Ds. D. Rietdijk - Zondag 51

Vergeef ons onze schulden

Het schuldbelijden
Het schuldvergeven
De vergevingsgezindheid
Deze preek is eerder gepubliceerd in ‘De Heidelbergse Catechismus’ van ds. D. Rietdijk en ds. C.G. Vreugdenhil (Uitg. Groen, 1998).

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 32: 3
Lezen : Mattheüs 18: 21-35
Zingen : Psalm 51: 6, 7
Zingen : Geb. des Heeren: 6, 7
Zingen : Psalm 103: 6

Gemeente, wij willen met elkaar overdenken Zondag 51 van onze Heidel­bergse Catechismus.

 

Vraag 126: Welke is de vijfde bede?

Antwoord: Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren. Dat is: Wil ons, arme zondaren, al onze misdaden, en ook de boosheid, die ons altijd aanhangt, om des bloeds van Christus wil niet toerekenen, gelijk wij ook dit getuigenis Uwer genade in ons bevinden, dat ons ganse voornemen is onze naaste van harte te vergeven.

 

Gemeente, de vijfde bede handelt over: Vergeef ons onze schulden.

 

Drie punten vragen onze aandacht:

1. Het schuldbelijden

2. Het schuldvergeven

3. De vergevingsgezindheid

 

1. Het schuldbelijden

 

Gemeente, de grote vraag kan gesteld worden: is het nu niet misplaatst om weer opnieuw te gaan spreken over schuld? Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren. Als we spreken over schuld, bete­kent dat ook denken aan onze ellende. Dat hebben wij al eerder gedaan in onze catechismus. Denkt u maar aan de Zondagen 2, 3 en 4, waarin deze zaken diep en grondig aan de orde komen. In die Zondagen ging het over de kennis van onze ellende, hoe die uitgediept wordt en hoe deze in haar bron wordt getekend, namelijk in de val in het paradijs. Daar zijn alle din­gen ontstaan die ons ellende bezorgen. De zonde waarin wij leven, de onmacht onder de zonde, de straf over de zonde. Wij hebben daar uitvoerig over gesproken.

Nu gaat onze catechismus aan de hand van het Onze Vader juist in het stuk van de dankbaarheid, want daar staat dat gebed dan toch maar in, opnieuw spreken over schuld. En, gemeente, dan moet ik u zeggen, het is niet misplaatst. Telkens opnieuw moeten wij over schuld spreken, want daar komen wij in dit leven nooit bovenuit. Er is geen mensenkind dat in dit leven ooit boven de schuld ten opzichte van God uit zal komen. Wij heb­ben daar altijd weer mee te maken. En wij zullen de schuld van ons leven telkens opnieuw maar weer onder ogen moeten zien. Er gaat geen dag voorbij waarop wij geen schuld maken. Er is geen dag te vinden waarop wij schuldeloos zijn voor het aangezicht van de Heere. Elke dag weer opnieuw moeten wij beschaamd ons aangezicht omhoog heffen en zeggen: Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren. De schuld van de mens blijft.

 

Als wij het Onze Vader lezen in de Bijbel zoals Mattheüs en Lukas ons dat weergeven, dan wordt daar het woordje ‘en’ gebruikt. En vergeef ons onze schulden, en leid ons niet in verzoeking. Telkens opnieuw wordt dat voeg­woordje ‘en’ gebruikt, waarbij het voorgaande aan het volgende verbonden wordt. Wie bidt: Geef ons heden ons dagelijks brood, die zal ook moeten bidden: En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren.

 

Dat bidden om vergeving van de schuld is in de allereerste plaats een schuld­bewustheid. Want wie zal om vergeving van zijn schulden gaan vragen, wan­neer hij zich niet van die schuld bewust is? Wie zijn zonden niet kent en wie zijn zondigheid tegenover God niet kent, die zal de zonde ook niet gaan belijden. Die zal zeker ook niet om vergeving van zonde en vergeving van schuld gaan vragen. Het allereerste wat nodig is in uw leven is dat wij de schuld, de zonde van ons bestaan leren kennen. We moeten deze niet alleen kennen, maar deze ook als schuld zien voor God.

Dat is een tweede zaak. Want zonde kun je ook zien als een gebrek in de mens. Nou ja, zo is een mens nu eenmaal. Het is niet anders. Maar we moeten de zonde ook leren zien als schuld voor God. Ik ben de schuld van de zonde, die ik tegenover God bedrijf. Schuld heeft nog een iets andere inhoud dan zonde. Zonde leidt tot schuld. Schuld betekent de verplichting die God heeft tot straf. Schuld moet gekend worden, voordat we die ooit voor de Heere zullen belijden. En schuldvergeving veronderstelt schuldbe­lijdenis. Wij moeten onze schuld belijden voor de Heere.

