Ds. L. Huisman - 1 Johannes 1 : 9

Schuldvergeving na schuldbelijdenis

In welke weg ons onze schuld vergeven wordt
De grond van onze schuldvergeving
Wat deze schuldvergeving inhoudt
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Geen ander evangelie’ (deel 2) van ds. L. Huisman (Uitgeverij P. Boekhout, 2000).

1 Johannes 1 : 9

1 Johannes 1
9
Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve, en ons reinige van alle ongerechtigheid.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 9: 1, 4
Lezen : 1 Johannes 1
Zingen : Psalm 32: 1, 3, 6
Zingen : Psalm 105: 5
Zingen : Psalm 89: 3

Geliefden, het Woord van God dat wij u in deze dienst willen prediken, kunt u vinden in het voorgelezen hoofdstuk, 1 Johannes 1, en daarvan het negende vers:

 

Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve en ons reinige van alle ongerechtigheid.

 

Deze tekst spreekt ons van: Schuldvergeving na schuldbelijdenis.

 

We letten op drie gedachten:

1. In welke weg ons onze schuld vergeven wordt; namelijk: Indien wij onze zonden belijden.

2. De grond van onze schuldvergeving; Hij is getrouw en rechtvaardig.

3. Wat deze schuldvergeving inhoudt; namelijk: dat Hij ons de zonden vergeve en ons reinige van alle ongerechtigheid.

 

Gemeente, er is niets dat ons leven meer verontrust dan de zonden. Als gevolg van de zonden zien we mensen, die echt niet voor een kleintje vervaard zijn, als een bang vogeltje over de wereld gaan.

Ik denk bijvoorbeeld aan Kaïn. Hij deinsde er niet voor terug om zijn eigen broer dood te slaan. Maar daarna schreeuwt hij zijn angst uit: ‘Een ieder die me vindt, zal me doodslaan!’ Onrust en angst als gevolg van zijn zonde.

We zien dat ook duidelijk in het leven van Judas. Dat was toch één van de uitverkoren discipelen? De Heere Jezus zegt: Heb ik u niet twaalf uitverkoren? (Joh.6:70)

Daar hoorde Judas dus ook bij. Wanneer deze Judas – tegen al Gods liefde en genade in – doorgaat om de gordijnen van zijn ziel voor God dicht te schuiven, dan zien we hem in radeloosheid zijn dertig zilveren penningen door de tempel werpen. Daarna vlucht hij naar de strop en maakt er een eind aan.

 

De zonden, gemeente – hebt u er erg in, in uw eigen leven? – maken ons ongelukkig. Ze verbreken ons geluk; in ons huis, in ons huwelijk, in de familie en in onze vriendschap. Ze kunnen ons bitter eenzaam maken.

De zonde in ons leven is ook niet een stilstaand iets, maar een doorgaand proces. De zonde zegt nooit: ‘Het is genoeg.’ Er is in de zonde zulk een zondige macht die ons als het ware aanvuurt. Volhouden! Doorgaan! Laat je niet kennen! Niet buigen! Niet toegeven! Aan God niet en aan de mensen niet! Je eigen zin doen! Desnoods tot in de dood.

Is het niet zo, jongens en meisjes? Gaat dat niet zo? Van het één komt het ander en het is nooit mooi genoeg. Er komt nooit een moment dat je zegt: ‘Nu heb ik er genoeg van. Nu heb ik genoeg genoten.’ Je wilt altijd méér genieten. Je denkt wel dat je geniet, maar de zonde vervult je hart niet echt. Het geeft je geen echte vreugde.

Nergens is er zoveel te genieten als in de dienst van de Heere. Zijn dienst is toch zo’n goede dienst, zo’n liefdedienst. Zonder de Heere zal er altijd een leegte blijven in je hart. Maar als je de Heere mag kennen, heb je een vaste en enige troost in leven en in sterven.

 

Gemeente, de zonde is een macht die je niet zomaar van je afschudt. Dat weet u toch ook? Daar kennen we toch allemaal wel iets van in ons leven? Soms probeert u om boven de zonden uit te komen. U komt onder een preek die u raakt. U leest eens wat in een boek of in de Bijbel dat u treft. U hebt eens een gesprek met iemand en u stelt voor uzelf vast: zo gaat het niet goed met mij. Ik mag zó niet langer doorleven. Het moet anders; ik moet omkeren! Ik moet van de zonden af in mijn leven.

En u probeert het en... het lukt. Het lukt één dag, twee dagen. U kunt een paar dagen die zonden nalaten die u anders voortdrijven. Maar dan de derde dag, of de tiende dag… en voordat u het weet is de zonde de achterdeur van uw leven al weer binnengedrongen.

En dat niet alleen in het leven van de ongelovigen, niet alleen in het leven van Kaïn en Judas, maar ook bij Gods kinderen.

