Ds. D.W. Tuinier - Markus 6 : 37a

Jezus' opdracht om de mensen eten te geven

Markus 6
De aanleiding tot deze opdracht
De inhoud van deze opdracht
De vervulling van deze opdracht

Markus 6 : 37a

37a Maar Hij antwoordende zeide tot hen: Geeft gij hun te eten.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 146: 5
Lezen : Markus 6: 30-44
Zingen : Psalm 77: 7, 8
Zingen : Psalm 145: 5
Zingen : Psalm 81: 12

Gemeente, Gods Woord ligt open bij de geschiedenis die ons zojuist is voorgelezen uit Markus 6. Ik lees u alleen nog het 37e vers, het eerste gedeelte:

 

Maar Hij antwoordende zeide tot hen: Geeft gij hun te eten.

 

Het thema van de preek is: Jezus’ opdracht om de mensen eten te geven.

 

Drie aandachtspunten:

1. De aanleiding tot deze opdracht

2. De inhoud van deze opdracht

3. De vervulling van deze opdracht

 

1. De aanleiding tot deze opdracht

 

Gemeente,, de jongeren van de Heere Jezus komen tot hun Meester.

U leest het in vers 30: En de apostelen kwamen weder tezamen tot Jezus.

Zij worden hier apostelen genoemd.

En terecht, alle twaalf zijn zij er op uit gestuurd, twee aan twee, om in de Naam van hun Meester en Zender te prediken bekering en vergeving van zonden.

Ook hebben zij wonderen gedaan, zij hebben hun ambt en plicht met veel ijver vervuld. Nu komen ze daarvan terug en zij brengen verslag uit. Ze zijn druk geweest en ze zijn het nog. Ze komen terug met elkaar, alle twaalf tot Jezus.

In vers 31 leest u dat er velen kwamen en gingen, zodat de discipelen zelfs geen tijd hadden om te eten. 

Dat is ook wat! U ziet ze komen, in gedachten, zij zijn vol van alles.

Zij doen hun verslag; de één zegt dit, de ander zegt dat, een derde heeft weer iets anders.

Wat zijn ze druk, wat zijn ze vol van hun ambtelijke verplichtingen! Daarbij komt dat ze ook het bericht van de wrede onthoofding van Johannes de Doper in de gevangenis hebben gehoord. Wat verschrikkelijk!

Daar zijn geen woorden voor, zij zijn er totaal van uit hun evenwicht.

Zo komen zij bij hun Meester. Vierentwintig ogen zijn op Hem gericht.

 

Herkent u dat? U bent zo bezet, de dag zit zo vol gepland met van alles en nog wat, wellicht goede dingen, dat eten op een rustige manier erbij in schiet.

U komt niet meer aan uzelf toe. U gaat zo op in uw drukke, bezette en stressvolle leven van elke dag, dat er geen stille tijd meer is.

Is dat niet de grote valkuil voor predikanten, ambtsdragers, opvoeders, vaders en moeders, en wie dan ook? 

U moet eerst aan uzelf denken, zeker als het gaat om uw persoonlijk geestelijk leven. 

U kunt immers pas uitgeven als u zelf inkomsten ontvangt.

U kunt een ander leren als u zelf geleerd wordt.

U kunt uw naaste leiden als u zelf geleid wordt. Troosten, bemoedigen en voor anderen tot een zegen zijn is mogelijk als uzelf vanuit de Bron leeft.

Komt u niet aan uzelf toe, dan is het gevaar groot dat u helemaal opgaat in uw werk.

Dat is zeer schadelijk.

Ook in dit opzicht is het gebed van de dichter van Psalm 139 gepast:

Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart; beproef mij en ken mijn gedachten. En zie, of bij mij een schadelijke weg zij; en leid mij op de eeuwige weg (Ps.139:23-24).

 

Wat is de reactie van de Meester? Hij is helemaal niet onder de indruk van de verhalen van Zijn jongeren. Hij gaat er tenminste niet op in.

Hij zegt, ernstig, pastoraal bewogen en liefdevol: Komt gijlieden in een woeste plaats hier alleen, en rust een weinig (vers 31).  

‘Jongeren, jullie hoeven niet te werken van de vroege morgen tot de late avond.

