Ds. H. Paul - Lukas 13 : 6 - 9

De gelijkenis van de onvruchtbare vijgenboom

Lukas 13
Het werk, aan deze boom besteed
De vrucht, aan deze boom gezocht
Het bevel, voor deze boom gegeven
Het uitstel, voor deze boom gevraagd
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Een zaaier ging uit…’ (deel 18)

Lukas 13 : 6 - 9

Lukas 13
6
En Hij zeide deze gelijkenis: Een zeker man had een vijgeboom, geplant in zijn wijngaard; en hij kwam en zocht vrucht daarop, en vond ze niet.
7
En hij zeide tot den wijngaardenier: Zie, ik kome nu drie jaren, zoekende vrucht op dezen vijgeboom, en vind ze niet; houw hem uit; waartoe beslaat hij ook onnuttelijk de aarde?
8
En hij, antwoordende, zeide tot hem: Heer, laat hem ook nog dit jaar, totdat ik om hem gegraven en mest gelegd zal hebben;
9
En indien hij vrucht zal voortbrengen, laat hem staan; maar indien niet, zo zult gij hem namaals uithouwen.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 81: 11, 13
Lezen : Lukas 13: 1-9, 22-35
Zingen : Psalm 106: 2, 3, 4
Zingen : Psalm 95: 4, 5
Zingen : Psalm 103: 8, 9

Gemeente, de tekst voor deze oudejaarsdienst vindt u in het gedeelte van het Woord van God dat u voorgelezen is uit Lukas 13, de verzen 6 tot en met 9. Ik lees u het zesde vers:

 

En Hij zeide deze gelijkenis: Een zeker man had een vijgenboom, geplant in zijn wijngaard; en hij kwam en zocht vrucht daarop, en vond ze niet.

 

Onze tekst handelt over: De gelijkenis van de onvruchtbare vijgenboom.

 

We willen letten op een viertal gedachten:

1. Het werk, aan deze boom besteed

2. De vrucht, aan deze boom gezocht

3. Het bevel, voor deze boom gegeven

4. Het uitstel, voor deze boom gevraagd

 

Onze eerste gedachte:

 

1. Het werk, aan deze boom besteed

 

Gemeente, wij mogen in deze oudejaarsdienst voor de laatste maal van het bijna voorbijgegane jaar, met elkaar samen zijn in Gods huis. Een voorrecht dat ons gegeven is door de Heere. Het is ook een voorrecht en een zegen, waarvan de Heere ook weer rekenschap vraagt. Want alles wat Hij aan ons besteedt, al de arbeid die Hij aan ons ten koste legt, heeft als doel dat het ons aan Hem zal verbinden. Opdat we de Heere Zelf zouden nodig krijgen.

Jongens en meisjes, laten we niet zeggen: ‘Fijn, dit jaar is dit en dat allemaal gebeurd.’ Nee, want de Heere geeft dit op­dat je daarmee tot Hem zult terugkeren en erkennen dat je geen rechten hebt, en opdat de goedertierenheid des Heeren je tot bekering zal leiden.

 

Veel arbeid heeft de Heere aan ons ten koste gelegd; veel mest is om onze levensboom gelegd. Dat blijkt ook uit het onderwijs dat de Heere Jezus de schare heeft gegeven, toen Hij de gelijkenis uitsprak van de onvruchtbare vijgenboom. Hij deed dat naar aanleiding van gebeurtenissen die de mensen bezighielden.

Dat was in de eerste plaats dat Pilatus mensen gedood had toen zij offeranden brachten. Een aangrijpende gebeurtenis, die de wreedheid van de Romeinen kenmerkte en waarover men in verontwaardiging sprak. Maar ook met de gedachte dat deze mensen het misschien wel hadden verdiend; dat er wel iets met hen aan de hand zal zijn geweest, waarom nu juist zij gedood waren toen zij het offer brachten.

De Heere Jezus gaat hier tegenin en zegt dat deze mensen geen groter zondaars waren dan zijzelf. Zij worden hier zelf aangewezen als mensen die de dood hadden verdiend! Daarom gebruikt de Heere nog een voorbeeld: de val van de toren van Silóam, die achttien mensen bedolven heeft, waardoor ze de dood stierven. De Heere zegt daarover: Meent gij dat deze schuldenaars zijn geweest boven alle mensen die in Jeruzalem wonen? Ik zeg u: Neen zij; maar indien gij u niet bekeert, zo zult gij allen insgelijks vergaan. Naast deze waarschuwing wijst de Heere ook op de arbeid die Hij aan hen ten koste had gelegd. Hoe de Heere ook het volk der Joden heeft bearbeid en hen vele voorrechten geschonken heeft. Dit alles met het doel dat Hij Zelf zou worden benodigd en erkend, en opdat de Zaligmaker Christus niet zou worden verworpen.

 

In de verzen 6 tot en met 9 spreekt de Heere Jezus dan de gelijkenis over een vijgenboom uit, die in een wijngaard was geplant. Daarin zien we dat de Heere nog uitstel gaf; dat de Heere ook in hun dood geen lust had, maar dat zij zich zouden bekeren en leven.