Ook David moest nog klagen over zijn zonden. Al lezen we van hem ook van die heerlijke macht die hem telkens weer van de zonden bevrijdde. Van dat bevrijde en gelukkige leven zingt hij in Psalm 32 vers 1: Welgelukzalig is hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is. Welk een blijde klank der verlossing!

 

Maar nu onze tekst: Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve en ons reinige van alle ongerechtigheid.

Johannes – hij is oud geworden – schrijft in zijn ouderdom deze korte brieven aan zijn geliefde broeders en zusters. Aan de gelovigen van zijn dagen. Het was de wil van de Heilige Geest dat deze brieven ook bij ons bezorgd zouden worden. Waarom? Om met diezelfde troost getroost te worden, waarmee Johannes in zijn dagen de gemeente wilde troosten.

Johannes heeft in het laatst van zijn leven de strijd moeten aanbinden tegen een eigenaardig soort mensen. Een soort mensen dat alle eeuwen door in de kerk de kop opsteekt. Mensen die een scheiding maken tussen hun geestelijk leven en hun natuurlijk leven. In de dagen van Johannes waren er die zeiden dat de Heere Jezus niet echt in het vlees gekomen was. Ze beweerden: ons menselijk vlees is zo door en door zondig; het is onmogelijk dat de Zoon van God – en daarin God Zelf – met zulk vlees en bloed op de aarde heeft gewoond.

Achter deze gedachte zat een hele levensbeschouwing. Want daardoor kwamen zij namelijk tot de conclusie dat het niet zoveel uitmaakte hoe je leefde. Je doet de zonde toch maar met je menselijke, aardse lichaam en dat gaat straks naar het graf. Als je ziel maar gered is. Hoe je leefde kwam er dan niet zo op aan.

Als Johannes dat hoort, neemt hij de pen op en gaat hij dwars tegen deze gedachte in. Zijn brieven zijn vol van dit ene thema: als je elkaar niet lief hebt, heb je God ook niet lief! En als het in je leven niet te zien is dat je je broeder en zuster bemint, dan ben je vervreemd van het leven dat uit God is. En als je een zondig leven leidt en de werken der duisternis doet, dan wandel je niet in het licht. Want God is een Licht. En als je zegt dat je in het licht wandelt, dan moet dat ook te zien zijn in je leven

 

Misschien zegt u: ‘Maar hoe zit dat nu? We houden toch na ontvangen genade nog altijd onze oude mens? We blijven toch telkens weer de zonden doen?’ Ja, dat is wel waar, maar als u dat maar niet gebruikt als een dekmantel voor die zonden. Johannes zegt ook: ‘Als wij zeggen dat we geen zonde hebben, dan liegen wij en de waarheid is in ons niet en wij maken God tot een leugenaar.’

Nee, u hebt zonden! U moet dat goed weten! Want u kunt nooit gemeenschap met God hebben en toch ondertussen uw zondige leven vasthouden. U kunt niet ‘s zondags heel vroom in de kerk belijden een liefhebber van de oude waarheid te zijn en ‘s maandags op uw kantoor, op de fabriek, op de school of in het huisgezin niet te herkennen zijn als christen.

Als je ‘s zondags zegt: ‘Dit is de waarheid, dat God een Licht is’, dan moet dat ook op maandag in je leven openbaar komen. Dan moet je niet stiekem je oude zondige leven door willen leven. Want, zegt Johannes, dan heb je nog nooit het licht gezien. Want, zegt hij, wij hebben gezien, dat Jezus het Licht van God is en in dat Licht hebben wij onze zonden beweend. En in datzelfde Licht hebben wij ook de vergeving van onze zonden gekregen.

 

Nee, gemeente, Johannes is niet de man die vanuit de hoogte, vanuit zijn ivoren toren de donder van Gods ongenoegen laat neerdalen op de mensen aan wie hij deze brief schrijft. Johannes is veel meer de man die – luisterend aan Jezus’ hart – het anderen toeroept: ‘Kom, kom toch! Laat toch uw zonden afwassen in het bloed van de Heere Jezus!’

Denk toch niet: Het komt allemaal wel goed; het is bij mij zo erg niet. Integendeel, Johannes wijst ons de weg aan waardoor we van de zonden af kunnen komen. Hij zegt: Indien wij onze zonden belijden. Want het belijden van onze zonden is de weg tot de schuldvergeving.

Ik zeg niet dat het belijden van onze zonden de grond van de schuldvergeving is. Nee, gemeente, al belijd je honderdduizend jaar je zonden met zeeën van tranen, dan kan dat – op zichzelf aangemerkt – nog niets van je zonden wegnemen. Dat zeg ik vooraf en met alle nadruk.

Maar willen we van onze zonden af, dan is het wel noodzakelijk dat we onze zonden belijden. David deed het na ernstig overleg. Zonden belijden is maar niet eventjes wat emotioneel neerknielen voor de Heere, en zeggen: ‘Heere, ik ben een zondaar, vergeef het me toch.’

