Ds. L. Huisman - Markus 4 : 38b

Gered uit de storm

Markus 4
Hopeloze discipelen
Een slapende Verlosser
Een heerlijke redding

Markus 4 : 38b

38b Meester, bekommert het U niet dat wij vergaan?

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 107: 15, 22
Lezen : Markus 4: 35-41
Zingen : Psalm 93: 1, 2, 3, 4
Zingen : Psalm 46: 2, 4
Zingen : Psalm 66: 6, 8

Gemeente, het Woord van God dat we willen overdenken is uit het u voorgelezen schriftgedeelte, Markus 4 vers 38, deze woorden:

 

Meester, bekommert het U niet dat wij vergaan?

 

Deze tekst, en de geschiedenis waaruit hij genomen is, handelt over: Gered uit de storm.

 

We letten op drie zaken:

1. Hopeloze discipelen

2. Een slapende Verlosser

3. Een heerlijke redding

 

Gemeente, wat de discipelen daar meegemaakt hebben in het natuurlijke, maken Gods kinderen ongetwijfeld ook mee in het geestelijke. Immers, Jezus is gekomen om de werken van de satan te verbreken. Dat is een geweldige strijd. Het is waar: Hij heeft die strijd in zekere zin alleen gestreden. In dat opzicht hebben we geen enkele roem te verwachten. Hij heeft de strijd geheel alleen gestreden, van het begin tot het einde.

Maar het is Gods gewone weg, eer Hij Zijn kinderen in de hemel opneemt, om hen te leren uit hoe grote nood en dood Hij ze verlost heeft. Immers, de kinderen van God mogen straks gaan zingen, eeuwig zingen van Gods goedertierenheden. Als de ongelovigen eeuwig zullen moeten kermen: ‘Had ik maar geluisterd, had ik maar acht geslagen op het Woord van God’, als ze in de poel van verderf hun tanden zullen knersen en in weemoed eeuwig zullen wenen over hun verlorenheid, waar nooit meer iemand uit kan komen, dan zullen degenen die God beminnen eeuwig mogen zingen.

Wat een verschil: eeuwig zingen in de hemel, of eeuwig met de duivelen tanden knersen in de hel. Wat een verschil!

 

Dat geldt nu voor ieder mens, het is: of - of. Gods Woord geeft geen andere weg aan. Wij hebben er dus allemaal belang bij, levensbelang. Al staan we aan de ingang van het leven, al bloeit de wereld voor ons open, of als we reeds als oude mensen aan de grens van de eeuwigheid gekomen zijn; van welke leeftijd wij ook zijn, we hebben er allen het hoogste belang bij.

Daarom heeft Gods Woord ook nu weer recht op uw aandacht. Ik ben ertoe verplicht om u enerzijds de eeuwige liefde van God de Vader uit te schilderen, die Hij geopenbaard heeft in Zijn Zoon op het kruis van Golgotha. Maar ook om anderzijds u het eeuwig wee aan te zeggen als u op uw eigen levenspad blijft doorgaan. Als u zich niet bekeert, dan zal op een dag de storm over u losbarsten, zonder dat er een Redder is. Dan zullen de stormen die over Jezus en Zijn discipelen gekomen zijn, ook over u gaan. Onthoud het maar, dan zal er geen redding, dan zal er geen Redder meer voor u zijn.

‘Dan zult u roepen’, zegt Jezus, ‘maar dan zal Ik niet meer antwoorden; dan is het te laat.’ Daarom bid ik u, in de naam van de Heere Jezus Christus, dat u aandachtig hoort naar de boodschap uit het evangelie, opdat uw zaligheid heden door Hem in uw hart gewerkt zou mogen worden. Want het geloof is uit het gehoor, en het gehoor door het Woord van God.

 

God brengt u deze boodschap om u tot bekering te brengen. Dezelfde Jezus, Die voor de poorten van Jeruzalem geweend heeft, staat ook hier voor u en Hij weent over de onbekeerlijkheid van uw hart. Is Hij niet al heel wat jaren met u bezig om u tot andere gedachten te brengen? Heeft Hij niet al heel wat arbeid der liefde aan uw ziel besteed en hebt u Hem dan nog nooit gehoorzaamd?

Heeft dan Zijn stem u nooit bewogen tot bekering? Hebt u dan nooit uitgeroepen: Jezus, Gij Zone Davids, ontferm U mijner (Luk.18:38)? Hebt u dat nog nooit gesmeekt aan Zijn voeten? Dan bent u inderdaad de ongelukkigste van alle mensen. Mocht dan in deze dienst Zijn stem, de stem van de Zoon van God, eens door de harde muren van uw weerstand heen breken, opdat u horen mocht en leven!

