Ds. G.J. Baan - Lukas 19 : 1 - 10

Jezus zien

Lukas 19
Een verlangend uitzien
Een beantwoord uitzien
Een boetvaardig zien
Een zalig zien

Lukas 19 : 1 - 10

Lukas 19
1
En Jezus, ingekomen zijnde, ging door Jericho.
2
En zie, er was een man, met name geheten Zacheus; en deze was een overste der tollenaren, en hij was rijk;
3
En zocht Jezus te zien, wie Hij was; en kon niet vanwege de schare, omdat hij klein van persoon was.
4
En vooruitlopende, klom hij op een wilden vijgeboom, opdat hij Hem mocht zien; want Hij zou door dien weg voorbijgaan.
5
En als Jezus aan die plaats kwam, opwaarts ziende, zag Hij hem, en zeide tot hem: Zacheus! haast u, en kom af; want Ik moet heden in uw huis blijven.
6
En hij haastte zich en kwam af, en ontving Hem met blijdschap.
7
En allen, die het zagen, murmureerden, zeggende: Hij is tot een zondigen man ingegaan, om te herbergen.
8
En Zacheus stond, en zeide tot den Heere: Zie, de helft van mijn goederen, Heere, geef ik den armen; en indien ik iemand iets door bedrog ontvreemd heb, dat geef ik vierdubbel weder.
9
En Jezus zeide tot hem: Heden is dezen huize zaligheid geschied, nademaal ook deze een zoon van Abraham is.
10
Want de Zoon des mensen is gekomen, om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 68: 13, 16
Lezen : Lukas 19: 1-10
Zingen : Psalm 147: 2, 3, 6
Zingen : Psalm 146: 3
Zingen : Psalm 95: 2, 4

Gemeente, de profeet Jesaja heeft gezegd: Uw ogen zullen de Koning zien in Zijn schoonheid (Jes.33:17). Het is het allergrootste voorrecht op aarde om de Koning der koningen in Zijn schoonheid te mogen zien. De bruid heeft ervan gezegd in het Hooglied: Al wat aan Hem is, is gans begeerlijk. Zulk een is mijn Liefste, ja, zulk een is mijn Vriend, gij dochteren van Jeruzalem (Hoogl.5:16). We mogen ons de vraag wel stellen of wij dat ogenblik in ons leven hebben ervaren, dat we de Koning gezien hebben in Zijn schoonheid, Zijn heerlijkheid, Zijn genade en Zijn liefde. De vrede van God, die alle verstand te boven gaat, zal dan onze harten vervullen.

 

Zijn dienst is een liefdedienst. Hoewel we het uit onszelf niet begeren, is het volgen van Hem een heerlijk en voortreffelijk werk. Wat is de lofprijzing van Hem een voortreffelijke opdracht die de Heere Zijn kinderen geeft, en een geweldig voorrecht dat zij mogen ontvangen! Door het zien van de Koning in Zijn schoonheid, wordt het hart heilig verliefd op Jezus. We kunnen het lezen in onze belijdenis: ‘Het zien van Zijn aangezicht is zoeter dan het leven en de verberging ervan bitterder dan de dood.’

Van nature zien wij Hem niet en kunnen we Hem ook niet zien. De Heere zegt: Want Mij zal geen mens zien en leven (Ex.33:20). Er is ook niemand die Hem begeert: Want Hij was veracht en de onwaardigste onder de mensen, een Man van smarten en verzocht in krankheid; en een iegelijk was als verbergende het aangezicht voor Hem (Jes.53:3). Dan verbergen we ons gezicht voor Hem, ook als Hij ons door de verkondiging van het evangelie wordt aangewezen als de enige Naam tot zaligheid.

 

Gemeente, het oneindig grote wonder dat plaatsvinden moet en mag in ons leven is: die Koning in Zijn schoonheid te zien. Deze Jezus wensen we nu te verkondigen naar aanleiding van Lukas 19 vers 1 tot en met 10. We lezen als samenvatting vers 9a en 10:

 

En Jezus zeide tot hem: Heden is dezen huize zaligheid geschied.

Want de Zoon des mensen is gekomen om te zoeken en zalig te maken dat verloren was.

 

We willen boven onze tekst schrijven: Jezus zien.

 

Een viertal punten:

1. Een verlangend uitzien

2. Een beantwoord uitzien

3. Een boetvaardig zien

4. Een zalig zien

 

1. Een verlangend uitzien

 

Gemeente, de tijd van het lijden en sterven van de Heere Jezus was aangebroken. Nog een enkele dag en Hij zou worden aangeklaagd, gekruisigd worden en sterven.