Terecht heeft Spurgeon opgemerkt dat vele mensen zich een groot zondaar noemen, maar als je aan deze mensen vraagt om eens concreet vijf zonden in hun leven op te noemen, dan hebben ze méér dan vijf minuten nodig om die vijf zonden te noemen. Dat heeft natuurlijk geen waarde voor God. Dat is een farizeeër in een tollenaarspakje. Je hoort wel eens mensen die de mond zo vol kunnen hebben over de zonden. In hun gebed belijden zij dat zij onwaardig zijn, maar als ze ‘amen’ gezegd hebben, vind je niets meer terug van al die mooie, ootmoedige woorden. Nee, gemeente, ons gebed moet uit ons hart komen. De Heere houdt er niet van als we alleen maar woorden vermenigvuldigen. De Heere hoort liever een sprakeloze zondares aan Zijn voeten, dan een vrome farizeeër die dik tevreden is over zichzelf, zelfs over de belijdenis van zijn zonden.

 

Hoe dan, gemeente? Wel, we moeten eerlijk blikken in ons eigen hart, en vervolgens ons stellen als voor Gods aangezicht. Dan gaan we beseffen dat we God lief moeten hebben boven alles. Die barmhartige God, die geduldige God, die liefdevolle God. En we ontdekken dat we déze God hebben veracht. Dat deze God ten diepste geen waarde voor ons heeft in ons leven. Dat we bij alles wat we van deze God hebben gehoord, toch altijd nog ons eigen leventje hebben geleid. En zo, tot onszelf komende, zeggen we: ‘O God, wat heb ik toch gedaan’, belijdende onze zonden.

Maar, gemeente, daar moeten we nooit bij stil blijven staan. Er zijn mensen die nooit verder komen dan zonden belijden. Daar blijft het bij! Meer is er niet. Terwijl Judas óók zijn schuld heeft beleden. Hij heeft zijn schuld uitgeschreeuwd, zomaar in de eindeloze verte: Ik heb gezondigd, verradende het onschuldig bloed! (Matth.27:4)

Maar weet u wat hij niet gedaan heeft? Hij heeft zijn zonden niet aan Jezus’ voeten beleden. Hij is niet tot Jezus gegaan met de belijdenis: ‘Ach, Heere Jezus, ik heb er zo’n verdriet van. Ik heb er zo’n berouw over in mijn hart, dat ik dit gedaan heb; dat ik Uw liefde vertrapt heb en dat ik Uw trouw veracht heb. Dat ik U overgeleverd heb voor een handjevol geld. Heere, ik heb er zo’n smart van.’ Had hij dát gedaan, dan had God hem gered. Hoewel ik mét u weet dat hij een kind des toorns was.

 

Indien wij onze zonden belijden. Gemeente, veel mensen weten wel dat ze zondaar zijn, maar ze zitten daar helemaal niet mee. Hoe komt dat? Omdat ze zich vergelijken met de buurman en zeggen: ‘Nou ja, er is niet één mens volmaakt op deze wereld; maar als ik mijn leven naga, dan hebben de mensen toch niets over mij te klagen. Ik doe altijd trouw mijn werk; ik zorg goed voor mijn gezin; ik kom ‘s zondags trouw in de kerk en heb toch gedaan wat ik kon.’ Natuurlijk, als u zich zo vergelijkt met uw buurman, die nooit in de kerk komt, dan zult u niet veel last hebben van uw zonden.

Maar, gemeente, dat wordt anders als u gelooft dat God voor u staat in Zijn Woord en dat Hij tegen u zegt: ‘Wie bent u nu voor Mij? U hebt Mij vermoeid met uw zonden. U hebt Mij nooit gediend!’

Er zijn ook mensen die zeggen: ‘Ja, ik heb wel zonden hoor. Ik weet dat het niet goed zit in mijn leven; maar ach, wat helpt het me nu als ik mijn zonden voor God belijd?’ Mensen die niet het vertrouwen hebben dat God doet wat Hij zegt. Dat zijn geen pure ongelovigen. Dat zijn mensen, ook hier in de kerk, die hartelijk geloven dat God Zijn kinderen zalig maakt. Die van harte geloven dat God – in de weg van schuldbelijdenis – vergeving zal schenken. Dat geloven ze echt. Er zijn er die er – op hun manier – nog naar verlangen ook.

We hebben allemaal wel eens een verlangen om bij het volk van God te mogen behoren. Wij die bij de waarheid opgegroeid zijn, wij geloven allemaal dat het volk van God een gelukkig volk is. Als we hen dan horen spreken over de heerlijkheid, over de verlossing,  en over de liefde tot God, dan zeggen we: ‘Ik wilde wel dat ik dat ook had. Ik wilde dat ik ook zo was.’ Waarom? We zijn er diep van overtuigd dat zij naar de hemel gaan. Dat God hun Redder is. Dat God hen nooit zal verlaten. Zo is het vast bij u ook wel eens.

