Ds. R. Kattenberg - Zondag 34

De heilige wet des Heeren

De inleiding op de wet
De verdeling van de wet
Het eerste gebod in de wet

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 1: 1, 2
Lezen : Romeinen 7: 1-14
Zingen : Psalm 19: 3, 4
Zingen : Psalm 44: 1
Zingen : Psalm 17: 3
Zingen : Psalm 115: 2

Gemeente, wij schenken in deze dienst aandacht aan Zondag 34 uit de Heidelbergse Catechismus. Wij lezen samen de vragen en antwoorden:

 

Vraag 92: Hoe luidt de wet des Heeren?

Antwoord: God sprak al deze woorden: Ik ben de Heere, uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb.

En dan volgt verder de wet zoals die elke zondagmorgen wordt voorgelezen.

 

Vraag 93: Hoe worden deze tien geboden gedeeld?

Antwoord: In twee tafelen; waarvan de eerste leert hoe wij ons tegen God zullen houden; de andere wat wij onze naaste schuldig zijn.

 

Vraag 94: Wat gebiedt God in het eerste gebod?

Antwoord: Dat ik, zo lief als mij mijner ziele zaligheid is, alle afgoderij, toverij, waarzegging, superstitie of bijgeloof, aanroeping van de heiligen of van andere schepselen, mijde en vliede, en de enige ware God recht leer kennen, Hem alleen vertrouw, in alle ootmoedigheid en lijdzaamheid mij Hem alleen onderwerpe, van Hem alleen alles goeds verwachte, Hem van ganser harte liefhebbe, vreze en ere, alzo, dat ik eer van alle schepselen afga en die varen late, dan dat ik in het allerminste tegen Zijn wil doe.

 

Vraag 95: Wat is afgoderij?

Antwoord: Afgoderij is in de plaats des enigen waren Gods, Die Zich in Zijn Woord geopenbaard heeft, of benevens Hem, iets anders verzinnen of hebben, waarop de mens zijn vertrouwen zet.

 

Het thema van de preek is: De heilige wet des Heeren.

 

Drie punten vragen onze aandacht:

1. De inleiding op de wet

2. De verdeling van de wet

3. Het eerste gebod in de wet

 

Wij overdenken ten eerste:

 

1. De inleiding op de wet

 

Meisjes en jongens, thuis of op school wordt er vast wel eens teruggevraagd naar wat er uit de Bijbel gelezen is of met Bijbelse geschiedenis verteld is. Het is dan erg fijn als je het antwoord weet. Je vertelt dan bijvoorbeeld wat Jona heeft gezegd, of Abraham, of Petrus…

Dan weet je voor jezelf dat die woorden allemaal in de Bijbel staan. Je mag daar best wel eens over nadenken en je bent er misschien wel van onder de indruk. Heeft Jona, Abraham, Petrus dat echt gezegd, denk je dan.

Maar in de preek van vandaag gaat het niet om de woorden van Jona, of van wie dan ook, maar over wat de Heere Zelf zegt. Denk maar aan wat er boven de wet staat: God sprak al deze woorden (Ex.20:1)

Dat betekent oneindig veel meer dan dat een mens iets zegt. God Zelf is hier aan het woord, en hoe! De Heere zegt: Ik ben. Dat is het woord van de eeuwige God. Van Hem Die is, Die was en Die komen zal. De Heere is aan het woord. Hij spreekt.

 

Wat zegt God tot het volk Israël, als het aan de voet van de berg Sinaï staat?

Hij zegt dat Hij hun Heere en hun God is: God sprak al deze woorden: Ik ben de Heere, uw God!

Gemeente, is dat niet aangrijpend? Hij, de God van het verbond, Hij, de grote God, wil de God zijn van een slavenvolk. Wat betekent dat nu voor Israël? Dat betekent: Gods soevereiniteit. Is dat geen wonder? Dat de Heere tegen zulke mensen zegt: Ik ben de Heere, uw God. Ik heb u echt niet uitgekozen omdat u één van de grootste der volkeren bent, nee, eerder het minste.