 

De Bijbel staat vol van schuldbelijdenissen. Denkt u maar aan de psalmen. Dan gaan we tegen de Heere vertellen wat wij misdreven hebben. Denk maar aan Psalm 51 waarin David zo recht hartelijk, zo gemeend, zo diep bui­gend voor God de schuld van zijn leven beleden heeft: ‘Genâ, o God, genâ, hoor mijn gebed. Hoor hoe een boeteling pleit. Delg uit mijn schuld, ver­geef mijn overtreden.’ David heeft daarin gebeden als een boeteling voor het aangezicht van God. Hij beleed de schuld van zijn leven. En dat was in dit geval de zonde met Bathseba. David heeft deze psalm gezongen, gedicht, naar aanleiding van het feit dat de profeet Nathan bij hem geweest is. Deze profeet heeft de zonde van zijn leven bij hem thuisgebracht.

Door de Heilige Geest zijn de woorden van Nathan het hart van David ingedrongen en heeft hij beleden: ‘Ik heb gezondigd tegen de Heere.’ Niet alleen het overspel met Bathseba, maar ook de dood van Uria heeft hij bele­den voor God. ‘Ik heb gezondigd tegen de Heere.’ En dat gaat hij uitmeten in de 51ste  psalm: ‘Ik heb gedaan wat kwaad is in uw oog, dies ben ik, Heere, Uw gramschap dubbel waardig.’

Gemeente, wat is het nodig dat wij zo op de één of andere manier door het Woord van God net als David de schuld van ons leven leren onderkennen en met een verslagen hart voor het aangezicht van God gaan belijden: ‘Ik heb Uw wet geschonden.’

Dan zegt onze catechismus in dit antwoord, dat die zonden en die schulden van ons misdaden zijn. ‘Al onze misdaden.’ De cate­chismus neemt nooit een blad voor de mond. Die verdoezelt niets, die bedekt niets, maar die spreekt altijd ronduit over wat de mens is.

Onze misdaden. Dat zijn dus daden die het gebod van God overtreden. Dat zijn daden die het doel, dat God gesteld heeft in ons leven, niet treffen. Dat zijn daden die voorbijgaan aan het doel wat de Heere in ons leven gegeven heeft, namelijk om Hem te verheerlijken. Dat wil dus zeggen dat u een misdadiger bent. Dat is niet gering.

‘Al onze misdaden.’ Wij gebruiken dat woord zo graag voor bepaalde soorten overtredingen, zoals bruut geweld en bij­zondere nare, grote zonden. Het woord ‘misdadiger’ gebruiken wij voor moordenaars, overspelers en dieven. Maar nu komt de catechismus bij u aan huis en zegt: ‘U bent een misdadiger. Wat u in uw leven doet, zijn misda­den. Daarmee overtreedt u de wet van God op een grove wijze.’

 

En, gemeente, dan ziet u dat onze catechismus aan de hand van het Woord, onder andere aan de hand van de 51ste psalm waarin David ook spreekt van zijn misdaden, niet zomaar de zaak opzijschuift, zich er van afmaakt en zegt: ‘Nou ja, de mens is nu eenmaal zo, hij is wat zwak.’ David was ook maar een man, zo zou je kunnen zeggen. Hij had al zoveel ellende in zijn leven meegemaakt, dat het goed in te denken was dat... en zo kunt u verder gaan met het vergoelijken van het kwaad van David. Maar dat doet het Woord van God niet en dat deed David zelf ook niet.

Een misdadiger voor God. Er is niemand van ons die daar buiten valt. ‘Al onze misdaden.’ Gemeente, dan krijgt u een schuldbewustzijn. Je leert je zien voor God als één die Zijn wet heeft overtreden in gedachten, woorden en daden. Je hebt gebod op gebod overtreden.

 

En het gaat niet alleen over mis­daden, maar onze catechismus spreekt ook over de boosheid die ons altijd aankleeft. Het zijn dus niet alleen de daden die we doen, niet alleen de dade­lijke zonden die wij gedaan hebben en die we steeds weer opnieuw doen. U moet niet denken dat u zo af en toe wel eens een week hebt waarin u wel eens een zonde bedrijft, maar elke dag is gevuld met niet anders dan zonde. U moet niet vergeten dat er uit ons nooit iets goeds voortkomt en dat wij onbekwaam zijn tot enig goed. Dat houden we met onze catechismus staan­de. Dat zijn de dadelijke zonden.