 

De vijgenboom was een boom die geplant was. Het was dus niet zomaar een wilde vijgenboom in de laagte, waarmee de eigenaar helemaal geen relatie had. Maar deze landeigenaar had een hof, wij zouden zeggen: een boomgaard. In die boomgaard had hij bomen geplant; hij had er ook zorg voor gedragen. Daarom verwachtte hij dat die vijgenboom, waar hij speciaal naar keek, vrucht zou voortbrengen.

Het was dus een geplante boom. De Heere wijst daarmee het volk Israël aan. Het volk dat, vergeleken met andere volken, zoveel voorrechten had genoten; dat door de Heere apart gesteld was als het volk van Abraham, Izak en Jakob, en waarmee Hij in een verbondsrelatie was getreden.

Aan dat volk had Hij een priesterschap gegeven; een priester­schap dat de mogelijkheid aanwees en predikte van zalig worden. Ook was hun de ceremoniële eredienst, waarin alles op Christus zag, geschonken.

Hij had dat volk profeten gegeven, die hen hadden opgeroepen tot bekering; die hen hadden gewaarschu­wd en telkens weer hadden afgemaand van de zonde. Zij hadden de bood­schap van Gods raad gebracht, het volk wet en evangelie verkon­digd, vroeg op zijnde en zendende (Jer.7:25), zegt Gods Woord.

Wat een arbeid heeft God ten koste gelegd aan het volk der Joden! Een schat van profetieën was hun nagelaten. Het Woord van God was hun voorgehouden. Dit alles had ten doel dat het volk zich daardoor zou laten onderwijzen, zich zou laten gezeggen, zijn zonden zou erkennen en belijden, genade zou zoeken en vrede met God. Dat was de prediking van het oude verbond; weliswaar in de schaduwen, in de bolster van de wet, maar toch een predi­king van zonde en genade!

 

Gelukkig behoeven we niet te zeggen dat deze prediking geen vruchten gedragen heeft. Wij mogen niet zeggen dat alles tevergeefs geweest is. Er waren er toch ook in die tijd, die daardoor hadden leren zien wie ze waren voor God, en die de hun verkondigde genade door het geloof mochten aanvaar­den. Die hun leven hebben mogen richten naar Gods Woord, in de vreze Gods. Denk maar aan Zachari­as en zijn vrouw Elizabet. Beiden waren rechtvaardig, wandelende in de geboden Gods, zijnde onberispelijk.

We mogen niet zeggen dat er helemaal geen vrucht was, dat het alles tevergeefs geweest was. Maar het volk als geheel toonde zich afkerig van de Heere en van Zijn dienst, dat wil zeggen: afkerig van de noodzake­lijk­heid van een Zaligma­ker. Men was godsdienstig; men meende, omdat men Abrahams zaad was, daarom zalig te worden. De wet was hun immers gegeven? De kennis van de wet bracht zaligheid, zo dachten ze. Ze waren apart gesteld, ver verheven boven de heidenen; men had genoeg aan de uitwendige vormen.

Maar het was een lege vormendienst, een dienst van gebod op gebod en regel op regel,  zonder godsvrucht. Geen ware vreze des Heeren, geen gebrokenheid des harten, geen verslagenheid des geestes vanwege hun zonden, geen uitroe­pen of er nog een mogelijkheid was om zalig te worden, geen uitzien naar de komst van de Zaligmaker. Zij dachten met hun wetson­derhouding, met hun doen en laten, de zaligheid te verdienen. Maar... het was onvruchtbaar! Geplant, door God Zelf apart gesteld, veel bemoeienissen van de Heere gekregen; geen moeite was Hem teveel. Maar men bracht geen vrucht voort...

 

Gemeente, u begrijpt wel dat dit niet alleen het volk der Joden gold. Ik denk ook aan ons volk, onze natie. Wat heeft de Heere bijzondere zorg aan ons besteed; wat zijn we verlost van de dwingelandij van Rome en uitgeleid uit die vormendienst; uitgeleid uit die Roomse leer van goede werken om daardoor zalig te kunnen worden. Het diensthuis van Rome mochten we verlaten.

Daarna heeft de Heere dienaren des Woords geschonken. Wat hebben er vele sterren geschitterd aan het firmament van de kerk! Wat heeft de Heere ook in ons vaderland vele dienaren geschonken. Denk maar eens aan Bernardus Smyte­gelt, aan Willem Teellinck, aan Brahé. Denk aan de vele predi­kanten die de Heere gegeven heeft, opdat we daarin zouden erkennen Wie de Heere is. Waar zijn we ermee geble­ven? De Heere heeft gezonden, vroeg op zijnde en zendende.

 

Ouderen, jongeren, ook wij persoonlijk zijn geplant. Jongens en meisjes, wij zijn niet zomaar in de heidenwereld opgegroeid. Jullie dragen het teken van Gods verbond aan je voorhoofd! Beantwoorden we aan de hoge roeping die God daarmee voorheeft? Heeft het ons aan de Heere verbonden? Of verloochenen wij Hem, ondanks alles wat God heeft gedaan? Moet het ook van ons gelden: ‘Maar Mijn volk wou niet naar Mijn stemme horen’?

Heeft het ons aan Zijn voeten gebracht? Heeft het ons in boetvaardig­heid naar de Heere doen terugkeren, zoals de verloren zoon met belijdenis van zonden terugkeerde?

