Ds. J. IJsselstein - Psalmen 116 : 1 - 5

Een liefdeband met de Heere

Psalmen 116
Waarom die band er is
Hoe die band blijkt

Psalmen 116 : 1 - 5

Psalmen 116
1
Ik heb lief, want de HEERE hoort mijn stem, mijn smekingen;
2
Want Hij neigt Zijn oor tot mij; dies zal ik Hem in mijn dagen aanroepen.
3
De banden des doods hadden mij omvangen, en de angsten der hel hadden mij getroffen; ik vond benauwdheid en droefenis.
4
Maar ik riep den Naam des HEEREN aan, zeggende: Och HEERE! bevrijd mijn ziel.
5
De HEERE is genadig en rechtvaardig, en onze God is ontfermende.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 116: 1
Lezen : Psalm 116
Zingen : Psalm 31: 15, 17
Zingen : Psalm 116: 2
Zingen : Psalm 106: 3

Jongens en meisjes, het is een voorbeeld, maar denk je eens in: je bent je mama kwijt. Net was ze er nog, en nu…?

Het is trouwens een nare en heel verdrietige gedachte voor kinderen die hun mama echt kwijt zijn. Die zijn er misschien ook hier in de kerk. Er zijn kinderen van wie mama gestorven is, of mama is er niet meer. Het is goed om, als je vanavond gaat slapen ook voor die kinderen te bidden.

 

Mama kwijt… Je zegt: ‘Ja, wat erg, wat naar!’

  Waarom?

‘Omdat ik zoveel van mama houd.’

  Maar waarom houd je van mama?

‘Nou’, zeg je, ‘moet ik dat echt vertellen? Daar hoef ik helemaal niet over na te denken. Dat is gewoon zo. Ik houd van mama. Ik heb lief.’

  Ja, maar, denk eens na, waarom dan?

‘Ze kookt zo lekker. Ik krijg van die mooie cadeautjes van haar. En als ik thuiskom uit school, krijg ik altijd lekker drinken en een snoepje. En…, ze kan ook zo mooi voorlezen.’

‘Ah nee’, zeg je, ‘dat is het allemaal niet!’

  Maar wat is het dan wel?

‘Ja, het is anders. Het is zo moeilijk te zeggen. Het zit hier. Het zit van binnen. Even goed over nadenken, wat het nu precies is…’

 

Ja, want als je zegt: ‘Ik heb geen idee. Ik houd gewoon van mama, maar ik houd ook van de buurvrouw, en ik houd ook van mijn vriendjes en vriendinnetjes. Dat is allemaal hetzelfde…’, dan zeg ik: ‘Dat is raar, dat klopt niet’.

 

‘Nee’, zal je zeggen. ‘nu ik er een poosje over nagedacht heb, nu… weet ik het.

Weet je wat het is? Ik houd van mama, want als het donker is en ik ben bang, dan stelt ze me gerust. En als ik ziek ben en ik heb het heel warm zodat het zweet op mijn voorhoofd staat, en even later heb ik het weer heel erg bibberig koud, dan zit ze naast me. Dan houdt ze mijn hand vast. En als het donker is midden in de nacht, en ik roep, dan komt ze naar me toe. En als ik verdrietig ben, zegt ze: Kom maar, en dan droogt ze mijn tranen. En als ze boos is – dat gebeurt ook wel eens – dan mag ik toch altijd weer bij haar terugkomen.’

‘Ja, dat is het’, zeg je. ‘en als dat gebeurt, dan voel ik het: dit is mijn mama, daarom houd ik zoveel van haar. Dan voel ik: er is een liefdeband tussen mama en mij.’

 

Maar wat is een liefdeband? Ik zal het maar gelijk zeggen: een liefdeband is een touw, een dik touw tussen jouw hart en het hart van mama, en die band, dat touw gaat nooit los. Het is een band, een touw van liefde.

En daar gaat het ook ten diepste om, gemeente, als het gaat om de vraag ‘mag ik volgende week aan het Heilig Avondmaal’?

Dan gaat het ten diepste om het antwoord op de vraag die wij vandaag en in de komende week onszelf moeten stellen: is er een band van liefde door God in mijn hart gelegd?

 

Maar, wat is dat dan voor een band? En hoe blijkt dan die band?

We gaan het samen zien in onze tekst, in Psalm 116 de verzen 1 tot en met 5. Daar zegt God in Zijn Woord dit:

 

Ik heb lief, want de HEERE hoort mijn stem, mijn smekingen.

Want Hij neigt Zijn oor tot mij; dies zal ik Hem in mijn dagen aanroepen.

De banden des doods hadden mij omvangen, en de angsten der hel hadden mij

getroffen; ik vond benauwdheid en droefenis.

Maar ik riep de Naam des HEEREN aan, zeggende: Och, HEERE, bevrijd mijn ziel. De HEERE is genadig en rechtvaardig, en onze God is ontfermende.

 

Het thema voor deze voorbereidingspreek is: Een liefdeband met de Heere.