De Zaligmaker is via Jericho onderweg naar Jeruzalem. De intocht in deze stad vindt u beschreven in Lukas 19. Daarna vindt de zalving te Bethanië plaats; daarover kunnen we lezen in Johannes 12.

 

Zo-even heeft de Heere Jezus buiten Jericho een wonder gedaan. De blinde Bartiméüs kreeg het gezicht terug. Zijn gebeden werden verhoord en Jezus heeft zo Zijn almacht getoond. In dat wonder betoonde Christus, zo vlak voor Zijn lijden, ook Zijn barmhartigheid. Daarna zou Hij nog een aantal zieken in de tempel genezen; maar dit was eigenlijk het laatste persoonlijke wonder bij één mens.

Direct na dit wonder laat Christus zien dat Hij niet alleen voor armen en zieken gekomen is, maar ook voor lichamelijk gezonde mensen, voor mensen die rijk zijn. Dit zien we in de bekering van Zachéüs. Het is een bekende geschiedenis en we zullen proberen om deze eenvoudig met elkaar te overdenken.

 

Waar gaat het over?

Iemand zegt: ‘Het gaat over Zachéüs.’

Nee, het gaat niet over Zachéüs.

Een ander zegt: ‘Het gaat over Jezus en Zachéüs.’

Het is goed bedoeld, gemeente, maar het behoeft nog wel enige verbetering. Het gaat over Jezus!

Aan het begin van elk van onze vier gedachten staat deze Naam of wordt Hij bedoeld. Leest u maar mee:

In vers 1 staat: En Jezus ingekomen zijnde ging Hij door Jericho.

In vers 5: En als Jezus aan die plaats kwam.

In de verzen 7 en 8: Hij - Jezus - is tot een zondige man ingegaan om te herbergen.

En in vers 9: En Jezus zeide tot hem.

 

Het gaat dus over die enige Naam, zo heilig, groot en goed. Voortdurend staat Hij en niet Zachéüs in het middelpunt.

Als het goed is, staat Hij ook voortdurend in het middelpunt van het leven van Zijn kinderen. Om hen als een wonderdoend Koning, een barmhartig Hogepriester en een alwetend Profeet, te leiden en te onderwijzen.

Als die Zaligmaker niet in het middelpunt van uw leven staat, dan is het mis.

Hoort u dat?

Dan is het mis! Dat is de simpele werkelijkheid van deze boodschap van vloek en zegen. Er is geen tussenweg, het Woord van God sluit dat radicaal uit.

En Jezus.

En als Jezus aan die plaats kwam.

Hij is tot een zondige man ingegaan.

En Jezus zeide tot hem.

Het zijn allemaal facetten van wat Jezus zou gaan betekenen voor Zachéüs.

 

Eerst iets over Jericho. Dit was een rijke, welvarende stad, het knooppunt van belangrijke handelsroutes. Er woonden dan ook veel mensen. Het grote winterpaleis van Herodes de Grote was hier gevestigd. Kortom, een stad van grote weelde en rijkdom. Je vond er alles wat er op aarde te vinden was. Het was één groot paradijs, ook wat betreft het klimaat en de natuur. Het was een plaats die in de woestijn lag, maar in die woestijn was het een oase. Palmbomen en vijgenbomen stonden langs de straten. Deze bomen gaven producten die niet alleen duur waren, maar die ook direct konden worden verhandeld.

Een paradijs op de aarde. Zoeken wij dat ook? Er zijn mensen die naar een stad of een plaats of een land gaan met de gedachte er een paradijs te vinden. Maar het paradijs is niet meer hier op aarde, ook niet in Jericho. Wel valt ons op dat er staat: En Jezus ingekomen zijnde, ging Hij door Jericho. Hij ging de stad in, Hij liep erdoorheen en Hij verliet de stad ook weer.

 

Van grote waarde is Hij van Wie de bruid eenmaal sprak: Mijn liefste is blank en rood, Hij draagt de banier boven tienduizend (Hoogl.5:10). Zijn gehemelte is enkel zoetigheid, en al wat aan Hem is, is gans begeerlijk (Hoogl.5:16).

 

In vers 2 staat: En zie…

Lukas gebruikt deze woorden vaak. Hij was dokter. Hij vestigt ergens de aandacht op. Het is alsof hij een geestelijke diagnose wil stellen.

En zie, daar was een man, met name geheten Zachéüs. Het staat er eigenlijk dubbel: met name geheten. Alle aandacht wordt gevestigd op de naam Zachéüs. ‘De naam – hij heet Zachéüs’, zo kunnen we het eigenlijk vertalen. Dus dan zal het wel zo zijn dat de naam van Zachéüs belangrijk is.

