Ds. J. IJsselstein - Openbaring 5 : 1 - 9

Het boek van Gods raad

In de handen van de rechtvaardige God
In de handen van de Middelaar

Openbaring 5 : 1 - 9

Openbaring 5
1
En ik zag in de rechter hand Desgenen, Die op den troon zat, een boek, geschreven van binnen en van buiten, verzegeld met zeven zegelen.
2
En ik zag een sterken engel, uitroepende met een grote stem: Wie is waardig het boek te openen, en zijn zegelen open te breken?
3
En niemand in den hemel, noch op de aarde, noch onder de aarde, kon het boek openen, noch hetzelve in zien.
4
En ik weende zeer, dat niemand waardig gevonden was, om dat boek te openen, en te lezen, noch hetzelve in te zien.
5
En een van de ouderlingen zeide tot mij: Ween niet; zie, de Leeuw, Die uit den stam van Juda is, de Wortel Davids, heeft overwonnen, om het boek te openen, en zijn zeven zegelen open te breken.
6
En ik zag, en ziet, in het midden van den troon, en van de vier dieren, en in het midden van de ouderlingen, een Lam, staande als geslacht, hebbende zeven hoornen, en zeven ogen; dewelke zijn de zeven geesten Gods, die uitgezonden zijn in alle landen.
7
En Het kwam, en heeft het boek genomen uit de rechter hand Desgenen, Die op den troon zat.
8
En als Het dat boek genomen had, vielen de vier dieren en de vier en twintig ouderlingen voor het Lam neder, hebbende elk citeren en gouden fiolen, zijnde vol reukwerks, welke zijn de gebeden der heiligen.
9
En zij zongen een nieuw lied, zeggende: Gij zijt waardig dat boek te nemen, en zijn zegelen te openen; want Gij zijt geslacht, en hebt ons Gode gekocht met Uw bloed, uit alle geslacht, en taal, en volk, en natie;

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 102: 14, 15
Lezen : Openbaring 5
Zingen : Psalm 73: 1, 13, 14
Zingen : Psalm 32: 4
Zingen : Psalm 103: 8, 9

Gemeente, het is de laatste dag van het voorbijgegane jaar. Een dag waarop de meesten van ons terugzien op het jaar dat gepasseerd is, op het jaar waarin zoveel gebeurd is. Er is zoveel gebeurd in het maatschappelijke leven. Het was ongetwijfeld ook voor u in dat opzicht een jaar dat getuigt van de goede zorg van de Heere. We zien terug op het kerkelijke leven, alles kon zijn voortgang vinden: het werk op catechisaties, huisbezoeken, verenigingen. Het werk op onze scholen.

Maar wie ziet vanavond niet terug op wat in het persoonlijke leven, dichter bij huis, passeerde? De zegeningen die de Heere ons gaf in huwelijken, in gezinnen. Zegeningen die tot uitdrukking kwamen in onderlinge liefde en betrokkenheid, in saamhorigheid en vrede. De zegen vooral die de Heere gaf onder de dienst van het Woord.

 

Maar wie ziet vanavond ook niet terug op die moeilijke en verdrietige dingen die passeerden? Geliefden ontvielen ons: man, vrouw, vader, moeder, misschien een kind?

Wie kijkt niet terug naar verlies dat we leden als het gaat om gezondheid? Mensen onder ons, ook die meeluisteren, die een ernstige boodschap kregen? ‘Verlies’, zegt u, ‘van vriendschap, van m’n baan, van m’n werk, van andere zekerheden…’

Dit jaar getuigt aan de ene kant van de zegen en goedheid van de Heere en aan de andere kant van wat we zongen:

 

Wat uit stof is neemt een end

Door de tijd die alles schendt.

 

U zegt: ‘Is het niet, als je het zo afweegt, een dag om droevig, weemoedig te worden? Is het niet een dag om toch zachtjes te huilen? Is er wel toekomst voor ons mensen?’