Jongens en meisjes, herkennen jullie dat niet? Vast wel. Dat zeg je misschien niet tegen elkaar. Je zegt het misschien helemaal niet hardop, maar diep in je hart is deze gedachte er wel eens.

Zo was het bij mij wel, toen ik nog een kind was en Gods kinderen hoorde spreken over hun omgang met God. Dan dacht ik: Mensen, jullie moesten eigenlijk nooit meer in de put zitten. Jullie moesten nooit meer huilen. Wij die onbekeerd zijn, wij zijn ongelukkig. Als wij zo sterven gaan we verloren, maar jullie zijn gelukkig.

 

Gemeente, dan kunt u geloven dat God een genadige God is voor Zijn kinderen en tóch komt u zelf niet tot een persoonlijke schuldbelijdenis. Hoe komt dat nu, gemeente?

Nu, dat komt omdat u niet gelooft dat die God, Die de God is van Zijn kinderen, ook uw God wil zijn. Omdat we niet geloven dat we tegen een God gezondigd hebben Die Zich in liefde over ons heeft heen gebogen, om ons te redden. En dan bedoel ik dat ons niet zomaar in het algemeen, maar mij! Mijn God, Die mij hier heeft gebracht in Zijn gemeente, Die mij het teken van Zijn verbond gaf, Die mij aan de hand van vader en moeder naar de kerk liet brengen.

Kijk, als ik niet geloof dat die God de hand van Zijn genade naar mij uitstrekt, begin ik nooit mijn zonden eerlijk en hartelijk voor God te belijden.

 

Want de belijdenis van onze zonde is het gevolg van het zien, het waarachtig zien van God, zoals Hij is. Want als je niet gelooft dat God je zoekt, als je niet gelooft dat God jouw stem wil horen, dan zul je nooit tot God komen. Als je niet gelooft dat God een barmhartig God is, zul je nooit voor Hem neerknielen.

Nooit zul je in hartelijke, evangelische boetvaardigheid je zonden belijden als je niet ziet dat God je ondergang niet zoekt. Als je niet ziet dat God je zweert, heel persoonlijk, u daar, die man, die vrouw, die jongen, dat meisje, u grijsaard: ‘Ik heb geen lust in je dood. Ik heb daar geen lust in, maar daarin, dat u zich tot Mij bekeert en leeft, daar heb Ik lust in!’

Want zonden belijden, gemeente, wil eigenlijk zeggen: aan de kant van God gaan staan. Wij nemen het vaak niet zo nauw met de zonden, maar God neemt het wel nauw met de zonden. Want de zonden – daarmee begon ik mijn preek – maken ons ongelukkig. Maar de zonden doen nog veel meer; de zonden maken ook God bedroefd.

De zonden lieten Jezus wenen voor Jeruzalem: Hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen (Matth 23:37). De zonden doen God berouw hebben dat Hij de mens gemaakt heeft. Ik weet ook niet hoe dat mogelijk is, maar ik geloof dat het zo is. Het staat in de Bijbel. Dat het God smartte aan Zijn hart. Ja, gemeente, ik geloof dat God tranen kan wenen. Tranen kan wenen over mijn zonden. Over uw zonden.

En ik geef u de verzekering: wanneer u dát ziet, dat God liefdetranen weent over uw ongeluk, dat uw hart dan breekt. Als God tegen u zegt – en Hij zegt het tegen u vandaag, Hij komt in de verkondiging van het Woord voor u staan en Hij blikt u in de ogen en zegt: ‘Jan, Piet, Dirk, Marie, of hoe u dan ook heet, u ziet toch wel dat het zo niet langer gaat? Waarom blijft u toch tegen Mij zondigen? Wat heb Ik u dan voor kwaad gedaan?’ Ik zeg u, als we God zo voor ons zien staan, dan gaan we belijden: ‘Ja, Heere, dat is waar, ach Heere, dat is waar!’

En als de Heere dan verder gaat en ons laat zien Wie Hij voor ons is geweest. Als Hij laat zien dat Hij vanaf de moederschoot voor ons heeft gezorgd en al Zijn zegeningen, liefde en trouw ons schonk. Als de Heere u dan aankijkt en zegt: ‘Wat is nu je antwoord? Wat is nu uw leven tegenover mij?’ Dan, gemeente, dan slaan we onze ogen neer en zeggen: O God, wees mij zondaar genadig! (Luk.18:13)

 

Geliefden, dat is nu schuld belijden. God gelijk geven. U weet: dat zit niet in ons bloed. Kijk maar naar onze kinderen, die zeggen al: ‘Híj heeft het gedaan. Ja, maar híj is begonnen!’ U kent dat wel. Grote mensen zijn wel wat geraffineerder, maar ten diepste niet anders dan die kinderen. We schuiven zo graag de schuld op een ander. Bedekt, subtiel, maar we doen het wel. We blijven altijd maar bezig om de schuld aan een ander te geven. En die ander is uiteindelijk God!