 

Laten we ons in gedachten scharen bij het volk Israël bij de berg Sinaï. We nemen onze kinderen ook mee, want Mozes gebood het volk dat zij er ook bij moesten zijn. Ouderen, jongeren, kinderen... We zien ze staan in onze gedachten. In afwachting van wat God zal spreken.

Welke woorden klinken er dan?

Ik ben de Heere, uw God!

Is dat geen wonder?

Ze prediken ons dat er aan de Sinaï meer genade te vinden is dan dat wij doorgaans denken.

 

Laten we het maar eens op onszelf betrekken. Kijk eens terug in uw leven. Welke plaats nam God in? Meisjes, jongens, waar is God in jullie leven en waar is het paradijs in ons leven? Want wij hebben door onze zonde het eerste verbond in Adam verbroken. Toen zijn wij zo veel verloren. We zijn het paradijs, de vrede, het geluk en het zicht op de hemel kwijtgeraakt.

Maar wat of Wie nog meer? We zijn God kwijt!

Je kunt het eigenlijk niet in woorden vatten wat het betekent dat we God en Zijn nabijheid zijn kwijtgeraakt.

 

Over verliezen weten we allemaal wel mee te praten. De één als het gaat om dit, de ander als het gaat om dat. Ook als het gaat om het wegvallen van mensen. Wat is het ingrijpend als je je vader of moeder verliest, of je opa of oma, of een vriend of een buurman. Wat geeft dat een leegte, wat een verlies in het leven van een mensenkind.

Maar als je dan God overhoudt bij alles wat je verliest – ik bedoel dat niet als dooddoener, maar als werkelijke doorleving – als je God overhoudt en Zijn gunst, dan heb je ten diepste alles nog over. Ik bedoel te zeggen: als God in Christus uw deel is, dan kunt u verliezen wat u verliest, maar dan is het: in de grootste smarten, blijven onze harten toch in de Heere gerust. Een mens die God verliest, die verliest in feite alles. En wie God overhoudt, die houdt alles over.

 

Ik vroeg zo-even: waar is God in uw leven? Sedert de val in het paradijs is elk mens zonder God. Meisjes en jongens, laten we het toch niet mooier voorstellen dan het is, en de zaak wat opsieren. Laten we eerlijk luisteren naar het Woord. Het zegt: zonder God is zonder hoop, zonder Christus, zonder geluk, zonder leven.    

 

Gemeente, zie nog eens in gedachten het volk Israël staan, daar onderaan de berg Sinaï. Groot en klein, jong en oud, niemand uitgezonderd, ieder weet: God gaat aanstonds spreken. Hoe het precies gegaan is weten wij niet. Maar het is werkelijkheid.

Daar staat u, daar sta jij, daar staan wij, aan de voet van de berg.

Stil! Hoor God spreken…

Ik ben de Heere, uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis uitgeleid heb.

Ik ben uw God. Hier, onderaan de berg Sinaï, klinkt niet minder dan de evangelieboodschap. Ik ben de Heere, uw God. God keert tot de mens terug, de God Die wij in het paradijs verlaten hebben!

Als de Heere dat zegt nemen we die woorden natuurlijk voor waar aan.

Maar we hebben toch wel onze vragen: kan dat nou zomaar? Kan de Heere dat zomaar zeggen? Nee, Hij zegt dat niet zomaar. Dacht u dat de Heere ooit zonder reden iets zegt?

Nooit! Ook hier aan de berg niet.

Weet u wat het geheim is van wat God hier tegen Zijn volk zegt?

Wel, het wil dit zeggen: God in Christus spreekt aan de Sinaï. Gemeente, het is dezelfde God Die in het paradijs gezegd heeft: Ik zal vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw (Gen.3:15). Met andere woorden: Mijn Zoon komt, Christus Jezus komt, en daarom kan de Heere hier zeggen: Ik ben de Heere, uw God.