 

Jongelui, je staat weer een jaar dichter bij de grote Godsontmoeting. Bij de eeuwigheid. En de vraag is: Is je ziel gered? Of is het gevaar in dit afgelopen jaar alleen maar groter geworden?

Heb je wel toekomst?

Ondertussen roept alles en iedereen ons toe – dat begrijp ik, het maakt je leven moeilijk in deze tijd – : bestaat die God van jullie wel echt? Is Hij er wel?

Misschien is dat ook wel de twijfel van je hart: ‘Heere, bent U er wel? Hebt U alles wel in de hand?’ Of… of zijn we, terwijl we zeggen christenen te zijn, speelbal van het noodlot en is er helemaal niets buiten deze wereld?

 

De tekst van vanavond laat ook zo’n mens zien. Johannes op Patmos. Bij alle vragen die hij heeft over zijn leven, zoekt hij houvast in Zijn God.

U vindt de tekst in Openbaring 5. We overdenken de eerste negen verzen, maar ik lees u samenvattend vers 7 nog een keer voor. Er staat:

 

En Het – dat wil zeggen: het Lam – kwam, en heeft het boek genomen uit de rechterhand Desgenen Die op de troon zat.

 

Het thema voor deze oudejaarspreek is: Het boek van Gods raad.

 

We zien dat boek:

1. In de handen van de rechtvaardige God

2. In de handen van de Middelaar

 

1. Het boek van Gods raad in de handen van de rechtvaardige God

 

Want, er staat in vers 1: En ik zag in de rechterhand Desgenen Die op de troon zat – in de hemel dus – een boek, geschreven van binnen en van buiten, verzegeld met zeven zegelen.

Er zit, zegt Johannes, Eén op de troon. Wat Johannes zegt getuigt van diepe eerbied. Hij noemt Zijn Naam niet. Er zit, zegt Hij, Eén op de troon.

En in Zijn rechterhand een boek. Een hele grote boekrol, beschreven aan de buitenkant en aan de binnenkant. Het boek van Gods raadsplan. Alles wat er gebeuren gaat, heel de toekomst staat beschreven en ligt besloten in dat boek. Ook heel het plan van de zaligheid, de sleutel voor het verlossingswerk, hoe de mens gered kan worden, het staat allemaal in die grote boekrol.

En die boekrol ligt in Gods rechterhand, zo staat er. Dat wil zeggen: in de hand van Zijn macht, maar ook in de hand van Zijn trouw, in de hand van Zijn gunst.

 

Maar, die hele grote boekrol, staat er, is verzegeld met zeven zegelen. Die rol is gesloten, die zit op slot. Hij is verzegeld zoals het graf van de Heere Jezus verzegeld was. Zo verzegeld, zo gesloten is die rol. De sleutel voor de toekomst, de sleutel voor heel het verlossingwerk zit opgesloten achter zeven sloten.

 

En – vers 2 – ik zag een sterke engel, uitroepende met een grote stem: Wie is waardig het boek te openen, en zijn zegelen open te breken?

Een sterke engel. Niet dat er ook zwakke en slappe engelen zijn, maar deze treedt als het ware als een kampioen naar voren. Hij roept met een grote stem. Wat er in het Grieks staat doet denken aan ons woordje ‘megafoon’. Met een megagrote stem roept hij en hij blijft roepen: Wie is waardig? Wie…? Wie…?

Hij zegt niet: ‘Wie is machtig, wie heeft de kracht?’ Maar: ‘Wie is waardig?’ Dat wil zeggen: wie is bevoegd, wie heeft het recht om die boekrol te openen? Wie verdient het? Wie mag het doen?

Een grote stem in de hemel en het echoot als het ware door de hemel der hemelen: Wie…? Wie…. is waardig? Laat hem dan opstaan!

 

Maar – vers 3 – niemand in de hemel, noch op de aarde, noch onder de aarde, kon het boek openen, noch hetzelve inzien. Niemand kan die zeven zegels, die zeven sloten, openbreken om de inhoud van die boekrol te weten. Wie toch kan de weg wijzen naar de toekomst? Een toekomst vol van onzekerheid? Wie toch kan de weg naar de zaligheid verklaren, uitleggen en toepassen?