‘Ja’, zult u zeggen, ‘dat is Gods werk.’ Jazeker, het kan omdat het Gods werk is! Hebt u als een smekeling aan Zijn voeten gelegen om die genade af te smeken? Want waar lezen we in Gods Woord dat Hij een boeteling afwijst? Waar lezen we dat? Wil Hij er niet om gevraagd zijn?

 

Wat heeft de Heere een arbeid aan ons ten koste gelegd. Veelal van onze jeugd af aan zijn we onder het Woord gebracht; zoveel jaren lang zijn we apart gesteld. En daarbij heeft Hij Zijn bijzondere zorg aan ons zielenheil besteed. De regen van de hemel heeft Hij doen neerdalen en op Zijn tijd de zonneschijn in de prediking van het Woord gegeven. Heeft het ons bij de Heere gebracht, gemeente? Zijn er vruchten aan onze levensboom te zien? Wellicht hoorden we van deze of gene, van wie toch mag worden geloofd dat de Heere in hem of haar werkte, dat de Heere het nieuwe leven schonk? Bent u dan maar voortgegaan? Kon u daar buiten? Ging het wel goed in uw leven zonder God en buiten God? Getuigt niet alles van Gods werk in uw leven, hetzij in voorspoed, hetzij in tegenspoed? Waar heeft het u gebracht? Waar zijn de vruchten?

Misschien hebt u wel in het ziekenhuis gelegen. Misschien is u wel een ernstig ongeval overkomen. Misschien hebt u wel sterfgevallen mee­gemaakt, aangrijpend vaak. Waar heeft het u gebracht? Al die arbeid door de Heere aan ons ten koste gelegd, heeft als doel dat we in boetvaardigheid ons zouden verbinden aan de Heere Zelf.

 

Maar laten we het niet alleen aan degenen vragen die voor eigen rekening voortle­ven, die nog niet die boetvaardigheid hebben betracht die zo betamelijk is. Laten we het ook eens vragen aan Gods volk, aan de Kerk des Heeren. Ook daar zoekt God vrucht, ook daar vraagt de Heere: ‘Zet u hier! Wat hebt u gedaan met de zegeningen, met de schatten die Ik u toebetrouwd heb, met die gaven, met die genade, die Ik u geschonken heb? Wat hebt u er mee gedaan? Bent u ermee de hoogte in gegaan? Hebt u daarmee zonder God kunnen leven? Of bracht het u in kinderlijke aanhankelijkheid en afhankelijkheid aan de troon der genade, waardoor u Hem steeds nodig kreeg?’

Moet u ook niet zeggen: Ga niet in het gericht met Uw knecht; want niemand die leeft, zal voor Uw aangezicht rechtvaardig zijn (Ps.143:2)?

Jongens en meisjes, er is arbeid besteed ook aan jullie boom. Kinderen, Hij heeft je nog niet zo lang geleden geplant, maar je bent toch al oud genoeg om vrucht te kunnen dragen. En is die vrucht er? Want Hij zoekt vrucht.

 

Onze tweede gedachte spreekt daar over:

 

2. De vrucht, aan deze boom gezocht

 

Die eigenaar gaat dus in zijn boomgaard kijken; hij gaat eens speciaal kijken bij die vijgenboom. Hij zoekt vrucht. Hij loopt er niet even langs en dan weer verder, nee, hij doorzoekt die boom of hij vrucht draagt. Die vijgenboom staat lang genoeg in de vruchtbare bodem om vrucht te kunnen dragen. Vruchten die hem als eigenaar toekomen. Dat is immers het doel van het planten van die boom. Hij staat er niet zomaar voor de sier; hij staat er niet zomaar om op te groeien tot een grote boom; nee, die boom staat daar om vrucht te dragen!

Zoekende vrucht… Wanneer in Israël een fruitboom, een vruchtboom werd geplant, mocht de eigenaar er de eerste drie jaren niets van nemen, of er nu vrucht was of niet. Het vierde jaar was de vrucht voor de pries­ters. Maar in het vijfde jaar mocht de eigenaar vrucht zoeken voor zichzelf.

Hij zocht nu al drie jaar vrucht. Dat wil dus zeggen: het vijfde jaar, het zesde jaar, het zevende jaar... Hij stond er dus lang genoeg om vrucht te kunnen dragen. Maar we lezen in Gods Woord: Hij kwam en zocht vrucht daarop, en vond ze niet. Hij vond geen vrucht. Hij kwam wel juist op de tijd dat die boom vruchten behoorde te dragen, maar hij vond ze niet!

Gemeente, laten we enkele dingen voor ogen stellen. In de eerste plaats moeten we zeggen dat die bóóm verantwoordelijk was voor de vrucht, niet de eigenaar. Die boom werd ten volle verantwoordelijk gehouden voor de vrucht. Er waren immers andere bomen die wel vrucht voortbrachten. Maar aan deze boom was ook alles gedaan, opdat hij vrucht zou mogen voortbrengen. De verantwoordelijkheid berustte dus bij deze boom; er bestond geen veront­schuldiging: hij stond nu zeven jaar in een goede bodem. De eigenaar had recht om te verwachten dat hij vrucht zou voortbrengen. Hij was behandeld zoals het moest.