Daarnaast hebben we de boosheid die ons altijd aanhangt. Wat is dat? Dat is de erfsmet, zoals de geloofsleer dat noemt. Dat is hetgeen wij geërfd hebben van Adam, vanuit het paradijs. Dat is dat boze hart, waarvan David zegt: ‘Die vuile bron van al mijn wanbedrijven.’ Daaruit komt al de boosheid, die begaan wordt in deze wereld, voort. In dat hart van u woont van alles. Daar hoeft u nooit te voorzichtig over te praten. U hoeft nooit te denken dat u die zonden niet zult doen, dat u daarvoor wel uit zult kijken, dat u daarvoor wel op zult passen.

Want, gemeente, wij hebben de boosheid die ons altijd aanhangt. In dat ene, kleine mensenhart zitten nu al de zonden van de hele wereld. Dat u dat niet ziet, is wat anders. En dat u dat niet uitleeft, is de bewaring van God. Maar het zit er wel. Dat zit in het hart van de mens. Dat is boos vanaf zijn levensbegin aan. En dan moet je niet denken dat ik overdrijf, want dat zit in ons aller hart. We hebben een boos hart. Dat is een verdorven hart, dat is een vuile bron van wanbedrijven. Koning David, de man naar Gods hart, begaat dan toch maar overspel en al die moorden.

En, gemeente, nu is het de blindheid van ons zielsoog, dat wij dat niet onderkennen, dat wij dat niet zien, dat we denken dat het wel meevalt. Maar daar gaat de Heilige Geest u aan ontdekken. Waar de Heilige Geest u ogen gaat geven om te zien, daar gaat u ontwaren wat er nu allemaal in uw hart leeft. En al leeft u het dan niet uit, het zit er wel. Dat gaat u steeds meer ont­dekken. En hoe meer u dat ontdekt, hoe meer deze bede in uw leven gaat functioneren: Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren.

Gemeente, wij doen misdaden in gedachten, woorden en werken, in dingen die wij doen en dingen die wij nalaten. Maar er is ook de erfsmet. Dat is de boze aard die wij altijd bij ons hebben. Daarvoor en ook voor de boosheid die ons altijd aankleeft, gaan we vragen of de Heere die, om het bloed van Christus, ons niet wil toerekenen.

 

Het is wat om mens te zijn. Er staat in een van de psalmen: Laat de heidenen weten dat zij mensen zijn (Ps.9:21). Mens te zijn is ontzaglijk erg. Als Jezus in het gericht bij Kajafas staat en als u ziet wat Hij moest lijden om uwentwil, dan gaat u ook iets zien van de ernst en de grootheid van het kwaad van ons leven. De misdaden en de boosheid hangen ons altijd aan. Die gaan nooit weg. Ook niet na ontvangen genade, ook niet wanneer we bekeerd zijn tot God.

Luther heeft daar twee beelden voor gebruikt om dat duidelijk te maken. In de eerste plaats het beeld van de baard van de man, die elke dag moet wor­den afgeschoren, maar de volgende dag is die er weer. Daar hebt u zo’n typisch beeld, waarin Luther duidelijk maakt wat nu die boze aard is. Je kunt er proberen wat aan te doen. Je kunt vandaag vragen: ‘Heere, wilt U mij geven dat ik, door Uw Geest geleid, zal mogen wandelen in Uw Woord, in Uw wegen?’ Maar de volgende morgen staat u weer op met dezelfde boze aard, met dezelfde boze gedachten.

Het tweede voorbeeld is van een tuin met onkruid erin. Luther zegt: ‘U kunt proberen om dat onkruid te wieden zoveel als u wilt, maar als u er een paar dagen niets aan doet, dan staat het weer even vrolijk in die tuin.’ Dat is het onkruid van ons leven.

Deze twee beelden, de baard van de man en het onkruid in de tuin, dat is nu dat boze hart, dat boze bestaan van u. En daarvan wordt gevraagd of de Heere deze om het bloed van Christus niet wil toerekenen. Er is dus alle aanleiding toe om een heel leven lang weer terug te komen op die schuld en ellende en om elke dag weer opnieuw te gaan bid­den: Vergeef ons onze schulden.

