God gezonden, de koning van de Meden en Perzen, zal Babel innemen. Kores zal het volk de vrijheid geven om in Jeruzalem de tempel weer te gaan herbouwen, en Jeruzalem weer te herstellen.

Daar zal de Heere Zelf Borg voor staan. Die weg wordt gebaand. En het wordt ook een vernieuwd volk. De kern van het volk dat terugkeert, wordt Israël genoemd.

In dit hoofdstuk komen we steeds de namen ‘Jakob’ en ‘Israël’ tegen. Beide namen zijn van toepassing. Jakob was het van zichzelf; bedrieger. Daar kwam het in zichzelf niet bovenuit. Maar de naam zou ook Israël zijn, zoals we in vers 4 lezen: Om Jakobs, Mijns knechts wil, en Israëls, Mijns uitverkorenen; ja, Ik riep u bij uw naam. Dus dat volk zal ook Israël zijn. Door genade zal het ook door God uitgeleid worden uit het land van Babel. Daar staat de Heere Borg voor.

Hij zegt: Er zal bij Mij geen ding onmogelijk zijn. In vers 18 lezen we het ook: Want alzo zegt de Heere, Die de hemelen geschapen heeft, die God Die de aarde geformeerd en Die haar gemaakt heeft; Hij heeft haar bevestigd, Hij heeft haar niet geschapen dat ze ledig zijn zou, maar heeft haar geformeerd opdat men daarin wonen zou: Ik ben de Heere, en niemand meer.

 

De Heere herinnert aan de schepping, dat Hij de schepping tot stand gebracht heeft. Zou dan voor de Heere één ding onmogelijk zijn? Hij heeft de aarde geschapen, opdat ze niet ledig zou zijn. Dat heeft satan wel geprobeerd. Satan heeft geprobeerd dat de aarde ledig en woest zou zijn. In het paradijs heeft hij de mens, onze voorvader, verlokt en verleid. Hij had gehoopt dat de Heere hem zou verdelgen van de aarde. Dan zou de aarde, de schepping van God, woest en ledig zijn.

Maar de Heere zegt: ‘Ik heb ze niet geschapen opdat ze ledig zou zijn; maar dat men daarop wonen zou.’ Onze kanttekenaren wijzen op de betekenis van dit vers en zeggen dat het ten diepste een geestelijke betekenis heeft. Zij wijzen er ook op dat Hij Zich uit de mensen op aarde een Kerk zou vergaderen, waarin Hij gekend zou zijn en beleden werd. Natuurlijk, God schept elk mens. Maar ten diepste heeft Hij de aarde geschapen, en maakt Hij dat ze niet ledig zal zijn, doordat Hij uit alle volken van deze aarde een gemeente vergadert. Dat is ten diepste het hoge doel.

Daarom zal de aarde nooit ledig zijn. Ja, straks zal er een nieuwe hemel zijn en een nieuwe aarde, waarop gerechtigheid woont, waarop zich ook een schare bewegen zal die niemand tellen kan.

 

De aarde wordt niet ledig. Altijd, waar ook ter wereld, zal er een schare zijn die de Heere vreest. We moeten zeggen: het wordt zo spaarzamelijk in onze dagen gevonden. Maar, gemeente, we weten ook niet wat de Heere doet in andere delen van deze wereld. Laat er veel gebed zijn, dat Hij ook onder ons Zijn gemeente zal vergaderen en dat wij ook, door Hem vergaderd, behoren mogen tot die schepping Gods, waarin de Heere tot Zijn doel komt, wat Hij beoogt.

Schepping en herschepping hangen samen. Hij heeft dus de schepping tot stand gebracht. Dwars door de val heen zal Hij er Zelf voor zorgen dat, zoals onze kanttekenaren ook zeggen, er een schare zal zijn die de Heere vreest, die Hem liefheeft. Hij zal uit de gehele bevolking van deze aarde Zich een gemeente vergaderen.

Ik ben de Heere, en niemand meer. Daar doet de Heere ook een eed op. Hij bevestigt met een eed wat Hij heeft gesproken. We lezen daarvan in vers 23: Ik heb gezworen bij Mijzelven, er is een woord der gerechtigheid uit Mijn mond gegaan en het zal niet wederkeren: dat Mij alle knie zal gebogen worden, alle tong Mij zal zweren. Paulus haalt deze tekst aan in Filippenzen 2 vers 10. Daar slaat de tekst op Christus. Dat Hém alle knie wordt gebogen, alle tong Hém, Christus, zal zweren. Het gaat ten diepste dus hier om de Knecht des Heeren. Het gaat erom Wie God in Christus zijn zal en hoe Hij tot behoud en zaligheid werkzaam zal zijn, zolang de aarde er is.