 

We stellen twee vragen:

1. Waarom die band er is

2. Hoe die band blijkt

 

Als eerste dus:

 

1. Waarom die band er is

 

Jongens en meisjes, je zegt: ‘Ik houd van mama.’ Je zegt ook: ‘Ik houd van de buurvrouw.’ En toch voel je direct in je hart: ‘Het is niet hetzelfde.’

Je zegt: ‘Mama kent mij door en door, die weet alles van me, en de buurvrouw, die ken ik gewoon van gedag zeggen en van de keer dat ik een snoepje van haar kreeg.’ Dus ‘houden van’ kan heel verschillend zijn.

 

Misschien zegt iemand: ‘Ik houd van God en verder doe ik gewoon waar ik zelf zin in heb. Ik houd van God op zondag, maar op maandag tot en met zaterdag ga ik gewoon mijn eigen gang.’

Dat kan niet waar zijn.

Want dan zeg je eigenlijk: ‘Ik houd van God, maar ik luister niet naar Zijn Woord. Ik leef gewoon – misschien weet niemand het – in de zonde. Ik houd het met een andere vrouw of met een andere man. Ik leef in diefstal. Ik leef in haat en nijd.’

Dat kan niet waar zijn.

U zegt misschien: ‘Ik houd van God. Maar Wie God is en hoe Hij is, dat weet ik niet, dat interesseert me eigenlijk ook niet zo. Als er staat in vers 5: De Heere is genadig en rechtvaardig, dan zeg ik eerlijk: zo ken ik Hem niet, maar dat geeft toch niet? Ik houd gewoon van God en ik houd van Jezus.’

 

U voelt, dat zit niet goed. ‘Ik houd van God, God heb ik lief, maar verder ken ik Hem niet.’ Dan kan het niet waar zijn. God heb ik lief… dat alleen is niet. Dat is ook niet genoeg om volgende week zondag mee aan het Heilig Avondmaal te gaan.

Trouwens, de dichter van de berijmde Psalm 116 zegt het ook heel anders. Hij zegt:

God heb ik lief; want die getrouwe HEER’

Hoort mijn stem, mijn smekingen, mijn klagen.

Letterlijk staat er: Ik heb lief, want de HEERE hoort mijn stem. De dichter zegt niet: ‘Ik heb de Heere lief’, maar: ‘Ik heb lief…’ en daarna noemt hij pas de naam van de Heere. Alsof het zo vanzelfsprekend is. Zoals jullie, jongens en meisjes, als je zegt: ‘Ik houd van…’ Dan zeg je: ‘Natuurlijk, je weet toch van wie? Ik houd van papa en mama!

 

Ik heb lief, zegt de dichter. En natuurlijk, u begrijpt het toch: het gaat om de Heere, het gaat om God. Hij is alles in mijn leven. Zijn ziel dorst naar God, naar de levende God.

 

Ik heb lief, want… Waarom eigenlijk?

Want Hij hoort mijn stem, mijn smekingen.

Eigenlijk kan je ook lezen, zo staat het in de King James-vertaling: ‘Hij hoorde mijn stem.’ Je mag eigenlijk lezen: ‘Hij hoorde mijn stem, hij hoort mijn stem en Hij zal mijn stem horen.’

Want: zo is God! Dat is Zijn eigenschap. Hij hoort.

U zegt: Hij antwoordt. Nee, dat staat er niet. Er staat: ‘Hij hoort.’

Denkt u maar aan de Kananese vrouw. Zij riep, en ze riep, en ze riep maar door. En wat staat er dan? Hij antwoordde haar niet een woord.

Maar Hij luisterde wel. Hij hoorde het wel. Zo is God!

 

‘Zo is (zeg je, jongens en meisjes), zo is mama. Vroeger, toen ik klein was droogde ze mijn tranen, en als ik vandaag moet huilen dan doet ze het weer, en als ik morgen huil doet ze het zonder twijfel weer, want… mama is mama. Zo is ze!’

‘Zo is de Heere’, zegt de dichter. ‘Hij hoorde mijn stem en als ik vandaag roep, dan hoort Hij mijn stem en als ik volgende week weer roep, dan zal Hij mij horen, want Zijn naam is Heere, God van trouw en waarheid en Hij verandert niet en nooit.’

 

Wat hoort de Heere? Waarnaar luistert Hij?

Er staat: Hij hoort mijn stem. De woorden van mijn bidden. En als je geen woorden hebt, dan mag je zuchten (hhh…), onuitsprekelijke zuchtingen. Hij hoort mijn stem, mijn zuchten, mijn smeken om genade.

 

Smeken is eigenlijk vragen om iets waarop je geen recht hebt. Je kunt niet zeggen: ‘Heere, ik moet dat hebben. Wilt U dat even snel aan me geven?’ Nee, smeken is heel nederig, heel klein vragen om iets waar je geen recht op hebt. En toch vragen, en toch buigen en toch doorgaan en toch vasthouden.