 

We zien hier een gedeelte uit de geschiedenis van de Heere Jezus met Zijn discipelen. Het was zo heerlijk begonnen: een grote schare volgde Hem. De discipelen waren zo blij; ze hielden van hun Meester. Ze hebben Zijn woorden ingedronken zoals een dorstige ziel het water drinkt. Ze hadden reeds lang gezucht onder de stem van andere leraren, van de farizeeën, van de schriftgeleerden.

In ons taalgebruik is de benaming ‘farizeeër’ een belediging. Als u tegen iemand zegt: ‘Je bent ook maar een farizeeër’, dan beledigt u hem diep. Want dan bedoelt u te zeggen: ‘Je bent een huichelaar.’ Maar dat was in die dagen niet zo! Nee, farizeeërs waren de geëerde leraars. De schriftgeleerden onderwezen het volk. De tittel en de jota van het Woord van God konden ze aan het volk bekendmaken, dat wil zeggen: tot zelfs aan de punt en de komma! Het waren de hooggeachte, de zeer geleerde voormannen van het volk.

Maar helaas, het waren ook de misleiders van het volk. De kern van de zaak waar het over ging in het hele Woord van God hebben ze verworpen. Wat is de kern, ook van het gehele Oude Testament? De zaligheid ligt niet in de mens, maar in Gods soeverein welbehagen! Nee, het ligt niet aan God dat de farizeeërs en de schriftgeleerden de plank mis sloegen. Dat ligt ook niet aan het onderwijs dat ze gekregen hebben, maar dat ligt aan hun eigenwijsheid, aan de verharding van hun hart.

Ze hebben het Woord van God gelezen door hun eigen bril, met hun verdorven verstand. Daarmee zijn ze op de kudde afgestormd en met de ijzeren zweep van de wet hebben ze getracht het volk van God bij elkaar te houden, bij elkaar te brengen en op hun manier in de hemel te doen belanden. Altijd maar: ‘Doe dat en gij zult leven.’ En we weten dat de mens niet gerechtvaardigd wordt uit de werken der wet, maar door het geloof van Jezus Christus (Gal.2:16). Geen vrede, geen zaligheid, geen toekomst zal er zijn buiten de gerechtigheid van de Heere Jezus Christus. Niet voor de Jood, niet voor de heiden, voor niemand! Want de wet werkt toorn, gemeente, daar komt geen zaligheid uit. Wel droefheid misschien, wel tranen, wel pijn, wel geween. Ten beste nog een vrome farizeeër die kan zeggen: ‘We hebben het er zo goed mogelijk afgebracht; mensen zonder zonde zijn er nu eenmaal niet. Ik heb gedaan wat ik kon, daar zal de Heere wel tevreden mee zijn. Want meer kan een mens toch ook niet doen?’

We horen zulke meningen ook wel eens onder ons zeggen: ‘Ja, dominee, u moet niet zo aandringen, want een mens is toch dood in de zonden en de misdaden?’ Ja, gemeente, dat geloof ik zeker, maar ik geloof even zeker dat doden zullen horen de stem van de Zoon van God, en die ze gehoord hebben, zullen leven! Daarom mag ik u opnieuw de Zoon van God verkondigen. Bid God maar veel of Hij uw oren opent en uw harten vernieuwt. Dan zult u het Woord van God indrinken zoals een dorre aarde de regen van de hemel. Dan zult u ook vruchten dragen, vruchten van geloof en bekering.

 

Te midden van deze mensen, die zich al meer en meer tegen Jezus en Zijn genade begonnen af te zetten en die al vromer en vromer werden in eigen ogen, kwam Jezus met Zijn prediking. Hij zocht niet de elite; Hij zocht niet de overpriesters en de schriftgeleerden, maar Hij zocht een groep eenvoudige vissers aan het meer van Gennésaret. Mensen zoals u en ik, handwerkslieden. Niet omdat bij de Heere de arme mensen hoger aangeschreven staan dan de rijken, dat niet, maar wel zo dat een rijke bezwaarlijk in het koninkrijk Gods zal binnengaan. Waarom? Omdat hij zoveel op de aarde heeft om zich mee te vermaken en daarmee bezig te zijn.

Die arme vissers van het meer van Galilea waren de eersten die door de Heere werden opgezocht en als Zijn knechten aangesteld. Waarom hingen die mannen nu zo aan Zijn lippen? Wel, Hij preekte zo anders dan de schriftgeleerden. Hij begon met te zeggen: Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven (Matth.11:28). Dat hadden ze nog nooit gehoord.