 

Dan laat de Heere de boodschap ook uitgaan over de hele aarde. We zien dat Jesaja hier van het volk Israël overgaat tot de heidenen, tot mensen over de hele aarde. Niet alleen voor Israël heeft de terugkeer grote betekenis, ook voor de komst van de Zaligmaker heeft het grote betekenis. De terugkeer overstijgt het volk der Joden en overstijgt het land Kanaän. Maar de roepstem gaat uit over de hele aarde. Vandaar ook onze tekst: Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde.

Gemeente, de Heere laat Zijn Woord nog verkondigen. Zijn heilstoezeggingen gaan uit over de hele aarde. De oproep tot terugkeer gaat uit, waar de wereld ook zijn mag. Hij laat de verlossing, die door de Knecht des Heeren tot stand zal komen, verkondigen over de hele aarde.

Een wonder dat Hij naar mensen vraagt! Hij heeft geen mensen nodig om gediend te worden. Hij is de Volzalige van Zichzelf. Toch behaagt het de Heere om Zich te verheerlijken in de schepping van Zijn handen, in de herschepping en vernieuwing van mensen. Daarvoor laat Hij de boodschap van het Woord nog brengen. Hij wil niet dat de aarde lédig zal zijn. Hij wil niet dat ze als het ware de prooi is van de machten der boze. Hij zal Zijn Kerk vergaderen uit alle volken van deze aarde.

 

En het middel dat Hij daarvoor heeft gegeven, gemeente, is de prediking van het Woord.

De Heere Jezus heeft, voordat Hij ten hemel voer, de discipelen opgedragen: Predikt het Evangelie alle creaturen (Mark.16:15). Een wonder dat de Heere naar mensen vraagt, waar niemand naar God vraagt. Zoals Paulus dat in Romeinen 3 ook aanwijst: ‘Niemand die naar God vraagt.’

Het wonder is dat Gód naar mensen vraagt. De vrucht daarvan zal zijn dat de mensen daardoor naar God leren vragen. Dat is de vrucht van Zijn opzoekende liefde. De Heere laat de boodschap van het Woord uitgaan, tot mensen over de hele aarde.

Onze belijdenis, de Dordtse Leerregels, spreekt er ook van, dat de Heere goedertieren verkondigers zendt van deze zeer blijde boodschap tot wie Hij wil en wanneer Hij wil. Die gaan uit over de hele aarde. Daar hoort u als gemeente ook bij. De lage landen bij de zee horen er ook bij. Tot ons, gemeente, komt óók die boodschap. Het is een boodschap waarvan niemand kan zeggen: ‘Die geldt mij dus niet. Daar val ik buiten.’

 

Waar we ook wonen ter wereld, de boodschap dient gebracht te worden over de gehele aarde. De nodiging gaat uit: Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde; want Ik ben God en niemand meer. Er is geen plekje ter wereld waar de Heere niet wil dat Zijn Woord gebracht wordt en de boodschap van Zijn genade niet wordt verkondigd.

Het is een aansporing voor de zending, een aansporing ook voor de evangelisatie. Voor al het werk in Gods koninkrijk gedaan, ook onder het moderne heidendom. De Heere wil dus dat het Woord uitgaat over de hele aarde. De boodschap komt iedere zondag tot ons, gemeente, als u onder het Woord bijeen mag zijn. De boodschap komt ook tot ons uit het Woord, dat u thuis mag lezen en onderzoeken. Ook daar klinkt de boodschap: Wendt u naar Mij toe, wordt behouden.

De Heere maakt bemoeienissen met ons. Hebt u dat wel eens recht verstaan? Hebt u dat wel eens gezien als een werk dat de Heere aan u ten koste legt? Hij komt er ook op terug. Dewijl Ik geroepen heb en gijlieden geweigerd hebt, Mijn hand uitgestrekt heb en er niemand was die opmerkte (Spr.1:24).