Jullie moeten niet doen alsof Mijn Koninkrijk afhankelijk zou zijn van jullie inzet.

Jullie hoeven Mijn Kerk niet te bouwen. Dat zal Ik doen. Het welbehagen van Mijn Vader zal door Mijn hand voorspoedig voortgaan.’

Komt gijlieden in een woeste plaats hier alleen, en rust een weinig

‘Zoek de eenzaamheid. Kom, Ik breng jullie op een plaats waar rust is, daar geef Ik onderwijs. Daar mogen jullie de verborgen omgang met Mij ervaren, want alles buiten Mij, de enige Rustaanbrenger, is één en al onrust. Vermoeiden en belasten vinden in Mij de ware rust.’

 

Zo is het, gemeente. Door onze diepe val in het paradijs is uw leven buiten God en Jezus Christus zo arm, ellendig en ongelukkig geworden.

Daaraan moet u worden ontdekt, door het zaligmakende werk van Gods Geest. Ook na ontvangen genade kunt u zo druk en bezet zijn, dat u uw binnenkamer leeg laat.

U kunt God zo aan Zijn plaats laten. Het tere, afhankelijke leven met de Heere kwijnt.

Uw gebedsleven is doods, u bent een gemakkelijke prooi voor de vorst der duisternis. Voordat u er erg in hebt, ligt u op de zeef van satan. Daarom, wie u ook bent, neem de liefdevolle en indringende raad van de Zaligmaker ter harte:

Komt gijlieden in een woeste plaats hier alleen, en rust een weinig.

Kom tot bezinning, bekeert u, bekeert u, neem de noodzakelijke rust.

Neem tijd om te eten, zorg voor uw maag, zorg vooral voor uw onsterfelijke ziel.

 

De Heere Jezus neemt Zijn discipelen mee in een schip naar een woeste plaats.

U leest het in vers 32: En zij vertrokken in een schip naar een woeste plaats alleen.

Daar is rust, daar is de eenzaamheid, daar is het goed. Waarom? Omdat de Meester daar ook is.

Een woeste plaats alleen. In Hem is de ware rust, in Hem is de vrede.

Rust in Zijn schoot, rust in Zijn wonden, rust aan Zijn voeten, genezing onder Zijn vleugels, onderwijs op Zijn leerschool.

 

Gemeente, één ding is nodig! Zoekt eerst het Koninkrijk van God (Matth.6:33). Werkt niet om de spijze die vergaat, maar om de spijze die blijft tot in het eeuwige leven (Joh.6:27).

Kent u zo’n woeste plaats? Jongens en meisjes, catechisanten, heb je een plekje in huis waar je je knieën buigt voor de Heere en waar je alles aan Hem vertelt?

Daar lees je uit je Bijbel en dagboek. Daar heb je je stille tijd. Je computer uit, je mobieltje uit, deur dicht, je bent alleen met God, daar kom je tot jezelf.

Dat is nodig, hoor. Elke dag. Niet vergeten. Levensnoodzakelijk!

 

Ook voor u ouderen, mannen en vrouwen. U begrijpt toch wel, als uw persoonlijk leven, uw werk in huis of buitenshuis, je studie of uw ambtelijke arbeid niet gevoed wordt door deze ware rust, de zoete vrede vanuit de Levensbron, dat al uw werk, ijver en arbeid onvruchtbaar blijft.

Dan kunt u zwoegen, slaven en jagen, dag in, dag uit, dan kunt u vergaderen, organiseren, ijverig bezig zijn in uw gezin, op school, op uw zaak of in de kerk, maar dan blijft het voor de vorm.

Alles is dan zo menselijk, zo vermoeiend. Neem de oproep van de Zaligmaker ter harte: Komt gijlieden in een woeste plaats hier alleen, en rust een weinig.

Zorg dat u een woeste plaats hebt. Laat uw bidvertrek niet leeg. Lees goede boeken. 

Verknoei de kostelijke genadetijd, die God u geeft, niet door verstrooiingslectuur te lezen.

 

Wat zijn de discipelen gelukkig. Hun Meester neemt ze mee naar een woeste plaats, alleen. Alleen met Hem. Let op het woordje ‘alleen’!

Wat hebben ze het daar goed gehad, met Jezus alleen. Ze hebben Hem in het oog.