Het valt ook op dat die eigenaar niet komt om te kijken hoe hoog die boom is. Om te zien wat een geweldige boom het wel niet is, wat een takken hij heeft, wat een bladeren hij  draagt, kortom: wat een sierlijke boom het is. Nee, als boom was hij er om vrucht te dragen. Hij was er niet om te pronken met bladeren en met takken. Hij was geplant om vrucht te dragen. De Heere heeft in Zijn hof geen sierbomen, Hij heeft vruchtbomen. En juist de sierlijkheid van deze bomen is het dragen van vrucht.

 

Hij kwam bij die vijgenboom, die hij geplant had. Hij keek niet naar andere, maar hij keek juist naar die ene boom. Die vijgenboom, daar was het hem om te doen. Het ging hem erom of de boom, die hij toen geplant had, op de juiste tijd vrucht droeg. Daar kwam hij in het vijfde jaar, het zesde jaar, het zevende jaar naar kijken.

Hij zocht vrucht; hij ging niet oppervlakkig aan hem voor­bij, hij zocht vrucht. Hij keek onder de boom; hij haalde de bladeren opzij; hij keek overal of er vrucht te zien was. Hij liep eromheen om eventueel die ene kleine vrucht niet over het hoofd te zien. Hij zocht vrucht, maar hij vond niets...

 

Gemeente, zo keek de Heere naar het volk der Joden. Hij zegt tot de Joden: Indien Ik niet gekomen ware, en tot hen gesproken had, zij hadden geen zonde; maar nu hebben zij geen voorwendsel voor hun zonde (Joh.15:22). Zij konden zich niet verontschuldigen. Zij konden niet zeggen: ‘Ik heb het niet geweten.’ We hebben uit Gods Woord gelezen dat de Heere Jezus zegt tot Jeruzalem: Jeruzalem, Jeruzalem, gij, die de profeten doodt, en stenigt die tot u gezonden zijn, hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, gelijkerwijs een hen haar kiekens onder de vleugelen vergadert; en gijlieden hebt niet gewild (Luk.13:34). Dat moet de Heere zeggen.

Laten we vooral dit voor ogen houden: het ‘niet-vrucht-dragen’ is geen lot; het is geen beklagenswaar­dig lot. Nee, het is ongehoorzaamheid! Zo noemt ons Gods Woord het niet dragen van vrucht: Ongehoorzaamheid! Ongeloof! Zonde! Het is geen tragische omstandigheid waaraan men niets kan doen; nee, het is een bewust kiezen voor het andere; een vrucht van de verdorvenheid van ons hart. De mens is verantwoordelijk voor de vrucht; daar kan niemand van ons onderuit komen. Ook het volk der Joden niet, want de Heere zegt: ‘Hoe menigmaal heb Ik het willen doen, maar gijlieden hebt niet gewild; ziet uw huis worde u woest gelaten.’ Een oordeel over de Joden, vanwege hun ongehoorzaamheid en hun ongeloof.

 

Zonder vrucht. Gemeente, de Heere is niet voldaan met bladeren van belijde­nis, met bladeren van goede werken in eigen oog, het gaat Hem om de vrucht. De vrucht die Hij als vrucht erkent, die Hij ook zoekt als vrucht. De Joden met hun godsdienstig­heid, met hun vormendienst, met hun zich verheffen boven anderen, brachten geen vruchten voort die de Heere waardig zijn. De Heere vraagt vruchten waarop Hij recht op heeft: verootmoediging onder God, droefheid naar God, verbondenheid aan de inzettingen van de Heere, haat tegen de zonden, verlaten van de wereld en haar begeerlijkheid, honger en dorst naar de gerechtigheid in Christus Jezus. Dat zijn vruchten. De Heere bepaalt Zelf de mate; Hij heeft Zelf bepaald wat vrucht is; niet wij, maar Hij bepaalt wat vrucht is.

Niet alleen de Heere vraagt vrucht. Als het goed is moet het ook te zien zijn in de gemeente, waarneembaar voor degenen die daar zo hartelijk naar verlangen en er naar uitzien of er vrucht te zien is. Is er droefheid naar God? Is er een haten van de zonde, een verlaten van de wereld en haar begeerlijkheid? Is er honger en dorst naar Christus?

Kent Gods Kerk ook opwas in de genadekennis van Christus? Nadere oefeningen? Verzekerdheid? Is er die vrucht? We hebben toch dit afgelopen jaar gestaan in de vette grond van het Woord van God? De Heere gaf toch Zijn Woord en getuigenis? Wat heeft het nagelaten? Wat heeft het uitgewerkt in uw leven, in mijn leven, in jullie leven?

 

Hij zoekt het bij de geplante boom. Hij zoekt het bij degenen aan wie Hij arbeid ten koste heeft gelegd. Gemeente, mag ik het eens zo zeggen: Hij gaat niet kijken of de duivel vrucht draagt; Hij gaat niet kijken bij de heide­nen, waar nooit het Woord verkondigd is. Nee, Hij vraagt daar vrucht, waar het Woord verkondigd wordt, waar het evangelie geboodschapt wordt dat er genade is bij God voor de voornaamste van de zondaren. Daar zoekt Hij vrucht!