 

Dat is dus de bede die onze aandacht vraagt vanuit het Onze Vader. Vergeef ons onze schulden. Dat wordt gevraagd aan de Vader. Onze Vader, Die in de hemelen zijt. Dat is Degene tegen Wie wij gezondigd hebben. De gelijkenis van de verloren zoon moet ons duidelijk maken dat de zonde, zonde is tegen de Vader. Wij hebben al Zijn goed doorgebracht en nu hebben wij geen goed meer over. We zijn in een vergelegen land. We moeten net als die jon­gen tot onszelf komen en zeggen: Ik zal opstaan en tot mijn vader gaan en ik zal zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u; en ik ben niet meer waardig uw zoon genaamd te worden (Luk.15:18-19).

Zonde begaan tegen de Vader, begaan tegen de vaderlijke liefde, gezondigd tegen vaderlijke goedheid. En nu wordt die Vader aangeroepen om verge­ving.

U moet weten dat het juist een vaderlijke trek is om te vergeven. Een vader vergeeft zijn kind. Wel, hoeveel te meer zal de Vader in de hemel Zijn kinderen dan niet vergeven?

 

2. Het schuldvergeven

 

Onze Vader, Die in de hemelen zijt, vergeef ons onze schulden.

Wat bete­kent dat nu? Wil dat zeggen dat God als Vader de zonde vergoelijkt? Wil dat zeggen dat Hij de zonde van Zijn kinderen door de vingers ziet, dat Hij die niet serieus neemt? Nee, gemeente, als het gaat om de vergeving der zonden door deze Vader, dan ligt de diepste grond van die vergeving in het welbe­hagen van God. God heeft lust om Zijn kinderen de zonde te vergeven. Uit het vaderlijke welbehagen vloeien al deze dingen voort. En God neemt redenen uit Zichzelf om zonden te vergeven.

 

Dat doet Hij echter in een weg van recht. Dat is niet zo’n aangename uit­drukking. Die willen we niet zo graag horen, maar God doet het wel. God doet dat in een weg van recht. Als u het lijden van de Heere Jezus ziet, dan ziet u dat dat in een weg van recht gebeurd is. Bij de hogepriester Kajafas ging het om recht. Als het bij Pilatus in het rechthuis verder gaat, dan gaat het om een uitspraak van een rechter.

De verlossing van Sion geschiedt door recht. Sion zal door recht verlost worden, door het vervulde recht van God. Dat betekent, en dat kunt u zien in de oudtestamentische schaduwdiensten, als er een zondaar bij de tempel kwam en verzoening zocht, dan kon dat alleen maar door voldoening. Verzoening is alleen maar te vinden in de voldoening aan het recht van God.

En hoe geschiedde dat dan? Wel, dan moest die zondaar een lam of een schaap bij zich hebben. Dat moest een volkomen lam of een volkomen schaap zijn, daar mocht geen gebrek aan zijn. Dat dier moest hij de priester voorstellen. En als dat dier bij de priester gebracht en door hem aanvaard was, moest de zondaar zijn hand leggen op dat offerdier. Dat was de over­dracht van de zonde van de zondaar op dat offerdier. Het werd geslacht en op het brandofferaltaar gelegd. Het brandoffer werd aangestoken en het bloed van dat lam werd opgevangen en gesprengd rondom het altaar en aan de hoornen daarvan. Dat bloed betekende verzoening, voldoening aan het recht van God.

 

Al dat bloed van die dieren in het oude verbond wees heen naar dat betere bloed van de Heere Jezus Christus. Niet het bloed van stieren of bokken, maar het bloed van de Heere Jezus Christus reinigt van de zonde. Als God vergeeft, doet Hij dat om het bloed van Christus. Dat staat hier in onze cate­chismus: ‘Om het bloed van Christus wil niet toerekenen.’ Dat bloed van Christus is het ganse lijden van de Heere Jezus. Hij heeft al die schaduwen van het hele Oude Testament, van al die offerdieren, volkomen vervuld. Zonder bloedstorting is er geen vergeving.

Welnu, de Heere Jezus heeft Zijn bloed gestort. Heel Zijn lijden wordt samengevat in dat woordje ‘bloed’. Dat is het hele lijden van Christus, tot­dat Hij heeft uitgeroepen: Het is volbracht (Joh.19:30). Dat bloed heeft voldaan aan het recht van Zijn Vader. En daarin is het welbehagen van Zijn Vader. Daar­in is een weg gevonden om aan een zondaar de schuld te vergeven. Dus God vergoelijkt niet of neemt de schuld niet serieus. Nee, Hij doet dat in een weg van recht. In de vervulling van Zijn recht, in de storting van dat bloed, in de voldoening van de Heere Jezus Christus.

