Ds. H. Paul - Jesaja 28 : 16

Een betrouwbaar Fundament

Jesaja 28
Door de Heere gelegd
Door het geloof gekend
Geeft een levende verwachting

Jesaja 28 : 16

Jesaja 28
16
Daarom, alzo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik leg een grondsteen in Sion, een beproefden steen, een kostelijken hoeksteen, die wel vast gegrondvest is; wie gelooft, die zal niet haasten.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 27: 7
Lezen : Jesaja 28: 1-20
Lezen : 1 Petrus 2: 1-10
Zingen : Psalm 118: 10, 11, 13
Zingen : Psalm 72: 7
Zingen : Psalm 62: 4

Gemeente, onze tekst vindt u in het gedeelte van het Woord van God, dat u is voorgelezen, uit Jesaja 28, en daarvan het zestiende vers, waar we Gods Woord en onze tekst lezen:

 

Daarom, alzo zegt de Heere Heere: Zie, Ik leg een Grondsteen in Sion, een beproefde Steen, een kostelijke Hoeksteen, Die wel vast gegrondvest is; wie gelooft, die zal niet haasten.

 

De tekst spreekt ons van: Een betrouwbaar Fundament.

 

Dit Fundament is in de eerste plaats door de Heere Zelf gelegd. Dit Fundament wordt in de tweede plaats door het geloof gekend. Dit Fundament geeft in de derde plaats een levende verwachting.

 

Een betrouwbaar Fundament

1. Door de Heere gelegd

2. Door het geloof gekend

3. Geeft een levende verwachting

 

1. Door de Heere gelegd

 

Voor de bestendigheid van een gebouw is een goed fundament nodig. De Heere Jezus wijst in de gelijkenis van de voorzichtige man en de dwaze bouwer het onderscheid aan. Die voorzichtige man, die een huis wil bouwen, graaft eerst, totdat hij op een vast fundament stuit, een vaste ondergrond, een steenrots. Daar legt hij het fundament van het huis op. Daar steunt het op. Daar is het mee verbonden. Dan kan het tegen een stootje. Dan kan het tegen de watervloeden; de zware stormen en de hevige regens deren dat huis niet. Het is op een steenrots gefundeerd.

Maar de dwaze bouwer bouwt op het zand. Als dan de stormen en de watervloeden komen, dan spoelt dat zand weg. Dan stort het huis in, en zijn val was groot (Matth.7:27), zegt de Heere. Dus het komt erop aan dat een huis en een gebouw een goed fundament hebben. Bij een degelijk gebouw zullen er heel wat heipalen in de grond gaan, voordat er gebouwd wordt.

Maar dat is niet alleen van toepassing op een gebouw dat wij gebruiken of bewonen. Het geldt ook ons levenshuis. Wij hebben allemaal een eeuwige bestemming. Wat is het nodig dat ons levenshuis op een goed fundament gebouwd is, op een betrouwbaar fundament, dat de eeuwigheid verduurt.

Dat is wat in deze dienst aan de orde is in een uur van voorbereiding. Wanneer volgende week het Heilig Avondmaal zal worden bediend, zo de Heere wil en wij leven, dan is het ook nodig te weten dat ons levenshuis gebouwd is op een vast fundament. Dat belijden we wanneer we aangaan aan de tafel: ‘Mijn huis heeft een goed Fundament. Dat is niet een verdienste van mezelf, maar uit genade. Christus Jezus is mijn enige Hoop.’

We belijden zelf midden in de dood te liggen, maar het leven buiten onszelf in Hem te zoeken. Hij is het Fundament van ons levenshuis.

 

Ook Jesaja, de profeet, spreekt van tweeërlei fundament. In de eerste plaats wijst hij op wat Samaria is overkomen. Dat tienstammenrijk was gewaarschuwd, maar ging door in de afgodendienst en kalverendienst. De waarschuwingen van de Heere werden in de wind geslagen. Het volk is weggevoerd naar Assyrië. We lezen in vers 3: De hovaardige kronen der dronkenen van Efraïm zullen met voeten vertreden worden. Al hun hoogmoed komt ten val; hun vertrouwen is op eigen gronden en is dus misplaatst.

Dat voorbeeld houdt Jesaja Juda voor. Juda, het tweestammenrijk, dat een verbond heeft gesloten met Egypte. Egypte zou hen helpen. Daar vertrouwden ze op. Maar Jesaja wijst aan dat dit een misplaatst vertrouwen is. Dat het vertrouwen geen grond heeft. Egypte zal tegen Assyrië ook niet kunnen bestaan. In Jesaja 30 vers 7 lezen we er van: Want Egypte zal ijdellijk en tevergeefs helpen; daarom heb Ik hierover geroepen: Stilzitten zal hun sterkte zijn.