Smeken, dat doe je…, ja dat doe je eigenlijk alleen als het echt nood is in je leven. Anders geef je het snel op. Dan vraag je en dan denk je: Nou ja, als ik het niet krijg, laat dan maar. Ik wacht maar af, misschien komt het volgend jaar…

Maar als het nood is in je hart, zeg je: ‘Ik móet het hebben, hoewel ik er geen recht op heb. Ik heb dorst, ik moet drinken, anders sterf ik.’ En dus smeek ik en buig ik nog dieper.

 

En wat doet de Heere dan?

Wat staat er? ‘Hij hoort en Hij neigt Zijn oor.’ Dat wil zeggen: Hij komt steeds dichterbij. En dan denk je vanzelf weer aan die onuitsprekelijke zuchtingen.

Wij zouden zeggen: ‘He, wat zeg je? Zeg het eens wat harder.’ Maar de Heere zegt… Hij zegt niets. Hij neigt Zijn oor en Hij komt steeds dichterbij. Echt waar, hoor!

U die zucht, als u geen woorden hebt om te bidden, de Heere hoort! En als het niet te horen is, dan neigt Hij Zijn oor en komt Hij steeds dichterbij.

‘Daarom’, zegt de dichter, ‘zal ik Hem in mijn dagen (dat wil zeggen: heel mijn leven lang) aanroepen.’ Aanroepen, dat doe je ook als het nood is. Anders geef je het snel op. Dan denk je: Laat maar…

Maar als het nood is, ga je steeds harder roepen:

‘k Roep, HEER’, in angst tot U gevloden, Ai, haast U tot mijn hulp, en red;

 

Als je in het water staat en het water komt steeds hoger en je kunt niet zwemmen, dan ga je steeds harder roepen. En als je keel droog is van dorst (‘mijn ziel dorst naar God’), dan roep je: ‘Geef me toch water, Heere!’ Hoe droger je keel is, hoe meer je hart verlangt, des te harder ga je vanuit je binnenste gaat roepen.

 

‘Hem aanroepen’. Dat is niet zomaar in het wilde weg om hulp roepen. Het is een schreeuw naar God: ‘Help U mij, Heere! Mijn ziel schreeuwt tot U, Heere, tot de levende God. Mijn ziel en lichaam hijgen en dorsten naar U, in een land, dor en mat, zonder water.’ Want ik schreeuw en ik hijg naar… de zegen? Nee! Naar de vrede met God, naar God Zelf. En wonder van vrije Goddelijke genade: Hij neigt Zijn oor tot mij en hoort.

Is dat wel eens een wonder voor u geworden? Dat u zegt: ‘Hoe is het toch mogelijk, dat God naar de stem van mijn bidden, van mijn smeken en van mijn zuchten hoort? Het is verzondigd en ik heb geen waarde in mijzelf.’ En toch, uit enkele en vrije genade zegt de Heere: ‘Ik hoor en Ik neig Mijn oor.’

Hij hoort, Hij neigt Zijn oor en buigt Zich over mij heen.

 

En… zegt u: ‘vervolgens geeft Hij mij natuurlijk alles wat ik van Hem gevraagd heb?’

Nee, God houdt Zijn kinderen vaak arm in zichzelf. Weet u waarom? Omdat die armoede ons bindt aan de Heere. Als we rijk zijn dwalen we van Hem af, dan hebben we Hem niet nodig. Maar die armoede maakt dat we roepen en blijven roepen, ons leven lang.

 

Hij neigt Zijn oor tot mij. En Hij laat me weten dat Hij in de hemel van mij, geknielde bidder, afweet. Soms geeft Hij woorden van troost en bemoediging, blijken van Zijn gunst of van Zijn hartelijke nabijheid.

En dan… stop ik dan met roepen? Klaar? Gelukkig, de Heere weet ervan? En ik ben ook bekeerd?

Nee, als Hij Zijn oor neigt, en ik mag dat ervaren in mijn hart, dan ga ik steeds meer en steeds harder roepen. ‘Als het dan werkelijk zo is, Heere, dat U mij hoort, wilt U mij dan ook verhoren? Omdat U het oor tot mij neigt, daarom zal ik U in mijn dagen, heel mijn leven lang, aanroepen.’ Ik heb lief… want Hij (daar komt het vandaan). Ik heb lief… want Hij hoort mijn smeken en roepen tot Hem.

 

Dus daaraan ken je, als je eerlijk bent, ook in deze week van voorbereiding, je hart.

U zegt: ‘Wat heb ik nodig om volgende week aan het Heilig Avondmaal te gaan?’

Een mooi bekeringsverhaal? Toen, op die datum, is de Heere in mijn leven gekomen? En toen gebeurde er dit, en toen gebeurde er dat, en toen kreeg ik dit en dat. En het klopt allemaal zo mooi. Het is allemaal precies volgens het boekje. Ja, daar kan je mee voor de dag komen, zegt u: ‘Kijk, mensen, dit is mijn bekeringsverhaal.’

Weet u nog van Petrus, net na Pasen? God heb ik lief… Ja, en toen die vraag aan zijn hart: ‘Hebt u Mij lief, Petrus?’