De farizeeën zeiden: ‘Luister: u die de wetten van de Heere getrouw onderhoudt, u die nauwkeurig wandelt in de inzettingen van de ouden, u die gebod op gebod naleeft en regel op regel betracht, u bent het volk van God.’ Maar Jezus sprak over vermoeiden en belasten. Hij voegde de daad bij het woord. Hij zocht ze op, de verlorenen, de kreupelen, de blinden, de melaatsen, de armen, en Hij sprak ze vriendelijk toe.

 

Nu riep Hij de discipelen van hun netten, uit hun vissersschuiten vandaan, en Hij zei: Volg Mij na (Mark.1:17). Met de eigenaardige bekoring die van Hem uitging, trokken ze achter Hem aan. Ze luisterden nauwkeurig. Het wonder van Zijn prediking werd al groter in hun leven. Zij hielden van Zijn woorden en ze waren blij dat er reeds een hele schare was die naar Zijn woord kwam luisteren.

Want zo gebeurde het. Er was een grote schare die naar Zijn woord kwam luisteren, daar aan de oever van het meer van Gennésaret. Ze hebben geluisterd, ademloos geluisterd, de hele dag. De ene gelijkenis na de andere sprak Hij uit. Ze hebben gezegd: ‘Hierin is iets vreemds: Hij bemoeit Zich met ons! Hij spreekt zo, dat ook voor ons de weg naar het koninkrijk van God geopend is, dat ook wij mogen ingaan door de paarlen poort in de Godsstad!’

 

Toen het avond geworden was, was Hij moe. De schare verlaten hebbende namen ze Hem mee in het schip. Het was het einde van de dag. De Heere had tot Zijn discipelen gezegd (in het vijfendertigste vers): Laat ons overvaren aan de andere zijde. ‘Ga maar wat van de schare weg. Ik heb nu voor deze dag Mijn woord beëindigd. Ik heb behoefte aan rust.’

Hierin zien we dat die grote God, Jezus Christus, onzer één was. Hij had behoefte aan rust. Hij heeft Zich afgemat om het werk van Zijn Vader te doen. O, hoe laag is Hij afgedaald. Maar ook, hoe heerlijk is Hij daar onze Leidsman en Zaligmaker, Die al onze noden kent, al onze smarten meevoelt, onze vermoeidheid, onze ellende, onze eenzaamheid of welke pijn ons ook treft, de smart en de rouw die u doormaakt.

Jezus Christus heeft het alles doorgemaakt. Hij kan ons in al onze noden te hulp komen, want Hij is Zelf in al deze dingen verzocht geweest, zoals wij. Hij heeft ook aan het graf gestaan van Zijn geliefde vriend, en Hij heeft geweend, staat er. Jezus weende bij het graf van Lazarus. Hier staat dat Hij moe was, dat Hij behoefte had aan slaap. De discipelen steken dan ook gehoorzaam af naar het midden van de zee en ze hopen daar in de nacht een heerlijke rust te genieten.

 

Helaas, de rust die we hier op aarde soms mogen vinden na een volbrachte dagtaak is soms maar kort. Ook deze rust duurde niet zo erg lang. Want als ze het niet verwachten steekt er een storm op, zoals dat wel vaker gebeurde daar op het meer van Gennésaret. Over de bergen komt de wind en slaat neer op het water. De golven stijgen omhoog. In korte tijd wordt het scheepje als een notendop op en neer geworpen.

Een grote storm van wind, staat er. De baren sloegen over in het schip, alzo dat het schip vol werd. Ze hadden handen vol werk om het water eruit te hozen, zodat het schip niet zou zinken en zij niet zouden verdrinken. En dat in het midden van de nacht. Angstige boel! Verschrikkelijke omstandigheden!

Je vraagt je af: ‘Waarom nu toch? Het ging toch zo goed?’ Wel, gemeente, laat ik het maar kort en goed zeggen: Jezus geeft – terwijl we hier leven – de duivel soms zijn volle kans. Maar Hij zal wel laten zien dat de overwinning de Zijne is. Wij zullen vervolgens leren uit hoe grote nood en dood Hij ons verlost heeft, zodat we eeuwig zullen mogen zingen van Zijn goedertierenheden.