Dat is ook zo. Want als mensen de naam van Zachéüs hoorden noemen, dachten ze onmiddellijk aan die ene tollenaar. Zijn naam wordt verschillende keren vermeld in dit gedeelte. Zachéüs komt van een werkwoord dat betekent: zuiver zijn.

Jongens en meisjes, was Zachéüs zuiver? Wat voor werk deed hij?

Zachéüs was een tollenaar en nog wel een overste der tollenaren. Hij was iemand met een verdacht beroep. Je zou hem kunnen vergelijken met iemand die in de oorlog NSB’er was. Dat waren oneerlijke mensen, het waren landverraders, die heulden met de vijand. Zo was Zachéüs ook. Hij was Jood, hij kende de wetten van Mozes. We zouden ook kunnen zeggen dat hij in de kerk gedoopt was. Maar hij heulde met de Romeinen. Hij was in dienst van een grootgrondbezitter. Dat was iemand die het pachtrecht voor een groot stuk grond had gekocht en dat gebied dan weer opdeelde in allemaal kleinere gebieden, die hij verhuurde aan anderen. Die huur werd door tollenaars geheven en daar hoorde ook belasting bij voor de Romeinen. Zachéüs was overste van de tollenaren, iemand die andere tollenaren aanstuurde.

 

Er waren drie grote tolgebieden: Caesarea, Kapernaüm en Jericho. Van één van die gebieden was Zachéüs het hoofd. Gezien de ligging, het klimaat en de handelsproducten van Jericho, kwam er veel geld binnen. Er kwamen veel rijke mensen in Jericho en er werd dus ook heel wat tol geheven.

De tollenaren droegen het geld niet geheel af aan de keizer, maar hielden ook in voor zichzelf. Zij waren rijke mensen. In ons tekstgedeelte staat dan ook dat Zachéüs rijk was. Dat had er niet hoeven staan, want alle tollenaren waren wel rijk. Dat het er toch bij staat wil zeggen dat hij extreem rijk was. Een groot gedeelte van dat geld had hij onrechtmatig verkregen. Hij was een zondaar zoals u en ik.

Deze overste van de tollenaren, deze rijke Zachéüs, zocht Jezus te zien. Dat betekent: hij probeerde Hem te vinden. Het was een doorgaand zoeken. Zijn streven om Jezus te vinden, zou niet eerder ophouden dan wanneer hij Hem gevonden had.

 

Hij zocht Jezus te zien, wie Hij was...

Dat betekent dat hij erg benieuwd was Wie de Heere Jezus nou eigenlijk was. Het staat er zo dat hij Hem heel graag wilde zien.

Wij weten niet hoe dat kwam. Eerbiedig bedoeld, zouden we kunnen zeggen: of de Heere hem bekeerde voor die boom, in die boom of na die boom weten we niet, maar er kwam in ieder geval een ogenblik in zijn leven dat hij het verlangen kreeg om de Heere Jezus te zien.

Dat betekent oppervlakkig gezegd: wat voor persoon Hij was. Maar uiteindelijk ging het hem er in zijn hart om, om Hem te leren kennen. Zachéüs was niet alleen nieuwsgierig naar de Heere Jezus in het uitwendige. Dat blijkt wel als Jezus zegt in vers 9: Heden is dezen huize zaligheid geschied.

 

Nu moet u niet zeggen: ‘Het begint niet met Jezus.’ Dat weet ik ook wel. Maar… het begint wél met Hem. Uit Hem! Het begint niet met de kénnis van Hem. Maar er komt toch wel een moment dat u als een arme, verloren zondaar de Heere Jezus nodig krijgt. Gemeente, u kunt niet buiten Jezus. De grond zou onder uw voeten moeten branden, als u geen Borg hebt voor uw ziel en geen God voor uw hart.

Zachéüs heeft een verlangen in zijn hart om Jezus te zien. Dat was niet gemakkelijk. En kon niet...

Er staat in het Grieks zoiets als: onmachtig om dat te doen. Hij kon dat niet omdat hij te klein was. Dat zou natuurlijk niet zo erg zijn, maar Zachéüs durfde zich niet onder de schare begeven, want dan zouden ze hem verachten en wellicht doden. Als hij nu maar van achter de schare over hen heen kon kijken, dan zou het nog wel lukken. Maar hij kon dat niet, want hij was klein van persoon.

 

En kon niet...

De weg naar Jezus toe was afgesneden. Lichamelijk, maar ook geestelijk.