Van zichzelf en van alles en iedereen afzien, en opzien tot Hem. Zalig zien! Ze zijn dichtbij Hem. Een betere plaats is er niet. Een meer gezegende plek is er nergens op aarde te vinden. Met Jezus alleen!

De dichter zingt:

 

Hier wordt de rust geschonken;

Hier ‘t vette van Uw huis gesmaakt;

Een volle beek van wellust maakt

Hier elk in liefde dronken.

 

Jezus’ opdracht om de mensen eten te geven. In ons eerste punt hebben we de aanleiding tot deze opdracht gezien. Nu letten we op:

 

2. De inhoud van deze opdracht

 

Als u de Heere vreest, kent u woeste plaatsen in uw leven. Dat kan niet anders.

U hebt een binnenkamer. U weet van het zoeken van de verborgen omgang met de Heere. Daar belijdt en beweent u uw zonden.

U wordt zondaar voor God, voor het eerst of opnieuw.

U bidt om genade, u hebt Hem nodig, u moet Hem missen om eigen schuld en u kunt Hem niet meer missen.

U weet van woeste plaatsen in uw leven, in Gods huis, waar de Heere tot uw ziel spreekt, uw raadsels oplost en uw knopen ontbindt. Daar geeft Hij antwoord op uw zielenvragen. Zijn Woord is balsem voor uw verwonde ziel en voedsel voor uw hart.

Kent u het? Herken je het, jongelui?

 

Een woeste plaats alleen, met Jezus alleen, daar is het goed, zoet en zalig.

Maar het blijft niet rustig. Ook de Heere Jezus met Zijn jongeren worden weer geroepen om verder te gaan.

We lezen in vers 33: En de scharen zagen hen heenvaren en velen werden Hem kennende, en liepen gezamenlijk te voet van alle steden derwaarts, en kwamen hen voor, en gingen tezamen tot Hem.

De scharen, het zijn zeker zo’n tienduizend mensen geweest, in ieder geval al vijfduizend mannen met daarbij hun vrouwen en kinderen. Wat een menigte!

Allen nemen het gezamenlijke besluit om die Rabbi uit Nazareth met Zijn leerlingen te volgen. Ze houden hen in het oog en gaan lopend over het strand naar Hem toe.

Straks zal blijken dat ze Hem volgen om de broden en de tekenen die Hij doet. Zij komen tot Hem omdat Hij hun zieken geneest.

 

Hoewel dit ons aangrijpt, begrijpelijk, kunnen wij toch van deze mensen leren.

Gaan er deze week duizenden mensen op pad, om Gods Woord te horen?

Stromen deze week de kerken vol?

Van heinde en ver komt men naar Jezus toe, en wat leest u dan van Hem?

En Jezus uitgaande, zag een grote schare, en werd innerlijk met ontferming bewogen over hen.

En Jezus uitgaande. Hij ziet al die duizenden mensen, Hij kent ze, Hij doorgrondt hen en tegelijk breekt er iets bij Hem vanbinnen in Zijn ziel.

Hij wordt ontroerd, Hij is bewogen, Zijn diepste zielenroerselen bewegen. Waarom?

Het staat er: Want zij waren als schapen die geen herder hebben.

U weet, een kudde schapen zonder herder is reddeloos verloren. Er zijn geen beklagenswaardiger dieren dan schapen zonder herder.

Ja, die hebben zij wel, maar dat zijn geen goede herders, dat zijn huurlingen.

De farizeeën en de schriftgeleerden zijn blinde leidslieden.

Zij leggen hen lasten op, zwaar om te dragen. Zij zijn alleen maar uit op hun eigen eer en roem.

Hun prediking is vol van Abraham, van Mozes en van Gods wet, die de mens in eigen kracht moet onderhouden. Zij prediken een eigengerechtigheid voor God door dít te doen en dát na te laten. Nooit verkondigen zij de enige Naam tot zaligheid gegeven, omdat zij denken geen schuld te hebben en van zonden niet willen weten.

Maar nu leest u hier van de goede Herder, Die een liefdevol en kloppend hart heeft voor dwalende, dolende, verloren schapen.

 

En Jezus uitgaande, zag een grote schare, en werd innerlijk met ontferming bewogen over hen.