 

Er zijn hier ook mensen die van die vreselijk harde gedachten van God hebben. Mensen die zichzelf al hebben afgeschreven. Ik maak wel eens van die mensen mee. Die hebben zichzelf al afgeschreven vóórdat het einde komt. Zij zeggen: ‘Ach nee, mijn tijd is voorbij. Vroeger heb ik er nog wel eens over nagedacht, veel gebeden ook, maar ik zal nu wel zien hoe het afloopt.’ Gemeente, dat is iets verschrikkelijks, als een mens, hier op aarde reeds, zo hard in ongelovigheid doorgaat dat hij zelfs niet meer gelooft dat het nog mogelijk is. Dat hij dát zelfs niet meer gelooft!

Wat doet de Heere met zulke mensen? Loopt Hij weg van die mensen? Wil Hij niets meer met hen te maken hebben? Nee, Hij komt ook vandaag nog naar u toe en kijkt u aan en zegt: ‘Heb Ik je nu reden gegeven om zo te denken en zo te spreken, om zo tegen Mij op te staan? Ben Ik dan in je leven zo’n wrede God voor je geweest? Zulk een harde Vader? Heb Ik het dan zo verkeerd gedaan in je leven, dat je tegen Mij maar op blijft staan en je vuisten maar blijft ballen tegen Mij, door je – openlijk of bedekt – altijd maar tegen Mijn genade en liefde te verharden?’

Gemeente, als we zien Wie God voor ons geweest is, dan beginnen we onze zonden te belijden. Dan gaan we aan Zijn kant staan en zeggen: ‘Nee, Heere, het was niet Uw schuld, maar ik, ik, Heere, heb Uw roepstem versmaad. Ik heb Uw liefde veracht. Ik heb gedaan wat kwaad was in Uw ogen.’

 

Ik zei het al: de zonden maken ons ongelukkig, maar ze maken God ook ongelukkig. En als we dan zien dat onze zonden God Zijn Zoon hebben gekost, omdat God op geen andere manier Zijn liefde aan mij kon weggeven dan door de bittere dood van Zijn dierbare Zoon, dan zou je je dood schreien. Dan kan je hart zeer doen van liefde en verdriet. Ik weet niet wat dan de boventoon voert. Dat is zulk een intense smart, samen met zulk een hartelijke liefde, dat jij die God, Die zo goed voor je is, zó beledigd hebt en dat die beledigde God nochtans de liefdehand van Zijn genade naar jouw hart uitsteekt, en zegt: ‘Zondaar, belijd dan je zonden. En als je aan Mijn kant komt staan, als je eerlijk zegt dat het je eigen schuld is, dan, – zegt Johannes en hij is hierin de stem van God – dan ben Ik getrouw en rechtvaardig.’

 

Moet je het dáár nu van hebben? Gemeente, moeten wij het dáár nu van hebben? Zou er niet veel beter kunnen staan: ‘God is liefdevol en barmhartig’? Ja, dat is ook waar. Dat zegt God op een andere plaats, maar dat staat hier niet. Hier staat: Indien wij onze zonden belijden, Hij (God) is getrouw en rechtvaardig. 

Dus, geliefden, God is getrouw en rechtvaardig dat Hij ons de zonden vergeeft op onze schuldbelijdenis. Het is dus eerst een kwestie van trouw.

Trouw! Als je dat woord ‘trouw’ noemt, komen we onmiddellijk bij het verbond terecht. Namelijk het genadeverbond. Ik wenste wel, gemeente, dat we weer eens goed gingen nadenken over ‘het verbond’. Velen zijn dat verbond uit het oog verloren, omdat er duizenden waren in andere kerken die er misbruik van maakten. Daardoor zijn wij het kwijtgeraakt.

Dat verbond is de grond van onze verlossing. Dat verbond is het enige aanknopingspunt voor mij en voor mijn kinderen om zalig te worden. Want er is geen andere grond! Ik kan nooit tot schuldbelijdenis komen, als ik niet geloof: er is een eeuwig verbond der genade.

In het doopformulier staat: als we de zonden doen, moeten we in de zonden niet blijven liggen en niet aan Gods genade vertwijfelen, want wij hebben een eeuwig verbond der genade met God.