Misschien hebt u dat ook wel ervaren. En kon niet, misschien moeten de drie woorden die er op volgen erbij: vanwege de schare. Misschien zijn er inderdaad anderen geweest die u tegengehouden hebben. Of die u hebben gezegd: ‘Je bent bij Hem niet welkom.’ Hoor maar in de psalm: ‘Daar mijn spotters durven vragen: waar is God  -  en Jezus - Die gij verwacht?’ Of dat anderen hebben gezegd: ‘Ja, maar zo gaat dat niet en zo snel mag je niet naar Hem toe.’ Een mens komt er achter dat hij vanuit zichzelf niet tot Jezus kan gaan en ook dat anderen het hem niet gunnen.

 

Wat doet Zachéüs?

Afwachten?

Nee, gemeente, als er ware nood in je hart is, dan kun je niet meer wachten!

In zijn tolhuis blijven zitten in de hoop dat Jezus naar hem toekomt? Ook niet. Hem laten komen? Zachéüs had tenslotte macht genoeg. Nee, dat doet hij ook niet.

De nood is hem opgelegd…

 

En vooruit lopende...

Letterlijk staat er: snel lopende.

Het ging Zachéüs er niet alleen om Jezus te zien uit nieuwsgierigheid, maar er kwam ook een ogenblik in zijn leven dat hij Hem moest zien.

Opdat hij Hem zien mocht...

Dat betekent: om Hem, hoe dan ook, te ontmoeten.

En wat doet hij, jongens en meisjes? Hij klimt in een wilde vijgenboom. Dat is zo’n vijgenboom, aan de kant van de weg, waarvan de takken laag hangen, waarin niemand hem achter de bladeren kon zien. Klein van gestalte als hij was, kon hij zich daar makkelijk verbergen.

Opdat hij Hem mocht zien; want Hij zou door die weg voorbijgaan. Want dat had Zachéüs gehoord.

 

Waar kunnen we de Heere Jezus ontmoeten? Op de hoofdroute van het evangelie. Daar waar Gods dienaren de enige Naam tot zaligheid verkondigen. Het zijn ook Paulus’ woorden: Hoe zullen zij in Hem geloven van Welken zij niet gehoord hebben? En hoe zullen zij horen zonder die hun predikt? (Rom.10:14). Met andere woorden: dan kan het geloof niet gewerkt worden. Wat een diepe verantwoordelijkheid voor de evangeliedienaar om Jezus aan te wijzen.

We mogen hier nu zitten, en dan gaat Jezus ook door deze weg voorbij. Op de praalwagen van het evangelie, op de koets van Zijn genade, en dan mogen we nog tot Hem naderen als schuldige zondaren om Israëls God te eren.

 

2. Een beantwoord uitzien

 

Gemeente, het ware uitzien, het ware verlangen, wordt beantwoord. Want anders is het niet van de Heere. De Heere Jezus zegt: Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden. Want een iegelijk die bidt, die ontvangt; en die zoekt, die vindt; en die klopt, dien zal opengedaan worden (Matth.7:7-8). Heerlijke klanken van het zoet en zalig evangelie!

Aan de andere kant: wanneer u de Heere vindt, wanneer u de Zaligmaker leert kennen, dan wordt het ook waar: Ik ben gevonden van hen die naar Mij niet vraagden, Ik ben gevonden van degenen die Mij niet zochten; tot het volk dat naar Mijn Naam niet genoemd was, heb Ik gezegd: Zie, hier ben Ik, zie, hier ben Ik (Jes.65:1). Dat gebeurt ook in het leven van Zachéüs.

In één keer wordt onze aandacht weer gevestigd op de Heere Jezus. We lezen: En als Jezus aan die plaats kwam.

We zouden deze woorden de samenvatting van de waarachtige bekering kunnen noemen. Het is een samenloop van tijd, van personen – Jezus en Zachéüs – en van plaats. Dat is bekering. Probeer dat te onthouden, jongens en meisjes. Bekering is deze drie dingen bij elkaar:

Tijd: een bepaald moment.

Plaats: onder het Woord van God, of thuis, of biddend voor de Heere ergens anders.

Personen: jijzelf en de Heere, de God van hemel en aarde.

Als die drie dingen elkaar op een bepaald moment raken, dan is het de Heilige Geest Die het Woord in het hart van Zachéüs doet ingaan.

 

Jezus kwam aan die plaats…

Wat een eeuwig wonder! De Zaligmaker wist, naar Zijn goddelijke natuur, dat Zachéüs daar in die boom zat. Hij had gemakkelijk deze plaats kunnen vermijden als Hij dat wilde, want daar zat een tollenaar die een zondaar was. Maar, gemeente, het grote wonder van genade vindt hier plaats. Jezus kwam aan die plaats, Hij zocht hem. Hij was de eerste. ‘Ik ben de Eerste en Ik ben de Laatste.’ En het werd waar voor Zachéüs dat de goede Herder de Zijnen kent en door hen zal worden gekend.