 

En – staat in vers 4 – ik weende zeer, dat niemand waardig gevonden was om het boek te openen en te lezen, noch hetzelve in te zien.

Niemand!

Letterlijk staat er: ik barstte in tranen uit en bleef huilen.

Komt de geschiedenis dan nooit tot haar doel? Blijven Gods beloften dan onvervuld? Johannes huilt heel erg hard bij die gesloten boekrol, bij die gesloten weg.

 

Misschien geldt dat ook wel van u, als u terugkijkt, als u vooruitkijkt. Misschien zegt u ook wel: ‘Ik begrijp Gods plannen niet. Heere, waarom is het toch allemaal gebeurd en waarom gebeurt het toch? Hoe moet het toch verder in de toekomst? Ik vind geen houvast.’ En dan komt het: ‘Want, Heere, mijn hart… Bij alles wat ik aan U vraag en bij alles wat ik denk, beschuldigt mijn hart me en moet ik zeggen: Heere, U doet geen onrecht.’

Want dát is het wat de tranen in de ogen van Johannes laat opwellen: ‘Heere, ik begrijp het wel. Niemand is waardig. Niemand is waardig om tot U te naderen, o heilige God in de hemel.’ Niemand in de hemel, noch op de aarde, noch onder de aarde. Dat wil zeggen: geen engel, geen mens, geen duivel. Jij niet, u niet, ik niet. Niemand. Niemand is waardig.

 

Ja, je kunt het allemaal wel proberen, terwijl je weet dat je het niet waardig bent om tot God te naderen. Je kunt het wel proberen, terwijl de zonde drukt op je hart en je denkt bij jezelf: ‘Ik zal toch naderen tot God met…’ Ja, met wat eigenlijk? Met wat levensverbetering, en wat werken, wat tranen…?

Maar dit hart blijft zeggen: ‘Ik ben niet waardig om tot U te naderen, o heilige en rechtvaardige God.’ De weg is toegesloten. De weg is dicht. De weg naar de toekomst en de weg tot de zaligheid. Geen mens kan op eigen kracht en in eigen waardigheid dat boek van Gods raad, van de verlossing en van het plan van de zaligheid inzien. Wij mensen kunnen niet naderen tot God, Die heerst in strikte rechtvaardigheid en heiligheid.

Hier zien we aan de ene kant in de hemel der hemelen de glorie van God, Die op de troon zit. De heilige, de rechtvaardige, de drie-enige God. De hemel is vervuld met het driewerf heilig, dat de miljarden engelen uitspreken in hun spreekkoren. Hij zal Zijn raad volvoeren en Hij zal Zijn wil volbrengen. Hij Die op de troon zit.

En aan de andere kant, op nameloze afstand: de mens, de verloren mens. En er is geen weg.

 

Misschien zit u nu zo in de kerk. Als het gaat om de toekomst, als het gaat om de toekomst van je hart. ‘Heere, zo’n grote afstand. Ik zie geen weg!’

God heeft alles in Zijn handen en zit op de troon van Zijn heerlijkheid, en u op een nameloze afstand ver daar vandaan, met tranen in de ogen van uw hart – net als Johannes.

‘Wie is waardig, Heere? Nee, ik niet.’

‘Is er nog een weg om die welverdiende straf te ontgaan en weer tot U te komen en weer tot genade te komen? Heere, is er een weg om tot U te naderen?’

Wat zegt de catechismus op die vraag?

God wil dat aan Zijn recht wordt voldaan.

‘Ja maar, Heere, wie zal dan betalen? Wie zal dan verzoening aanbrengen, voor mij? Ik ben niet waardig…’

Gemeente, dìt maakt op deze oudejaarsdag het grote verschil.