In Jesaja 30 vers 15 lezen we: Want alzo zegt de Heere Heere, de Heilige Israëls: Door wederkering en rust zoudt gijlieden behouden worden, in stilheid en in vertrouwen zou uw sterkte zijn; doch gij hebt niet gewild.

Jesaja maant af van de steun te zoeken bij Egypte. Bij de Heere alleen is uitkomst. Bij de Hem alleen is toekomst en redding. We weten het, en de kinderen weten dat ook, hoe later honderdvijfentachtigduizend Assyriërs gedood zijn, niet door Egypte, maar door de Heere. Hij heeft Juda toen geholpen.

Daarom zegt Jesaja: Verwacht het nu van de Héére. Hij maant af van dat verbond met Egypte. Dat is een verbond met de dood. Hij zegt het in vers 15 van ons teksthoofdstuk:

Omdat gijlieden zegt: Wij hebben een verbond met de dood gemaakt, en met de hel hebben wij een voorzichtig verdrag gemaakt; wanneer de overvloeiende gesel doortrekken zal, zal hij tot ons niet komen; want wij hebben de leugen ons tot een toevlucht gesteld en onder de valsheid hebben wij ons verborgen.

 

Ja, zo noemt Jesaja dit verbond. Calvijn wijst er op dat we in de verste verte niet moeten denken dat deze mensen zélf zeiden: ‘Wij hebben met de dóód een verbond gemaakt.’ Nee, ze dachten: met Egypte. Maar Jesaja zegt: ‘Dat is een verbond met de dóód en een voorzichtig verdrag met de hel. En als de overvloeiende gesel komen zal, dat is Assyrië, dan zal het je niet baten.’ Dus het is eigenlijk een tekening van dit verbond door Jesaja, dat hij een verbond noemt met de dood.

Andere verklaarders spreken ervan dat ze dit in spottende zin zeggen. Maar we houden het maar bij Calvijn, die dat als een verbond noemt, zoals Jesaja dat een verbond noemt, een verbond met de dood. Zo ziet Jesaja dat verbond met Egypte. Dus hij maant af van dat verbond met Egypte en hij wijst er op dat de Heere een beter werk tot stand brengt. Hij brengt een werk tot stand dat hoúdt, dat vast is, dat toekomst heeft, waar veiligheid is en waar alles is wat tot welzijn dient en tot zegen strekt.

Jesaja laat de Heere aan het woord. Hij spreekt als de mond van de Heere. Hij wijst op dat betere werk dat de Heere doet. Tegenover het ijdele vertrouwen van de leidslieden van Juda, op die Ieugentoevlucht, wordt nu het werk gesteld van de Heere Heere. Dat houdt stand.

 

Dan zegt de Heere: Daarom, alzo zegt de Heere Heere: Zie, Ik leg een Grondsteen in Sion, een beproefde Steen, een kostelijke Hoeksteen, Die wel vast gegrondvest is.

Hij legt een fundament waarop een gebouw rust dat toekomst heeft, dat blijvende betekenis heeft. Ik doe dat. Ik, de Heere Heere. Hij legt een Fundamentsteen in Sion, een betrouwbare Fundamentsteen, een beproefde en kostbare Hoeksteen. Hij legt Die in Sion.

Sion, dat is oorspronkelijk de naam van de berg waarop de tempel gebouwd was. Daar wordt ook de kerk van het Oude Testament mee bedoeld. Tenslotte is het ook de naam van de Kerk op aarde. Gods Kerk op aarde wordt ‘Sion’ genoemd. Daar legt de Heere een vast Fundament onder. Een Fundament waar allen die daarop gebouwd zijn en erop steunen, nooit beschaamd zullen uitkomen. Dat is door de Heere gelegd. lk leg een Fundamentsteen. Wat een wonder! In deze door onze zonden verloren wereld, verrijst een Godsgebouw dat toekomst heeft.

Satan heeft het niet gewonnen. In het paradijs stonden we als een hecht huis op een goed fundament. Alles wat nodig was om staande te blijven, bezaten we. Maar we hebben gezondigd. Dat fundament zijn we kwijtgeraakt. Nu legt de Heere een nieuw Fundament, onverdiend, naar Zijn eeuwig welbehagen.

 

Is dat wel eens een wonder geworden, gemeente, jongens en meisjes? Is het je wel eens een wonder geworden dat God in deze wereld, die verloren ligt door onze schuld en zonde, een nieuw werk tot stand brengt, wat blijft, wat eeuwigheidswaarde heeft, wat een toekomst heeft, voor de tijd en voor de eeuwigheid?