Zachéüs ziet de stoet aankomen. Onder hen is de Heere Jezus. Zachéüs herkent Hem direct, want Hij wordt omringd door Zijn discipelen.

Gemeente, als arme zondaren op Christus gewezen worden en de Heilige Geest opent hun ogen, dan kennen ze Hem direct. Als de ogen voor Hem geopend worden, dan zeg je: ‘Dat is de Zaligmaker. Geef mij Jezus of ik sterf!’

 

Al lopende komt Jezus steeds dichterbij. Op een gegeven ogenblik maakt Hij Zich vrij uit de schare en loopt naar de boom. Hij kijkt omhoog - nog niets aan de hand - maar Zachéüs’ hart gaat sneller kloppen. Jezus ziet hem aan. Als het daarbij gebleven was, dan had de schare Zachéüs vast niet herkend. Maar Jezus gaat spreken: ‘Zachéüs!’

Er staat in mijn Bijbel een uitroepteken achter: ‘Zachéüs!’

Wat zal Zachéüs gedacht hebben? Want één ding hoopte hij, namelijk dat hij niet zou worden ontdekt. En met het noemen van zijn naam legt de Heere zijn hele zondige tollenaarsleven voor de schare bloot. Ze hebben het allemaal gehoord: Zachéüs, die goddeloze tollenaar, zit in de boom.

 

In de eerste gedachte zagen we dat Zachéüs dingen niet kon. En nu komt daar ook nog eens de ontdekking aan zijn dwaze, zondige bestaan bij. Het gaat langs een weg van schande en smaad heen. Maar dan toch het wonder: Haast u en kom af. Dat betekent: ‘Kom zo snel mogelijk naar beneden toe.’

Eigenlijk moeten we het als volgt lezen: ‘Stel het ogenblik van uw afdaling uit de boom niet langer uit.’ Hij moet van die hoge plaats naar de allerlaagste plaats, en dan door de vernedering van de schare heen. Maar dan het wonder: ’Want Ik moet heden in uw tollenaarshuis blijven.’ Misschien was het wel een paleis.

‘Ik moet bij u overnachten’, staat er eigenlijk. ‘Ik kom en Ik ga nooit meer weg.’ Ik zal u niet begeven en Ik zal u niet verlaten (Joz.1:5).

‘Heden, op dit ogenblik, in uw huis.’ Dat is het grote antwoord van de Zaligmaker aan Zachéüs.

Wat wordt het een wonder voor die goddeloze man, die inmiddels ook zijn schuldig bestaan zal hebben leren kennen of aanstonds zal gaan kennen! Door die schande heen hoort hij het Woord van Gods genade: Ik moet heden in uw huis blijven.

De Heere roept ons dat allemaal toe, in de nodiging van het evangelie: Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden van de aarde; want Ik ben God en niemand meer (Jes.45:22).

 

In vers 6 lezen we: En hij haastte zich en kwam af, en ontving Hem met blijdschap.

Wat een heerlijk vers! Het is eigenlijk een echo van wat in vers 5 staat.

Jezus zei drie dingen: ‘Haast u, kom af, want Ik moet heden in uw huis blijven.’ Deze drie dingen leest u terug in vers 6: ‘Hij haastte zich, kwam af en ontving Hem met blijdschap.’ Het is niet alleen dat Lukas er over nagedacht heeft hoe hij het zo goed mogelijk op zou kunnen schrijven. Het was ook niet alleen een kwestie van inspiratie door de Heilige Geest. Dat ook, en wel letter voor letter. Maar als Jezus zegt: ‘Haast u’, dan kunt u niet anders dan ‘u haasten’. Als Jezus zegt: ‘Kom af’, dan kan het niet anders of u mag zich neerleggen aan de voeten van de goddelijke Koning. Als de Heere zegt: ‘Ik moet in uw huis blijven’, dan maakt Christus voor Zichzelf een welkom.

Dan ontvangt Zachéüs Hem met blijdschap. Er staat letterlijk: Hij heeft Hem gastvrij onthaald. ‘Overal’, zegt Matthew Henry, ‘waar Christus komt, brengt Hij Zijn eigen welkom mee. Hij opent het hart en neigt het om Hem te ontvangen.’