Kijk maar in je hart, jongelui, als je denkt aan het jaar dat achter ligt. De één zegt, terwijl hij kijkt naar tegenspoed, verdriet en zorg: ‘Heere, waar heb ik dat allemaal aan te danken? En wat hangt me volgend jaar weer boven het hoofd?’ En de ander buigt z’n hoofd en zegt: ‘O God, ik was het niet waardig dat U voor me zorgde.’

 

Johannes is een kind van God. Hij begrijpt het diep in zijn hart wel. Niemand is waardig, niemand is bevoegd, niemand is goed genoeg om dat boek te openen. Hij ook niet.

En toch… toch zou hij eigenlijk wel meer willen weten, wat meer willen zien van Gods raad, van Gods plan.

Het toont ook iets van de zwakheid in het hart van Gods kinderen. Hoe moeilijk het is, ook als kind van God, te bidden: ‘Leer mij, Heere, volgen zonder vragen; Vader wat U doet is goed.’ Hoe moeilijk is het, ook voor kinderen van God, in tijden van tegenspoed te zeggen: ‘Ik zal mijn mond niet opendoen, want U hebt het gedaan.’

Want ook als wij terugzien (kijk maar terug, kinderen van God) naar het afgelopen jaar, dan zijn ook wij zo geneigd om te zeggen: ‘Maar waarom deed U dat toch, Heere? Mag ik iets meer zien van Uw plan voor de toekomst? Van waarom het zo gegaan is en hoe het verder zal gaan in de toekomst?’

Wie is waardig het boek van Gods raad in te zien?

Kinderen van God in ons midden, bent u waardig? Wie zijn wij eigenlijk voor de hoge God?

 

Weet u, gemeente, wat deze geschiedenis ons vooral leert? Dit: wij zijn met elkaar zo geneigd om te zien op alles van deze aarde, op ons leventje, op ons leven van het afgelopen jaar. U zegt: ‘Dit was mooi en dat was fijn, dit was naar en dat was verdrietig.’ En zo kijken we om ons heen naar wat was, wat is en wat komen gaat op aarde…

Maar wat doet God? Hij richt het gebogen hoofd van Johannes, dat gericht is op de aarde, omhoog! Want het gaat helemaal niet om wat hier beneden gebeurt. Het gaat in dit leven, als het goed is, om de heerlijkheid, om de glorie van de grote God. De absolute Vorst en Heerser, de Heere der heerlijkheid, Die regeert in eeuwigheid.

Alles in dit leven en na dit leven moet gericht zijn en gericht worden op Zijn eer, op Zijn roem, op Zijn lof en glorie. En daarom klinkt het straks in de hemel, zo lezen we in hoofdstuk 19 vers 1: Halleluja, de zaligheid en de heerlijkheid en de eer en de kracht zij de Heere, onze God.

 

Het is niet voor niets dat de blik van Johannes niet gericht wordt naar beneden. Naar oorlogen, naar geruchten van oorlogen, naar aardbevingen, onrust, ziekte, armoede, geweld, eenzaamheid, rouw. Als het gaat om de toekomst, dan heft God het hoofd van Johannes op naar de hemel. God richt de blik van Johannes op… Zichzelf. Op de heilige, rechtvaardige, soevereine God, Die het waard is om aangebeden, geloofd en gedankt te worden.

En dat past ook ons, terwijl we achteruitkijken en terwijl we vooruitkijken, het past ook ons om te zeggen: ‘Heere, ik aanbid U in Uw heerlijkheid, in Uw glorie, in Uw majesteit, in Uw soevereiniteit, maar wie ben ik toch voor U?’ Het past ons allen op deze oudejaarsdag Hem de eer en glorie toe te brengen en in ons hart tranen te huilen vanwege onze onwaarde.

 

Tegelijkertijd begrijpen we die tranen van Johannes wel. Misschien zijn het ook wel uw tranen. De toekomst en vooral heel dat plan voor de verlossing, voor de zaligheid, ligt in Gods hand, in de rechterhand van de hoogste Majesteit, maar… en je hoort als het ware de vraag in het binnenste van Johannes’ hart, maar…: ‘Hoe zou ik toch kunnen delen in Zijn toekomst? Hoe kan voor mij de weg geopend worden naar die hoge Majesteit Die op de troon zit? Is er wel een weg voor mij?’