 

Buiten Christus kan God niet op deze manier spreken tot een gevallen mens. Uw God… Dat gold voor het volk van Israël, en voor ons, maar… geldt het ook voor mij?

Het siert u als u bescheiden bent in uw  spreken over deze dingen, maar het moet anderzijds ook een zaak zijn die u zich aantrekt. Ik herinner me iemand, een oudere vrouw, al boven de tachtig. Ik wilde zo graag uit haar mond horen dat het ook betrekking had op haar. ‘Voor ons’, zei ze wél. Maar ‘voor míj’? Ze durfde het niet. We hebben er samen over doorgepraat. Je mag toch proberen er iemand heen te leiden? Hoewel het ‘voor mij’ natuurlijk niet vanzelfsprekend is.

Maar God Zelf openbaart het ons, dus het geldt ook voor ons, want diezelfde God spreekt ook óns aan in Zijn Woord. Het is een spreken in Christus. Christus heeft aan Gods gerechtigheid genoeg gedaan. Christus heeft Gods recht volkomen verheerlijkt en Hij heeft het rantsoen opgewogen in de hand van Zijn Vader. Hij heeft de prijs volledig betaald.

 

Gemeente, wanneer die gerechtigheid niet aangebracht was, zouden er niet anders dan donderslagen aan de Sinaï gehoord worden, en vervloekingen van hemelswege. Uit de woorden: Ik ben de Heere, uw God, blijkt dat Hij Zich weg wil geven aan zondaren uit het menselijk geslacht. Wat kan de Heere nu méér geven dan Zichzelf?

Met minder kunt u niet toe. Een mens kan veel bezitten, maar Psalm 49 zegt dat je dit alles  achter moet laten. Ik las bij Augustinus: ‘Morgen bent u er niet meer of is uw geld er niet meer. Dus waarom maakt u zich zorgen? Ziet op wat goed is voor het aangezicht van God want of u bent er morgen niet meer of uw geld is er morgen niet meer.’ Merkt u dat alles onder de noemer van de genade des Heeren wordt gebracht?

 

Weet u, weten jullie, wat het zeggen wil om God kwijt te zijn? God kwijt, alles kwijt… Dat is echt ont-dekking.  

Kinderen, het deksel van een pan halen om te kijken wat we eten, dat is ont-dekken. Gemeente, het is ontdekking als het deksel van uw hart wordt afgehaald. Want u dacht rijk te zijn, en verrijkt, en aan geen ding gebrek te hebben. Je hebt nergens gebrek aan, totdat de Heilige Geest je laat zien dat – ook al heb je alles wat je hart begeert – je de ellendigste van de hele wereld bent, als je God niet tot je deel hebt.

Wat wordt ons zwoegen en slaven in dat licht betrekkelijk. Zeker: we hebben onze taak in deze wereld, maar wat zetten wij alles toch onder de noemer van ons werken. Daarom is het goed dat er een zondag is en dat de Heere dan zegt: ‘Ik wil ook in úw leven met Mijn genade komen.’

 

God kwijt, dan bent u de armste van de hele wereld. Als u ooit een waar Godsgemis hebt leren kennen, zult u weten dat u dan nooit met minder geholpen bent dan met God Zelf. Weet u daarvan in uw leven? Ervaart u dat gemis van God, dat niet delen in de gemeenschap met God, vandaag ook? Uw hart dorst naar God, meer dan een hert schreeuwt naar de waterstromen. Wat een genade dat God dan in Christus spreken wil. In Christus, door het werk dat Hij volbracht heeft. Hoewel u aan alle kanten vastloopt. Dood door de misdaden en de zonden.

U kunt doen en laten wat u wilt, maar u vordert geen stap, u verdient het om weggedaan te worden van voor het aangezicht van de Heere. Maar u kwam vanmorgen de kerk binnen en hoorde de ouderling van dienst het eerste woord uit de Bijbel lezen: Ik ben de Heere, uw God.

Mag u daar ‘amen’ op zeggen? Meer hebt u niet nodig! Dat is alles.