U vraagt: ‘Geldt dat mij ook?’ Jazeker, daaraan mag u niet twijfelen. Hij kent u, Hij doorgrondt u. De grote Hartenkenner en de Proever van de nieren weet van verre uw gedachten. Zijn hart brandt van liefde tot u.

Hij is bewogen over jullie, jongens en meisjes. De Heere Jezus wil niet dat je verloren gaat. Hij wil dat je je bekeert en leeft.

Jongelui, God wil dat je je jonge hart en leven aan Hem geeft.

‘Zoek Mij en leef!’, roept Hij jullie toe. ‘Mijn zoon, Mijn dochter, geef Mij je hart!’

U die de Heere vreest, Hij is bewogen over u omdat u uw zaligheid nog zo vaak buiten Hem zoekt. U zoekt het in uzelf of u verwacht het van iets of iemand anders. Maar daarin ligt uw leven niet.

Zijn hart brandt van ontferming om u meer en meer te leren dat uw zaligheid alleen in Hem, in Zijn werk en Zijn gezegende Persoon te vinden is.

 

De Zaligmaker is in onze tekst bewogen over de duizenden die gekomen zijn uit sensatie of andere bedoelingen. Straks zal blijken dat ze in ieder geval niet zijn gekomen om hun zielennood.

Eten van de broden willen zij wel, Zijn woorden horen ook wel en Hem tot hun koning maken, graag. Hoe eerder, hoe beter, maar Hem nodig hebben voor hun zonden en schuld, nee, daarvoor hebben ze Hem niet nodig.

Dit tekent hun diepe verlorenheid en totale blindheid voor God en Christus.

Aangrijpende realiteit! Dat ontroert de Zaligmaker het meest.

 

En wat doet Hij dan? U leest het in de laatste woorden van vers 34:

En Hij begon hun vele dingen te leren.

Hij gaat hen onderwijzen, Hij, de grote Profeet en Leraar, spreekt Zijn woorden van zaligheid en eeuwig leven.

Hij preekt heel lang en uitvoerig.

Bovendien doet Hij wonderen, zo schrijft Johannes in zijn evangelie.

De mensen luisteren ademloos, ze hangen aan Zijn lippen. Er is ook zoveel te zien en te horen. Die Rabbi uit Nazareth en Zijn volgelingen, dat zijn tenminste leiders, die zijn bewogen.

Dat kennen zij van hun kerkelijke leiders niet.

 

Niemand heeft in de gaten dat de uren verstrijken. Het begint al te schemeren. Het loopt tegen zes uur. De avond valt.

Jezus’ discipelen vinden het de hoogste tijd om de mensen naar huis te laten gaan. Ze komen tot hun Meester, onderbreken Zijn prediking en zeggen: Deze plaats is woest, en het is nu laat op de dag. Laat hen van U, opdat zij heengaan in de omliggende dorpen en vlekken, en broden voor zichzelven mogen kopen; want zij hebben niet wat zij eten zullen (vers 35 en 36).

 

‘Meester, stuur de mensen weg, zij moeten maar voor zichzelf zorgen!’ Maar nee, dat is niet naar de wil van hun Meester. Dat mag niet, dat kan niet.

Maar Hij antwoordende zeide tot hen: Geeft gij hun te eten.

Het voorstel om de mensen weg te sturen wordt afgewezen. Dat kan trouwens ook niet. Stel je voor, duizenden mensen komen tegen sluitingstijd bij de bakker in de nabije omgeving om brood. Dat is onmogelijk. Daar zijn de bakkers niet op berekend.

Daarom klinkt de opdracht, het goddelijk bevel uit Jezus’ mond: Geeft gij hun te eten.

U voelt hun verlegenheid. Hoe moet dat? Waar halen ze dat vandaan? Naar menselijke berekening is dat onmogelijk.

Precies, daar wil de Meester hen hebben.

En Hij zeide tot hen: Hoevele broden hebt gij? Gaat heen en beziet het (vers 38).

U ziet ze in gedachten bezig. Natuurlijk is er wel iemand die iets bij zich heeft.

Johannes schrijft dat er een jongetje is met een lunchpakketje.

Daarmee komen de discipelen: vijf broden en twee vissen. Vijf gerstenbroodjes, die gegeten werden door armen, en twee visjes. Natuurlijk veel te weinig voor zoveel lege magen.