Misschien is dat wel de vraag van uw hart: ‘Is er een weg voor mij? Kan ik wel beginnen aan het nieuwe jaar? Heere, hoe moet het toch verder? Ik kan niet naderen tot U, o heilige God!’

Jongelui, dat is de kern van het probleem van je leven. Niet hoe je vooruit komt in deze wereld. Hoe je snel carrière kunt maken. Niet hoe je morgen het beste goede voornemens moet formuleren. Maar de kern van het probleem van je leven is: hoe kom ik als klein mensje weer in het spoor van mijn heilige en rechtvaardige Schepper en Maker?

 

In vers 5 neemt één van de ouderlingen neemt het woord:  En een van de ouderlingen zeide tot mij: Ween niet – niet huilen, Johannes – Zie, de Leeuw, Die uit de stam van Juda is, de Wortel Davids, heeft overwonnen, om het boek te openen, en zijn zeven zegelen open te breken.

Johannes, er is een weg, er is hoop, er is verwachting! De Leeuw uit de stam van Juda – een beeld vol van moed en kracht – die Leeuw heeft de boze overwonnen. Het was de belofte van Jakob destijds: Juda is een leeuwenwelp. Klein weliswaar. Maar nu heet Hij: de Leeuw uit de stam van Juda. En de Wortel is ook niet meer het scheutje uit de wortel Davids maar de Wortel Zelf. En Hij, Christus, heeft overwonnen.

Hij is waardig – machtig en gemachtigd – zegt die ouderling, om de zeven zegelen open te breken en die boekrol open te doen. En dan richt God de blik van Johannes naar de hemel. Dan ziet hij Hem staan: de Leeuw, Die uit de stam van Juda is, de Wortel Davids. 

 

Dat brengt ons bij onze tweede gedachte, maar we gaan eerst zingen uit Psalm 32 het vierde vers:

 

Gij zijt mij, Heer’, ter schuilplaats in gevaren;

Gij zult mij voor benauwdheid trouw bewaren.

G’ omringt me, daar Gij mij in ruimte stelt,

Met blij gezang, dat mijn verlossing meldt.

Mijn leer zal u, o mens, naar ‘t recht doen hand’len,

En wijzen u de weg die gij zult wand’len.

Ik zal u trouw verzellen met mijn raad,

Terwijl mijn oog op u gevestigd staat.

 

Onze tweede gedachte:

 

2. Het boek van Gods raad in de handen van de Middelaar

 

Want we lezen in vers 6: En ik zag, en ziet, in het midden van de troon, en van de vier dieren, en in het midden van de ouderlingen, een Lam, staande als geslacht, hebbende zeven hoornen, en zeven ogen; dewelke zijn de zeven geesten Gods, die uitgezonden zijn in alle landen.

 

Daar staat Johannes. Huilend. Ik weende zeer. En je kijkt in z’n hart en hoort het hem zeggen: ‘Ook ik ben niet waardig, o God.’ Maar dan richt God Johannes’ blik naar boven en ziet hij niet alleen Eén Die op troon zit. Maar hij ziet tussen de troon (want er staat: midden in de troon, dat betekent: tussen de troon) van de Almachtige aan de ene kant, en de vierentwintig ouderlingen (vertegenwoordigers van de Kerk) en de vier dieren (machtige engelen die de hemelse eredienst leiden), dáár tussen God en de Kerk, staat het Lam. Staande als geslacht, dat wil zeggen: Hij draagt de littekens van Zijn lijden. Maar Hij staat, dat wil zeggen: Hij is dood geweest, maar Hij leeft! Teken van Zijn overwinning. Daar staat Hij in de hemel, in Zijn heerlijkheid en glorie: de Middelaar, het Lam. Staande als geslacht.