 

Dus we zien hoe de Heere arbeid aan ons ten koste legt. De Heere zegt van Israël: Wat is er meer te doen aan Mijn wijngaard, hetwelk Ik aan hem niet gedaan heb? (Jes.5:4)

Dat kan Hij ook van u als gemeente zeggen. Wanneer u nu zegt: ‘Dominee, God moet er aan te pas komen!’ dan antwoord ik u: ‘Houd dat vast. Laat daar niet één woord van vallen. Maar wat doe je ermee?’

Wat doe je daar nu mee, met het feit dat de Heere er aan te pas moet komen? Is dat iets waarvan u zegt: ‘Nu ja, dan wacht ik het maar af’? Of weet u waar het vandaan komt? Wie alleen redding geven kan? Waar brengt die boodschap u? Dat legt niet iets in de mens, maar wijst wel de weg aan die God wil dat we gaan.

 

Jongens en meisjes, Die Mij vroeg zoeken, zullen Mij vinden (Spr.1:28). Zoekt de Heere, terwijl Hij te vinden is; roept Hem aan, terwijl Hij nabij is (Jes.55:6). Zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u toegeworpen worden (Matth.6:33). Daarom, de boodschap gaat uit. Niemand kan zeggen: ‘Mij heeft de Heere niet bedoeld. Mij heeft Hij niet opgeroepen tot bekering. Mij heeft Hij niet genodigd door de boodschap van het evangelie.’ Juist omdat het Gods werk is, behoort het ons temeer te drijven en uit te doen gaan naar de Heere, opdat Hij Zijn genade in ons leven zal mogen verheerlijken.

Daarom het adres: Alle gij einden der aarde. De Heere zegt het Zelf in Zijn Woord. We hoeven het maar na te spreken. Daar hoeven we niets aan af te doen en niets aan bij te doen: Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde.

 

2. Haar inhoud

 

Het is de inhoud van de boodschap die in Zijn Naam tot ons komt: Wendt u naar Mij toe, wordt behouden. In de Engelse Bijbel, the King James, staat: Look unto Me. Dat betekent: ‘Zie op Mij!’ Onze kanttekenaren wijzen er ook op, dat er staat: ‘Zie Mij aan.’ Dus het is een zich tot de Heere wenden, in de betekenis van ‘op Hem zien’. Dat betekent: afzien van al het andere, maar op de Heere alleen zien.

Het lijkt zo eenvoudig. Dat doe je gewoon! Je gelooft, je ziet op de Heere en dan ben je gered. Je neemt Hem aan, als je je hart openstelt voor de Heere. Dan komt Hij in je hart wonen, en dán kan Hij werken.

Dus je moet beginnen met je hart open te stellen. Aldus redeneren velen.

Gemeente, ik lees van Lydia, dat de Heere haar hart opende, en niet Lydia zelf. Maar dat betekent niet dat deze woorden niet dringend uitgaan tot elk mens. Wendt u naar Mij toe, wordt behouden. De Heere Jezus heeft er het beeld van de koperen slang van gegeven. Wie op de koperen slang zag, werd behouden. Die de slang aanzagen werden gezond. Maar er ging wel wat mee gepaard, met dat zien op die koperen slang. Want wie deed dat? Wie zag op die koperen slang? Die gebeten was, en die wist: ik moet er aan sterven. Maar die geloofde dat wanneer hij op die slang zag, hij gezond zou zijn.

 

In sommige kringen is het geloof zo’n eenvoudige zaak dat de mens het zelf in eigen kracht doet. Maar wie geloven losmaakt van wedergeboorte en van bekering, verstaat niet wat geloof is. Dat hangt allemaal met elkaar samen. Dat is een werk van de Heilige Geest: geloven, zich bekeren, en ook wederom geboren worden. Zaken die onverbrekelijk met elkaar samenhangen.

Waar het één is, is ook het andere.

Als er geen bekering is bij geloof, is het geen geloof.

Als er geen geloof is bij bekering, is het geen bekering.

Het zien gaat dus gepaard met beleven wie je bent, en uitzien naar, verwachten van. Daar hebben we de kracht van het geloof, waar de Heere toe oproept. Hij heeft daar recht op. Ten diepste is het Zijn werk.