 

Gemeente, als we dat niet willen zien, dan blijven we onszelf koesteren in onze zonden. Dan blijven we slachtoffer, en we worden nooit schuldenaar. Maar als u de plaats ziet waar God u gesteld heeft, dan begint dat pijn te doen. Maar dan zegt de Heere ook: ‘Zondaar, Ik ben getrouw. Ik heb, toen u werd gedoopt, een eed aan u gezworen. Toen heb Ik gezegd: Ik wil ook uw God zijn. Ik heb het voor het oog van heel de gemeente verzegeld dat het bloed van de Heere Jezus reinigt van alle zonden! O, zondaar, Ik ben getrouw. Twijfel daarom toch niet aan Mijn genade.’

Gemeente, God is getrouw! Laat het eens op u inwerken. Jongens en meisjes, horen jullie het ook? Het woord is ook voor jullie in deze dienst. Jullie zijn ook gedoopt. God heeft tegen jullie ook gezegd dat je een boos en zondig hart hebt. Voel je dat nooit? Merk je niet hoe je soms geboeid bent door de zonden?

Wat zegt God nu tegen jullie? Wat zei Hij tegen jullie toen jullie werden gedoopt? ‘Denk erom dat je met die vuile zonden niet in Mijn buurt komt’? Nee, integendeel: ‘Ik wil je God zijn. Ik wil al je zonden afwassen. Blijf niet bij Mij weg, maar kom tot Mij met al je noden, met al je zonden, met al je zorgen. Ga niet naar een ander toe. Er is een eeuwig verbond der genade. Probeer het zelf niet op te lossen, maar kom nu naar Mij toe!’

 

Laat ons eerst zingen uit Psalm 105 het vijfde vers:

 

               God zal Zijn waarheid nimmer krenken,

               Maar eeuwig Zijn verbond gedenken.

               Zijn woord wordt altoos trouw volbracht,

               Tot in het duizendste geslacht.

               ‘t Verbond met Abraham, Zijn vrind,

               Bevestigt Hij van kind tot kind.

 

Misschien zegt er nu iemand in de gemeente: ‘Maar hoe zit het dan met de zonden? Ik voel dat ik telkens wéér zonden doe? Ik voel dat het niet goed is. Ik heb straf verdiend. Ik kan toch niet zomaar doen alsof het goed is? Er is iets tussen mij en God. Het ligt niet echt vlak.’

Luister nu eens goed. Er staat: Hij is getrouw en rechtvaardig. Begrijpt u dat woord ‘rechtvaardig’? Luther begreep er niets van. Luther worstelde om de vergeving der zonden en hij stootte zich aan dat woordje ‘rechtvaardig’. Vooral als het gebruikt werd in het evangelie. ‘O God’, zei hij, ‘moet U nu altijd weer spreken over dat woord rechtvaardig?’ Als hij in de Romeinenbrief las dat de rechtvaardigheid van God in het evangelie wordt geopenbaard, dan wierp hij met stenen naar God. Dan riep hij: ‘Altijd maar weer die rechtvaardigheid, die rechtvaardigheid!’

 

Gemeente, er zijn onder ons ook nog veel van zulke mensen bij wie deze vraag leeft. Echte kinderen van God. Ze hebben hun zonden voor God wel eens beleden en ze mogen het nog wel eens doen. Ze hebben geloofd dat God barmhartig was. Niet alleen voor anderen, maar ook voor henzelf. Ja, zij hebben de zoom van Jezus’ kleed aangeraakt. Ze zaten in de kerk of thuis of waar dan ook en ze zaten daar als andere mensen. Maar ze hebben op dat moment het licht door zien breken. Ze hebben toen iets van de liefde van God in hun hart ervaren.

En dan komt er morgen en overmorgen weer een andere tijd. Dan is dat gevoel van die genade weg. En wat zeggen ze dan? ‘Ja, mijn schuld staat nog open. Mijn zonden zijn nog niet vergeven.’ Zulke mensen zijn daar vatbaar voor. En als er dan iemand komt die zegt: ‘Dat komt omdat je het wel gezien hebt, maar je hébt het nog niet’, dan zeggen ze: ‘Ja, dat zal wel, zo ervaar ik dat ook in mijn hart.’

 

Gemeente, dat is dwaasheid. Hoort u: een dwaasheid! Weet u hoe het met zulke mensen is? Die hebben voor een ogenblik geloofd, écht geloofd, en daardoor hebben ze vergeving van God gekregen. Maar de oefening van het geloof werd verbroken.

Zoals een kind dat even gestaan heeft maar weer valt. Het heeft gestaan, waarachtig gestaan! Maar het is nog niet geoefend in het staan. Laat staan dat het goed kan lopen. Zo is het met zulke mensen.