 

Als je dat leest: staande als geslacht, dan denk je direct terug – ja, toch? – aan het bloed van het geslachte paaslam, dat gestreken werd aan de bovendorpel en zijposten van het huis van de Israëlieten. Want God had gezegd: Als Ik het bloed zie, dan zal Ik ulieden voorbijgaan (Ex.12:13).

Als je dat leest: staande als geslacht, dan denk je direct aan het bloed van het geslachte Lam dat drupte op Golgotha. Hij is, zegt Jesaja, om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld (Jes.53:5).

Als je dat leest, denk je direct aan wat Petrus schrijft over het dierbare bloed van het onbestraffelijke, onbevlekte Lam: Christus, Die de Zijnen heeft vrijgekocht.

En nu staat Hij daar – en Johannes ziet Hem – tussen de rechtvaardige God en de Kerk.

 

Hij heeft zeven hoornen: teken van Zijn macht, en zeven ogen. Hij ziet en weet alles, en Hij heeft de zeven geesten Gods: de Geest van God is Hem zonder mate gegeven om de volken te leren en te regeren, en om de verdienste van Zijn werk toe te passen.

Johannes ziet Hem staan tussen Hem Die op de troon zit en de Kerk.

Zie, het Lam Gods!

 

In vers 7 lezen we: Het kwam, en heeft het boek genomen uit de rechterhand Desgenen Die op de troon zat. Hij neemt het boek. Want Hij is het waardig, Hij verdient het. Er staat niet dat Hij het smeekt en vraagt. Hij neemt het, en het wordt Hem gegeven. Hij, het Lam, kan en wil en zal het plan van de toekomst, van Gods raad, van de zaligheid en van de verlossing volkomen uitvoeren, want Hij heeft het recht. Want Hij heeft aan het recht van de almachtige en rechtvaardige God voldaan.

Hij staat tussen Hem Die op de troon zit en Zijn Kerk.

Jongelui, Hem heb je nodig, anders kun je aan het nieuwe jaar niet beginnen. Je hebt het Lam nodig, staande als geslacht tussen God en je onwaardige hart. Anders kun je niet beginnen aan het nieuwe jaar. Wat er ook gebeurt: je hebt geen toekomst zonder het Lam. Welke plannen je ook maakt, welke mooie vooruitzichten er ook lijken te zijn: als je het Lam niet hebt, heb je… niets. Dan is er geen weg naar God toe, dan is die geblokkeerd, gesloten. Dan is er geen weg naar de toekomst. Dan is alles hopeloos. Bedenk dat toch, juist op deze laatste dag van het oude jaar.

Jongelui, ik bid je in alle ernst, ga niet door en leef niet door zonder het Lam! Je hebt een Borg nodig Die staat tussen God en tussen je ziel. Zonder dat Lam wordt je toekomst een ramp!

 

Hem hebt u nodig, ouderen en ouden van dagen onder ons, anders kunt u echt niet beginnen aan het nieuwe jaar. Misschien – ik zeg misschien, maar voor sommigen van u is het zeker – wordt voor u het volgende jaar uw laatste jaar.

U kunt dit jaar niet uitgaan dan met een blik naar de hemel, terwijl uw hart zich met tranen buigt en zegt: ‘O God, ik ben het niet waardig. Maar Gij Heer’, Gij alleen zijt Verwinnaar in de strijd!’

U kunt dit jaar niet anders uitgaan dan met de bede op de lippen: ‘O Heere, laat toch alles wat gebeurd is het afgelopen jaar in m’n leven verzoend zijn door het bloed van het Lam!’

Oudejaarsavond plaatst u voor de troon. Ik zeg het in het bijzonder tegen u, ouderen in ons midden. Nu nog in gedachten, maar straks staat u daar werkelijk voor Hem Die op de troon zit.

 

Vanavond/vandaag plaatst dit woord u allen, ook jullie, jongelui, voor de troon. Kijk in gedachten omhoog: Eén Die op de troon zit. Kijk, daar staat u voor God.