Wat een heerlijke genade als het vragen en het zoeken beantwoord wordt. En als de Heere vervult wat we samen willen zingen uit het derde vers van Psalm 146:

 

Zalig hij, die in dit leven

Jakobs God ter hulpe heeft!

Hij, die door de nood gedreven,

Zich tot Hem om troost begeeft;

Die zijn hoop in ’t hach’lijkst lot,

Vestigt op de Heer’, zijn God.

 

3. Een boetvaardig zien

 

Dan komt de Heere Jezus in dat grote huis van Zachéüs, vol van weelde en overdaad. De schare staat er bij, want ze zijn Christus vol verbazing gevolgd.

Wat gebeurt daar allemaal? Ze waren er aan gewend geraakt dat de Heere Jezus met die eenvoudige mannen uit Galilea, de discipelen, omging. Alleen daardoor kon Hij al niet de Messias zijn, want de Messias zou meer voorname mensen hebben uitgezocht. Ze waren er aan gewend geraakt dat de Heere Jezus lammen genas, kreupelen liet wandelen, blinden het gezicht gaf en doven deed horen. Dat hoorde ondertussen wel een beetje bij Jezus van Nazareth, een man die wonderen deed, misschien wel door bedrog. Maar dat Hij het huis van een tollenaar binnengaat, zo’n zondige man, iemand die je alleen maar verachten kunt, dat is onbegrijpelijk.

 

En allen die het zagen, murmureerden.

Murmureren betekent: mopperen of morren, in de zin dat je het ergens helemaal niet mee eens bent. Er kwam commentaar op wat Jezus deed, zou je kunnen zeggen.

Commentaar komt er heel gauw, ook in het kerkelijk leven. Maar het felste en het scherpste en het gevaarlijkste commentaar komt wel als de Heere Christus Zich wegschenkt aan een verloren zondaar en als dan een ander zegt het niet te geloven. Dan bent u een instrument van satan. Dan hangt er misschien al een grote molensteen boven je hoofd, terwijl je denkt op de goede weg te zijn.

Waar die reactie vandaan komt maakt helemaal niet uit. Of het nu van een ambtsdrager, predikant of gemeentelid komt, al het verdenken van het werk van de Heere is grote zonde. Het is fnuikend voor het geestelijk leven.

 

Hij is tot een zondige man ingegaan.

Op zich hadden de Joden daar gelijk in. Misschien dat deze woorden gebruikt zijn om Zacheüs tot inkeer te brengen. We weten het niet. We kunnen in ieder geval wel vaststellen dat in vers 7 zijn boetvaardigheid begint.

Eerst is hij nieuwsgierig, dan komt de Heere Jezus in zijn huis, en dan de woorden: Hij is tot een zondige man ingegaan. In één keer wordt hem de spiegel voorgehouden. De mensen hebben helemaal gelijk, maar ze zouden het tegen zichzelf moeten zeggen.

 

Allen die het zagen.

Als de Heere werkt, en in het bijzonder als het evangelie ingang vindt in het hart, dan komt het voor dat dit tot vijandschap bij een ander leidt. Vijandschap van iemand die dat zelf niet kent, misschien wel na jaren zoeken, maar wel een keurig, rechtzinnig, uiterlijk oppassend en stipt leven heeft.

In het ambtelijk leven maak je dat zo vaak mee. Briesende vijandschap, soms ook van iemand van wie je het nooit zou verwachten. De wereld spot, zij begrijpt er niets van, maar de godsdienst wordt spinnijdig, want ze zijn zelf voorbijgegaan. Soms, denk aan de discipelen met die ouders die hun kinderen naar Jezus brachten, neemt ook de kerk het niet over. Het is eigenlijk een heel erg woord, ‘overnemen’, alsof wij dat mogen beoordelen.

Dat gebeurt hier. Nee, niet meer door de discipelen, die hadden hun les geleerd. Eén hoofdstuk hiervoor, toen de Heere Jezus de kinderen zegende, ze aan Zijn hart drukte en Zijn armen om hen heensloeg, toen heeft Christus hen bestraft. Dus de discipelen hoort u hier niet meer spreken. Trouwens, ze hadden genoeg aan zichzelf. Mattheus was er ook bij; hij is zelf tollenaar geweest.

Laten we nu eens goed kijken hoe dat murmureren kwam. Ze mopperen niet om Zachéüs, maar over de Heere Jezus. Ze stoten zich aan het werk van Christus als Middelaar.

 

Wie doen dat dan? De schare; allen die het zagen.

Maar reken er maar op dat de farizeeën vooraan hebben gestaan. Die wisten het zo goed!

Bent u ook een farizeeër? En jij? Dan wordt het tijd om zondaar voor God te worden en het te leren: Ik ellendig mens (Rom.7:24).