Dat hebben we niet verdiend. Toch wordt het ons verkondigd. Het wordt ons gepredikt, dat de Heere dat gebouw tot stand brengt, omdat Hij dat heeft gelegd op een vast Fundament. Een betrouwbaar Fundament heeft God gelegd, waardoor er een Godsgebouw verrijst waar veiligheid is, waar toekomst is, waar zekerheid is. Een Fundament waarop het gebouw rust.

 

Er is dus een relatie tussen Christus en de Zijnen, die hier wordt aangeduid met fundament en gebouw. Dat is één beeld. Er zijn meerdere beelden: Herder en schapen, de Wijnstok en de ranken, Bruidegom en bruid. Allerlei beelden worden gebruikt om de nauwe band tussen Christus en Zijn gemeente aan te duiden.

Eén beeld zou niet alle rijkdom kunnen weergeven. Trouwens, er is geen enkel wóórd wat ten volle kan aanduiden welk een hechte relatie er is tussen de Heere Jezus en de Zijnen. Hoofd en lichaam; ook zo’n duidelijk beeld.

Hier wordt dus gesproken van een Fundament, een Fundamentsteen waarop een gebouw rust en verrijst. Dat er zo nauw mee verbonden is, maar ook blijft. De apostel spreekt er van in Efeze 2, dat de gemeente gebouwd is op het fundament der apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus de uiterste Hoeksteen is, op Welken het gehele gebouw, bekwamelijk samengevoegd zijnde, opwast tot een heilige tempel in de Heere.

 

Er verrijst een tempel, een gebouw, dat op een goed Fundament gebouwd is. Daar noemt de apostel: Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen. Dat Fundament draagt dus twee namen: Jezus en Christus. Daar wordt de Fundamentsteen mee aangeduid: de Zaligmaker, de enige Zaligmaker, de enige Naam onder de hemel gegeven tot zaligheid. Alleen Hij en geen ander fundament. Christus, als Profeet Die onderwijst, als Priester Die Zichzelf heeft opgeofferd, waardoor Hij Zelf het Fundament kon worden, en als Koning Die Zijn gemeente beschermt, behoudt en bewaart.

Er zijn heel wat andere fundamenten gelegd in de loop der eeuwen. In de prediking, in allerlei leer. Fundamenten die van een méns uitgaan: van het een goed méns zijn, die ieder het zijne geeft. Een fundament dat niet deugt. De Heere keurt het af.

Er is maar één Fundament dat houdt: de Heere Jezus Christus. Hij alleen is het. Elk ander fundament is bedrieglijk. Dan gaat het gebouw scheuren en is het rijp voor de sloop. Maar dát Fundament houdt stand.

 

Wanneer is dat Fundament gelegd? Reeds in de eeuwigheid. Toen heeft God de Fundamentsteen reeds gelegd in Zijn eeuwige zondaarsliefde. Ook in de tijd, toen het heilsplan een heilsféit werd. Daar hebben de engelen van gezongen in Efratha: Ere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in de mensen een welbehagen (Luk.2:14).

Toen is die Fundamentsteen dus gelegd. Ondanks alle pogingen van satan om dat te voorkomen.

Wat heeft satan geprobeerd om dat leggen van die Fundamentsteen te voorkómen. Hij wilde helemáál dat Fundament niet. Hij porde Farao aan de jongetjes in de Nijl te werpen. Dat geslacht moest uitsterven. Haman heeft geprobeerd de Joden uit te roeien. Dat Fundament mocht er niet komen. Herodes heeft geprobeerd, toen Het gekomen was, Het te doden. Maar het is gelegd. Gód heeft die Fundamentsteen gelegd.

Dat Fundament wordt ook gelegd in de prédiking. In de prediking wordt ons dat Fundament ook aangewezen, aangeprezen en aangeboden. Johannes de Doper riep er van uit: Zie, het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt (Joh.1:29).

 

Petrus zegt er van: Zo wete dan zekerlijk het ganse huis Israëls dat God Hem tot een Heere en Christus gemaakt heeft, namelijk deze Jezus, Die gij gekruist hebt (Hand.2:36). Hij is het Fundament. Paulus zegt niets anders te willen weten dan Jezus Christus en Die gekruisigd.

Ook in de sacramenten wordt dat Fundament gelegd. Het Heilig Avondmaal spreekt er zo duidelijk van, dat er geen zaligheid is dan in Hem alleen. De sacramenten, zegt onze catechismus, zijn daartoe gegeven, opdat zij ons geloof op de offerande van Christus, als op de enige grond der zaligheid funderen. Doop en avondmaal wijzen naar Christus als het enige Fundament.