En wat zei hij toen? ‘Ja, Heere, U weet het toch nog? Toen u in mijn leven kwam, dat was op die datum, zo ongeveer om tien uur, en toen gebeurde er dit en toen gebeurde er dat... En toen later, toen ben ik nog met U op de berg geweest…?’Zei Petrus dat?

Nee! Wat zegt Petrus? ‘Heere, kijk maar in mijn hart, daar zit alleen zonde en schuld. Maar op de bodem van dat hart, daar ligt iets wat U erin gelegd hebt. Daar ligt iets van Uw liefde tot mij. En daarom schreeuwt mijn hart tot U, o God. Ik kan, hoewel ik het verzondigd heb, zonder U niet verder. Ik kan U niet missen. Ik kan zonder U niet leven. U hoort toch mijn stem, Heere, mijn smekingen, mijn klagen? Ja, U neigt het oor tot mij en daarom zal ik U niet laten gaan.’

 

Waaraan kan je je bekering toetsen in deze week van voorbereiding? Of het waar is?

Niet door te bedenken wat de mensen zeggen over uw bekeringsverhaal. Dat is allemaal van de aarde. Maar hieruit blijkt of het waar is, als in de hemel gezegd wordt: ‘Zie, kijk! Zij bidt, zij roept, zij smeekt. Want… Hij hoort.’

Gemeente, u hoeft in deze week van voorbereiding niet de balans op te maken met het doel om volgende week hier te komen met een goed verhaal. Wat u kunt vertellen. Over jezelf: toen gebeurde er dit, en toen gebeurde er dat… Daar gaat het in de hele psalm niet over. Het gaat over wat God gedaan heeft. De grote vraag is: wat heeft Hij aan uw ziel gedaan?

 

Als je dat vraagt aan deze dichter, dan zegt hij twee dingen. Niet één ding. Dan zegt hij: ‘Hem heb ik lief.’ Ja, dat is waar. En dat komt uit de grond van zijn hart. En waarom? Hij zal zeggen (en dat is het tweede): ‘Om Wie God wil zijn voor mij, om Wie Hij geweest is en zal blijven voor mij, onwaardige. Ik heb verdiend dat Hij nooit naar mij zal luisteren, dat Hij Zijn oren zal toestoppen, en dat Hij me zal wegdoen. Maar wonder van Goddelijke genade: Hij hoort mijn stem, mijn smekingen, mijn zuchten, mijn klagen.

Dat heeft Hij gedaan, dat doet Hij en dat zal Hij blijven doen. Dat komt allemaal niet van mij, maar dat komt bij God vandaan. Ik ben altijd een vijand geweest. Ik heb nooit naar God gevraagd. Ik heb nooit naar Hem gezocht, maar Hij heeft het gedaan.’

Het oprechte geloof, gemeente, is een arm-makende genade. Kijk maar in je hart, dan kan je zien of het oprecht is. Daar wordt je niet rijk van. Rijken worden volgende week ledig weggezonden, maar armen worden met goederen vervuld.

Maar u moet wel oppassen dat u die armoede ook niet gaat koesteren als uw eigen rijkdom. De armoede die de Heere werkt in uw leven, door al maar meer van u af te nemen, die armoede dringt ons blijvend om te roepen: ‘Wees mij genadig, o God, en red mijn ziel!’ Armen worden met goederen vervuld en dorstigen krijgen te drinken en hongerigen worden verzadigd. De ogen van zulke arme, dorstige en hongerige zielen wil God volgende week richten, niet alleen op Zijn Woord, maar ook op de zichtbare tekenen van brood en wijn. En dwars daar doorheen op de onnaspeurlijke rijkdom van Christus Jezus, Die in de wereld gekomen is om vijanden met God te verzoenen. Hij bevestigt en verzegelt in het hart dat het Woord waar is. Een vastheid, die niet ligt in ons hart, maar een vastheid die ligt in God en Christus.

 

‘De Heere hoort mijn stem en Hij neigt Zijn oor, daarom zal ik Hem aanroepen.’ Wat was er eigenlijk aan de hand met de dichter? Was hij ziek of werd hij vervolgd?

Nee, zijn diepste nood is ongetwijfeld zijn zondenood geweest, want hij zegt in vers 4: Och, Heere, bevrijd mijn ziel!

Hij weet het: Ik heb tegen God gezondigd. Door mijn val in Adam is de band, de verbinding, de liefdeband tussen God en zijn hart doorgesneden. Ik heb tegen God gezondigd, Hem de rug toegekeerd. En daarom zegt de dichter, als hij dat ziet en ervaart en gelooft in zijn hart: daarom grijpt de band van de dood mij aan, en de banden, de touwen van de hel omsnoeren mij.

Hij is de vrede met God kwijt. Daarom zegt hij: De benauwdheid van de hel en de angsten over mijn verloren toestand hebben mij getroffen.

 

Kijk eens eerlijk in uw hart, gemeente. Kent u daar iets van? Door eigen schuld de vrede met God kwijtgeraakt en gezondigd tegen een goeddoend God, Die nooit enig kwaad tegen ons heeft gedaan… Dat geeft benauwdheid, verdriet, angst, dat geeft droefenis, rouw, groot verdriet. Omdat ik dat gedaan heb: Ik heb gezondigd tegen deze goeddoende God.