Of hebben we alleen maar gestaan in de vettigheid van de bodem van het Woord van God? Zijn we misschien trouw opgegaan naar Gods huis, maar hebben we er genoeg aan gehad, dat we weer geweest zijn? Hebben we God de gelegen­heid gegeven om ons te bekeren, waarna we ons jasje weer dichtge­daan hebben toen we de kerk uitgingen en overgegaan zijn tot de orde van de dag? Is dat de vrucht? Hij zoekt bij mij, bij jou, bij u vrucht van de arbeid door Hem aan u ten koste gelegd.

 

Maar we lezen in Gods Woord: En vond ze niet! De wijngaardenier vond geen vrucht. Waar hij ook keek, waar hij ook zocht, onder­zocht, Hij vond geen vrucht.

 

Gemeente, in onze derde gedachte willen we een ogenblik stilstaan bij:

 

3. Het bevel, voor deze boom gegeven

 

Toen zei hij tot de wijngaardenier: ‘Zie, ik kom nu drie jaren, zoekende vrucht op deze vijgenboom, en vind ze niet; houw hem uit; waartoe beslaat hij ook onnuttelijk de aarde? Waartoe zou deze boom nog langer van de vettigheid van de bodem profiteren? Dan kan hij beter vervangen worden door een andere boom, die wel vrucht zal dragen. Ik ben nu drie jaar bezig om te kijken of ik vruchten zie, maar ik vind ze niet. Houw hem uit!’ Een kort bevel: ‘Houw hem uit; houw hem uit de bodem en plant maar een andere.’

Gemeente, de Heere zegt in een andere gelijkenis, in die van de boze wijngaarde­niers, dat van Israël het koninkrijk zal worden weggeno­men en aan een ander gegeven, die wel vrucht draagt, dat wil zeggen: die de pacht betaalt, die de heer geeft waar hij recht op heeft. We lezen immers over kinderen des konink­rijks die buitengeworpen worden, en dat het vreselijk zal zijn te vallen in de handen van de levende God!

De planter is teleurgesteld. Het gaat hem aan zijn hart. Het was een door hem geplante boom; hij was er eigenaar van. Hij is geen hardvochtig man die zegt: ‘Houw hem maar uit, voor hem een ander!’ Nee, hij had verwachting van die boom, hij heeft er arbeid aan ten koste gelegd. Het heeft hem verdriet gedaan dat hij jaar op jaar bij die boom kwam en er geen vrucht op vond. Het heeft hem verdriet en smart gedaan. Zo doen wij God smart aan als wij geen vrucht dragen na de arbeid die Hij aan ons ten koste heeft gelegd.

Israël heeft het ondervonden; het koninkrijk werd van hen weggenomen. Dat betekent niet dat Gods beloften aan Israël voor altijd ongedaan gemaakt zijn. Het is wel zo dat God hen lange jaren overgege­ven heeft aan de verblinding en de eigen keus. Maar we hopen dat God aan het eind der tijden Israël zal gedenken en Zijn wonderen onder hen nog verheerlijken zal.

 

Hij zocht drie jaren vrucht. Dat betekent: voortdurend. Dat betekent: telkens weer. Drie jaren. Het getal drie heeft in zichzelf een volheid. We zouden kunnen zeggen, gemeente, dat geldt de jeugd, dat geldt de volwassen leeftijd, en dat geldt de ouderdom. Jaar op jaar zoekt hij vrucht.

Hij vindt soms het eerste jaar al vrucht. Jongens en meisjes, kinderen, dan vindt Hij al vrucht in de jeugd. Ik denk aan Samuël, ik denk aan David, aan Obadja, aan Timotheüs; daar vond Hij vrucht aan een jonge levensboom. Bij jullie ook? Hij zoekt ook bij jullie!

Ook vindt hij vrucht in de volwassen leeftijd, of in de kracht en de bloei van het leven: bij Gideon, bij Hizkia. Denk ook aan Josia, die ook nog zo jong de Heere mocht dienen en vrezen. En er zijn er ook wel bij wie Hij in de ouderdom vruchten vindt, bijvoorbeeld Jakob, en Barzilla­ï. Psalm 71 getuigt van de vrucht die dan wordt voortgebracht.

 

Houw hem uit. Gemeente, wat een ontzettende gedachte. Zo zijn er ook in het afgelopen jaar uitgehouwen, voor wie de genadetijd voorbij was. Laten we er direct maar bij zeggen dat er ook zijn die thuisge­haald zijn, die thuis mochten komen. We hebben aan graven gestaan waar gelukkig getuigd mocht worden over wat God gedaan heeft in het hart van zondaren.

Maar hier gaat het om het bevel van de eigenaar van die vijgenboom: Houw hem uit; waartoe beslaat hij ook onnuttelijk de aarde? Het heeft geen nut om hem langer te laten staan, het heeft geen nut om nog verder te gaan met deze boom.   

Gemeente, zou dat niet rechtvaardig zijn? Zou het niet rechtvaardig zijn als God zei: ‘Het heeft toch geen nut dat Ik Mijn arbeid aan u, aan jou ten koste leg. Houw hem uit, waartoe beslaat hij ook onnuttelijk de aarde? Hij neemt maar plaats in; hij brengt toch geen vrucht voort, laat er maar een andere boom geplant worden die wel vrucht draagt...’