 

Want God doet alle dingen om Zijns Zelfs wil. Dat vergeten we vaak. Hij is de Heere, Hij doet alle dingen tot Zijn eer en tot Zijn verheerlijking. Als Hij nu verheerlijkt wil worden door de satan toe te laten om daar de golven huizenhoog te doen gaan, dan doet Hij dat. Dan spaart Hij ons in dat opzicht niet. Hij laat ons niet vergaan, dat niet, maar we moeten hier wel – achter Hem aan – het kruis leren dragen, om te weten dat de satan macht gekregen heeft op de aarde, vanwege onze zonden.

We moeten wel weten wat onze zonden ons berokkend hebben en wat het God gekost heeft. De ouden noemden dat ‘ontdekking’. We moeten hieraan ontdekt worden. Ontdekken is iets wat verborgen is openbaar maken. God ontdekt ons soms op zulke wegen aan wie wij feitelijk zijn, hoe Godevijandig we zijn. Maar ook – gelukkig wel – aan Wie Hij is. Dat is het doel van de ontdekking.

 

Wij zijn maar discipelen, vaak op een woeste zee, in een scheepje dat het tegen zulk geweld niet uit kan houden. In het midden van het woeden der baren, door de duivel aangehitst en meegeblazen, in gevaar van verloren te gaan. Elk kind van God maakt dit mee in zijn leven. En wat doen we dan? Ach, in plaats dat we aanstonds ons hoofd ter ruste leggen aan het hart van Jezus, beginnen we – zonder Jezus – te schreeuwen, te roepen en te kermen. We proberen om het schip recht te houden. Maar het lukt niet. En Jezus slaapt…

De discipelen, ja wij allemaal, moeten het leren en ervaren: ‘Enerlei wedervaart de rechtvaardige zowel als de goddeloze, hij die God dient zowel als hij die Hem niet dient.’

Wij moeten er rekening mee houden dat ook wij geboren zijn onder de vloek, dat we deel zijn van het gevallen adamsgeslacht, en dat ook ziekten, moeite, verdriet, lijden en sterfgevallen ons zullen treffen. Zeker!

 

Daarbij komt nog dat we wel eens een extra deel krijgen. Weet u waarom? Wel, wie de Heere liefheeft, die kastijdt Hij en Hij tuchtigt een iegelijk zoon die Hij aanneemt. Waar Hij vele goddelozen laat varen op een rustige zee, hun eeuwige ondergang tegemoet, daar leert Hij Zijn kerk, Zijn kinderen, uit hoe grote nood en dood Hij ze verlost heeft. Daar leert Hij ons in het bijzonder wat de wereld ten diepste nooit leert kennen, en dat is: God de rug te hebben toegekeerd. Die les ontvang je alleen door de genade van de Heilige Geest.

Dat is een kennen dat binnenin je hart zo’n pijn gaat doen, zo’n vreselijke pijn. Te weten: ik heb God verlaten, ik heb Zijn liefde veracht, ik heb Zijn eer gekrenkt en Hij heeft me nog nooit kwaad gedaan.

Dat komt meestal niet gelijk openbaar in een voor de mensen zichtbaar verdriet, maar dat is dat knagende berouw dat je op je knieën voor God uitschreit. Misschien in een hoekje van je kamer, als niemand je ziet, en dat je zegt: ‘O God, ik ben ook zo’n ellendig mens; wat heb ik het vandaag weer laag laten liggen. Wat heb ik U al lang bedroefd. Wat heb ik Uw zorg voor mij veracht. Wat heb ik Uw geboden vertrapt. En toch was U zo goed voor mij. U hebt me eten en drinken gegeven, kleding en alles waarmee U mij verzorgt in deze wereld. Maar ik, Heere, ik heb tegen U gezondigd en ik heb gedaan wat kwaad was in Uw ogen. Genâ, o God, genâ!’

 

Kent u daar in beginsel iets van? Nu bepaal ik niet hoe groot de droefheid moet zijn, maar dit zeg ik u wel: de droefheid moet zo zijn, dat ze u noodzaakt om schuldbewust aan de voeten van de Heere neer te zinken. Wie Hem nederig valt te voet zal van Hem Zijn wegen leren. Ik predik niet dat u naar de hel moet gaan voordat u Jezus kunt vinden, gelukkig niet. Want dan zou Jezus tevergeefs zijn gestorven. Nee, ik predik u dat, wanneer u aan de weet komt een doemwaardig zondaar te zijn, dat er redding is door Hem Die in uw plaats naar de hel gegaan is.

Mensen die denken eerst in de hel te moeten zijn geweest, die roemen hun hele leven in zichzelf, als ze zeggen: ‘Ja, je moet niet zo licht over me denken, de Heere heeft een diepe weg met mij gehouden. Het ging met mij niet zomaar.’