 

God sprak aan de Sinaï heel Israël aan. Het gehele volk stond aan de voet van de berg. Iedereen mocht de woorden horen. Er is niemand geweest die thuis gezegd heeft: ‘Wanneer God spreekt word jij natuurlijk niet verwacht, jij hoort er niet bij. Dacht je dat de Heere Zijn beloftewoord ook aan jou zou willen openbaren?’ God heeft ook niet tegen Mozes gezegd: ‘Mozes, als Ik zal spreken, begrijp je natuurlijk wel dat een bepaald soort mensen – zondaren en wetsovertreders – er niet bij mogen zijn.’

Gemeente, ze worden allemaal geroepen. De Heere spreekt het héle volk Israël aan: Ik ben de Heere, uw God.  God spreekt deze woorden tot de gehele gemeente, ook als uw hart nog onverbroken is.

Kan dat woord dan uw hart niet verbreken? De God Die hemel en aarde uit niets heeft voortgebracht, Die het niet van node heeft dat iemand Hem dient of iemand naar hem vraagt, deze God zoekt het verlorene!

Nee, u hebt het niet verdiend. U kunt het zich ook niet waardig maken. Het is niet hierom of daarom. Het is een eenzijdig handelen van de God des hemels. En wel met zo’n majesteit, dat het toch wel een grote ongehoorzaamheid en een diepgaand ongeloof is, als u ‘nee’ tegen die God zou zeggen. Want dit zegt God de Heere.

Welke God?

Uw God!

Zo openbaart de Heere Zich aan de Sinaï. Deze woorden heeft Hij aan het volk meegegeven, en zo heeft Israël ook terug mogen kijken: ‘Heere het is alleen uit U!’

 

We mogen ervan zingen. In Psalm 44 vindt u dezelfde gedachte. We zingen het eerste vers:

 

O God, wij mochten met onz’ oren,

Weleer van onze vaad’ren horen,

Wat werk Gij in hun dagen wrocht,

Hoe G’ oudtijds hen met heil bezocht.

Gij hebt de heid’nen met Uw hand

Verdreven, dat zij ‘t erf verlieten;

Hen fel geplaagd, Uw volk geplant,

En op het weeld’rigst voort doen schieten.

 

Gemeente, we staan nu stil bij ons tweede punt:

 

2. De verdeling van de wet

 

Vraag 93: ‘Hoe worden deze tien geboden gedeeld?’ Het antwoord luidt: ‘In twee tafelen; waarvan de eerste leert hoe wij ons tegenover God zullen houden; de andere wat wij onze naaste schuldig zijn.’

Tien geboden op twee tafels. Wie weet er eigenlijk niet dat er tien geboden, ofwel tien woorden zijn? Iemand heeft eens gezegd: ‘Zou de Heere dat expres voor de kinderen gedaan hebben?’ Kinderen weten immers dat er aan elke hand vijf vingers zitten, en als je ze  gaat tellen kom je op tien. Dat is niet zo moeilijk. Eén wet van tien geboden, twee tafels,  twee handen, aan elke hand vijf vingers, op elke tafel vijf geboden… Je hebt heel de wet, om het zo maar eens te zeggen, onder handbereik.

 

Gemeente, elk gebod zoekt het geluk van de mens te bevorderen. Elk gebod! Maar onze meisjes en jongens zeggen nu misschien: ‘Ik vind de wet eigenlijk vooral hinderlijk. Is de wet er echt om mijn geluk te bevorderen?’

Luister eens, kinderen, jullie ook: als een baby zo’n half jaar oud is en in de box zit, is dat voor de veiligheid. Nou, als je ziet dat het er op de één of andere manier uit geklommen is, dan ren je naar mama toe en roep je: ‘Mam, hij zit niet meer in de box!’

Die box, dat hekje is voor de veiligheid. Daar spreekt liefde uit.