Hetis een van twee. U staat daar alleen. Of u staat daar, en tussen u en God staat het Lam staande als geslacht.

Als u weet dat u daar alleen zult staan, dan zeg ik u: zo kunt u het jaar niet uit, zo kunt u geen dag verder.

Als u weet dat u daar staan zult met het Lam daartussen, dan hebt u toekomst. Dan geldt, misschien wel middenin moeilijke jaren: Het lijden van deze tegenwoordige tijd is niet te waarderen tegen de heerlijkheid die aan ons zal geopenbaard worden (Rom.8:18).

 

Bij alles wat gebeurd is in het achterliggende jaar is de vraag, de levensvraag, en die ik leg aan uw hart: hebt u een Borg voor uw ziel?

Geef eens antwoord!

Kom, verstop u niet. God vraagt u om antwoord. Is uw ziel gered voor de komende eeuwigheid?

Ja? Als dat zo is, o, verheerlijk dan God in uw hart en leven. En weet dat, ondanks alle pijn, moeite en verdriet die er in dit leven kan zijn, u eerdaags – wie weet hoe spoedig – met  allen die de Heere liefhebben en vrezen, zult vallen – zoals staat in vers 8 – aan de voeten van het Lam. Dat Lam, Dat staat tussen God en u. En dat u dan zult zingen, wat staat in vers 9: U – niet ik – bent waardig dat boek te nemen en zijn zegelen te openen; want U bent geslacht, en hebt ons Gode – voor God, voor Hem Die op de troon zit – gekocht met Uw bloed, uit alle geslacht en taal en volk en natie.

O, wat is dat een blij vooruitzicht voor hen die God vrezen!

Dat, jongere, is je toekomst als je God vreest. Dan heb je alles.

En wij zeggen: Ontval ons maar, werelds plezier, rijkdom, geluk, vreugde, genot, gunst en eer van mensen. Ja, we zingen – een beetje zachtjes en weliswaar met huiver in onze stem, met Luther: ‘Delf lieve vrouw en kinderen ‘t graf; neem goed en bloed ons af; maar wij gaan ten hemel in en erven koninkrijken.’

Dan zullen we zingen – dat zal het middelpunt zijn van de eeuwigheid: Gij – Christus, o dierbaar Lam Gods – hebt ons Gode – voor God Die op de troon zit – gekocht met Uw bloed.

 

Hebt u een Borg voor uw hart? Zeg het eens eerlijk tegen de Heere. Hebt u een Borg voor uw hart? Het Lam Dat staat tussen u en tussen Hem Die op de troon zit?

U zegt: ‘Ja, dat is de worsteling van mijn hart. Dat is nu precies de levensvraag waar ik zo mee worstel. Heb ik persoonlijk wel een Borg en is er wel toekomst voor me? Mijn schuld drukt me naar beneden en de zonden verontrusten me en veroordelen me. En ja, dat is nu mijn levensvraag: hoe moet ik verder?’

Geef het allemaal maar op.

Wat zegt u?

Geef al die pogingen om uzelf te verlossen, om uzelf te verbeteren maar op. Dat lukte dit jaar niet – dat weet u – en dat gaat hem volgend jaar ook niet worden. Het wordt alleen maar erger met u. U hebt het bloed van het Lam nodig! Dat alleen.

 

Kijk eens in gedachten omhoog, u die God zoekt: daar staat Hij tussen God en de Kerk.

Het Lam. Zie het Lam Gods! Hij is de Weg, Hij alleen, om tot God te naderen.

O, armen van geest, hongerenden en dorstenden naar de gerechtigheid, u die God zoekt in al uw zielsverdriet – ik weet dat u hier zit – en u die aan het einde van dit jaar zegt: ‘O Heere, geef me toch Jezus of ik sterf!’ Kijk, daar staat Hij! Staande als geslacht.

Hij kwam voor verloren zondaars.

Hij was gehoorzaam voor ongehoorzamen.