 

Geeft gij hun te eten. Jezus’ opdracht om de mensen eten te geven.

Met hun tekort komen ze bij hun Meester. Bij Hem moeten ze zijn. Van Hem alleen moeten ze het verwachten. Op Hem moeten ze hun hoop stellen.

Ziet u de lijn, gemeente? Maakt u de toepassing voor uzelf?

In uzelf hebt u niets, u hebt lege handen, een schuldige ziel en een verdorven hart. Als u op uzelf ziet is alles tekort, ongenoegzaam om voor God te kunnen bestaan. Alles getuigt tegen u.

Schuldig bent u, zondig, vleselijk, verkocht onder de zonde. ‘Mijn ziel, doorziet gij uw lot? Hoe zult gij rechtvaardig verschijnen voor God?’ Is dat uw levensvraag?

Onmogelijk, u loopt ermee vast, het kan niet.

Hoe moet Jezus’ opdracht om de ander eten te geven, in praktijk gebracht worden?

Hoe moet u uw naaste een luisterend oor en een liefdevol oog geven?

Hoe geeft u de ander een beker koud water?

Hoe steek je je helpende hand uit naar een jongere of kind in uw omgeving, die je hulp nodig heeft?

 

Nee, u mag niet doen zoals de discipelen aanvankelijk voorstelden. We sturen niemand weg, wie dat ook zijn mag. De houding ‘Ben ik mijn broeders hoeder?’ past een christen niet.

Jongens en meisjes, heb je oog voor klasgenootjes die sommige dingen moeilijk vinden op school? Zijn er in jullie klas ook kinderen die gepest worden?

Daar doe jij toch niet aan mee? Neem het voor hen op, hoor. Neem hen in bescherming die, om wat voor oorzaak dan ook, buiten de groep vallen.

Begrijp je de Heere Jezus, Die met ontferming bewogen is over de scharen? Als je Hem lief hebt, ga je ook met andere ogen naar de ander kijken. Zeker als er nood is.

Dan ben je bewogen. Dan heb je iets van de bewogenheid en liefde van de grote Meester.

 

We gaan nu eerst zingen, Psalm 145 vers 5:

 

Uw heerschappij verduurt zelfs d’ eeuwigheid,

Uw koninkrijk is eind’loos uitgebreid.

Gij ondersteunt hem die voor ’t onheil zwicht;

Wie nederstort, wordt door U opgericht.

‘t Ziet al op U, ‘t blijft alles op U wachten.

Gij sterkt door spijs ter rechter tijd hun krachten;

G’ ontsluit Uw hand, ontfermend en weldadig,

Opdat Uw gunst al wat er leeft verzadig’.

 

Jezus’ opdracht om de mensen eten te geven.

We hebben gezien: de aanleiding tot deze opdracht, vervolgens: de inhoud van de opdracht. We letten nu op:

 

3. De vervulling van deze opdracht

 

Zelfs van Simon Petrus, die altijd raad weet en het woord neemt, lezen we nu niets. Weet u wat Jezus’ jongeren moeten leren? In eigen kracht is het onmogelijk om aan het bevel van hun Meester gehoor te geven.

Maar Hij gaat hen leren: Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht (2 Kor.12:9).

Wat doet Hij? U leest het in vers 39:

En Hij gebood hun dat zij hen allen zouden doen nederzitten bij waardschappen op het groene gras.

Ziet u dat God een God van orde is? De discipelen moeten zorgen dat de mensen in groepen van vijftig en honderd bij elkaar gaan zitten. Dat gebeurt. Alle ogen zijn op Jezus gericht. Hij neemt de broden en de vissen in Zijn handen.

Het eerste wat Hij doet is opzien naar de hemel (vers 41).

Hij dankt, bidt en zegent tegelijk. Zijn ogen gaan naar de hemel, waar Zijn Vader is. Hij is de Bron en Oorsprong van al het goede. Van Hem dalen alle goede gaven en volmaakte giften af. 

Afzien van mensen en van alles wat van deze wereld is, en opzien tot Hem Die de Gever is van de gaven. Jezus ziet op naar de hemel, van de weldaden naar de Weldoener.

 

Opzien naar omhoog, doet u het ook?