Een rechtgeaarde moeder laat haar kind niet zomaar midden op straat spelen, zodat het overreden kan worden door een auto. Die wet is dus ook als een soort box, die je beschermt; alleen dan wat groter, want het gaat om het terrein van je hele leven.

 

Iemand zegt: ‘Maar die wet maakt me nu juist zo ellendig! Als die wet er niet zou zijn, dan zou ik er niet zo naar aan toe zijn.’

Zou dat waar zijn, gemeente?

Natuurlijk niet! Dat we zo ellendig zijn geworden komt niet door de wet.

Waardoor dan wel?

Door de zonde!

Weet u dat voor uzelf? Als Paulus zegt dat de goede, heilige wet zijn dood is geworden, dan geeft hij daarmee niet de schuld aan de wet, maar aan de zonde. Wij hebben dat zo-even ook gelezen in Romeinen 7: Alzo is dan de wet heilig, en het gebod is heilig en rechtvaardig en goed (Rom.7:12).

Paulus worstelt daar met de vraag: Is dan het goede mij de dood geworden? Het antwoord is: Dat zij verre! Helemaal niet, maar de zonde is mij de dood geworden, opdat zij zou openbaar worden zonde te zijn, werkende mij door het goede de dood, opdat de zonde bovenmate werd zondigende door het gebod (Rom.7:13).

De wet is dus heilig en goed, aan de wet mankeert niets.

 

Waar zit dan de moeilijkheid?

Bij uzelf! De overtreding van uw hart brengt de ellende en de vloek teweeg. Met als gevolg dat de wet, die ten leven was, ons ten dode wordt. Daarom, gemeente, langs de sporten van de wet kunt u niet opklimmen naar de hemel. Die weg is voor altijd afgesneden. Door de werken van de wet zal geen vlees gerechtvaardigd worden voor God. We zijn overtreders van de wet.

 

Onze zonde, onze schuld! Bent u daar achter gekomen in uw eigen leven? Steeds meer en steeds weer, door de Heilige Geest? Is dit de ervaring van uw bestaan? Ik hoop dat het zo is. Ik wens niemand narigheid toe of moeite, maar ik hoop het opdat u de kracht van het evangelie van de genade van God zult leren kennen in uw leven.

 

Toen de Heere aan de Sinaï Zijn wet afgekondigde, en de geboden zoals we die gelezen hebben uit Exodus 20 klonken, heeft Hij er iets heel opmerkelijks aan toegevoegd. Leest u straks thuis het vervolg van het hoofdstuk maar eens na.

In vers 24 staat: Maak Mij een altaar van aarde en offert daarop uw brandofferen en dankofferen. Dus zodra de Heere de wet heeft afgekondigd, vraagt Hij altaren te bouwen.

Altaren maken en offers daarop brengen. En u weet: altaren en offers wijzen heen naar het werk van de Heere Jezus Christus. Van de wet wil de Heere brengen naar de dienst van het altaar; naar het doen van Zijn geboden uit dankbaarheid, naar het volmaakte offer van de Heere Jezus Christus. Opdat u vanuit uw hart zult zingen: ‘Gun door ‘t geloof in Christus krachten, om die te doen uit dankbaarheid.’

 

Gemeente, van de wet naar het altaar!

Is dat misschien vandaag tot bevrijding van iemand? Iemand die gebukt gaat onder zijn of haar zonde en ongerechtigheid?  

In de Middeleeuwen werd eens door iemand gezongen:

 

Ik heb gejaagd een leven lang,

om goed en vroom te leven.

Maar ‘t werd mijn ziele toch te bang,

mijn werk kon mij niets geven.

 

Ik hoop dat u daarin een stuk herkenning vindt. Er werden altaren gebouwd die verwezen naar het werk van Christus. Opdat u het weten zult:

 

Niets, o Jezus, dan Uw bloed,

geeft voldoening aan het gemoed.

 

Gemeente, het onderwijs van de catechismus wordt verder verdiept en uitgebreid, want  het antwoord op vraag 93 wijst in twee richtingen: liefde tot God en liefde tot onze naaste. Eén centrum, en van daaruit twee lijnen: één naar God en één naar uw naaste.