 

Gemeente, er was een Nigeriaanse jongen van een jaar of veertien, in de bush. Hij was er helemaal alleen en werd gebeten door een slang. Niet zo’n grote, maar wel een giftige slang. Hij wist dat hij daaraan zou sterven. Hij kon die slang nog net met een stok doodslaan. Hij nam die slang mee. Hij wist dat in de zendingskliniek  een antiserum aanwezig was. Hij liep voor zijn leven. Net op tijd kwam hij nog bij de kliniek. Zijn oogleden kon hij nauwelijks open doen. Hij kon nauwelijks nog spreken. Maar hij kon nog net zeggen: ‘Dié.. heeft me.. gebeten!’ Onmiddellijk kreeg hij van de dokter dat antiserum. Binnen enkele dagen kon hij heel gezond de kliniek weer verlaten.

Jongens en meisjes, er waren dus vier dingen.

In de eerste plaats wist die jongen dat hij gebeten was. Dat voelde hij. Dat wist hij.

Hij wist ook dat hij moest sterven. Hij wist: als dat gif doorwerkt in mijn lichaam, zal ik er zeker aan sterven.

Maar hij wist ook: er is een dokter die het medicijn heeft. En als ik bij hem kom, is hij bereid om het mij te geven. Hij wist het en geloofde het.

Geloof maar dat hij hard heeft gelopen! Net op tijd kwam hij aan en hij werd genezen.

 

Breng het maar geestelijk over. Wij zijn allemaal gebeten door de slang. Wij moeten sterven. Na kortere of langere tijd; wij moeten sterven. Maar er is een medicijn! Er is een plaats waar een medicijn is. Wie daar in de ware verlegenheid om komt, om het te mogen ontvangen, zal het ook verkrijgen. Wendt u naar Mij toe, wordt behouden.

Dat, gemeente, is de boodschap, die ook nu aan uw hart wordt gelegd. Een woord dat een onbeperkte nodiging inhoudt, om zich tot de Heere te wenden, om op Hem te zien. Om zich af te keren van de wereld, af te wenden van hetgeen van God en Zijn dienst aftrekt en zich naar de Heere toe te wenden. Op Hém te zien, in de wetenschap dat als Hij me niet verlost, ik verloren ben.

De nodiging gaat uit. Die arts wachtte tot die patiënt kwam. Maar deze Geneesheer laat Zijn dienaren zenden: Wendt u naar Mij toe, wordt behouden. Hij klopt op de deur van uw hart. Hij zegt in 2 Korinthe 5 vers 20: Wij bidden van Christuswege: Laat u met God verzoenen.

 

De boodschap wordt dus zó na aan ons hart gelegd, dat de nodiging uitgaat om behouden te worden. Niet alleen een waarschuwing, maar ook een nodiging dat ieder die zó komt om behoud te zoeken, welkom is en ook behouden zal worden.

Dat betekent in de eerste plaats dus: zich afwenden van de zonden en van eigen begeerlijkheden. Zich toekeren naar de Heere om gered te worden, geholpen te worden, met de verwachting dat de Heere Zelf zegt: En die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen (Joh.6:37).

 

Er zijn voldoende Bijbelse voorbeelden. Waar vindt u dat iemand tot de Heere Jezus komt in de nóód van de ziel, in de nood van het hart, dat hij wordt afgewezen? Geen enkele.

De Kananese vrouw werd wel beproefd. Aan de ene kant leek het alsof de Heere haar afhield: Ik ben niet gezonden dan tot de verloren schapen van het huis Israëls (Matth.15:24). ‘Ik ben niet voor heidenen gekomen. Het is toch niet betámelijk om brood van de kinderen voor de hondekens neer te werpen?’ Juist daar grijpt ze Hem op aan. En zij zeide: Ja Heere; doch de hondekens eten ook van de brokskens die er vallen van de tafel hunner heren (Matth.15:25). ‘De kinderen eten aan tafel. Dan mogen de hondekens toch ook eten van die kruimels, van die brokjes, die van de tafel vallen? Daar heb ik genoeg aan, aan zo’n kruimeltje, aan zo’n stukje wat er valt van de tafel. Heere, help mij!’ Daar dringt de nood, en daar wordt de roep geboren en verhoring verkregen!

Net als de melaatse: Indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen (Mark.1:40).

Zo ook de blinde Bartimeiis: Gij Zone Davids, ontferm U mijner (Mark.10:47). Hij had lást van zijn blindheid en hij wist dat alleen de Heere kon helpen. Het was hét moment. Dat mocht hij níet laten voorbijgaan. Straks kón het niet meer. Hij riep des te meer: Gij Zone Davids, ontferm U mijner. Zó, zegt Gods Woord, komen zondaren tot de Heere.