 

Gemeente, de Heere heeft ons nog niet uitgehouwen, Hij heeft, zoals we straks zullen zien, nog uitstel gegeven, nog mest om de boom laten leggen. Is dat geen wonder? Hij heeft een lankmoedigheid die onuitspre­kelijk groot is; een Goddelijke lankmoedigheid! Wij zouden het al lang zat geweest zijn.

Wat regeert God over een wereld waar alles Hem naar troon en kroon steekt, alles zich verheft tegen God en tegen Zijn gebod. Wat is God lankmoedig, taai van geduld, en groot van goedertieren­heid! Wat worden er dagelijks vuisten tegen de hemel geheven, wat is er een verzet tegen de Heere en tegen Zijn Woord. En toch: Hij is lankmoedig. Maar... tot de tijd toe dat Hij zegt: ‘Houw hem uit, hij beslaat onnuttig de aarde; hij beantwoordt niet aan het doel dat Ik met die boom had.’

En u? En jullie, jongens en meisjes? Beantwoordt u, beantwoorden jullie aan het doel dat God had toen Hij je plantte, toen Hij je de kerk liet binnen­brengen, toen je nog maar zo jong was en Hij het teken en zegel van Zijn verbond aan je voorhoofd bevestigde? Heeft God toen niet gezegd wat Zijn doel met uw, met jouw leven was? Want, gemeente, wij zijn er in de eerste plaats voor God. Hij schiep ons tot Zijn heerlijkheid, tot Zijn eer, tot verheerlijking van Zíjn grote Naam! Dat is het doel: vruchtdragen, er voor de Heere zijn. Niet Zijn gaven gebruiken voor ons doel en ons leven, naar het goeddunken van ons eigen hart. Hij gaf die zegeningen voor het doel dat Hij bepaalde: vruchten dragen voor Hem. Wij zijn er immers voor de Heere.

Daarom laat de Heere ons nog waarschuwen; daarom laat Hij nog roepstemmen tot ons komen. Ook vandaag wordt nog aan de deur van ons hart geklopt, nog mest om de boom gelegd.

Laten er we eerst maar van zingen, uit Psalm 95 en daarvan de verzen 4 en 5:

                       

               Want Hij is onze God, en wij

               Zijn ‘t volk van Zijne heerschappij,

               De schapen, die Zijn hand wil weiden;

               Zo gij Zijn stem dan heden hoort,

               Gelooft Zijn heil- en troostrijk woord;

               Verhardt u niet, maar laat u leiden.

 

               Verhardt u niet; neemt Zijn genâ

               Ootmoedig aan; laat Meriba,

               Laat Massa u ten afschrik wezen,

               Waar ‘k door uw vaders ben verzocht,

               Toen alles, wat Mijn almacht wrocht,

               Hen niet bewoog, om Mij te vrezen.

 

In de vierde plaats staan we stil bij:

 

4. Het uitstel, voor deze boom gevraagd

 

Wanneer de wijngaardenier het bevel hoort van de heer, om die boom uit te houwen, zegt hij: Heere, laat hem ook nog dit jaar, totdat ik om hem gegraven en mest gelegd zal hebben; en indien hij vrucht zal voortbrengen, laat hem staan; maar indien ­niet, zo zult gij hem namaals uithouwen.

Er wordt dus uitstel gevraagd. Degene die in de boom­gaard het werk uitvoert, vraagt om uitstel. ‘Laat hem ook nog dit jaar. Nog een proefjaar, een proeftijd. Dan zal ik er alles aan doen wat mogelijk is, opdat die boom vrucht zal gaan voort­brengen.’

 

Wie is die wijngaardenier? Gemeente, we mogen daarin zien de dienaren des Woords, de profeten van het Oude Testament; die worden genoemd als mensen die de Heere vroegen om uitstel, om bewaring, om uitstel van de voltrekking van het vonnis. Hoe heeft Mozes niet geworsteld voor het volk, dat de Heere wilde verdelgen. Denk aan wat we lezen in Joël 2 vers 17, waar gevraagd wordt: Spaar Uw volk, o Hee­re, en geef Uw erfenis niet over.

Andere verklaarders wijzen, mijns inziens terecht, op de voorbede van Christus. Ook Bunyan noemt in een bekende preek over deze gelijke­nis de Heere Jezus. We weten dat Christus zegt: Ik bid niet voor de wereld, maar voor degenen die Gij Mij gegeven hebt (Joh.17:9). Dat is het gebed waarin hun zalig­heid verankerd is, waarin hun behoud gegrond is. Maar we mogen ook zeggen, dat als gevolg van Zijn ar­beid en van Zijn voorbede er uitstel verkre­gen wordt van de voltrekking van het vonnis. In de voorbede van Christus is mede vervat uitstel van de voltrekking van het vonnis.

Ook dat de Heere de aarde nog draagt is mede om de arbeid van Christus. Wat is dan de bede waardevol: ‘Heere, laat hem ook nog dít jaar! Geef hem nog een proef­tijd totdat ik om hem gegraven zal hebben, de bodem losgemaakt zal hebben en mest om de wortels zal hebben gelegd, opdat de voedingsstoffen zullen worden opgenomen en er hopelijk vrucht zal voortkomen. En dan zult gij hem toch laten staan. Dan zal hem al zijn voorgaande onvruchtbaarheid niet worden toegerekend. Dan gaat hij immers vrucht dragen; dan blijft hij staan; dan beantwoordt hij aan het doel!’