Dit lijkt zo eenvoudig, maar met de hand op het Woord moeten we zeggen dat we de liefde tot onze naaste vanuit onszelf niet hebben. We komen er weer niet positief vanaf; nooit komen we er mooi uit.

Soms bekijk je foto’s en zeg je tegen de ander: ‘Wat sta je er goed op zeg!’ Zo’n foto is van u, van jou en van mij, vanuit het Woord, nooit te nemen. Altijd weer wordt onze schuld aan het licht gebracht. De liefde die hoorde bij het beeld van God zijn we door de zonde totaal verloren. De Schrift zegt over ons: Hatelijk zijnde en elkander hatende (Tit.3:3). Dat blijkt overal waar oorlog gevoerd wordt, overal waar burenruzies zijn, het blijkt bij problemen in gezinnen, en noem maar op. Dan komt er uit ons hart wat er in zit.

Wat een vérstrekkende gevolgen hebben deze woorden; want dan kan de wet niet gehouden worden zonder dat het opschrift volbracht wordt in ons leven: Ik ben de Heere, uw God. Allereerst wordt verwezen naar de vaststelling dat het met God goed moet zijn. We kunnen ons in allerlei bochten wringen om dit te doen en dat te laten, maar als dat Ik ben de Heere, uw God niet functioneert in uw leven, is uw bezig zijn uiteindelijk werkheiligheid. Nogmaals: u redt het niet, u haalt het niet.

Nee, alleen als we Gods onverdiende genade hebben ondervonden, zullen we de geboden van God onderhouden uit eerlijke, liefdevolle en zuivere motieven.

Alleen als u weet door het bloed van het Lam van God ontkomen te zijn aan de heerschappij van de helse Farao, dan kunnen we in beginsel Gods geboden oprecht en welgezind doen.

 

Leg je leven er eens naast. Als het goed is gaat het er niet meer om dat je de hel ontgaat en in de hemel komt, maar om de dankbaarheid voor de verlossing. Zonder dat je een ander oogmerk laat meewegen. Heere, U bent het waard! Hoe lief heb ik Uw wet, zij is mijn betrachting de ganse dag (Ps.119:97). Hoort u het? Zij is mijn betrachting, ik geef er aandacht aan, ik ben er mee doende, heel de dag!

Dus een kind van God leeft niet zonder de wet van God. Sommige mensen zeggen: ‘Ja, maar als je Gods eigendom bent, dan ben je verlost van alles wat van de wet is.’

Nee, gemeente, Paulus heeft nadrukkelijk gezegd: ‘U bent niet zonder de wet.’ Maar dit is geen wet meer die behoort tot een werkverbond. Voor alle heiligen van God is de wet gekaderd in haar aanhef: Ik ben de Heere, Ik ben uw God Die u uit Egypteland uitgeleid hebt.

Hoe meer ze aan de slavernij in Egypte denken waaruit de Heere hen bevrijd heeft, des te meer wordt het hart gedrongen om Zijn geboden uit dankbaarheid te doen. Dan leef je als het goed is vanuit het altaar. Met andere woorden: dan leef je vanuit het offer zoals Christus dat gebracht heeft.

 

Het volk heeft de wet van God aangehoord; ook de eisen van de wet. De Heere zegt dan: ‘Kunt u er niet aan voldoen? Bouw altaren en breng offers voor Mijn aangezicht.’

Wanneer de wet geplaatst wordt in het kader waarin zij wordt afgekondigd, komt Golgotha in beeld. Dat heeft consequenties. De kinderen kennen dat versje wel: ‘Heer’, ai maak mij Uwe wegen, door Uw Woord en Geest bekend.’ Dan ben je afhankelijk en klein voor het aangezicht van God.