 

Die Fundamentsteen is gelegd, niet door een mens, maar door de Heere Heere, de Schepper van hemel en aarde en de trouwe Verbondsgod. Daar spreekt onze tekst van: Daarom, alzo zegt de Heere Heere: Zie, Ik leg een Grondsteen in Sion, een beproefde Steen, een kostelijke Hoeksteen, Die wel vast gegrondvest is.

Dus niet alleen een Fundamentsteen, ook een Hoeksteen. Een hoeksteen was een grote, platte steen, die eertijds gebruikt werd om twee muren met elkaar te verbinden. Die werd een hoeksteen genoemd. Op die hoek werd aan de ene kant de ene muur gebouwd en aan de andere kant ook de andere muur. Die werden daardoor, omdat ze verbonden waren met de hoeksteen, dus aan elkaar verbonden.

Tenslotte is het één Kerk. Die behóórt één te zijn, ook in haar openbaring. Wat leven we in een treurige tijd, waarin zoveel verdeeldheid en verscheurdheid is. Maar in Christus is ze wel één. Gelukkig overstijgt die eenheid wel eens de verdeeldheid en de scheiding.

Wanneer men één is in Christus, dan kun je wel eens over de muur heenkijken. Ten diepste zijn ze één, om tenslotte eenmaal volmaakt één te zijn.

 

Dus de Heere heeft ook die Hoeksteen gelegd. De Hoeksteen Die, zoals onze tekst zegt, een beproefde Steen is en een kostelijke Hoeksteen. En die Steen is beproefd. Denk aan de verzoeking in de woestijn. Wat is er op afgekomen, dat de Heere Jezus Zijn werk niet zou doen, dat Hij de satan zou aanbidden, dat Hij de Heere zou verzoeken. Maar Hij is beproefd gebleken.

Gemeente, je kunt erop aan. Het is een volkomen Fundamentsteen en ook een kostelijke Hoeksteen. Dat betekent: kostbaar. Het betekent ook dat er een betrekking is op die Hoeksteen. Niet alleen dat Hij kostbaar is. Je kunt iets kostbaars hebben en in de kluis, in de bank leggen, en je hebt er verder geen contact meer mee. Maar deze Hoeksteen is een kostelijke Hoeksteen. Dat betekent: Die heeft de liefde van het hart. Daar gaat je hart naar uit. Allen die op die Fundamentsteen, op die Hoeksteen gelegd zijn, die zijn aan Hem verbónden met de band van liefde, met de band van de Heilige Geest.

Een kostelijke Hoeksteen. Hij is kostelijk voor God. Deze is Mijn geliefde Zoon, in Dewelke Ik Mijn welbehagen heb; hoort Hem (Matth.17:5).

 

Hij wordt ook kostbaar en liefelijk voor degenen die Hem kennen, die met Hem verbonden zijn. Die Fundamentsteen is dus wel gefundeerd, wel gegrond, wel gegrondvest. In de grondtaal staat: gegrónd, gegrónd. Die ligt vast in de eeuwige liefde Gods, in het eeuwige welbehagen Gods, ja, in God Zelf. God kan alleen maar het goede doen en het goede voortbrengen. Als die Fundamentsteen niet goed zou zijn, zou God ophouden God te zijn. Zo goed is die Grondsteen. Zó vast is dat Fundament. Zo is dat een kostelijke en een kostbare Hoeksteen.

 

2. Door het geloof gekend

 

Gemeente, de vraag waar het tenslotte ook in deze dienst op aankomt in de voorbereiding, is: hoe wij staan tegenover deze Hoeksteen? Wat zien we in Hem? Zijn we ook op Hem gebouwd? Zijn wij ook aan Hem verbonden?

Want deze Hoeksteen is gelegd, maar het komt er voor u en voor jullie en voor mij op aan dat we ook tot dat gebóuw behoren. Want die Fundamentsteen is Christus. Want niemand kan een ander fundament leggen dan hetgeen gelegd is, hetwelk is Jezus Christus (1 Kor.3:11).

Die Fundamentsteen dient om een gebouw te dragen en het komt er op aan, dat ook wij een levende steen zijn, die op dat Fundament gelegd is. We lezen daarvan in 1 Petrus 2 vers 4 en 5: Tot Welke komende als tot een levende Steen, van de mensen wel verworpen, maar bij God uitverkoren en dierbaar, zo wordt gij ook zelf, als levende stenen, gebouwd tot een geestelijk huis, tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden op te offeren, die Gode aangenaam zijn door Jezus Christus.