 

Nu moet u goed luisteren. Het is niet zo dat alleen zij genodigd worden, die de verslagenheid van het hart kénnen en verbrokenheid van het gemoed ondervinden. Bij wie het werkelijk nood geworden is, ja, díe zullen komen. Maar de nodiging gaat uit tot élk die onder het Woord leeft. Het evangelie is onvoorwaardelijk. Er wordt niemand uitgesloten. Alle gij einden der aarde. Maar, gemeente, wat nodig is in ons leven, is dat we de noodzaak daarvan voelen en de onmisbaarheid daarvan doorleven. Vraag om de bediening van de Heilige Geest.

Hij klopt op de deur van ons hart. Er is niemand te oud en niemands hart te hard. Misschien denkt u: ‘Zal ik ooit tot God bekeerd worden, dan zullen hemel en aarde moeten worden bewogen.’ Voor de Heere is geen ding onmogelijk. Het leek onmogelijk dat Juda werd verlost uit de macht van Babel. Voor de Heere is geen ding onmogelijk.

 

Gemeente, wat een arbeid besteedt de Heere aan onze ziel. Wat vermaant de Heere om onze weg te verlaten. Want daar begint het mee. Als we ons toewenden naar de Heere, wenden we ons af van de wereld.

Jongens en meisjes, dan verliest de wereld haar glans. Dan kan ze ons hart niet meer bekoren. Dan zegt het: ‘Bij mij is het niet.’ Daar vind je geen rust. Dan krijg je een andere gezindheid; een gezindheid waarin het om God te doen is, om Zijn genade, waardoor je Hem niet kunt missen. Een gezindheid die ons doet afkeren van de wereld en van de zonde.

In Efeze heeft men de boeken verbrand. Wat heeft men veel geld voor de toverboeken uitgegeven. Maar ze werden verbrand. Ze verkochten ze niet, maar ze hebben ze verbrand. Dat betekent een andere gezindheid. Op het zendingsveld begint het ook meestal met het verbranden van de afgoden, van de juju’s. Die worden eerst verbrand. Dat is al een bewijs dat men zich afkeert van de toverij en van alles buiten God en Zijn dienst, en zich toekeert tot de Heere. Kerk en wereld kunnen niet samengaan. Waar de Heere de hoogste plaats in ons leven inneemt, wenden we ons af van de wereld en van hetgeen geen God en geen godsdienst is.

 

De verloren zoon kon het bij de zwijnendraf ook niet uithouden. Zijn hart trok naar huis. Al was hij het niet waard dat zijn vader naar hem omzag, al was hij tevreden met een plaats als dienstknecht, hij wilde naar huis. Daar lag zijn hart. We lezen in Lukas 15 vers 18 en 19: Ik zal opstaan en tot mijn vader gaan, en ik zal tot hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen de Hemel en voor u, en ik ben niet meer waardig uw zoon genaamd te worden; maak mij als een van uw huurlingen.

Dat was zijn voornemen. Dan ziet u, de gestalte waarin men terugkeert is de gestalte van een boetvaardige. Dan krijgt Christus waarde. Dan krijgt verlossing waarde. Dan krijgt behoud waarde.

 

Is deze Koning het niet waard, gemeente, gediend te worden, Wiens juk zacht is, Wiens last licht is? Zie Hem staan voor Pilatus. Zie Hem hangen aan het kruis. Wat komt er een liefde openbaar in wat Hij volbracht heeft. Is Hij het niet waard gediend en gevreesd te worden? Jongens en meisjes, zouden we dan de wereld blijven dienen en dat wat voorbijgaat? Zoek de Heere en leef!

 

Er staat ook: Wordt behouden. Dat hangt ermee samen. Er staat geen ‘en’ tussen, als twee zaken naast elkaar. Daar wordt als het ware mee uitgedrukt wat dat inhoudt. Dat zich naar de Heere wenden, houdt in: behouden worden, gered worden, verlost worden. Daar moest het toch elk om te doen zijn, om verlost, behouden, gered te worden. Het is niets minder dan een redding.