Leven vanuit het altaar legt ook een claim op je leven. Een liefdevolle claim van ‘s hemels wege. Dan vinden we ook de vormen belangrijk. Het is niet zo dat waar het werk van Christus tot gelding gebracht wordt, er dan meer mee door kan. Integendeel! Het geeft juist aanleiding tot een nauwgezet leven.

Ook de vorm is dan van belang. Die komt tot uiting in de taal die we spreken, in ons gedrag,  in de kleding die we dragen, in de inrichting van ons huis, in ons hele dagelijkse leven. Kortom: als het altaar bepalend voor u is, beïnvloedt dat alle aspecten van ons leven.

Dan zingen we van harte Psalm 17 vers 3, wat wij nu ook zingen:

 

Ik zet mijn treden in Uw spoor,

Opdat mijn voet niet uit zou glijden;

Wil mij voor struikelen bevrijden,

En ga mij met Uw heillicht voor.

Ik roep U aan, ‘k blijf op U wachten,

Omdat G’, o God, mij altoos redt,

Ai, luister dan naar mijn gebed,

En neig Uw oren tot mijn klachten.

 

Nu onze derde en laatste gedachte:

 

3. Het eerste gebod in de wet

 

Vraag 94: ‘Wat gebiedt God in het eerste gebod?’ Het antwoord is: ‘Dat ik, zo lief als mij mijner ziele zaligheid is, alle afgoderij, toverij, waarzegging, superstitie of bijgeloof, aanroeping van de heiligen of van andere schepselen, mijde en vliede, en de enige ware God recht leer kennen, Hem alleen vertrouw, in alle ootmoedigheid en lijdzaamheid mij Hem alleen onderwerpe, van Hem alleen alles goeds verwachte, Hem van ganser harte liefhebbe, vreze en ere, alzo, dat ik eer van alle schepselen afga en die varen late, dan dat ik in het allerminste tegen Zijn wil doe.’

Het antwoord bestaat uit één zin. Maar leg hem eens op de weegschaal. Wat is deze zin beladen: God en de afgoden!

Wat is eigenlijk een afgod?

Wel, als we belijden dat God hemel en aarde uit het niets heeft voortgebracht, dan is een afgod in wezen een stukje van Gods schepping. Iets wat God in feite gemaakt heeft.

In één van de profetieën van Jesaja staat er een duidelijk voorbeeld van. In Jesaja 44 lezen we over iemand die een stuk hout in tweeën splijt. Bij het ene warmt hij zich, want hij stookt er een vuurtje mee, en van het andere stuk maakt hij zich een afgod. Het is een simpele voorstelling, maar tegelijk kun je eigenlijk geen indringender beeld schetsen van een afgod.

Een afgod is dus een stukje van de schepping, en dat promoveren wij tot een god door er kwaliteiten aan toe te kennen van almacht, eeuwigheid, heiligheid en macht. Een mascotte of een ander dingetje waarvan je zegt: ‘Dat moet ik bij me hebben, anders heb ik een ongeluksdag vandaag.’

 

Gemeente, wij kunnen niet leven, niemand kan leven zonder iets of iemand als god te vereren. Als er dan geen sprake is van geloof in de waarachtige God, dan dienen we een afgod. Daarom spreekt de Heere in het eerste gebod: Gij zult geen andere goden  voor Mijn aangezicht hebben.

De catechismus brengt dit in haar uitleg direct in verband met de zaligheid: ‘Zo lief als mij mijner ziele zaligheid is.’ Dus er staat nogal wat op het spel. Het is niet marginaal, het is erop of eronder; het allerbelangrijkste is in het geding.

Dan kun je wel zeggen: wat is dat nou, een afgod? Die is toch niets waard?

Dat is ook zo, maar wanneer wij de bladzij omslaan en ons weegs gaan, doet God dat nog niet. Hij neemt afgoderij kennelijk ernstiger op dan u en ik. De Heere begint er mee in Zijn wet: Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben! Mogen wij dan zeggen: ‘Heere, we kunnen dit wel overslaan, U weet toch wel dat een afgod niets voorstelt?’