Maar als u niet zómaar zalig wordt, zult u dan wel ooit zalig worden? Want al uw slagen en al uw droefheid en al uw tranen brengen u immers geen stap nader tot de hemel. Maar zó ver moet u vernederd worden, dat u afziet van eigen krachten, dat u gaat vluchten tot Jezus, tot uw Redder, dat u zegt: ‘Heere, ik kan mezelf niet meer redden. Als ik er aan begin, de dag is nog geen uur oud of ik heb het al weer verbeurd en verzondigd. O Heere, red U mij, anders komt er nooit iets van terecht!’

 

Dan kan het zijn dat er soms hevige stormen over uw leven losbarsten. Gods weg is met elk van Zijn kinderen verschillend. Gelukkig de mens die in de storm komt zoals deze discipelen in de storm gekomen zijn. Want als ze het zelf niet meer redden kunnen, als ze zien dat met al hun schipperskunst het scheepje toch te gronde zal gaan – en zij met het scheepje – dan roepen ze het uit: Meester, bekommert het U niet dat wij vergaan?

Even tevoren hadden ze nog zulke vriendelijke gedachten van de Heere en waren ze zo blij met Hem. Niet alleen dat, maar ze hadden ook Zijn woorden zo ingedronken, zo liefelijk en zoet, zo lokkend en zo nodigend, zo hartelijk en zo liefdevol. Ze geloofden in Hem. Maar dan nu, een paar uur later, daar zitten ze in een vliegende storm; en dan beginnen ze harde gedachten van Jezus te krijgen.

Dan zeggen ze: ‘Is het niet meer waar, wat U een paar uur tevoren tot ons sprak? Laat U ons nu aan ons lot over? Geeft U ons nu over aan het woelen van de baren, aan het werk van de satan? Heere, moeten we nu verdrinken? We geloven toch in U? We hebben U toch gehoord en we hebben Uw woord toch aangenomen?’

Ja, die toestand maakt de kerk des Heeren wel eens mee. Maar dan moet u niet uit de boot springen. Er zijn wel eens mensen die dat doen, die zeggen: ‘Nee, het gaat helemaal niet goed.’ Welnu, het heeft van onze kant uit nog nooit goed gegaan. Gods kinderen worden allemaal op het randje af gered. Ze worden alleen door genade zalig, en niet omdat het zo goed gaat. Maar ze worden wél zalig, want Hij laat nooit varen het werk van Zijn handen. Als de storm er is, maar Jezus is er niet, dan komt u er ook niet, want u komt er alleen maar met Jezus uit. Onthoud dat goed.

 

Als Jezus er is, dan mag het scheepje geschud worden, dan mogen de golven woeden en dan mogen we bang worden en roepen: ‘Meester, Meester, wij vergaan!’ Dan kan het wel eens in je hart opkomen: ‘Heere, bent U van gedachten over ons veranderd? Vroeger, toen we daar samen aan het strand zaten hebt U ons zo vriendelijk toegesproken. Waarom dan nu die storm, nu dat woeden van de satan met zijn verwoestend werk?’

Want al die bruisende golven zijn er om de discipelen te doen schreeuwen van vrees, om de oprechten van hart harde gedachten te geven van de Heere. Laat het toch niet toe in je hart; laat die schandelijke gedachten, alsof Jezus een minnaar was die vandaag liefheeft en morgen weer verwerpt, toch niet toe in je hart. Want die Hij liefgehad heeft, die heeft Hij liefgehad tot het einde! Kleef Hem aan, ook in stormgedruis.

Blijf bij Hem in het scheepje! Hij verdraagt dan uw harde gedachten wel. Hij keurt het niet goed, maar Hij verdraagt het wel, want Hij weet wat van Zijn maaksel is te wachten; zwak van moed zijn ze en klein van krachten. Een stelletje stakkers bij elkaar, die zelf het scheepje ook niet recht kunnen houden. Die zelf de golven ook niet kunnen verdrijven. Die zelf ook geen stilte kunnen maken.

Maar wat ze wel deden – al was het dan op een ongepaste wijze – zij riepen toch de Heere aan. Ze erkenden Hem toch als ‘de Meester’ en ze zeiden: Bekommert het U niet dat wij vergaan?

 

Wat doet Hij? Wel, Hij laat Zich opwekken en bestraft de wind. Niet de discipelen. Daar heeft Hij straks nog wel een vaderlijk woordje voor, maar Hij bestraft ze niet. Hij bestraft de duivel en Hij bestraft de wind. Hij bestraft de goddelozen en Hij bestraft de verachters van Zijn Naam, als Hij zegt: ‘Wat hebt u aan Mijn schapen te doen? Wat jaagt u ze uiteen? Waarmee ben je bezig, lelijke duivel? Zwijg, wees stil!’ Dan moeten al die vreselijke natuurkrachten zwijgen.