 

Dus het gaat er om dat dat Fundament bebouwd wordt, en dat we ook als een levende steen op dat Fundament gelegd worden. Dan zegt de apostel Petrus: Komende als tot…

Het komen tót die Steen betekent geloven ín die Steen. Het komt dus aan op het door het geloof verbonden te zijn mét die Steen, door de band van de Heilige Geest en de band van het zaligmakend geloof.

Dat betekent dat we in de eerste plaats geleerd hebben dat alle fundamenten buiten Hem ondeugdelijk zijn. Wij, u, jij en ik, zijn van nature geneigd om in onszelf een fundament te zoeken, om redenen in onszelf te zoeken, dat God ons zou willen gedenken. Maar nu gaat het er om dat we dus door het geloof aan Hem verbonden zijn. Dat komt niet anders dan door de weg dat we onze eigen fundamenten kwijtraken.

Dan is er een ogenblik gekomen dat we hebben geleerd dat ons fundament niet deugt. Denk aan het bekende vers van MacCheyne: ‘Eens was ik een vreemdeling voor God en mijn hart.’ Dan heb ik de Heere Jezus niet nodig. ‘Maar toen mij Gods Geest aan mijzélf had ontdekt, toen werd in mijn ziele de vreze gewekt, toen voelde ik wat eisen Gods heiligheid deed; daar werd al mijn deugd een wegwerpelijk kleed!’

Dat betekent dat mijn fundament is afgekeurd. Je kunt voor God niet bestaan. Daar begint het mee. Daar begint het dan mee in ons leven, dat de Heilige Geest ons daaraan ontdekt. Want in de ontdekking krijg je met al Gods deugden te doen. Dat begint niet gemeente, jongens en meisjes, met: ‘Ik kies voor Jezus.’ Laten we dat maar geen juist fundament vinden, onze keus voor Jezus, als een soort rationele beslissing.

De gedachte: ‘Het lijkt mij goed en het lijkt mij nodig en verstandig’, is geen goed fundament. Je krijgt met ál Gods deugden te doen. Je staat met God in relatie. Er gaat een licht op over je afgelegde leven, en het laat in dat licht zien wie je bent voor Gód.

 

Dan krijgt het eerste stuk van onze catechismus en ook van ons avondmaalsformulier betekenis: hoe groot mijn zonden en ellende zijn. Dat betekent niet dat je dat direct in al zijn volheid kent. Maar je bent wel zondaar voor God. Je bent zónder God, je mist God en je hebt geen toekomst. Daar begint het mee.

Kénnen wij dat ook? Dat slaan we toch niet óver? Dan zou je een fatale misrekening kunnen maken. Het begint met: hoe groot mijn zonden en ellende zijn. Met God in rekening, en aan mijn kant schuldig. En God is goed geweest.

Want gelijktijdig trekt de Heere ook met liefde. Dan krijg je verdriet over je zonden. Dat je toch zó tegen die goeddoende God hebt kunnen zondigen.

Dat geeft je diepe smart, je bent God kwijt en je kunt Hem niet missen. Wat zijn ze gelukkig die de Heere kénnen. Wat zijn ze gelukkig die op goede gronden aan het avondmaal mogen gaan. Daar sta ik buiten. De Heere begint met er buiten te zetten. Dat moeten we niet óverslaan. Misschien hapert het daar bij sommigen wel aan. Maar God is een Kenner der harten. Gelijktijdig is er een droefheid naar God, een honger en dorst naar gerechtigheid. Een haten en vlieden van de zonde. Dan ga je je leven reformeren. Dan ga je dingen laten en dan ga je andere dingen doen, die je niet deed.

Toch geeft dat geen vrede.

Toch ligt daar geen rust in als zodanig.

Er is méér nodig.

 

Er is ook kennis van de verlossing. Dat geeft de Heilige Geest. Waar Hij het éne doet, doet Hij het andere ook. Hij doet geen hálf werk. Hij drijft uit tot God in Christus. Want de Geest werkt het geloof. Daar is reeds geloof werkzaam. De bekende dr. Owen heeft eens een voortreffelijk woord gezegd: ‘Het geloof is een vluchten van een boetvaardige zondaar tot de barmhartigheid Gods in Christus.’ Neem dat maar eens mee. Een vluchten van een boetvaardig zondaar tot Gods barmhartigheid in Christus.

Wie zó tot de Heere de toevlucht neemt, zal nooit beschaamd worden. Daar zal de Heere op Zijn tijd doen ondervinden dat het evangelie een boodschap van genade is. Dan mag je horen, en daar begin je nog niet met het avondmaal, maar dan hoor je uit het Wóórd, dat er bij de Heere vergeving is. Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven (Matth.11:28).