 

Die voldoening heeft plaatsgevonden, maar nu gaat het om u. Ik moet deel­genoot worden van het bloed van de Heere Jezus, anders zullen mijn zon­den, mijn misdaden, de boosheid die mij altijd aanhangt, niet vergeven wor­den. ‘Wil ons, arme zondaren’, staat er, ‘al de misdaden en de boosheid die ons altijd aankleeft, vergeven.’

 

‘Arme zondaren.’ Dat moet u niet opvatten in de zin van: ‘Ach, een mens kan daar helaas toch niets aan doen.’ Arme zondaren zijn geen slachtoffers van één of ander kwaad. Zondaar wil zeggen dat ik God niet kan betalen. Elk middel tot betalen ont­breekt mij. Ik ben failliet en ik heb geen cent om aan God te geven, om mijn schuld af te betalen. Ik ben uitgekleed en ik heb geen penning meer om aan God te betalen. Ik kan alleen maar mijn hoofd buigen en met de tollenaar in de tempel zeggen: O God, zijt mij de zondaar genadig (Luk.18:13). Dat is het arme zondaar zijn. Daar moet u niet een al te lief woord van maken, van ‘arme zondaren’. Daar bedoelt onze catechismus letterlijk mee: mensen die geen geld hebben om te betalen en die dus failliet gaan, verloren zijn. Dat is een arme zondaar.

 

‘Wil ons, arme zondaren, om het bloed van Christus wil, die misdaden en die boosheid niet toerekenen.’ Want, gemeente, God rekent ons die schulden toe. Dat is bij ons mensen ook. Die worden in een schuldenregister geschre­ven, op naam. Dat is toerekenen. Nu wordt er gebeden: ‘Heere, wilt U mij al die misdaden en boosheid niet toerekenen?’ Wat betekent dat? Wel, dat ik als een arme zondaar, als een beklaagde sta voor het gericht van God.

U zult misschien zeggen: ‘Wie klaagt mij dan aan?’ Het hele Woord van God klaagt u aan, de wet klaagt u aan. Die hebt u overtreden. Gebod voor gebod klaagt u aan. Al de geboden des Heeren klagen u aan voor Gods aangezicht. Uw geweten zegt dat u tegen God gezondigd hebt. Uw geweten zegt dat de wet gelijk heeft. Als de Geest in uw leven komt, dan gaat uw geweten weer spreken. Dan wordt het weer actief. Dat kan toegeschroeid zijn, dat kunt u het zwijgen opgelegd hebben, dat kunt u gedoofd hebben, maar als de Geest in uw leven komt, dan gaat dat geweten als de stedehou­deres van God in uw leven weer spreken. Dat gaat meegetuigen met de wet van God en zeggen dat u tegen God gezondigd hebt. U bent een zondaar.

 

Maar daar komt ook altijd het evangelie bij, want dan ga ik voor de Heere belijden dat ik nog nooit naar Zijn Woord heb geluisterd en dat ik Zijn lief­de hebt veracht. Want, gemeente, dat is werkelijkheid, hoor! We kunnen nog zo’n best kerkmens zijn, maar als de Heere in uw leven komt, dan zegt de Geest u dat u niet in Hem geloofd hebt. En dat wordt de schuld van uw leven. Hij overtuigt van zonde, namelijk dat wij in Hem niet geloven, dat we het Woord naast ons hebben neergelegd. Dat we al de lieflijke nodigingen van de Heere naast ons hebben neergelegd, dat we Zijn liefde hebben ver­acht, vertrapt en vertreden. Dat zegt het evangelie.

En dan is daar de satan. Hij weet precies wat u hebt misdreven. U moet maar nooit denken dat de satan er niet is of dat hij niet meer werkt of dat het maar een verzinseltje is. Daar kunt u hem de grootste dienst mee bewijzen die er te vinden is. Want de duivel weet precies wat u misdreven hebt. Daar komt hij op terug op het ogenblik waarop u voor God staat. En dan zegt hij: ‘Deze mens heeft Uw wet geschonden.’ Wat hij dan zegt, is waar. Hij liegt altijd, maar dan spreekt hij de waarheid.

Zo doet hij nog. Hij laat alleen achterwege dat er genade bij de Heere te ver­krijgen is. Satan vertelt altijd een halve waarheid.

De duivel bestaat wel. Denk erom, als u nog nooit met hem te maken hebt gehad, kijk dan uw leven eens na. Paulus zegt: Zijn gedachten zijn ons niet onbekend (2 Kor.2:11). Hij is er en hij komt op het alleronverwachtst. Hij zet u in banden en boeien. Dan roept alles u toe: ‘U bent des doods schuldig!’