En waar zitten die mensen dan op te wachten? Waar zitten ze naar uit te kijken? Nu, ze kijken er naar uit dat hun zonden zullen worden vergeven. Maar ze kijken niet naar het bloed. Ze kijken niet naar de prijs en niet naar Hem in Wie de zonden alleen maar worden vergeven. Ze kijken naar de barmhartigheid, de genade en de goedheid van God. Ze bidden soms: ‘Heere, mag ik het nog eens ervaren, die goedheid en die liefde en die genade.’ Maar ze kijken niet naar de rechtvaardigheid van God. Want o, als ze daaraan denken, denken ze net als Luther. Dan denken ze aan gericht, aan iets vreselijks dat eerst met hén gebeuren moet.

Sommigen stellen dat ook zo voor, dat de mens eerst in de rechtszaal geleid moet worden, en, om vergeving te krijgen, eerst in die mate zijn verlorenheid moet beleven dat hij verwacht ieder moment in de hel weg te zinken.

En dan, gemeente, en dan, als er dan niets méér is in uw leven dan dat, dan bent u nog even verloren. Weet u waarom? Wel, die rechtvaardigheid waarvan in deze tekst sprake is, dat is niet het gevoel in uw hart van Gods rechtvaardigheid. Dat zaligt u niet. Wat dan wel? Wel, die rechtvaardigheid waar God het hier over heeft, dat is de rechtvaardigheid die God in het evangelie openbaart!

 

Wat is dat dan? Ik zal het kort en goed zeggen. Dan weten de kinderen het ook. Ik zal het met één woord zeggen: Jezus! En Jezus alleen! God heeft Zijn toorn geblust! Niet in mij, want dan had ik eeuwig smart moeten lijden, maar Hij heeft Zijn toorn geblust in Jezus Christus. En nu staat hier: ‘Zondaar, als u uw zonden belijdt, Ik ben getrouw en rechtvaardig, dat Ik u de zonden vergeve.’

Want Hij heeft de zonden van een ieder die zijn zonden belijdt, gestraft in Jezus Christus. Volmaakt gestraft. O, dat is een openbaring! Een ontdekking die nog even groot is als in de dagen van Luther. Toen Luther dat ontdekte, dat die rechtvaardigheid van God niet was het gevoel van de toorn in zijn hart, maar de rechtvaardige toorn die als de bliksem was ingeslagen in het hart van Jezus. Toen hij dat zag, heeft hij het uitgeroepen: ‘Jezus, Jezus, mijn Jezus, Gij, Heere Jezus, zijt mijn rechtvaardigheid en ik ben Uw zonden. We hebben geruild! We hebben geruild!’

 

God is getrouw en rechtvaardig. O gemeente, als u in deze dienst komt met belijdenis van uw zonden, dan wijs ik u in de naam van mijn Zender op déze Jezus, op déze meerdere Boaz, Die uw zaak in de poort beslecht. Daar was Ruth niet eens bij. Hij heeft uw zaak voor Zijn rekening genomen. Dat is op Golgotha gebeurd.

En nu krijg ik deel aan die vergeving van zonden, door het geloof. En wel naar de mate dat ik zulk een weldaad met een gelovig hart aanneem. Nu wordt Christus ook mijn gerechtigheid voor God. Naar de mate dat mijn wankele ziel zich verlaat op Hem, heb ik ook de zekerheid dat ik voor God rechtvaardig ben.

Dat is de weg die we moeten gaan. Dat is de bevrijdende weg! Dat is de weg waar God glorie krijgt. Waar er maar Eén groot is; dat is Jezus en Jezus alleen. Dat is de weg van de echte bevrijding.

 

O, als ik dat zie, gemeente, als ik dat zie, dan krijg ik mijn Jezus zo lief. Dan is Hij voor mij de Schoonste van alle mensenkinderen. Dan kan ik alles op aarde missen, maar mijn Jezus niet. Dan is Hij het Voorwerp van mijn liefde. Dan zie ik in Hem niet alleen Gods genade, barmhartigheid en liefde, maar ik zie in Hem ook Gods gerechtigheid. Dan zeg ik: ‘Mijn Jezus, mijn Jezus, en dat voor mij!’

 

En dat, geliefden, doet me wandelen in het licht. Want zo staat er verder: Dat Hij ons de zonden vergeve. Elk gezicht op Jezus is een schuldvergevend gezicht. Daaraan kunt u weten of u echt op Jezus ziet. Als u op Hem ziet door het geloof, op deze Man van smarten, zodat u Hem lief krijgt met het binnenste van uw ziel. Omdat Hij daar hangt met een doornenkroon door u gevlochten, met een spotkleed omhangen, als gevolg van úw zonden. Dragende, duldend, lijdend, de pijlen van Gods toorn in Zijn ziel indalend, bloed zwetend in Gethsémané’s hof en hangend aan het vloekhout der schande; dan omhels ik Hem. Dan weet ik dat alle woorden mij ontbreken. Dat al mijn preken over het lijden van deze Jezus behoren tot de minste preken die ik ooit gedaan heb.