Gemeente, al is het ook na zoveel tijd, het kan bij de Heere nog!  

 

Er wordt gegraven om de boom, de aarde wordt wat losgemaakt. U weet: er kan zo’n harde korst van aarde rondom een boom zijn; daar dringt dan geen water doorheen. Maar de wijngaardenier maakt de aarde los; dan drinkt die aarde het water weer in, dan vloeit het niet gelijk af. Ook worden de wortels blootge­legd, er wordt gegraven tot de wortels toe.

Met die scherpe spade worden de wortels dan wel eens geraakt. Dan gaat de Heere ook nog kloppen op de deur van je hart door bijzondere dingen: een ernstige ziekte, in het ziekenhuis opgenomen, bijna een ongeval gekre­gen, maar wonder­lijk ge­spaard. Bijzonder geschud doordat anderen zijn weggeno­men uit je familiekring, of zelfs wel uit je gezin, met wie we zo harte­lijk verbonden waren, die zo’n lege plaats achterlieten. Misschien iemand van je vrienden, jongens en meisjes, plotse­ling weggeno­men. Er werd geschud aan je levens­boom.

Hij heeft nog gegraven om je boom, gegraven tot de wortels toe, opdat er plaats zal komen voor die vruchtbare mest, die, om de levens­boom gelegd, zal maken dat er vrucht voortgebracht wordt. Zie je dat? Hij zal er nog alles aan doen opdat er vrucht zou worden voortgebracht.

 

We lezen in Jesaja 5 van de planting van Israël als een wijngaard. De Heere kan zeggen: ‘Wat is er meer te doen aan Mijn wijngaard, hetgeen Ik aan hem niet gedaan heb? (Jes.5:4) Wat moet Ik nu nog meer doen? Ik heb hem van stenen gezui­verd, Ik heb een muur rondom hem gezet, Ik heb er een toren in gebouwd, Ik heb een wijnpers­bak gegraven; alles heb Ik eraan gedaan! En Ik heb verwacht dat hij goede vruchten zou voortbrengen, maar hij heeft stinkende vruchten voortgebracht.’

De Heere is lankmoedig, Hij is taai van geduld; Hij heeft aan onze dood geen lust, maar dat wij ons zouden bekeren en leven.

 

Weet u wat die mest om uw levensboom betekent? Hij laat u opnieuw het Woord  brengen; heel doordringend, zoals Gods Woord zegt. In de verklaring wordt erop gewezen dat de Heere ook daarin werkzaam wil zijn; in de vruchtbare bediening van het evangelie, in het Woord dat u gepredikt wordt, in de middelen der genade die Hij nog verle­nen wil. De Heere heeft vele bemoeienissen met ons gemaakt, met u, met mij, met jullie, jongens en meisjes. Maar Hij heeft alleen maar dit doel ermee, dat het ons tot vrucht­dragen zal brengen. Niet om het feit als zodanig, maar opdat het ons aan de Heere Zelf zou verbinden.

Wat hebt u er mee gedaan? Wat hebt u met die mest om uw levensboom gedaan? Hij is er neergelegd, opdat er vrucht zou worden gedragen, tot verheerlij­king van de Heere. Wij zijn hier niet voor onszelf, wij zijn er voor God; Hij verheerlijkt Zich in Zijn werk.

 

Gemeente, nu staan we altijd voor twee zaken. Aan de ene kant de vrijmacht Gods, het welbehagen Gods, dat doorgaat. Hij staat in voor Zijn eigen werk. Maar aan de andere kant de volstrekte verantwoordelijkheid van ons mensen. Wij zijn ten volle verantwoordelijk voor onze daden, verantwoordelijk voor de zonde die we begaan hebben, verantwoordelijk voor de overtreding van Gods geboden die tegen ons getuigen, verantwoordelijk ook voor de lankmoedigheid Gods, voor Zijn verdraagzaam­heid en Zijn taai geduld.

Hij komt daar eenmaal op terug. Wat hebt u ermee gedaan? Heeft de goedertierenheid Gods u tot bekering geleid? Heeft het u tot vruchtdragen gebracht? We hebben u de vruchten zo-even ge­noemd.

 

Gemeente, als je in een boomgaard een boom ziet die vruchten draagt, dan kun je dat zien. Dan hangen de takken laag. Naarmate de takken meer volgeladen zijn met vruchten, hangen die takken lager; ze buigen door vanwege het gewicht van de vruchten.

Dat is nu ook zo in het geestelijke. Dan zie je verwondering, verootmoediging; dan hoor je van het wonder getuigen. Want dat betekent het leven uit Christus. Leven uit Christus maakt altijd ootmoedige mensen. Met Jezus word je niet groot. Als je alsmaar groter wordt, als je met alles wat God gedaan heeft een hoge boom wilt zijn, dan is het niet van de Heere, niet van Jezus. Al kan Gods Kerk er tijdelijk helaas toe vervallen, God brengt hen op Zijn tijd wel weer terug.

