Ds. K. de Gier - Mattheüs 2 : 11

Onderwerp

De aanbidding van de wijzen uit het oosten bij de kribbe van Bethlehem
De openbaring van de koninklijke macht van Christus in de geziene ster
De nadere aanwijzing van de plaats van Zijn geboorte door de Schrift
Het vinden en aanbidden van het Kind door de wijzen

MattheĆ¼s 2 : 11

Mattheüs 2
11
En in het huis gekomen zijnde, vonden zij het Kindeken met Maria, Zijn moeder, en nedervallende hebben zij Hetzelve aangebeden; en hun schatten opengedaan hebbende, brachten zij Hem geschenken: goud en wierook, en mirre.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 72: 1, 6
Lezen : Mattheüs 2: 1-12
Zingen : Lofz. v. Zacharias: 1, 4, 5
Zingen : Psalm 138: 3
Zingen : Psalm 150: 1

Gemeente, de tekst voor deze dienst is uit Mattheüs 2 vers 11, waar wij lezen:

 

En in het huis gekomen zijnde, vonden zij het Kindeke met Maria, Zijn moeder, en nedervallende hebben zij Hetzelve aangebeden. En hun schatten opengedaan hebbende, brachten zij Hem geschenken: goud en wierook en mirre.

 

Wij willen stilstaan bij: De aanbidding van de wijzen uit het oosten bij de kribbe van Bethlehem.

 

Al onder het oude verbond hebben de profeten gepredikt dat de Messias Die komen zou niet alleen een Zaligmaker van de Joden zou zijn, maar ook van de heidenen. Die profeten hebben de geboorte van Christus aangekondigd met de woorden: Zie, uw Koning zal u komen (Zach.9:9). Maar Hij zou níet alleen een koning voor Israël zijn. Wij hebben het zojuist samen gezongen uit Psalm 72 waar gesproken wordt van de koningen van Tarsis en de eilanden die zouden komen en Hem geschenken aanbrengen.

Ja, alle koningen van de aarde zullen zich voor Hem neerbuigen en eren als God en Zaligmaker. De rijkdom van deze aangekondigde Koning was dat Hij niet alleen de Zaligmaker van Joden zou zijn, maar ook van de Grieken, de heidenen. Eerst de Jood, maar ook de Griek. Hij was door de profeten getekend als de wens aller heidenen. Ook zíj zouden komen en vragen naar de banier die opgericht zou worden en zó ook aan de voeten van die Zaligmaker hun genade en zaligheid mogen ontvangen.

 

We herdenken in deze dagen de ‘vleeswording van het Woord’, dat is: God werd mens. De Beloofde lag in de kribbe van Bethlehem. Wij zien dat het níet alleen de herders, de eenvoudigen van het land, zijn, die komen om het Kind in de kribbe te aanbidden; dat het níet alleen een Simeon en een Anna zijn, die in de tempel te Jeruzalem Hem door het geloof zullen erkennen als hun Zaligmaker en Verlosser, maar dat zelfs wijzen uit het oosten gekomen zijn om zich neer te buigen en dit Kind te erkennen, zoals wij dat in onze tekst lezen. Ook zíj zijn gekomen in de vervulling van de profetie. Daar mag de Kerk van God door alle eeuwen heen nog een getuigenis van hebben. In de kribbe van Bethlehem lag Hij Die de Zaligmaker wás, maar ook zal zijn en blijven door alle eeuwen en alle geslachten heen.

Ja, van alle kanten zullen zij komen: de koningen en wie dan ook, de groten waar vandaan dan ook, om eenmaal aan Zijn voeten eeuwige hulde te mogen brengen. Christus zal Zijn Kerk hebben uit alle geslachten, talen, volken en natiën!

 

Ik wil u bepalen bij: De aanbidding van de wijzen uit het oosten bij de kribbe van Bethlehem, en daarbij letten op drie gedachten:

 

Allereerst letten wij op: de openbaring van de koninklijke macht van Christus in de geziene ster;

In de tweede plaats zien wij: de nadere aanwijzing van de plaats van Zijn geboorte door de Schrift;

In de derde plaats staan wij stil bij: het vinden en aanbidden van het Kind door de wijzen.

 

1. De openbaring van de koninklijke macht van Christus in de geziene ster

2. De nadere aanwijzing van de plaats van Zijn geboorte door de Schrift

3. Het vinden en aanbidden van het Kind door de wijzen

 

1. De openbaring van de koninklijke macht van Christus in de geziene ster

 

Onze tekst begint met de mededeling dat er enige wijzen van het oosten in Jeruzalem aankomen met de vraag: ‘Waar is de geboren Koning der Joden? Want wij hebben Zijn ster in het oosten gezien.’ U weet, de Rooms-Katholieke Kerk, ook in de vroege middeleeuwen al, maakte er drie koningen van, maar daar lezen wij niets van in de Schrift.

Wat zijn het voor mensen geweest? De grondtekst wijst ons op ‘magiërs die leefden bij de opgang van de zon’, dus ergens in Perzië of Babel. Het zijn magiërs, wijsgeren, natuuronderzoekers, astrologen, of hoe u ze ook maar wilt noemen.

Mensen dus, die zich bezighielden met onderzoek van de natuur en dan vooral van de loop van de sterren. Het waren mensen die, net zoals het nu ook nog voorkomt, dachten uit de loop van de sterren te kunnen voorspellen wat er op aarde zou gaan gebeuren. Het kwam in die tijd veel voor, denk ook aan Daniël die in Babel door koning Nebukadnezar tot hoofd van de tovenaars, sterrenkijkers en waarzeggers benoemd was.