Een mens in zijn geestelijke doodstaat niet. En Gods kinderen, na ontvangen genade, doen het ook weinig. Daarom is en blijft het zo donker en koud in uw hart en leven. Gemeente, wees en blijf verlegen om genade, om veel op te zien naar de hemel.

De Heere Jezus gaat u voor. Doe zoals Hij. Want deze wereld gaat voorbij met al haar begeerlijkheid, maar die Gods wil doet blijft in der eeuwigheid.

Wat is Zijn wil?

Dat u tot bekering komt. Hij wil dat u het in alles van Hem verwacht, want hier beneden is het niet, en in uw eigen hart zeker niet. Hopelijk komt u daar achter door het ontdekkende werk van Gods Geest.

Maar bij God vandaan, in het offer van Zijn Zoon, de Heere Jezus Christus, is het ware leven en de zaligheid.

Hij is een vloek geworden, Hij is de vloekdood gestorven, opdat zij, die de eeuwige vloek hebben verdiend, met Zijn zegeningen zullen worden vervuld. Tijdelijke zegeningen, maar boven alles geestelijke en eeuwige zegeningen.

Ook een zegen over het brood en de vis die gegeten wordt, want ook op deze vijf broden en de twee vissen rust de vloek van de zonde.

Beseft u dat wel? 

 

Jongens en meisjes, op de boterham op je bord rust de vloek van de Heere, omdat wij hebben gezondigd. Maar nu zal de Heere Jezus naar Golgotha gaan om daar te sterven. Hierdoor zal Hij de vloek uit je eten wegnemen.

Daarom bidden we voor het eten om Gods zegen in Jezus’ Naam.

Vooral als het gaat om je lege ziel. De Heere Jezus is gekomen om de oorzaak van de eeuwige honger en kommer, dat is de zonde, weg te nemen.

Hij zal hongeren, opdat hongerigen zullen worden gevoed met het ware Brood des levens.

Hij zal aan het kruis uitroepen: Mij dorst (Joh.19:28), opdat dorstigen, die om eigen schuld de dorstdood moeten sterven, zullen drinken van het levende water, dat om niet, enkel uit genade, om Jezus’ wil te verkrijgen is.

Dan wordt hun dorst gelest. Ze zullen nooit meer dorst hebben, maar verzadigd zijn.

 

Jezus Christus is de Zaligmaker. In Hem ligt het ware leven en verzadiging.

Daarvan heeft Hij gezegd in de synagoge te Kapernaüm:

Ik ben het levende Brood Dat uit de hemel nedergedaald is; zo iemand van dit Brood eet, die zal in der eeuwigheid leven. En het brood dat Ik geven zal, is Mijn vlees, hetwelk Ik geven zal voor het leven der wereld (Joh.6:51).

En even verder zegt Hij:

Die Mijn vlees eet en Mijn bloed drinkt, die heeft het eeuwige leven, en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage. Want Mijn vlees is waarlijk spijs, en Mijn bloed is waarlijk drank (Joh.6:54-55).

 

Dan breekt Hij de broden, doet het in twaalf manden, waarna de discipelen uitdelen. Daar gaan ze. Onder Zijn zegenende en brekende handen wordt het brood en de vis meer.

Het vermenigvuldigt.

Wat een wonder van Hem, Wiens Naam Wonderlijk is.

Naar de mens gesproken kan dit niet. Het is ook onmogelijk. Maar wat onmogelijk is bij de mensen, is mogelijk bij God.

Het gebeurt. Het is een zichtbare preek, als bevestiging van Zijn prediking, dat Hij, de Zoon van God, Die de Zoon des mensen is, in de wereld gekomen is om de zielen van mensen te behouden.

Hij zorgt voor hun tijdelijk welzijn, Hij zal zorgen voor hun lege maag, maar vooral wil Hij komen om hun lege ziel te vervullen met het onvergankelijke goed dat nooit vergaat.

 

Ziet u Zijn jongeren gaan?

Zij gaan met hun door de Meester gevulde mand uitdelen onder de mensen.

Jong en oud eet. Klein en groot deelt in de zegeningen van de Zegenaar.

Twaalf uitdelers van het brood en de vis.

Zo gaan Gods knechten nog uit. Met hun lege manden komen ze eerst bij hun Zender.

Uit Zijn volheid ontvangen zij genade voor genade. Daarna delen zij uit.