 

En nu bidt hier een mens: ‘Wil ons, arme zondaren, om het bloed van Christus, al onze misdaden en de boosheid die ons altijd aanhangt, niet toe­rekenen.’ Wat moet er dan gebeuren? Wel, Christus spreekt hier. Hij zegt: ‘Vader, Ik heb voor deze verzoening gevonden.’ In Zijn handen staan de tekenen van het kruis, de tekenen van Golgotha’s heuvel. Daar staan de teke­nen in van: Het is volbracht. Daar staan de tekenen in van de volkomen­heid van Hem en van Zijn sterven. Hij heeft voor hen betaald met de dure prijs van Zijn dierbaar bloed. Op grond van dat offer spreekt de Vader u vrij, voor eeuwig vrij.

Hoe weet ik dat? Door de Heilige Geest. Die maakt het u bekend vanuit het Woord van God.

 

U moet het maar eens nalezen in Zondag 31 over de sleutelen van het hemelrijk. Zo dikwijls als zij de beloften van het evangelie met een waar geloof aannemen, zo zijn hun zonden vergeven. Worden de zonden dan telkens opnieuw vergeven? Het is toch zo, dat de vrijspraak van God, de ver­zekering van de volkomen genoegdoening van Christus, voor altijd geldig is? Jazeker. Maar hoort u David in Psalm 51 vers 14 niet zingen: Geef mij weder de vreugde Uws heils; en de vrijmoedige Geest ondersteune mij? Hebt u niet gehoord hoe David zong en klaagde:

 

Verwerp mij van Uw aangezicht toch niet;
Ai, laat van mij Uw Heil’ge Geest niet scheiden;
Die kan alleen op ‘t rechte spoor mij leiden.
Bestier mijn gang, daar Gij mijn zwakheid ziet.

 

Gemeente, daar gaat het om. We kunnen niet leven met de dingen die in het verleden gebeurd zijn. Daar zit geen leven meer in. Straks is door de zonde al de vreugde des heils weg, dan is alle blijdschap des heils weg en dan hebt u niets meer over dan een vage herinnering. Dan is het nodig dat die Geest opnieuw in uw leven die vreugde des heils verwekt, zodat u zich weer mag verlustigen in God, dat u weer mag zingen van het heil voor u bereid.

 

Vergeef ons onze schulden. Dat is een wezenlijke bede voor elke dag. Dat is een wezenlijke zaak, die telkens weer opnieuw gebeuren moet. De Heere Jezus zegt dat Zelf in de opperzaal te Jeruzalem. De discipelen liggen aan de paasdis en Hij wast de voeten van de discipelen. Als Hij dan bij Petrus komt, zegt deze: ‘Gij mij de voeten wassen? Ik zal Uw voeten wassen.’ ‘Nee’, zegt de Heere, ‘Ik zal uw voeten wassen, want als Ik u niet was, dan hebt u geen deel met Mij.’ En dan zegt Petrus: ‘Heere, was mij dan maar hele­maal.’ Maar dan antwoordt de Heere: ‘Nee, die gewassen is, heeft niet van node dan de voeten te wassen.’ De voeten gaan door het stof en die moe­ten telkens opnieuw gewassen worden.

En zo gaan de voeten van de kinderen van God door het stof van de aarde en die moeten telkens opnieuw gewassen worden. Als u daar nooit behoefte aan hebt, o, kijk dan uw zaak eens na!

 

Vergeef ons onze schulden. Wat is het nodig om die bede te bid­den. En dat niet zomaar eens één keer. We zijn wel eens verbaasd over David. Hij heeft een jaar lang met de schuld van Bathseba gelopen, zonder die te belijden voor God. En dan zeggen we: ‘David, dat is toch wat, die heeft een jaar lang zijn schuld niet beleden.’

Hoe lang loopt ú er al mee? Tachtig jaar, vijftig jaar, veertig jaar, twintig jaar? Hoe lang loopt u al met uw schuld, zonder dat die vergeven of beleden is? Zult u er over nadenken? Vandaag of morgen staan we voor God en dan klaagt alles u aan. En als dat nu in dit leven plaatsvindt, dan is er Eén Die intreedt. ‘Wil ons om het bloed van Christus die misdaden en die boosheid niet toerekenen.’ Maar als het na dit leven is, dan is er geen verzoening meer.

Nu is het de tijd om te bidden: Vergeef ons onze schulden. Telkens opnieuw. Uw voeten moeten gewassen worden door Jezus, want die gaan door het stof van deze wereld. U moet niet denken dat u boven het stof loopt.