Dan zul je het ondervinden dat het gruwe­lijk is in Gods oog om met Zijn genade groot te willen zijn, om met Zijn genade te willen pronken. Dat is een gruwel in Gods oog. De vrucht maakt ootmoedig en de vrucht maakt klein. Maar die vrucht maakt ook aanhankelijk en afhanke­lijk. Die vrucht geeft een nauw en teer geweten, maakt verlangend te leven in de vreze Gods, de wereld te verzaken, en de oude natuur te doden, om in een nieuw godzalig leven te wandelen. Dan kijk je niet hoe ver je mee kunt gaan met de wereld, maar dan kijk je hoe ver je er vandaan kunt blijven. De tere vreze des Heeren, dat is vrucht. Echte vrucht is het verlangen om God niet te bedroeven. Wat een lankmoedigheid van de Heere!

 

Maar dan is er nog iets: Gods Kerk moet ook gaan belijden dat van haar geldt: Uit u worde geen vrucht meer in der eeuwigheid (Matth.21:19). Gods kinderen hebben zichzelf leren kennen als onvrucht­baar, onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad. Maar zij hebben ook Hem leren kennen, Die gezegd heeft: Uw vrucht is uit Mij gevonden (Hos.14:9). Die vrucht uit Hem, leven uit Hem, gaat altijd gepaard met ootmoed, met geringheid, met buigen in het stof. Anders heb je Hem niet nodig. Anders versta je niet dat Hij gekomen is om te dienen. Dat is altijd in de weg van verootmoediging. Dat is de vrucht waarin de Heere wordt verheerlijkt.

Gemeente, als we nog voor eigen rekening voortleven… er wordt uitstel gevraagd. Is Hij het dan niet waard dat u vrucht gaat dragen?

Misschien zegt u: ‘Hoe moet dat?’

Wel, zoek het bij Hem, uit Wie alleen de ware vrucht voortkomt.

Denkt u maar veel aan de gelijkenis van de wijnstok en de ranken: Die in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht (Joh.15:5). Maar die geen vrucht draagt wordt afgehou­wen en in het vuur geworpen.

Er is uitstel: Laat hem nog staan, als hij vrucht draagt. Maar indien niet...

Indien inderdaad niets helpt, indien helemaal niets u beweegt om God te vrezen, gemeente, dan zegt hij: Dan zult gij hem namaals uithou­wen.

God, Die buiten Christus een vertoornd Rechter is, een eeuwige gloed, bij Wie niemand wonen kan, Die houwt u dan uit! Als er geen vrucht gevonden wordt, houwt Hij u uit; dan vindt men uw plaats zelfs niet meer. Maar dan te moeten vallen in de hand van een levende God...

Daar hebben we niemand voor over, gemeente! Dan beeft je hart bij die gedachte, wat het zijn zal wanneer Hij uithouwt! God buiten Christus als een Rechter over u. Of liever: Christus, in opdracht van de Vader, als Rechter.

Maar nu staat Hij nog als Redder. Nu zweert Hij in uw dood geen lust te hebben, maar daarin dat u zich bekeert en leeft. Want waarom zoudt gij sterven? Zo’n rijk evangelie, van zo’n volkomen Zaligmaker, wordt u vanavond nog gepredikt.

 

U die de Heere heeft leren kennen en Hem mag vrezen, laat er een verlangen zijn om vrucht te dragen tot eer van de Heere, tot roem van vrije genade. Moge er opwas zijn in de genadekennis van Christus, nadere oefenin­gen om vaster in het geloof te mogen staan. Nee, niet om een bekeerd mens te zijn buiten Christus, maar in Hem alles te hebben, uit Hem te leven en vrucht te dragen tot eer van God. Laat het onze levensvraag zijn: hoe komt God aan Zijn eer in mijn leven?

 

Gemeente, we zijn bijna aan het einde van het jaar; enkele uren resten ons nog van de klokslag van twaalf uur.

Hoe gaan we dat nieuwe jaar tegemoet? Knallend? Alle indruk­ken wegknallend?

Dan heeft satan zijn zin! Dan lacht de duivel, als je op het uur van twaalf openlijk zegt: ‘Ik wil geen vrucht dragen.’ Maar als God dan zegt: Houw hem uit!, waar ben je dan? Voor eeuwig verloren?

Gemeente, jongens en meisjes, laat het u ernst zijn! Laat het een waarschu­wing zijn. Twaalf uur, maar een verbintenis met de wereld? Gooi het maar weg en begraaf het maar. Meegaan met de wereld is zo’n slechte zaak! Buig je knieën maar en zeg: ‘O God, U hebt me nog een proefjaar gegeven! Nu mag ik er nog zijn! Mag ik ook nog vruchten dragen, tot verheerlijking van Uw grote Naam en tot zaligheid van mijn ziel?’

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 103: 8 en 9

 

Gelijk het gras is ons kortstondig leven,

Gelijk een bloem, die op het veld verheven,

Wel sierlijk pronkt, maar kracht’loos is en teêr;

Wanneer de wind zich over ‘t land laat horen,

Dan knakt haar steel, haar schoonheid gaat verloren;

Men kent en vindt haar standplaats zelfs niet meer.

 

Maar ’s Heeren gunst zal over die Hem vrezen,

In eeuwigheid altoos dezelfde wezen;

Zijn trouw rust zelfs op ‘t late nageslacht,

Dat zijn verbond niet trouweloos wil schenden,

Noch van Zijn wet afkerig d’ oren wenden,

Maar die, naar eis van Gods verbond, betracht.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Een zaaier ging uit…’ (deel 18)