 

Gemeente, let er toch op hoe ernstig God afgoderij neemt. En wel omdat Hij ons aller hart kent. Het dienen van vreemde goden ligt op de bodem van ons hart. God weet hoeveel het er de mens aan gelegen is om afgoden te hebben, om die te vereren, zodat hij afgetrokken zou worden van de Heere en Zijn dienst. God zag dat ook in het leven van Zijn oude volk Israël dat door heidenen omgeven was. Hoe vaak zijn ze niet vervallen tot de zonde van afgoderij?

‘Ja, dat was toen’, zegt u, ‘nu is het anders.’

Is dat zo? Wat een opgang maakt het geloof in reïncarnatie. Wat is er een aandacht voor occultisme en horoscopen. Ik denk ook aan de afgod van uw geld, uw auto, uw motor, de mode, techniek, computer en internet. Bij de één is het dit en bij de ander dat. Maar als we alles samenvatten: dient u eigenlijk de ene ware God? Ja of nee?

 

Natuurlijk zit er aan die laatste vraag van Zondag 34 veel meer vast. Het eerste gebod komt er wel eens bekaaid van af. Maar laten we het nu toespitsen op dat kernpunt: is God de God van uw leven, of is er een afgod? De catechismus antwoordt op deze vraag: ‘De Heere kennen is hetzelfde als Hem liefhebben, Hem vrezen, aan Hem verbonden zijn, en Hem hoogachten. En dat kan nu alleen maar in Christus: Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, Die Gij gezonden hebt (Joh.17:3). De enig ware God te kennen, en Jezus Christus, dat is het eeuwige leven.

 

U moet thuis nog maar eens nalezen hoe exclusief de catechismus is. Let u er dan ook eens op dat de woorden ‘alleen’ en ‘alles’ alle nadruk krijgen. Ze worden herhaald om ons er goed van te doordringen: ‘Mens, kijk uit en heb de Heere lief, want alleen dán is het goed.’

De Heere vraagt de eerste plaats, en de hoogste plaats, zoals de Heere Jezus geleerd heeft: ‘Wie vader of moeder, broer of zus, of wie dan ook liefheeft boven Mij, kan Mijn discipel niet zijn.’ De Heere vraagt heel het hart, heel het leven. Maar dan ook zo, dat je zegt: ‘Nu zie ik ook af van álle schepselen.’ Daar hebt u weer dat exclusieve.

Dus niet de Heere en wat ik eventueel nog achter de hand heb, maar alles uit handen geven, alles laten varen, opdat mijn zaligheid niet op de tocht komt te staan, en dat ik ook het allerminste niet doe tegen de wil van God. Alle schepselen laat ik los, alle schepselen!

Gemeente, dat is moeilijk. Het eerste gaat misschien nog wel, maar dat laatste waar u nog op steunt moet er ook aan geloven. Wat een werk heeft de Heere hier aan! Daar moet u niet licht over denken.

 

Wat is toch altijd en voor alles genade nodig om door de opstanding van Christus uit de doden, wederom geboren te zijn tot een levende hoop. Want alleen een wedergeboren mens ziet waarde en waardigheid in God en in de Heere Jezus Christus. Alleen zo iemand zegt met Paulus: ‘Ik heb alles schade en drek geacht, om Christus te gewinnen. Geef alles maar mee met het vuilnis, breng maar weg, voorgoed!’

Zalig diegene die alles laat varen. Zalig ook als u alles verliest, en u houdt God over. Dan is de cirkel rond naar het begin van de preek. Ik heb gezegd: de één verliest dit en de ander dat. Maar hoeveel je ook verliest, als je Gód overhoudt, dan houd je uiteindelijk álles over!

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 115: 2

 

Nochtans is God het doel van onze lof,
Hij, onze God, Hij woont in ‘t hemelhof,
En doet al Zijn behagen.
Hun afgoôn zijn van zilver en van goud;
Slechts mensenwerk, waaraan, zo snood als stout,
Gods eer wordt opgedragen.