De Zoon des mensen is niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zóndaren tot bekering. Naarmate de Heere meer Iicht geeft over Christus, dan ligt in Hém het behoud. Denk bijvoorbeeld aan het woord: Gijlieden gelooft in God, gelooft ook in Mij (Joh.14:1).

 

Dan is er een uitzien en een verlangen om Hém te mogen kennen. Naarmate die kennis ontvangen wordt, wordt de troost rijker en voller. Dan wordt het mogelijk voor mij. En als het voor mij kan, kan het voor een ander zeker. Dan verlang je ook om dat gestalte te geven aan de dis des verbonds, om Zijn dood te verkondigen. Om er nog méér van te mogen leren en om daar meer bevestigd in te worden.

Want het avondmaal is ook tot versterking van het geloof, van dát geloof. Elk ander geloof wordt niet versterkt aan het avondmaal. Het historisch geloof niet, het wondergeloof niet en het tijdgeloof niet. Dat laat je daarin leeg. Maar het ware geloof wordt versterkt, dat ik in de doorleving van mijn diepe onwaardigheid en van mijn schuldig bestaan, dat ik midden in de dood lig, toch het leven zoek buiten mijzelf in Hem. Dat geloof wordt onderhouden en dat wordt vermeerderd. En met minder, gemeente, kan het niet toe.

Daarom, niet onze keus als primair uitgangspunt, maar hetgeen de Héére heeft bekendgemaakt. Ik las daarover behartenswaardige woorden van Comrie, die zegt: ‘Daarbij wordt ondervonden dat Christus, eer zij Hem omhelzen konden, Zich aan hen overgaf zoals Hij is. Dat is het kenmerkende van de geloofsoefeningen. Meerderen vinden wel een uitgang van het hart naar de Heere Jezus, maar worden nooit gewaar dat Hij Zich openbaarde aan hen en aan hen Zich weggeeft. Maar die geloven, weten bij bevinding dat de ontdekking van Jezus in Zijn bereidwilligheid in orde der natuur aan hun geloofsdaden voorafgaat.’

Misschien wat moeilijk, Comrie was niet zo eenvoudig. Mag ik het met een voorbeeld duidelijk maken? Toen de Heere Jezus op de zee wandelde, waren de discipelen bevreesd. Maar toen Hij sprak: Zijt goedsmoeds, Ik ben het, vreest niet (Matth.14:27), hebben ze Hem gewillig in het schip genomen. Gemeente, zo gaat het in het geloof. Eerst schenkt Hij Zichzelf weg, Hij maakt Zich bekend: Ik ben het, vreest niet. Dan de overgave. Dan de geloofsoefening, dan de omhelzing, omdat Hij Zich weggeschonken heeft.

Comrie wijst er op dat dit het kenmerkende is van de ware geloofsoefening. Laten we ons daaraan toetsen. Dan houdt de Heere een ellendig volk over, maar dat op de Héére vertrouwt en het van Hem alleen verwacht.

 

Daar zingen we ook van uit Psalm 72, het zevende vers:

 

Nooddruftigen zal Hij verschonen;

Aan armen, uit genâ,

Zijn hulpe ter verlossing tonen;

Hij slaat hun zielen gâ,

Als hen geweld en list bestrijden,

Al gaat het nog zo hoog;

Hun bloed, hun tranen, en hun lijden,

Zijn dierbaar in Zijn oog.

 

3. Geeft een levende verwachting

 

In de derde plaats, gemeente, staan we erbij stil dat het leggen van het Fundament een levende verwachting en een uitzien geeft. We lezen in onze tekst: Wie gelooft, die zal niet haasten.

Deze tekst wordt tweemaal aangehaald in het Nieuwe Testament. We lezen in 1 Petrus 2 vers 6: Die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden.

Ook Paulus in Romeinen 9 spreekt ervan, dat de heidenen die hun gerechtigheid in Christus zoeken niet beschaamd zullen worden. De Joden die eigengerechtigheid nastreven, die zullen beschaamd worden. Maar, zegt hij, die de gerechtigheid van Christus zoeken, worden niet beschaamd.

 

Hier staat: Die zal niet haasten. Onze kanttekenaren wijzen er op dat met die twee aanhalingen in het Nieuwe Testament de zin verklaard wordt van deze woorden. De betekenis van de woorden ‘Wie gelooft, die zal niet haasten’ worden als het ware nieuwtestamentisch uitgelegd als: die zal niet beschaamd worden.

Nu zijn beide zaken waar: die zal niet haasten, die gelooft zal niet overhaast te werk gaan. Maar die zal ook niet beschaamd worden.