 

We kennen de verhalen van de watersnood in 1953. Sommige mensen waren op het dak van hun huis geklommen. Het dak was losgeraakt en ze dreven te midden van de kolkende golven en de loeiende storm, met het dak op de woelige wateren. Daar spoelde er één af. Maar als deze mensen werden overgenomen door de boot, die hen kwam redden, dan waren ze behouden. Dan hebben ze het grote wonder doorleefd: ‘We zijn behouden! We dreigden om te komen, maar nu zijn we behouden.’

Welnu, dat is het immers waar het om gaat. Dat is niet zomaar een overstapje van de ene veilige plaats naar de andere. Nee, dat is behouden worden, waar men dreigt om te komen.

Dat geldt ons als mensen van nature. Dan dreigen we om te komen. Elk ogenblik kan het laatste zijn. Elk ogenblik kunnen we worden opgeroepen om voor God te verschijnen; en dan is het te laat. Maar nu kunnen we nog behouden worden. Nu kunnen we nog gered worden. De Heere nodigt tot die redding: Wendt u naar Mij toe, wordt behouden.

 

In tijdelijk opzicht is het een wonder als men van gevaren wordt gered en behouden. In geestelijk opzicht is het een nog groter wonder. Dat is een behoud voor altijd. De mensen die bij een ramp zijn gered, zijn toch weer gestorven. Maar dit behoud, deze redding, heeft eeuwigheidswaarde. Wat is de tijd, vergeleken bij de eeuwigheid?

 

Wórdt behouden. Niet: ‘Behoud uzélf met úw vermogens’, maar door het werk der genade, door Gods werk. Wordt behouden in de weg van het geloof, in de weg van boetvaardigheid, in de weg van bekering.

Behouden worden, gemeente, dat ondervindt elk die het ontvangt. Dat wonder kun je nooit genoeg bewonderen. Behouden, en dat voor mij! Dat geeft altijd de beleving van het gróótste wonder dat mij kan gebeuren. Dat kun je soms niet bevatten. Dat kun je niet doorgronden.

Maar soms wordt het ook weer zo bestreden, en zo wordt het ook weer aangevochten: denk je dat het jou geldt, dat jij behouden kunt worden? Daarom is niet alleen bij de aanvang, maar ook bij de verdere voortgang het werk van de Heilige Geest zo nodig, Die de noodzaak van het behoud leert.

Hij doet ook de krácht daarvan kennen. Hij leert de betekenis daarvan verstaan en Hij schenkt ook de zekerheid van het behoud.

 

Paulus mag erin delen. Hij mocht getuigen dat níets hem kon scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onze Heere. Hij was verzekerd van de genade. Van verre staanden missen dat. Daarom is het ook zo nodig, door de bediening van de Heilige Geest, die verkiezing en roeping vast te maken. Door de bediening van de Geest te mogen verstaan hetgeen God geschonken heeft, om in Christus alles te hebben. Om van zichzelf af te zien. Hoewel het aan mijn kant onmogelijk lijkt en zo onverdiend en verzondigd is.

 

Wel, dat geloof moet worden versterkt en vermeerderd en de hoop bevestigd, door het werk van de Geest. De Heere wil daartoe de middelen van de bediening van het Woord en de bediening van de sacramenten gebruiken, om verzekerd van die genade te roemen in vrije gunst alleen. Dan leren we ook verstaan in Wie het kan, óm Wie het alléén kan. Om de Knecht des Heeren, om Hem in Wie de verlossing vastligt voor tijd en eeuwigheid.

 

Gemeente, dan zullen we ook mee kunnen zingen met wat we nu samen zingen uit Psalm 145, en daarvan het tweede vers:

 

Ik zal, o Heer’, Dien ik mijn Koning noem,

De luister van Uw majesteit en roem

Verbreiden, en Uw wonderlijke daân

Met diep ontzag aandachtig gadeslaan.

Elks juichend hart zal Uw geducht vermogen,

De grote kracht van Uwen arm verhogen;

Ik zal mijn stem met aller lofzang paren,

En overal Uw grootheid openbaren.

 

3. Haar grond

 

In de derde plaats, gemeente, letten we op de grond van deze dringende nodiging. Het adres, de inhoud, en ook de grond.

 

Er staat het redengevende woordje ‘want’. Want Ik ben God en niemand meer. Wat bij de mensen onmogelijk is, is mogelijk bij God. We lezen in het voorgaande vers: Ben Ik het niet, de Heere? En er is geen God meer behalve Ik. Hij maakt Zich bekend met de heerlijke Naam Heere, Jehova, Jahweh, de God van het verbond.