 

We zingen nu eerst uit Psalm 46 vers 2 en 4:

 

               Laat vrij het schuimend zeenat bruisen;

               D’ ontroerde waat’ren hevig ruisen;

               De golven mogen door haar woên

               Het berggevaarte daav’ren doen;

               De stad, het heiligdom, de woning,

               Van God, de allerhoogste Koning,

               Wordt in haar muren, t’ allen tijd,

               Door beekjes der rivier verblijd.

 

               De Heer’, de God der legerscharen,

               Is met ons, hoedt ons in gevaren;

               De Heer’, de God van Jakobs zaad,

               Is ons een burcht, een toeverlaat.

               Komt, wilt op ’s Heeren daden merken;

               Aanschouwt des Hoogsten grote werken;

               Zijn macht, die nooit te stuiten is,

               Maakt d’ aarde tot een wildernis.

 

Jezus slaapt in de storm, maar Hij is wel aan boord! Het kon voor een ogenblik schijnen dat Hij Zich niets aantrekt van het leven van Zijn kinderen. Maar Hij zegt: Zie, Ik heb u in de beide handpalmen gegraveerd; uw muren zijn steeds vóór Mij (Jes.49:16). Hij hoort u. Hij ziet u. Naar Zijn godheid, naar Zijn genade slaapt Hij nooit. Al schijnt Hij dan Zich het lot, de nood van de Zijnen niet aan te trekken, maar Hij zorgt wel voor hen; ja, Hij heeft zelfs de haren van uw hoofd geteld.

Denk daar maar aan, als de nood u overvalt, als de storm in uw leven opsteekt. Als u denkt: ‘Ik verdrink, ik ga verloren’, doe dan maar wat de discipelen gedaan hebben. Al was het dan niet zo heel correct, al hebben ze Hem dan zijdelings van onbarmhartigheid beschuldigd, van vergeetachtigheid. Ach, dat neemt Jezus op de koop toe.

 

Je kunt toch nooit begrijpen wat een vader en moeder soms allemaal van een kind moeten verdragen. Als je aan het hart van Jezus geluisterd hebt, dan weet je het. Nee, dat wil niet zeggen dat je dan lichtvaardig over allerlei zonden en onbehoorlijkheid heen leeft. Nee, juist niet! Maar als u tegenover uw murmurering, uw onvergenoegdheid, uw gemor, Zijn liefde ziet, Zijn trouw die nooit vergaat, dan zeg je: ‘Heere, ik heb mijn mond opengedaan, maar wat ben ik een dwaas; ik zal het niet meer doen. Want nu zie ik het: al sliep U dan, al leek het alsof we zouden vergaan, we zijn toch niet vergaan.’

We zullen nooit vergaan. Daar staat Jezus Borg voor. Híj is vergaan, Hij heeft in onze plaats de toorn van God gedragen, Hij heeft in onze plaats de strijd gestreden tot in de dood, tot in het graf, tot in de hel. Daar zullen wij nooit meer komen. Nooit meer! We hoeven Hem daarin ook niet na te volgen. We kúnnen dat ook niet. We zouden onder de toorn van God voor eeuwig verzinken. Maar wat Hij gedaan heeft, dat is genoeg voor onze zaligheid. Kom, als u dan in nood gezeten geen uitkomst ziet, wil dan nooit vergeten: Hij verlaat u niet.

Al schijnt Hij ook voor ons in een diepe slaap te zijn, al roepen wij ook: ‘Meester, ziet U het dan niet, wij vergaan! Ik kan er niet meer tegenop! Het geweld der baren is te hoog!’ Dan komt Hij en dan bestraft Hij de wind. Zo is onze God. Dan zegt Hij tot de duivel, en tot al de vijanden van Gods kerk, de vijanden van de waarheid: Zwijg, wees stil! Dan durft er geen hond zijn bek meer open te doen.

 

Zwijg, wees stil! De wind ging liggen en er was een grote stilte, staat er. Onvergelijkelijk! Opmerkenswaardig! Nog nooit eerder hadden ze zo’n stilte na zo’n storm gezien.