Het ongeloof heeft haast. Dat zien we bij Sara. Sara heeft haast dat Gods belofte zal worden vervuld. Ze was oud geworden. Zij zou geen zoon meer kunnen krijgen. Dus Hagar werd aan Abraham gegeven en Ismaël moest die zoon zijn.

Dat was haastwerk, dat was ongeloof. Je hoeft er niet boven te staan, maar het was wel enkel ongeloof. Ze heeft er ook de nare vruchten van gedragen. Later leefde ze door het geloof. Want we lezen in Hebreeën 11 vers 11: Door het geloof heeft ook Sara zelf kracht ontvangen om zaad te geven, en boven de tijd haars ouderdoms heeft zij gebaard; overmits zij Hem getrouw heeft geacht Die het beloofd had.

Dus in haar laatste jaren kwam gelukkig toch weer een verandering en leefde ze door het geloof. Toen haastte ze zich niet. Toen heeft ze Gods Woord afgewacht.

 

Gemeente, ongeloof maakt God tot een leugenaar en berooft ons van troost en vrede. Denk aan David: Nu zal ik een der dagen door Sauls hand omkomen (1 Sam.27:1). Daarom zegt Jeremia: Waarlijk, tevergeefs verwacht men het van de heuvelen en de menigte der bergen; waarlijk, in de Heere onze God is Israëls heil (Jer.3:23).

Geloven bestaat in kennen en vertrouwen. Dat geloof verlaat zich op de Héére, Die getrouw is en het werk van Zijn handen niet laat varen. De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan (Matth.24:35).

Dus wat de Heere gesproken heeft, dat zal Hij doen. Het geloof verlaat er zich op. In Psalm 62 vers 2 lezen we: Immers is mijn ziel stil tot God; van Hem is mijn heil. Dat is de wondere overgave aan de Heere en aan Zijn Woord, ondanks de omstandigheden, ondanks de aanvechtingen van satan.

Die gelooft zal niet beschaamd worden. Die zal ervaren dat de Heere op Zijn werk terugkomt en voor Zijn werk instaat.

 

Dan zit satan niet stil, ook niet in een week van voorbereiding. Dan zal hij wel degelijk op de been zijn en slaat hij ook niemand over. Dan wijst hij op je vuile klederen en zegt hij: ‘Als je een kind van God was, dan zou het wel anders zijn met je.’ Zo probeert hij op allerlei wijze Gods Woord verdacht te houden. Maar het geloof is een vaste grond der dingen die men hoopt, en een bewijs van de zaken die men niet ziet. Nu is er een zwak geloof en er is een sterker geloof. Een kind dat iets pakt en vasthoudt, laat het soms makkelijk weer vallen. Een man die iets vastheeft, die houdt het vast. Maar we blijven in alles afhankelijk van de Heere.

Gemeente, nu gaat het ook om het kleinste. Het kleinste dat iets kent van dat wonder, dat de Heere van ons wéét en ons vrede met Hem gegeven heeft. Denkt u maar aan het voorbeeld van de opkomende zon. Als in de oostelijke hemel de zon opkomt, dan zie je soms alleen maar een rode schijf, of een halve rode schijf; maar het is wel de zón. Je hebt wel de zon gezíen. Al geeft hij dan nog niet zoveel licht en nog niet zoveel warmte, het is wel de zón. Maar als zij op haar hoogste punt staat, geeft ze veel licht.

 

Zo kan er ook in het geloofsleven zicht ontvangen zijn op Hem, dat je niet vergeet. Maar het ongeloof strijdt met je. Satan betwist het. Er is zoveel wat er tegen getuigt. Maar als de zon aan de hemel staat, dan kun je er zelfs niet in kijken. Dan is het een heldere zon, die warmte en licht geeft. Dan is er vastigheid.

 

Daarom, het sacrament is ook gegeven om het geloof te versterken, te vermeerderen. Maar wel dat vaste gelóóf, dat dus houvast heeft aan Wie de Heere is in Christus, wat in Hém is. ‘Vermeerder het geloof’, was het gebed van de discipelen en de Heere heeft het verhoord. Hij is nog Dezelfde, Die dat geloof ook versterken wil door het gebruik van de sacramenten.

Dat, zoals het avondmaalsformulier ook zegt, wij niet zouden twijfelen dat Gij onze genadige Vader zijt. Dan mag dat een rijke geloofskennis aanduiden, maar ook het kleinste mogen we meenemen. Maar het is wel het kleinste, wat echt van de Heere is.

 

Vaak kan het de strijd zijn: ‘Ben ik begonnen of is de Heere begonnen in mijn leven?’