 

Daardoor is het mogelijk dat zondaren behouden worden. Dat is mogelijk bij Gód. De Heere zou deze nodiging nooit kunnen doen uitgaan als bij Hém niet alles gereed was. Voordat de nodiging uitgaat, is alles bij de Heere gereed om zondaren te ontvangen. Het is een heilige roepstem, Zijn roeping: Wendt u naar Mij toe, wordt behouden; want Ik ben God, en niemand meer!

Dat zou niemand kunnen bedenken en geen mens zich kunnen voorstellen, dat er bij God een weg tot zaligheid is, in de weg die God Zélf gebaand heeft. Hij toont daarin Zijn wereld zo lief te hebben, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat een iegelijk die in Hem gelooft niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.

Alle godsdiensten die er op de hele wereld zijn, waar ook ter wereld, elke godsdienst is een godsdienst van doen en laten. Doen, opdat die godheid terugdoet. Eerst de mens die het verdient. Eerst de mens die het zich waard maakt. Die mag dan in díe weg die god tevreden stellen en mag zo zijn zegen ontvangen.

 

Jongens en meisjes, misschien zijn er onder jullie wel die denken dat alle godsdiensten eender zijn. Maar dat is niet zo! Er is een wézenlijk verschil tussen de godsdienst van de Bijbel, die de Heere heeft bekendgemaakt, de dienst van de Heere, en de afgodsdienst. Want nergens is sprake van een God Die liefde is, hoewel Hij het recht handhaaft. Die Zijn Zoon gegeven heeft, waardoor zondaren behouden kunnen worden. Waar genade, vrije genade alleen de grond van behoud is. Dus niet de verdiensten van de mens, niet zijn doen en laten, maar de genade van God alléén is de bron, de grond ook van die nodiging.

 

Ik ben God en niemand meer. Op de hele wereld zijn geen goden die God gelijk zijn. Ze zijn er niet. Mensen hebben ze bedacht, beelden gemaakt. Ze hebben ze gediend. Maar ze blijven even leeg. Maar die de Heere mag kennen en in Zijn dienst mag dienen, die uit Hem mag ontvangen wat hij nodig heeft tot zaligheid, verheugt zich in de God des heils en roemt in vrije genade.

Roemen in de genade, gemeente, dat wordt nergens gevonden dan bij hen die de Heere vrezen. Roemen in onverdiende genade. Die leert ook dat de grond niet in zijn gebed ligt. Dat zijn roepen geen fundament kan geven. Maar dat God in die weg hoort en verhoort uit vrije genade.

 

Daarom, alle dingen zijn bij God gereed. In de gelijkenis van de koninklijke bruiloft laat de Heere Jezus zien op welke wijze Hij die nodiging laat uitgaan. Alle dingen zijn gereed; komt tot de bruiloft (Matth.22:4). Het hoeft niet eerst in orde gemaakt te worden bij God, of door God. Alle dingen zijn gereed.

Wat lezen we dan? Kinderen, jullie weten het. Velen die genodigd waren hadden argumenten om maar niet te komen. De een had een stuk land gekocht, de tweede vijf juk ossen. De derde had een vrouw getrouwd. En de vierde, ja, die had eigenlijk geen excuus, maar hij had er totaal geen zin in. ‘Houd mij voor verontschuldigd.’

Zó is het antwoord op die dringende nodiging ook ons tot waarschuwing. We mogen ons niet verontschuldigen voor hetgeen geen grond zijn kan.

Laat de nodiging in uw hart ingaan. Laat het gebed maar zijn: ‘Heere, trek mij, dan zal ik U nalopen. Heere, bekeer Gij mij; dan zal ik bekeerd zijn.’ Dan komt die bruiloftszaal wel vol. De Heere heeft de aarde niet geschapen dat zij ledig zal zijn. De hemel zal bevolkt worden en de nieuwe aarde zal bevolkt worden. Maar de vraag is: ‘Bent u er ook bij? Ben jij er ook bij? Zult u ook straks op die nieuwe aarde wandelen?’ Dan zal dit toch praktijk moeten zijn en zal dat ook gekend moeten worden, door de kracht van de Heilige Geest. Het gaat op een eeuwigheid aan. Waar zult u zijn als er geen tijd meer is? Waar bent u dan? Waar ben jij? Er zijn maar twee plaatsen. Er is een smalle weg en er is ook een brede weg.