De discipelen hoort u het niet zeggen. Ze zijn zelf zondaren. We horen het Petrus nog zeggen: Heere, ga uit van mij, want ik ben een zondig mens (Luk.5:8).

Jezus heeft geen groter verlangen dan een ellendig en verloren zondaar op te zoeken en Zich bij hem te voegen. En dan? Dan is het alsof we Paulus horen zeggen: Doch mij is voor het minst, dat ik van ulieden geoordeeld word, of van een menselijk oordeel; ja, ik oordeel ook mijzelven niet. Want ik ben mijzelven van geen ding bewust, doch ik ben daardoor niet gerechtvaardigd; maar Die mij oordeelt, is de Heere (1 Kor.4:3-4).

Als er mensen zijn die het niet van je geloven, dan moet je daar maar mee naar de Heere gaan. Het is ook niet zo erg als een ander je de handen niet oplegt, want al zou je de handen opgelegd krijgen van alle ambtsdragers dan zegt dat nog niets. Zachéüs trok zich van al die dingen niets aan. Hij had genoeg aan zichzelf.

 

En Zachéüs stond en zeide tot de Heere: Zie, de helft van mijn goederen, Heere, geef ik de armen; en indien ik iemand iets door bedrog ontvreemd heb, dat geef ik vierdubbel weder.

Wat blijkt hieruit de boetvaardigheid van Zachéüs! Hij spreekt de Heere aan, niet met de naam Jezus, zoals iedereen Hem aansprak, maar met de naam Heere, de Kurios. Hij buigt als het ware voor Hem neer in al zijn zonden en ellenden. We zongen het zojuist: ‘Zalig hij, die in dit leven Jakobs God ter hulpe heeft! Hij die, door de nood gedreven, zich tot Hem om troost begeeft.’

Daar staat Zachéüs. Hij vestigt zijn hoop in het hachelijkst lot op de Heere zijn God. Dat is boetvaardigheid. Hoor hem zeggen: ‘Ik bekende, o Heere, aan U oprecht mijn zonden.’ Hij draait er niet omheen, hij legt nog veel meer zonden bloot dan hem door de schare werd verweten. Hij gaat zijn zonden concreet benoemen. Niet dat dat nodig is voor anderen, want zij wisten wie hij was. Dat is ware, evangelische boetvaardigheid.

Ik kan u aanraden om het prachtige gedeelte uit ‘De Toetssteen’ van Ds. Th. van der Groe te lezen. Het gaat dan over de tollenaar en zijn evangelische boetvaardigheid. Hier klinkt daar iets van door. Want waar is zijn berouw het diepst en het aangrijpendst en waar kent hij het meeste zielsverdriet? Daar, aan de voeten van die gezegende Koning. Zijn tranen en boetvaardige gestalte hebben zijn belijdenis onderstreept.

Zachéüs staat daar als een verloren, ellendig, schaamtevol zondaar. In Ezechiël lezen we het zo: Opdat gij het gedachtig zijt en u schaamt, en niet meer uw mond opent, vanwege uw schande, wanneer Ik voor u verzoening doen zal over al hetgeen dat gij gedaan hebt, spreekt de Heere Heere (Ez.16:63).

 

Gemeente, wie is er beter af? Die mensen die alles te zeggen hadden of de tollenaar die eigenlijk nog veel meer te zeggen had?

Weet je wat er gebeurt?

De Heere Jezus neemt het voor hem op!

 

Want ons vierde punt is:

 

4. Een zalig zien

 

Ook het laatste gedeelte begint met Jezus. De geschiedenis eindigt ook met Hem. Gods kinderen moeten het alleen van Jezus hebben.

Jezus zeide tot hem.

Vol barmhartigheid kijkt de Zaligmaker Zachéüs aan. Och, er zijn bij Hem milde handen, ze hebben aan het kruis gehangen, en vriendelijke ogen van eeuwigheid. Ook nu nog!

 

En Jezus zeide tot hem: Heden is dezen huize zaligheid geschied, nademaal ook deze een zoon Abrahams is.

Betekenen de woorden van de Heere Jezus: ‘Dit huis is zaligheid geschied omdat deze man een zoon van Abraham is?’ Omdat ik gedoopt ben, omdat ik aan het avondmaal ga, omdat ik belijdenis heb gedaan, omdat ik keurig leef?

Nee, gemeente, de Heere wil hiermee op het verbond wijzen. Het verbond met Abraham, Zijn vrind, dat Hij bevestigt van kind tot kind. De golven van dat heerlijke verbond spoelen elke keer weer door de gemeente. De klanken van dat heilig evangelie worden altijd weer gehoord.