De dichter bad het. Wij gaan het zingen uit het Gebed des Heeren, daarvan het zesde en het zevende vers:

 

Vergeef ons onze schulden, Heer’;
Wij schonden al te snood Uw eer;
De boosheid kleeft ons altijd aan;
Wie onzer zou voor U bestaan,
Had Jezus niet voor ons geleên?
Wij schelden kwijt, wie ons misdeên.

 

Leid ons in geen verzoeking ooit;
Verberg voor ons Uw aanzicht nooit;
Gij weet het, onze kracht is klein;
De driften veel, en ‘t hart onrein;
Wat wordt er van ons in die staat,
O Vader, zo Gij ons verlaat?

 

Schuldbelijdenis, schuldvergeving en dan tenslotte:

 

3. De vergevingsgezindheid

 

Want de Heere leert ons bidden: Gelijk ook wij vergeven onze schuldena­ren. Gaat God ons nu vergeven omdat wij onze schuldenaren vergeven? Nee, natuurlijk niet. Als God vergeeft, dan is dat het welbehagen, dat door de voldoening aan Zijn recht door het bloed van Christus wordt toegepast. Bedoelt de Heere dan: naar de mate waarin wij vergeven? Als wij onze schul­denaren veel vergeven, vergeeft Hij ons dan ook veel? En als we het weinig doen, vergeeft Hij ons dan ook weinig? Nee, natuurlijk niet. Als de Heere dat zou moeten doen, dan vergaf Hij nooit meer iemand iets.

 

Wie zijn wij? Gemeente, laten we eerlijk zijn. Er hoeft maar iets te gebeuren of we zitten boven op het paard. Zo is het toch? Als de Heere daar rekening mee zou moeten houden, dan gebeurde er niets meer. Wat bedoelt de Heere dan? Gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren. Welnu, onze catechismus zegt het: ‘Gelijkerwijs wij dit getuigenis Uwer genade in ons bevinden, dat ons ganse voornemen is onze naaste van harte vergeven.’

Als u de gezindheid hebt om uw naaste te vergeven, dan is de bron daarvan de genade van God. Wij hebben dat getuigenis van Zijn genade in ons, als wij vergevingsgezindheid mogen waarnemen. Welnu, als wij door Zijn genade die gezindheid in ons hebben, hoeveel temeer moet God dan niet bereid zijn om de schuld te vergeven aan arme zondaren. Dat is het!

 

De Heere Jezus heeft daarvan een voorbeeld gegeven. Het is u voorgelezen. Petrus had namelijk de vraag gesteld hoeveel keer iemand aan zijn broeder om verge­ving moet vragen. ‘Zeventig maal zeven maal’, had de Heere gezegd. Dat wil zeggen: een oneindig groot aantal. Daar komt nooit een einde aan.

Daarna vertelt de Heere Jezus van een koning die een dienaar had. Die die­naar was hem tienduizend talenten, een onvoorstelbaar groot bedrag, schul­dig. Als u dat naar onze tijd zou willen omrekenen, was dat wel zo’n 25 mil­joen gulden. En wat doet die koning? Hij vergeeft, hij scheldt heel die grote schuld kwijt. Dat is geweldig fijn natuurlijk. De man gaat blij naar huis. Hij loopt het paleis uit. Maar buiten het paleis komt hij een andere dienaar tegen, een collega van hem. Die is hem honderd penningen schuldig. Dat is het loon van honderd dagen. Dat staat in geen verhouding tot die 25 miljoen gulden. Als die dienstknecht aan wie die tienduizend talenten zijn kwijtgescholden deze man tegenkomt, die collega van wie hij honderd pen­ningen krijgt, dan pakt hij hem beet en dan sist hij hem toe: ‘Je moet alles aan mij betalen, want anders lever ik je over.’ Dat wordt meegedeeld aan de koning. Deze is dan zo vertoornd, dat hij de dienstknecht laat komen aan wie hij die tienduizend talenten had kwijtgescholden. Hij zegt: ‘Van jou moet ik die tienduizend talenten hebben.’

 

De vergevingsgezindheid die de Heere bedoelde, was in die man niet aan­wezig. De Heere herhaalt dat in Mattheüs 6 vers 14 en 15. Daar zegt Hij: Want indien gij de mensen hun misdaden vergeeft, zo zal uw hemelse Vader ook u vergeven. Maar indien gij de mensen hun misdaden niet vergeeft, zo zal ook uw Vader uw misdaden niet vergeven. Als die vergevingsgezindheid ontbreekt, dan ontbreekt ook het getuigenis van de genade van God. Dat is de prediking.