Zij dienen, als uit kracht die Hij geeft.

Uitdelen betekent in de oorspronkelijke taal: dienen of bedienen. De twaalf discipelen dienen. Zij worden zelf bediend en vanuit die bediening delen ze uit.

Iedereen mag eten, net zo veel als nodig is. En als hun mand leeg is, gaan ze snel terug naar hun Meester. Onder Zijn handen wordt hun mand weer vol, er is voedsel in overvloed.

In Hem is een nooit verminderende volheid.

Hij is geen karig God, Hij schenkt mild en overvloedig.

 

Bent u ook hongerig?

Ziet u uit naar verzadiging?

Kunt u het leven niet meer in eigen hand houden?

Komt u er achter dat de zwijnendraf van deze wereld uw lege ziel niet vervullen kan?

Daarmee komt u om. U wordt er voor eeuwig in teleurgesteld. Nodig is en blijft om uw leven en zaligheid buiten uzelf te zoeken in Hem, Die het ware Brood des levens is.

Hij spreekt u zalig:

Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid; want zij zullen verzadigd worden (Matth.5:6).

Lege handen worden door Hem vol gemaakt, omdat Hij milde handen en vriendelijke ogen heeft.

Hoe is het uw mand, gemeente? Is hij wel leeg, helemaal, tot de bodem toe?

Kom dan, om onder Zijn zegenende en vermenigvuldigende handen te mogen ontvangen genade voor genade.

 

U leest: En zij aten allen en zijn verzadigd geworden (vers 42).

Dan is er nog over. Ja, er is nog meer over dan in het begin. Zo groot, zo heerlijk en zo goed is God in de Heere Jezus. 

Nog gaat Zijn ernstige, indringende en welmenende roepstem uit:

O alle gij dorstigen, komt tot de wateren, en gij die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja, komt, koopt zonder geld en zonder prijs, wijn en melk.

Waarom weegt gijlieden geld uit voor hetgeen geen brood is, en uw arbeid voor hetgeen niet verzadigen kan? Hoort aandachtiglijk naar Mij en eet het goede, en laat Uw ziel in vettigheid zich verlustigen.

Neigt uw oor en komt tot Mij, hoort en uw ziel zal leven; want Ik zal met u een eeuwig verbond maken en u geven de gewisse weldadigheden Davids (Jes.55:1-3).

 

Aangrijpend als u bedenkt dat de duizenden die Hem nu volgen, van de broden eten en verzadigd zijn, Hem de rug zullen toekeren.

U leest het in Johannes 6. Als Jezus de geestelijke betekenis van het brood uitlegt en verklaart, reageert men op een gegeven moment:

Deze rede is hard; wie kan dezelve horen? (Joh.6:60)

Enkele verzen verder leest u: Van toen af gingen velen Zijner discipelen terug, en wandelden niet meer met Hem (Joh.6:66).

Ja, ze zijn wel gewaarschuwd, zij hebben de weg geweten,

Niemand is te verontschuldigen. Als zij verloren gaan, is dat eigen schuld.

Uiteindelijk blijft er maar een handjevol over; Jezus’ discipelen, waaronder Judas Iskariot.

Die zal na enige tijd ook weggaan, en de andere elf zullen ook vluchten.

Dan blijft de Borg en Zaligmaker alleen over. Dat moet, dat eist Gods recht.

Alléén zal Hij de pers treden, en niemand van de volken zal met Hem zijn.

Zo zal Hij Zijn leven geven, Zijn lichaam laten verbreken en Zijn bloed vergieten tot eeuwige verzadiging van al de Zijnen.

 

Nu vraagt Hij aan Zijn jongeren en ook aan ons, heel persoonlijk: Wilt gijlieden ook niet weggaan? (Joh.6:67)

Waarop Simon Petrus antwoordt: Heere, tot Wien zullen wij heengaan? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens En wij hebben geloofd en bekend dat Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods (Joh.6:68-69).

De Heere geve Zijn genade en Geest om dit ook te  belijden, met mond en hart.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 81:12

 

Opent uwen mond,

Eist van Mij vrijmoedig,

Op Mijn trouwverbond;

Al wat u ontbreekt,

Schenk Ik, zo gij ’t smeekt,

Mild en overvloedig.