 

O, gemeente, ik ben niet bij machte het honderdste, het kleinste deeltje van Zijn liefde te vertolken. Maar ik zeg u: ‘Kom en zie! Kom en blijf niet achter! Kom en zie op Hem, in Welke u gestoken hebt, en u zult over Hem rouw bedrijven.’ Maar u zult ook dat andere ervaren, namelijk dat God rechtvaardig is. Hij straft de zonden maar één keer. O, als ik op Jezus zie, laat ik het eens brutaal zeggen, want dan is het duidelijk: als ik op Jezus zie, dan kan God me niet meer verloren laten gaan.

Dan zeg ik: ‘U bent een rechtvaardige God, U straft de zonden niet twee keer. Als U Jezus gestraft hebt, dan ben ik vrij.’ Dan durf ik door Hem mijn hoofd omhoog te heffen en te zeggen: ‘Op Uw zaligheid wacht ik, o Heere!’ Dan heb ik een recht gekregen om kind van God te zijn. Dat is een recht om Christus’ wil, maar dan toch een echt recht!

 

En dan staat er: Dat Hij ons de zonden vergeve. Dat betekent letterlijk: weggeven. Van mij aan een ander. God neemt mijn zonden en geeft ze aan een Ander. En die Ander is Jezus. En ik zie hoe Hij mijn zonden aanvaardt. Ik zie hoe Hij om mij arm wordt. In doeken gewonden, liggende in de kribbe. Ik kniel in verwondering en aanbidding bij Zijn kribbe neer. Mijn zonden vergeven, en dat in zo’n weg. Onuitsprekelijke liefde. Zelfs de engelen kennen dit heilgeheim niet. Maar wij, Gods kinderen – uit de duisternis tot het licht gebracht – wij mogen het zien: God geopenbaard in het vlees.

 

En, zo vervolgt de tekst, ons reinige van alle ongerechtigheid. Dat is het laatste. Dat is nu de heiliging, die voortvloeit uit de rechtvaardiging. Want wat zou ik aan de schuldvergeving hebben als ik morgen nog net zo schuldig was als gisteren? Dan zou ik nog maar een ellendig leven hebben. Want ik heb aan het begin gezegd en ik eindig daarmee: wat maakt mijn leven zo ellendig? Dat zijn mijn zonden!

Maar zie, nu vergeeft God niet alleen mijn zonden, maar Hij geeft me ook een nieuw hart. Hij geeft me een ander hart. Nu kan ik met Paulus zeggen: ‘Heere, nu wil ik niet meer zondigen. Vroeger liep ik de zonden achterna. Ik zocht de zonden op. Ik vond het allemaal mooi en heerlijk. Ik dacht dat het mooi was. Maar, Heere, nu wil ik Uw juk en Uw last dragen. Nu wil ik doen wat U van mij vraagt.’

En dan ga ik bidden: ‘Heere, houd Gij mijn handen beide met kracht omvat. Ik ben mezelf niet toevertrouwd. Wees Gij mij een vast geleide op het smalle pad. Alleen kan ik niet verder, geen enkele schreê. Neem, trouwe Zielenherder, mij arme zondaar mee.’

Dan kleef ik – ik zeg het met Luthers vrouw – dan kleef ik als een klit aan Jezus’ kleed. Tot vergeving! Ja, maar ook tot wegneming van de zonden. En daaruit komt dat verlangen voort:

 

O, ik wens te zijn als Jezus,

in het goeddoen nooit vertraagd,

dat men van mij kon zeggen:

Hij doet wat God behaagt.

Helaas, ik ben niet als Jezus,

dat ziet een elk aan mij,

mijn Heiland, wil me helpen

en maken zoals Gij.

 

Dat doet me bidden: ‘Kom, Heere Jezus, ja, kom haastiglijk! Maak Uw werk af. Dan bent U blij en dan ben ik blij. Dan zal ik altijd bij U zijn. Dan zal ik U nooit meer verdriet doen. Dan zal ik wandelen in het licht, zoals U wandelt in het licht.’

 

Die hoop moet al ons leed verzachten;

kom, reisgenoten, ‘t hoofd omhoog!

Voor hen die ‘t heil des Heeren wachten,

zijn bergen vlak en zeeën droog.

O zaligheid, niet af te meten,

O vreugd, die alle smart verbant!

Daar is ons vreemdelingschap vergeten

en wij, wij zijn in ’t vaderland.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 89:3

 

De hemel looft, o Heer’, Uw wond’ren dag en nacht;

Uw waarheid wordt op aard’ de glorie toegebracht,

Daar Uw geheiligd volk van Uwe trouw mag zingen;

Want wie is U gelijk bij al de hemelingen?

En, welke vorsten ooit het aard’rijk moog’ bevatten,

Wie hunner is, o Heer’, met U gelijk te schatten?

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Geen ander evangelie’ (deel 2) van ds. L. Huisman (Uitgeverij P. Boekhout, 2000).