 

U zegt misschien: ‘Hoe diep moet die benauwdheid gaan? Hoe diep moet dat zijn in mijn leven?’

Zo diep, dat u niet anders kunt dan uitroepen wat hier staat: ‘Och, Heere, bevrijd U mijn ziel. Ik kan het niet. Bevrijd U mijn ziel!’

 

We gaan daar eerst samen van zingen uit Psalm 116 vers 2:

 

Ik lag gekneld in banden van de dood;
Daar d’ angst der hel mij alle troost deed missen;
Ik was benauwd, omringd door droefenissen;
Maar riep de Heer’ dus aan in al mijn nood.

 

Wij zagen dat er door de Heere Zelf in het leven van Zijn kinderen een liefdeband is gelegd.

Want, zegt de dichter: ‘Hij hoort mijn stem, mijn smeken, mijn zuchten, mijn klagen. Hij

neigt Zijn oor tot mij.’ Onze tweede gedachte is:

 

2. Hoe die band blijkt

 

Leest u maar mee in vers 4: Maar ik riep de Naam des HEEREN aan, zeggende: Och, HEERE, bevrijd mijn ziel. Maak mijn ziel toch uit de banden van de dood en de strikken van de zonde.

 

Antwoordt de Heere dan altijd direct, als je zo tot Hem roept? Dat staat hier niet. Hier staat: ‘Hij hoort en neigt Zijn oor.’

En daar ziet u tegelijkertijd het verschil tussen hen die de Heere oprecht zoeken en degenen die dat niet doen. Tegen oprechte zoekers kan gezegd worden: Wie zoekt U? Maar bij anderen past meer de vraag: Wat zoekt u? Zegen? Vrede en rust?

In dat laatste geval zegt u misschien wel: ‘Ik roep nu al een tijdje, maar de Heere antwoordt gewoon niet. Laat maar. Ik zal wel zien. Misschien ben ik wel niet uitverkoren.’

Of… is het u om God te doen? Dan zegt u: ‘De Heere antwoordt niet, maar ik zal Hem toch niet loslaten. Want ik weet het: Hij hoort en Hij neigt Zijn oor en… dat is me genoeg! Het gaat me om Hem. Het gaat me om de vrede met Hem, met God. Ik zal Hem – hoe dan ook, want ik heb geen recht – ik zal Hem, ook al antwoordt Hij mij niet, toch mijn leven lang aanroepen. Want… waarom? Hierom! Dat Hij hoort, en dat Hij Zijn oor tot mij neigt, dat is een blijk van Zijn liefde voor mij. Nu weet ik het. Ik heb Hem lief, want Hij heeft mij lief en daarom neigt Hij Zijn oor tot mij. Hij luistert immers naar mijn stem en naar mijn zuchten en naar mijn smeken en daarom zal ik Hem blijven aanroepen, ook al antwoordt Hij mij niet.’

 

Ja, zelfs al is Zijn antwoord afwijzend. Zoals bij de Kananese vrouw. Zij maar roepen, en maar roepen… Maar de Heere Jezus zegt: Ik ben niet gezonden dan tot de verloren schapen van het huis Israëls. En toch, ik zal Hem blijven aanroepen, want het is me om Hem te doen. En ik weet het: Hij hoort mijn stem en Hij neigt Zijn oor.

En als Hij mij dan afwijst, dan zal ik zeggen: Ja, Heere, U hebt gelijk, mijn ziel zal ootmoediger buigen dan ooit tevoren. Ja, Heere, het is rechtvaardig en het zal mijn oog en mijn hart en mijn handen, meer dan ooit tevoren naar boven richten: Mijn Steenrots, waarom vergeet U mij? En het zal mijn hart steeds verder openbreken voor God en ik zal eerlijker dan ooit bekennen, net als de Kananese vrouw: Ja, Heere, het is waar, ik heb geen recht op Uw antwoord, want ik ben een onreine hond!

Tranen van berouw over de zonde, die bitter en zoet zijn. En dat roepen is ook zoet, want dat bindt mijn hart aan Hem, die Zich aan mij verbonden heeft. HEERE, bevrijd mijn ziel!

 

De Heere hoort, maar antwoordt vaak niet direct. En toch, ik zeg u op grond van het Woord van God: nooit bad of zong één van Gods kinderen dit gebed tevergeefs: ‘Och, Heere, om Uws Naams wil, bevrijd mijn ziel’. Hij is het die nimmer ons gebed heeft afgewezen, noch ons geroep gehoor heeft ontzegd.

Nooit heeft Hij het gebed afgewezen van een van Zijn kinderen. Behalve van… Een. Behalve toen Zijn eigen lieve Zoon bad. Het staat in Mattheüs 27, waar we lezen:

En als zij aten, nam Jezus het brood, en gezegend hebbende, brak Hij het en gaf het de discipelen en zei: Neem, eet, dat is Mijn lichaam. En Hij nam de drinkbeker en gedankt hebbende, gaf hun die, zeggende: Drink allen daaruit. Want dat is Mijn bloed, het bloed des Nieuwen Testaments, hetwelk voor velen vergoten wordt, tot vergeving der zonden.