 

Vergeef ons onze schulden - kunt u verder bidden? - gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren? Of komt u nooit verder dan: Vergeef ons onze schulden? De Heere zegt: ‘Het getuigenis van Mijn genade in u is vergevingsgezind­heid.’

Gemeente, kent u daar wat van? Kent u het wonder van het vergeven van de zonde door God? ‘Zo ver het west verwijderd is van het oosten, zo ver heeft Hij om onze ziel te troosten, van ons de schuld en zonde weggedaan.’ Dan staat u op een nieuwe wereld. Dan staat u op een andere aarde, dan leeft u op een andere bodem, dan is er een andere hemel boven u. Dan zijn ook alle schepselen anders. Dan leeft u in een nieuwe wereld, op een nieuwe aarde. Dan heerst daar al iets van de vrede die straks zal komen als de Heere Jezus wederkomt op de wolken des hemels. Dan is er iets van die vrede in u en om u, met God en alle mensen.

 

Dat die vrede weer verstoord wordt, is wat anders. Maar dat u het nooit ver­geten zult waar dat gebeurd is, dat is een andere kwestie. Het zal zo zijn, dat wij, gerechtvaardigd door het geloof, vrede hebben bij God, door onze Heere Jezus Christus. Dan is alles goed. Dan kunt u verder, dan mag u verder onder het vriendelijk aangezicht van God.

Leeft u zo? Of bent u er een vreemdeling van? Dan bent u arm. Dan zijn we zo nameloos arm.

 

‘Arme zondaren.’ Dat is een woord dat waar is. Met alles wat we denken te hebben en te zijn, zijn we nameloos arm. Wat u in deze wereld ook hebt, op een gegeven ogenblik is het afgelopen en dan staan we voor God. Dan heb­ben we niets meer over, niets meer. Dan staan we met onze armoede, met onze verlorenheid voor God. Dan is het voorbij, voor eeuwig. Neem dat eens mee naar huis.

Gemeente, straks staat u voor de troon van God en dan wil ik niet dat u mij zou kunnen aanwijzen, dat ik het u niet gezegd heb. Dat moet u weten dat u dan voor eeuwig verloren bent. Dat moet ik u zeggen.

Erskine zegt in een preek: ‘Ik wil heden preken over de verlorenheid van de mens, opdat u mij niet zult beschuldigen dat ik het u niet gezegd heb.’

Gemeente, dat wil ik u ook zeggen. Straks staan we voor God met al de woorden die u gehoord hebt en die u hier had kunnen horen. Dan zal God u rekenschap afvragen over alles wat u daarmee gedaan hebt. Dan zult u daar zwijgend staan en dan zal God zeggen: ‘Ga weg van Mij.’ Dat is het ergste woord wat er is: Gaat weg van Mij, gij die de ongerechtigheid werkt (Math.7:23). Dan zal het voor eeuwig te laat zijn.

 

Gemeente, nu prediken wij u dit vandaag, opdat u heden zou zoeken wat tot uw eeuwige vrede is dienende. Opdat u vandaag zou zoeken wat tot uw behoud noodzakelijk is. De Heere Jezus is gekomen en Hij wordt onder u gepredikt. Zijn Naam is verkondigd. Buig uw knieën en vraag om de wer­king van Zijn Heilige Geest in uw leven. Vraag om de opening van uw ogen, opdat u zien mag, werkelijk zien mag wie u bent en wie u, en dat is een nadere les, ook na ontvangen genade blijft.

Bid met de ganse kerk van alle eeu­wen mee: Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schul­denaren.

 

De Heere geve dat er in de gemeente iets openbaar mag komen van de heer­lijke gestalte van Christus, Die gezwegen heeft voor Kajafas, opdat zwijgen­de zondaren zouden horen: ‘Ik heb uw zonden achter Mijn rug geworpen in een zee van eeuwige vergetelheid.’

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 103:6

 

Zo hoog Zijn troon moog’ boven d’ aarde wezen,
Zo groot is ook voor allen die Hem vrezen,
De gunst waarmee Hij hen wil gadeslaan.
Zo ver het west verwijderd is van ‘t oosten,
Zo ver heeft Hij, om onze ziel te troosten,
Van ons de schuld en zonden weggedaan.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in ‘De Heidelbergse Catechismus’ van ds. D. Rietdijk en ds. C.G. Vreugdenhil (Uitg. Groen, 1998).