Zo doet God, gemeente. Als Hij ons naar Zich toe trekt en als Hij ons dat dierbare geloof schenkt in de beoefening, dan zegt Hij alleen maar dit: Wat zijt gij zo vreesachtig? Hebt gij geen geloof? (vers 40)

Dat betekent niet, zo zeggen onze kanttekenaren, dat ze helemaal geen geloof hadden, maar hun geloof was zwak, was klein. Kleingeloof, waar de Heere in Zijn kinderen zo menigmaal mee te doen kreeg. ‘Kleingelovigen, wat heb je toch kleine gedachten van Mij; wat zit je toch allemaal te kijken op die grote golven; wat kijk je toch allemaal naar de vijanden van de kerk.’

Ja, het is waar, de vijanden vermenigvuldigen zich en ze maken zich op tegen de Heere en tegen Zijn Gezalfde. Dat doen ze. Maar is Hij niet groter dan het geweld der golven, die Zijn almacht palen stelt? Hebben wij niet het Woord van de levende Christus? Heeft Hij ons deze geschiedenis niet gegeven opdat we er lessen uit zouden leren op de weg, op de smalle weg naar het leven?

Dat we tegen Hem zouden zeggen: ‘Meester, nu weet ik het, nu heb ik het weer gehoord. Al schijnt het dat U Zich van onze zorgen niets aantrekt, U bent toch onze Leidsman, onze Opperschipper. Heere, ik vertrouw U het roer van mijn levensscheepje opnieuw toe. Neem het scheepje van mijn leven onder Uw opzicht en leid me dan maar, door goed gerucht en door kwaad gerucht. Maar ik vertrouw U! U bent Mijn Heere en Mijn Zaligmaker!’

Zeg dat toch eens uit voor God. Dat hoort Hij zo graag. Murmureer niet alleen, klaag niet alleen, tob niet alleen, noem niet alleen uw zonde, maar spreek ook uw geloof eens uit, al is het een zwak geloof, een wankelend geloof. Het gekrookte riet verbreekt Hij niet en het rokende vlaswiekje blust Hij niet uit.

 

Er werd grote stilte. U vraagt wellicht: Waarom toch zo’n storm? Wel, vergeet niet: de discipelen moesten apostelen worden en om apostelen te zijn moesten ze wel tegen de stroom op en tegen de storm in. Ze moeten straks de heidenwereld in. En wij? Ook wij moeten Zijn getuigen zijn hier op de aarde. Want Hij heeft ons niet vernieuwd opdat we op ons bed zouden gaan rusten en zeggen: ‘Ziezo, dat heb ik eventjes getroffen!’

Nee, Hij zegt: ‘Gij zijt Mijn getuigen.’ Als je getuige wilt zijn, dan zul je de strijd die de discipelen ondervonden hebben, ook ondervinden. Want kermers en klagers vinden ook in de wereld wel aftrek. Maar getuigen van Jezus, getuigen van Zijn heerlijkheid, getuigen van Zijn liefde, die zijn niet zo in trek. Dat komt omdat je dan je leven moet verliezen. Dan moet je inleveren waar je van nature zo aan gehecht bent.

 

Maar als je er iets van gaat zien wat de discipelen gezien hebben hier in deze vliegende storm, dan ga je toch van de Heere houden. Dan is het toch niet moeilijk meer om te zeggen: ‘Weg wereld, weg schatten, ge kunt niet bevatten hoe rijk dat ik ben. ‘k Heb wel alles verloren, maar ik heb Jezus verkoren, Wiens eigen ik ben. Naar Hem wil ik luisteren, naar Hem wil ik horen. En al heb ik Hem dan bedroefd, al heb ik dan – in ongeloof – niet geloofd dat Hij de winden stil kon maken, Hij heeft het wel aan me betoond, Hij heeft het wel aan me bevestigd: Zwijg, wees stil!

Het enige wat Hij tot u zegt is: ‘Kleingelovige, waarom hebt gij gewankeld? Vreesachtige, hebt gij geen geloof? Vertrouwt u Mij dan niet? Ben Ik dan zo’n slechte Vader voor u? Ben Ik dan zo’n slechte Herder voor Mijn kudde?’ Merkt u wat Jezus wil? Dan zak je door de grond, dan zak je aan Zijn voeten neer. Dan roep je het uit: ‘Nee, Heere, U was altijd goed voor me.’

 

Zie, dat is nu het doel waartoe we in de storm komen, ook als gemeente. Vertrouw op Hem, o volk, in smart; stort voor Hem uit uw ganse hart. We zullen er gelouterd uit komen.

De grootste kinderen van God, de heerlijkste dienstknechten van de Heere, hebben het schoonste lied gezongen onder de hoogste verdrukking.