En dan komt het: En als zij de lofzang – het Hallel, de Psalmen 113 tot 118, ook 116 – gezongen hadden, gingen zij uit naar de Olijfberg (Matth.27:30).

 

Zijn heldere mannenstem zingt ook Psalm 116: ‘God heb Ik lief.’ Een indrukwekkend moment. Nooit heeft een mensenstem deze woorden zo volmaakt gezongen. ‘God heb ik lief.’ Nooit zong een mannenstem dit zo volmaakt. En Hij zong het voor en in de plaats van Zijn liefdeloze bruid, die altijd maar weer ontrouw is. Het ‘Ik voor u, daar u anders de eeuwige dood had moeten sterven’, klinkt door in deze woorden. In de plaats van Zijn bruidskerk zingt Hij: ‘God heb ik lief en Hij hoort mijn stem.’

Ja, nu nog wel, maar straks niet meer. In de diepte van Zijn verlatenheid zingt Hij niet meer. Dan zwijgt Zijn stem. Opdat voor Zijn bruidskerk zou gelden: Hij hoort mijn stem, mijn smekingen, mijn klagen, om Hem, om Jezus’ wil.

Hij zingt Psalm 116: ‘De banden des doods omvangen Mij en de angsten der hel treffen Mijn ziel. Ik vind benauwdheid, angst en diepe droefheid. Bevrijd Mijn ziel, o God!’ En straks klinkt daar achteraan: ‘Maar niet Mijn wil, maar de Uwe geschiede’. Opdat wij, die de Heere mogen dienen, bevrijd van benauwdheid en droefenis zouden mogen bidden, zouden mogen smeken, zouden mogen roepen en blijven roepen: ‘Och, Heere, bevrijd mijn ziel om Uw Naam, om Jezus’ wil. Want u bent toch (staat er in vers 5) genadig en rechtvaardig?’

De King James Bijbel heeft een goede, een betere volgorde en vertaalt letterlijk: ‘Genadig is de Heere, en recht. Ja, onze God is ontfermende.’

 

Genadig… Weet je wat dat woord ‘genade’ betekent, jongens en meisjes? Het betekent dat je iets krijgt waar je geen recht op hebt. Je hebt het niet verdiend. Je hebt het tegenovergestelde verdiend: dat je niets zou krijgen.

God is genadig en geeft waar we geen recht op hebben. Onverdiende gunst!

‘Ik heb alles verzondigd, Heere, in mij is geen recht. Maar (en dan klinkt toch weer de roep naar boven), maar bij U is toch vergeving? Er is toch genade op Uw lippen uitgestort, o dierbare Heere Jezus Christus!’ En in Hem hebben recht en genade elkaar toch ontmoet en in Hem is de vrede toch met een kus van het recht begroet?’

En daarom, o Heere, zo zucht de dichter: Bevrijd mijn ziel. Om Hem. Om U.

 

Genadig en rechtvaardig. Dat wil ten diepste zeggen: ‘Heere, ik kan voor U niet bestaan. Ik kan U niet recht in de ogen kijken. Want als U de ongerechtigheden, de zonde gadeslaat, wie van ons zou voor U bestaan?’

En toch: genade en waarheid hebben elkaar toch ontmoet in de Heere Jezus Christus? En daarom: ‘O God, red mijn ziel omwille van Uw Zoon, om Jezus’ wil, want U bent toch ontfermend. U hoort niet alleen, U neigt niet alleen het oor, maar U buigt ook Uw hart over een doodschuldige zondaar om werkelijk genadig te zijn.’

Want, zo klinkt in deze bede door: De hitte van Uw toorn, van Uw gramschap is toch geblust op Golgotha?’

 

Is dit de roep van uw hart? Kijk eens eerlijk naar uw hart, ook in de week die voor ons ligt. Is dit de roep van uw hart: ‘Om Christus’ wil, o eeuwige God, bevrijd mijn doodschuldige ziel’?

Weet dan dat zulke roepende zondaren, die niets anders kunnen doen dan uitroepen naar de hemel: ‘Och, Heere, bevrijd mijn ziel, om Jezus’ wil’, dat zulke roepende, arme, dorstige, doodschuldige zondaren volgende week aan de tafel worden genodigd.

En wat u méér hebt, kunt u maar beter allemaal kwijtraken.

 

Want alleen als we onze armoede zien, dan alleen wordt ons oog door Gods genade gericht op de onnaspeurlijke rijkdom die in Christus Jezus is. Dan alleen zien we, door de tekenen en zegelen, de grootheid van God en de rijkdom van Christus.

Maar, gemeente, als u dit roepen niet kent, kunt u volgende week maar beter niet aangaan aan de tafel.