Hij heeft de straf gedragen voor ter dood veroordeelde zondaren.

O, strek dan op deze laatste dag uw vermoeide, uw dodelijk vermoeide handen naar Hem uit. Naar dit Lam. Hij roept u toe, roepende zondaars, bij het verscheiden van dit jaar: ‘Kom tot Mij en Ik zal u geenszins uitwerpen!’

 

Wie leeft voor rekening van het Lam, heeft toekomst. Waarom? Omdat het boek van Gods raad ligt in de handen van dat Lam. Van het geslachte Godslam, dat staat in heerlijkheid. En Hij zal zorgen voor de uitvoering van Gods raad. Hij zal werken, wie zal het keren? Hij zal Zijn volk onderwijzen – het staat in Psalm 73 – en leiden door Zijn raad. Hij zal Zijn kinderen onderwijzen – dat staat in Psalm 32 en we zongen het – en leren van de weg die ze moeten gaan. Hij zal raad geven, Zijn oog zal op hen zijn, ook in het komende jaar.

Dat is de troost van allen die God vrezen. Alles wat hen overkwam dit jaar en alles wat hen gaat overkomen in het komende jaar komt uit Gods rechterhand. De hand van Zijn macht – zei ik u in het begin – maar ook van Zijn trouw en gunst. Die hand is, vanwege het Lam Dat daar tussen staat, ook een verzoende hand, een vaderlijke hand.

En die hand, Gods rechterhand, gaf in gunst en in volkomen tevredenheid het boek van Zijn raad in de handen van de Middelaar. En het welbehagen van God zal door de handen van de Middelaar gelukkig voortgaan.

 

Als u Hem kent, het Lam, als een verzoening voor uw schuld, hebt u toekomst. Maar als u Hem niet kent, God Drie-enig, Die op de troon zit in Zijn heiligheid, in Zijn rechtvaardigheid, in Zijn toorn over uw zonden…  Als u Hem, Christus, niet kent in Zijn dierbaarheid, als u de kostbaarheid van Zijn bloed voor een verloren zondaar niet kent… Als u niet weet van een innige begeerte om de Heere hartelijk te dienen en te vrezen, als u niet weet van een innig verlangen om het Lam, staande als geslacht, te kennen, Hem, Christus, dan bent u in levensgevaar!

Wat zegt u? Ja, dan bent u in levensgevaar.

Want het is van tweeën één. U staat – dat is zeker – vroeg of laat voor God Die op de troon zit. Nu, voor een ogenblik als u in uw gedachten naar boven kijkt, maar wie weet hoe spoedig u letterlijk oog in oog met de almachtige God staat.

En dan staat er of Eén tussen u en Hem: het Lam staande als geslacht.

Of u staat daar alleen. En dan is het echt te laat.

 

O, beken dan, lieve vrienden, op deze laatste dag van dit voorbijgegane jaar wat tot uw vrede dient. Kust de Zoon – het Lam – opdat Hij niet toorne en u op de weg vergaat, wanneer Zijn toorn maar een weinig zou ontbranden (Ps.2:12).

Maar: Welgelukzalig – en dat is echt zo – welgelukzalig – vol van zaligheid, nu en voor altijd – zijn allen die op Hem – op het Lam – betrouwen (Ps.2:12).

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 103: 8 en 9

 

Gelijk het gras is ons kortstondig leven,

Gelijk een bloem, die op het veld verheven,

Wel sierlijk pronkt, maar kracht’loos is en teêr;

Wanneer de wind zich over ‘t land laat horen,

Dan knakt haar steel, haar schoonheid gaat verloren;

Men kent en vindt haar standplaats zelfs niet meer.

 

Maar ‘s Heeren gunst zal over die Hem vrezen,

In eeuwigheid altoos dezelfde wezen;

Zijn trouw rust zelfs op ‘t late nageslacht,

Dat zijn verbond niet trouweloos wil schenden,

Noch van Zijn wet afkerig d’ oren wenden,

Maar die, naar eis van Gods verbond, betracht.