Rutherford, een dominee in Schotland, die om Christus’ wil gevangen zat in vroeger tijden, heeft in de gevangenis zijn heerlijkste brieven, zijn godzaligste brieven geschreven. Er is naast de Bijbel, zegt één van de godgeleerden, geen schoner boek dan de brieven van Rutherford. Hij heeft nooit zulke heerlijke preken gehouden als de preken die hij hield in gevangenschap. Toen heeft hij het hoogste lied van zijn Koning gezongen.

De genade van Jezus Christus blinkt nooit zo heerlijk als in de storm. Hij leert ons hier afzien van alles wat buiten Hem is. Hij leert ons onszelf te verlaten op Hem alleen. Hij vraagt dit ene: Hebt gij geen geloof? Daar ging het om. Wanneer het geloof werkzaam is, dan is het altijd door de liefde werkende. Gebrek aan geloof, dat is gebrek aan liefde. Een vast geloof is een heerlijke liefde, een grote liefde, een hartelijke liefde. Wie is er te beminnen dan Hij alleen?

 

Op welk scheepje vaart u eigenlijk? Want er zal in ons aller leven eenmaal een storm opsteken. Ook voor de goddelozen, de onbekeerden, die voortgaan in hun eigen weg, zal er toch eenmaal een storm komen. Als u dan de storm alléén door moet, zonder Jezus, zonder dat u Hem kent, dan zal het schip van uw verwachting te pletter slaan op de rotsen van het goddelijk ongenoegen; dan zult u schipbreuk lijden. U zult sterven en voor eeuwig in de hel neerdalen, in de plaats van de duivelen. Daar zal wening zijn en gekners der tanden.

Niemand weet wanneer die storm over u komen zal, maar het kan vandaag al zijn, dat kan vannacht al zijn, het kan morgen zijn. Ach, laat het over vijftig jaar zijn, maar de storm komt. Het oordeel komt. God zal God blijven, ook al ontkent u Zijn macht en Zijn majesteit. Of erger nog: al spot u met Zijn genade en met Zijn lankmoedigheid, Hij zal toch God blijven, al krenkt u dan Zijn eer.

Maar wat zal het dan straks vreselijk voor u zijn als uw scheepje gaat stranden, als het uit elkaar geslagen wordt door de rukwinden van Gods verbolgenheid! Wat zal het voor u ontzettend zijn als u voor het vlammend zwaard van een heilige engel, nee, wat zeg ik, van Jezus Christus Zelf, geplaatst zult worden? Wat zal dat erg zijn, wat zal het vreselijk zijn om te vergaan, terwijl Hij u redding aanbood! Te vergaan terwijl Hij over u weent, terwijl Hij elke zondag voor u stond en tot u zei: ‘Wat denkt u van Mij? Wie ben Ik voor u?’

Dan zult u geen verontschuldiging meer hebben. Dan zullen al uw antwoorden u in de keel blijven steken. Dan zult u het tegen uw wil moeten toestemmen: ‘Hij was een Redder, maar ik heb Hem niet geacht.’ Maar u zult het nooit toestemmen, want u zult in eeuwige vijandschap ten onder gaan.

 

Laat het dan nú veranderen. Laat het dan heden, nu gij Zijn stem hoort, in uw hart zo zijn: Ik zal opstaan en tot mijn vader gaan, en ik zal tot hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u, en ik ben niet meer waardig uw kind genaamd te worden (Luk.15:18-19).

Dan zul je eens zien wat Jezus doet, gemeente! Eer deze dag voorbijgaat zal Hij u vriendelijk toespreken. Dan zal Hij uw hand vatten, en dan zal Hij zeggen: ‘Zoon, dochter, wees welgemoed, uw geloof heeft u behouden!’

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 66: 6, 8

 

Door ’s Hoogsten arm ’t geweld onttogen,

Zal ik, genoopt tot dankbaarheid,

Verschijnen voor Zijn heilig’ ogen,

Met offers, aan Hem toegezeid.

Ik zal, nu ik mag ademhalen,

Na zoveel bange tegenspoed,

Al mijn geloften U betalen,

U, Die, in nood, mij hebt behoed.

 

Komt, luistert toe, gij Godgezinden,

Gij die de Heer’ van harte vreest,

Hoort wat mij God deed ondervinden;

Wat Hij gedaan heeft aan mijn geest.

’k Sloeg, heilbegerig, ’t oog naar boven;

Ik riep de Heer’ ootmoedig aan;

Ik mocht met mond en hart Hem loven,

Hem, Die alleen mij bij kon staan.