 

U vraagt: ‘Wat moet ik eigenlijk doen in een week van voorbereiding?‘

Bedenk allereerst bij uzelf, misschien terwijl u het avondmaalsformulier leest, de reden waarom God het avondmaal heeft ingesteld. Overdenk vooral dat het in het avondmaal ten diepste níet gaat om wat de mens doet. Het gaat níet om een handeling van ons mensen.

Wat hier volgende week gebeurt, is dat God tot Zijn bruidskerk komt met tekenen en zegelen, om te bevestigen, om te verzegelen, dat Zijn Woord, het woord van Zijn belofte, waar en zeker is.

Dus, avondmaal vieren is niet hetzelfde als belijdenis doen van je zonde, belijdenis doen van je geloof, of van je liefde. Je doet ook geen belijdenis van iets van jezelf, of van je ervaringen. Het is ook niet hetzelfde als toevlucht nemen tot Christus. Nee, God komt tot Zijn kinderen om Zijn Woord met een teken te verzegelen, omdat die woorden van God zo groot zijn dat Zijn twijfelende kinderen die vaak niet durven geloven.

 

Ik zal u één van die woorden zeggen. Uit Jeremia 31. Dit enkele woord: Ik heb u liefgehad. Dat zegt God tegen zulke arme zoekers en tobbers, die buiten Hem niet kunnen leven. Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde. En wij zeggen: ‘Heere, dat is te groot, dat zal ik nooit durven geloven.’ Daarom komt God volgende week tot u en zegt Hij: ‘Kom, dan zal Ik je dat niet alleen laten horen, maar dan mag je tasten met je handen, en je mag proeven met je mond, dat het waar is. Ik zet een zegel op Mijn Woord. Niet op uw ervaringen en emoties, maar Ik zet het zegel en het waarmerk op Mijn Woord, Mijn beloftewoord aan uw adres. U kunt er van op aan!’

 

Gemeente, lees deze week het avondmaalsformulier voor uzelf aandachtig door en onderzoek uzelf op drie dingen.

Maak u ondertussen niet druk om een ander…

Zoek in het verborgen Gods aangezicht en vraagt u zich in de eerste plaats af of u iets kent van de droefheid naar God: ‘Ik vond benauwdheid en droefenis, droefenis over mijn zonden en mijn schuld tegen een goeddoend God. En dat heeft (zegt u) mijn hart gebroken. Wee mij dat ik zo gezondigd heb’

Zonder enige kennis van wie u bent voor God, ziet u geen waarde in het bloed van het Lam en ook niet in het teken van het Heilig Avondmaal.

 

Onderzoek u in de tweede plaats… U zegt: of ik zeker ben van mijn zaak? Zo staat het toch in het formulier, dat je ‘zeker’ moet weten dat je zonden vergeven zijn?

Nee! U moet goed lezen wat er staat.

Dat woordje ‘zeker’ wijst op de belofte van God.

Er staat: ‘Of ik de zekere, de gewisse, de ware belofte van God geloof.’

Het gaat niet om het ‘zeker weten’, het gaat niet om ‘zeker en vast geloven’.

Een kleingelovige, iemand met een wankel geloof, mag zeggen: ‘Ja, Heere, maar ik werp me op Uw Woord, op het woord van Uw belofte. Dat Woord is waar, want U bent betrouwbaar.’

 

Het gaat om Gods werk, buiten ons. En dat is waar. En dat wil de Heere bevestigen en verzegelen. De vastheid ligt niet in mijn hart en niet in mijn ervaring en bevinding, maar de vastheid van het geloof ligt buiten mezelf, in Christus. En dat wil de Heere laten zien.

Dus onderzoek uw hart of u als een arme zondaar een diep verlangen hebt naar de kennis van Christus, waardoor u tot Hem gevlucht bent: ‘O Heere, bevrijd deze mijn ziel… om Jezus’ wil!’

Want als u werkelijk overtuigd bent dat u een zondaar bent en de last van die zonde niet zelf kan dragen, en dat God Zijn Zoon uit enkel liefde gegeven heeft voor verloren zondaren, dan kan het niet anders, dan dringt de Geest u ook om met uw verloren hart te vluchten tot God in Christus. Terwijl u zegt: ‘Heere, wees mij toch genadig, om Jezus’ wil. Mijn ziel dorst naar God en hongert naar Christus. Ik strek mijn hart en handen uit naar Hem, naar Zijn Woord en naar Zijn belofte.’

 

Onderzoek in de derde plaats of u werkelijk voor de Heere leven wilt, of er een hartelijke bereidheid is in uw hart om tot Zijn eer en naar al Zijn geboden te leven.

Maar als u leeft in de zonde, ook als het verborgen zonden zijn, moet u volgende week niet aan het Heilig Avondmaal gaan, want dan verontreinigt u de tafel des Heeren.

 

Als u iets kent van deze drie stukken, zeg dan niet: ‘Ik heb voldoende grond om aan het Heilig Avondmaal te gaan.’

Nee, er is geen grond in ons. De grond ligt in God en Zijn belofte.

Als u iets kent van deze drie dingen in de ervaring van het hart, in de bevinding van uw leven, dan is het (zeg ik u) uw plicht om aan te gaan, om u te voegen naar de instelling van Christus: Doe dat tot Mijn gedachtenis (1 Kor.11:24).