Waar is het u om te doen? Onze belijdenis geeft zo duidelijk de kentekenen aan. De kentekenen van de vreze Gods, van het geloof in Christus, zijn het hongeren en dorsten naar Zijn gerechtigheid, het haten en vlieden van de zonde en van alles wat ook de rechte avondmaalsviering in de weg staat.

We gaan hier nu niet beginnen over allerlei uitwendige zaken, hoewel die wel terdege van belang zijn. Ook de onderlinge verhoudingen behoren goed te zijn. Er moet in liefde verbondenheid zijn. We behoren geen aanstoot te geven, ook niet in allerlei uitwendige zaken. Dat zijn belangrijke zaken.

Maar het wezenlijke waar het op aankomt, is toch of men zich door genade aan de Heere heeft leren overgeven. Of men zich aan Hem is kwijtgeraakt, op grond van wat Hij gesproken heeft.

 

De discipelen waren bereid Hem in het schip te nemen. Zij namen Hem gewillig in het schip, want Hij was het: Ik ben het, vreest niet. Dat was tot hun blijdschap, terwijl ze eerst verteerd werden van angst. Dat gaf de vrede: Hij was het, en aan Hem hadden ze genoeg.

Dat uitziende geloof kan niet buiten de Héére. Dan ken je niet alleen op vaste tijden je gebed, maar dan ken je ook de worstelingen in de binnenkamer. Dan zoek je de eenzaamheid. Dan mag de Heere weten wat er in je hart leeft. Dan mag je ook wel eens zeggen: Heere, Gij weet alle dingen, Gij weet dat ik U liefheb (Joh.21:16).

Waar dit waarheid is en er is ook een kerkelijk recht, dan staat de tafel open.

 

Kinderen, jongens en meisjes, het Heilig Avondmaal is niet voor doopleden. Maar wel kan ook jij die genade, waar de Heere van spreekt, ontvangen. Al zou je dan nog niet aan het avondmaal mogen deelnemen, dan kan die vrede toch je deel zijn. De Heere heeft Zelf gezegd: Laat de kinderkens tot Mij komen en verhindert hen niet; want derzulken is het Koninkrijk Gods (Mark.10:13).

Je bent dus welkom bij de Heere om van Hem te ontvangen wat tot je zaligheid dient. Zoek de Heere in je jeugd. Die Mij vroeg zoeken, zullen Mij vinden (Spr.8:17). Daarom, die genade kan ook jullie worden geschonken. De Heere wil het nog geven. Doe je mond wijd open en Ik zal hem vervullen.

Maar tot de leden van de gemeente gaat het Woord uit dat zij welkom zijn, die in Hem geloven, die Hem liefhebben en op Hem betrouwen. Die doorleven, met je hele verloren bestaan in jezelf, de toevlucht tot Hem te nemen.

 

Gemeente, dat moet tot uiting komen in ons leven. Want geloven en bekeren hoort bij elkaar. Dat mogen we nóóit scheiden. De Heere Jezus geeft Zijn discipelen in Lukas 24 vers 47 de opdracht: En in Zijn Naam gepredikt worden bekering en vergeving der zonden onder alle volken.

Dat zegt ook Paulus tot de ouderlingen in Eféze, in Handelingen 20, dat hij gepredikt heeft de bekering tot God – dat gaat voorop – en het geloof in Jezus Christus. Dat is heel wat anders dan: ‘Ik kies voor Jezus.’ Maar bekering tot God, daar weet je van. Dat kent een hartelijke droefheid over de zonde en een smart dat we tegen God hebben overtreden.

Maar ook een vreugde in de Heere en lust en liefde om naar al Gods geboden te leven in de vreze van Zijn Naam. Welnu, gemeente, we kunnen het maar aan het oor brengen. De Heere brenge het ook in ons hart, tot overdenking, tot ons welzijn.

Wanneer het gemist wordt wat hier genoemd wordt, ga dan niet aan de tafel, maar weet dan dat de Heere nog dezelfde God is. Bij Hem is alles te verkrijgen wat tot uw zaligheid dient. Daarin wordt niemand uitgesloten. Kinderen niet en oudere mensen niet. Ook u niet, die bent in de kracht van uw leven.

Wie Hem nederig valt te voet, zal van Hem Zijn wegen leren.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 62: 4

 

Doch gij, mijn ziel, het ga zo ‘t wil,

Stel u gerust, zwijg Gode stil;

Ik wacht op Hem; Zijn hulp zal blijken;

Hij is mijn rots, mijn heil in nood,

Mijn hoog vertrek; Zijn macht is groot;

Ik zal noch wank’len, noch bezwijken.