 

Daarom, laat die nodiging tot uw harten ingaan. Dat is een wet van het koninkrijk Gods. U doet niet tegen de wil van de Heere, als u Hem aanroept bij dagen en nachten. Als u zegt tegen de Heere: Ik zal U niet laten gaan, tenzij dat Gij mij zegent (Gen.32:26).

U moet eerst bekeerd worden. U mag dan beginnen met uw verstand. Dan zal de Heere hopelijk op Zijn tijd doen wat u niet kunt, namelijk er een wezenlijke hartenkreet van maken.

Boston zegt in een van zijn werken, ‘De viervoudige staat des mensen’: ‘Doe wat gij kunt, dan zou het kunnen zijn dat God doet wat gij niet kunt.’ Dan zegt hij niet: ‘Dan doet God wat gij niet kunt.’ De Heere is niet gebonden aan ons bezig zijn. Maar: ‘Dan zou het kunnen zijn dat God zal doen wat gij niet kunt.’ Nergens zegt Hij, en het staat hier ook, vers 19: Ik heb tot het zaad Jakobs niet gezegd: Zoekt Mij tevergeefs. Waar zegt de Heere dat het toch geen zin heeft? Dat zegt de Heere nergens. Hij zegt wel: Wendt u naar Mij toe, wordt behouden.

 

Dat behouden heeft eeuwigheidswaarde. Daar verliest de wereld haar glans, daar verliest alles van de wereld haar betekenis bij. Want wat is de tijd vergeleken bij de eeuwigheid? Die kan in miljarden jaren niet worden uitgedrukt. Die gaan wij tegemoet. Onafwendbaar nadert de eeuwigheid. Daar ontkomt niemand aan. Je kunt het van je afschuiven. Je kunt het willen verdringen. Je kunt het opzij willen zetten. Maar het is de werkelijkheid. De eeuwigheid nadert ras.

De geborgenheid wordt u vandaag nog verkondigd en de nodiging gaat nog uit. De Heere meent het wat Hij zegt. Welmenend laat Hij nodigen. Welmenend predikt Hij de genade in Christus, tot uw behoud.

 

Dat is niet alleen nodig bij de aanvang. Ook bij de verdere voortgang blijft het woord zo van kracht: Wendt u naar Mij toe, wordt behouden.

Het kan in het leven van Gods kerk zo ver weg zijn. Het kan zo donker zijn. Het kan zo zijn, dat je niet kunt zien dat God de Eerste was in je leven. Dat ze van binnen zeggen: ‘Hoe zal ik ooit nog met God verzoend worden? Hoe zal ik ooit de eindstreep mogen halen van de loopbaan waarop de Heere mij heeft gezet? Hoe zal ik ooit nog zalig worden?’

Wendt u naar Mij toe, wordt behouden. Dat kunt u niet door te proberen om het uzelf waard te maken Daar kunt u geen rust in krijgen. Dan is telkens opnieuw het woord: Wendt u naar Mij toe. ‘Zoek wat u nodig hebt bij Mij alleen. Ook tot vermeerdering van uw geloof en tot fundering van uw hoop. Tot versterking van uw liefde, tot het ervaren van de gemeenschap met God. Zoek dat bij Mij.’ Als iemand die het niet kan missen, maar het alleen van Hem verwacht, waarin Hij nooit beschaamd laat staan.

Daarom is het een blijvende roepstem, om het maar van Hem alleen te verwachten, Die almachtig is en voor Wie geen ding onmogelijk is.

Het is net zo onmogelijk in eigen kracht verlost te worden, als Juda zich kon verlossen. Maar er is een God Die leeft en Die de Naam Heere draagt. Want Ik ben God, en niemand meer.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 143: 8 en 10

 

Laat mij Uw dierb’re goedheid prijzen,

Wanneer ik ‘t morgenlicht zie rijzen;

’k Betrouw op U in mijn ellend’.

Wil mij het ware heilspoor wijzen;

Mijn ziel heeft zich tot U gewend.

 

Leer mij, o God van zaligheden,

Mijn leven in Uw dienst besteden;

Gij zijt mijn God, vat Gij mijn hand;

Uw goede Geest bestier’ mijn schreden,

En leid’ mij in een effen land.