U bent niet vromer of beter als u blijft zitten. Dan bent u geroepen om aan te gaan. Als u iets van deze dingen, van deze drie stukken kent in uw hart, en dat voor Gods aangezicht belijdt, en u blijft volgende week toch zitten, dan veracht u de instelling van Christus.

 

Kleinen in de genade. Misschien zegt u: ‘ja, dat hoop ik, dat ik daar bij hoor.’ Ik zie in uw gedachten uw worsteling: Mag ik wel aangaan? En u ziet anderen en u hoort anderen van die grote verhalen vertellen over zichzelf, maar u zucht in uw hart, misschien al jaren: ‘Zou het ook voor mij zijn?’

Gemeente, als je rijk bent, mag je je wel honderd keer bedenken om volgende week naar voren te lopen.

Maar ik heb het tegen u, armen. Tegen u, die niets hebt. Tegen u, die midden in de dood ligt, zoals het formulier dat zegt. Is het de last van uw leven? ‘O God, ik heb gezondigd, tegen U, tegen een goeddoend God’?

Zoek je de zaligheid buiten jezelf, omdat je weet dat er nooit meer iets van je terecht zal komen? Zoek je het buiten jezelf, in Christus Jezus? Strekt je hand en je hart zich uit naar Hem?

Zegt u: ‘Ja, dat is waar, maar ik heb zo weinig licht en zo weinig zekerheid’. Ja, dat geloof ik. Maar daarvoor heeft de Heere nu juist het Heilig Avondmaal ingesteld. Opdat zoekende, moedeloze, hongerende en dorstende en schreeuwende zielen Hem niet alleen zouden hóren, maar dat zij tasten, zien, proeven en smaken zouden, dat de vastheid ligt in Christus Jezus. Daar zet God als het ware het zegel op!

 

Zegt u nu aan het eind van de preek: ‘Ja (dat is de taal van mijn hart), ik heb lief, want Hij hoort mijn stem?

Maar toch is het volgende week anders. Dan gaat het niet in de eerste plaats om uw liefde. Maar dan zegt God tegen zulke mensen met Woord en teken: ‘Ja, het is waar, u hebt Mij lief, maar dat is zo beperkt. Ik zal tegen u zeggen en Ik zal u laten zien: Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde en daarom heb Ik, Christus, Mijn leven en Mijn bloed gegeven voor u, die vijanden waart.’

Laat u dan zo trekken als een arme zondaar, die buiten de Heere niet leven kan en zonder Christus niet verder kan. Laat u dan maar trekken met liefdekoorden!

Hij zal de blinden leiden in de weg die ze niet geweten hebben. Hij zal de lammeren, de kleintjes, in Zijn armen vergaderen. Hij zoekt ze op en brengt ze bij elkaar. Hij zal ze in Zijn schoot dragen. Zoals Mefiboseth ooit aan de tafel van David gedragen werd.

 

Tot slot, gemeente, nog een paar korte opmerkingen.

 

Als er iets is, tussen u en een broeder of zuster, ruim dat dan deze week uit de weg, opdat er volgende week geen verhindering zal zijn en de zegen u zal ontgaan omdat u in de zonde leeft. Wees ervan doordrongen dat de Heere alles ziet en weet.

 

En ik vraag u dringend, let volgende week ook niet op een ander. Hoed u er voor om een ander te oordelen of te veroordelen. De Heere ziet uw hart en mijn hart. Oordeel uzelf, en veroordeel uzelf deze week, opdat u niet geoordeeld worde.

 

En neem, zo mogelijk, in deze week van voorbereiding in alle rust en stilte voor Gods aangezicht, biddend bij het Woord en bij het formulier, voor uzelf de beslissing om aan te gaan of af te blijven.

 

En als u weet van uzelf dat u niet kunt aangaan, wilt u dan volgende week niet thuisblijven? Dat moet u niet doen. Denk aan wat Jesaja zegt: Zoekt de HEERE, terwijl Hij vinden is; roept Hem aan, terwijl Hij nabij is (Jes.55:6).

De tafel des Heeren is voor Gods kinderen een plaats waarvan we zo vaak mogen getuigen: ‘De Heere was daar. Hij was er met de blijken van Zijn gunst en Hij richtte mijn ogen en liet mij de onnaspeurlijke rijkdom van Christus Jezus zien.’

O, als Hij dan zo dichtbij is, dan mag u niet thuisblijven, maar dan moet u Hem aanroepen terwijl Hij nabij is. Niet thuisblijven.

 

De Heere zij ons zeer genadig en bezoeke ons deze week en de volgende rustdag met Zijn heil, tot roem van Zijn Naam, tot roem van God Drie-enig.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 106:3

 

Geef dat mijn oog het goed’ aanschouw’,
‘t Welk Gij, uit onbezweken trouw,
Uw uitverkoor’nen toe wilt voegen;
Opdat ik U mijn rotssteen noem’,
En, delend in Uws volks genoegen,
Mij, met Uw erfdeel, blij beroem’.