 

Het tweede dat de Heere hiermee duidelijk maakt is dat Hij de middelen zegent. Het waarnemen van de middelen.

Er wordt wel eens gevraagd: ‘Waarom worden er zo weinig mensen bekeerd?’

Wel, omdat zo weinig mensen de middelen van de genade waarnemen. Onze vaderen hebben er altijd op gewezen dat het onderhouden van de middelen en het betrachten van de genademiddelen zegen met zich meebrengt. We kunnen en mogen ons niet verschuilen achter de vrijmacht van God en de onmacht van onszelf.

Is Zachéüs dan zalig omdat hij naar Christus zocht?

Nee, maar omdat Christus in de weg van Zijn instellingen werken wil.

Een zoon van Abraham. Wanneer je wat letters weghaalt en een letter omdraait, kun je van de naam Abraham eenvoudig een andere naam van maken: ‘Adam’. Dat zijn we allemaal, kinderen van Adam en Eva. Maar de Heere zegt: ‘Abraham’, wijzend op Zijn verbond.

 

Heden is dezen huize zaligheid geschied.

In vers 10 komt het woordje ‘zalig’ terug. De Heere Jezus is Zaligmaker. Dat betekent: Verlosser van het grootste kwaad, Brenger tot het heerlijkst genadegoed.

Zaligheid aan dit huis.

Het is toch wel heel beschamend. Voor wie?

Voor allen die het zagen.

Ze zien het, ze staan erbij, kijken ernaar, doen niets en hebben alleen maar commentaar.

Maar dan zegt Jezus: ‘Ik zet er Mijn stempel op.’

Heeft Hij dat al gedaan in uw leven? Dan is het eeuwig wel. Het stempel zegt: ‘Zaligheid.‘

 

Stelt u zich voor, gemeente. We zitten hier in de kerk en we gaan bijna naar huis, maar er komt toch nog iemand binnen.

Eigenlijk is er al iemand binnengekomen, namelijk de Heere Jezus. Misschien hebt u dat nog niet opgemerkt. Hij staat voor u, in het gewaad van Zijn Woord en zegt: ‘Geef Mij uw hart.’

Het kan ook zomaar zijn dat nu iemand de kerk binnenkomt. En het zou niet voor het eerst zijn. Het is grootste schooier die er op de wereld te vinden is, met vuile kleren, stinkend. Je ziet de grofheid, het ruwe en onbeschaafde van hem af. Hij gaat zitten, u schuift misschien wel een paar plaatsen op. Hij luistert gespannen naar de preek en de Heere raakt hem in het hart.

Een wonder van ontferming! Zaligheid!

Zo is Jezus!

Zo is het heerlijke en zalige lied van het evangelie. Want de Zoon des mensen heeft Zich vernederd, Hij is van de hemel naar de aarde gekomen om te zoeken en zalig te maken dat verloren was.

Het laatste wat Zachéüs hoort is dat woord ‘verloren’. Hij is een arme zondaar geworden en gebleven voor God.

 

Gemeente, deze geschiedenis ging niet over Zachéüs, ook niet over Jezus en Zachéüs, maar over Jezus. Want de Zoon des mensen is gekomen om te zoeken en zalig te maken dat verloren was.

Het evangelie is ook nu nog even krachtig en even heerlijk.

Hij is gekomen om verlorenen te zoeken en om weggedrevenen bijeen te vergaderen.

Zo eindigt het niet met Zachéüs. Het begon met Jezus: En Jezus ingekomen zijnde ging door Jericho, en het eindigt met Hem.

 

Ik wek u allen ernstig en heel indringend op, met alle liefde en bewogenheid van mijn hart, om deze Jezus te zoeken. Misschien is het wel de laatste maal dat die oproep tot u komt.

Hij biedt zichzelf aan in het evangelie, om niet: Want de Zoon des mensen is gekomen om te zoeken en zalig te maken dat verloren was.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 95: 2, 4

 

De Heer’ is groot, een heerlijk God,

Een Koning, Die het zaligst lot,

Ver boven alle goôn, kan schenken.

Het diepst van ‘s aardrijks ingewand,

Het hoogst gebergt’ is in Zijn hand;

‘t Is al gehoorzaam op Zijn wenken.

 

Want Hij is onze God, en wij

Zijn ‘t volk van Zijne heerschappij,

De schapen, die Zijn hand wil weiden;

Zo gij Zijn stem dan heden hoort,

Gelooft Zijn heil- en troostrijk woord,

Verhardt u niet, maar laat u leiden.