 

Welnu, deze mannen zijn naar Jeruzalem gekomen, en waarom? Zij zeggen het zelf: ‘Wij hebben een ster gezien.’ Maar zij zeggen nog meer, namelijk: ‘Waar is de geboren koning der Joden? Want wij hebben Zijn ster gezien in het oosten, en zijn gekomen om Hem te aanbidden.’ Deze mannen komen dus met een duidelijke opdracht naar Jeruzalem. Zij zeggen dat zij een ster gezien hebben en dat het de ster van de geboren Koning der Joden is.

Je zou natuurlijk kunnen vragen: ‘Hoe kwamen deze mensen aan die wetenschap?’ In die dagen was het een algemeen verbreid idee dat een bijzonder sterrenbeeld in verband kon worden gebracht met de geboorte van een wereldheerser, iemand die een machtig koning zou worden op de aarde. Natuurlijk, de sterren zelf leren ons niets, maar tóch zeggen deze mensen: ‘Wij hebben een ster gezien! En hij is van de Koning der Joden!’

Dit hoeft op zich niet zo vreemd te zijn. Daniël heeft daar geleefd, en hij heeft geschreven dat er eens een koning geboren zou worden. Denk aan Bileam die ook uit die streek kwam. Heeft die ziener niet zelf gezegd dat een ster uit Jakob zou opgaan? Ook was er een kolonie van Joden, handelaren vooral, en ook daarvan kunnen zij gehoord hebben dat er een verwachting was van een Koning der Joden. Zij zijn er dus mee bekend geweest.

 

Een andere vraag die wij kunnen stellen is: ‘Wat is het voor een ster geweest?’

Bij het woord ‘ster’ wijst de grondtekst eigenlijk naar een aparte, bijzondere ster. Als u vanavond thuis in de Statenvertaling de kanttekeningen nakijkt, dan kunt u lezen dat de kanttekenaren zeggen dat de ster geen gewone ster van de hemel geweest is, maar een bijzonder geschapen licht, gelijk de vuurkolom was, die de kinderen Israëls door de woestijn leidde. Ook Calvijn zegt dat het geen gewone ster was die normaal in de natuur voorkomt, maar iets bijzonders, meer zoals een komeet.

Het was in ieder geval een bijzonder licht, door Gods voorzienigheid daar gesteld en door de wijzen gezien. Zij zijn daar zo door gegrepen, dat zij in Jeruzalem aankomen en zeggen: ‘Waar is de geboren Koning der Joden?’ Het is voor hen duidelijk dat hier iets bijzonders aan de hand is. Het kan niet anders of het moet een vervulling zijn van de profetie van de Joden die een koning verwachten, een wereldheerser, een vredevorst die gerechtigheid en vrede zou aanbrengen.

 

Gemeente, waren deze mensen daar zaligmakend door bekeerd? Ik zou dat niet zo durven zeggen - ik zou het óók niet durven ontkennen. Maar laten wij er goed aan vasthouden dat het teken van een ster, al is het nog zo’n bijzondere gebeurtenis, de mens nooit brengt tot waarachtige bekering buiten het Woord van God om. Want de Heere werkt altijd door Zijn Woord en Geest. Zeker, nu kunt u zeggen: ‘Ja, maar u hebt zelf net gezegd dat deze mensen in aanraking gekomen waren met de Schrift, met de profetieën, want als zij in Jeruzalem aankomen, vragen zij: Waar is de geboren Koning der Joden?’

Voor hen is het zeker dat de geboren Koning der Joden daar zou zijn, want de ster had het hun geopenbaard. Natuurlijk, het was wel een bijzonder teken geweest. Calvijn merkt hier op dat de Heere door Zijn Heilige Geest dat teken voor de wijzen heeft willen gebruiken. Zij zijn daar zó door gegrepen, zó verlangend geworden, dat zij zeiden: ‘Wij verlaten alles, want wij moeten deze Koning gaan aanbidden.’

Deze bijzondere ster was de openbaring van de almachtige Koning. Een ster, zó rijk en groot, dat deze mannen zelfs zeggen: ‘Het is een teken van de geboren Koning der Joden.’ Dat Kindje in de kribbe, waar geen gedaante noch heerlijkheid aan was, hoe vaak hebben wij al niet gehoord hoe Maria Hem baarde en in de kribbe legde, maar dat toch de Koning der koningen, de Heere van alle heren was? Christus is máchtig en Hij kan Zijn tekenen van almacht op de aarde brengen. Er zijn algemene bedieningen van Christus die een mens inwinnen, doen buigen voor God, zij het dan in uitwendige zin. Die een mens overtuigen van de waarheid en gevangen nemen voor het Woord. Ik denk dan aan waarschuwingen die wij in ons leven krijgen bij ziekten en in bijvoorbeeld voorbiddingen van onze ouders. Het zijn waarschuwingen die er op wijzen dat Christus Koning is en dat de echte waarheid toch de Waarheid van de Schriften is.

Eén ding is wel zeker: als de Wijzen later in Bethlehem neerknielen, zijn het mensen die dat niet alleen maar voor het uiterlijke doen. Maar God heeft daar genade in hun harten gewerkt, om vanuit het stof in al hun kleinheid door het geloof het Kind te erkennen als de Zaligmaker, de Verlosser van schuld en zonde.

 

In ieder geval, hoe het ook geweest is, deze ster van de almacht van het Kind in de kribbe had deze mannen in beweging gebracht. Daar waar zij waren, konden zij het niet langer meer uithouden. Het was een hele reis geweest, maar zij hebben alles achtergelaten en zijn op weg gegaan. In die tijd reisde men meestal in de nacht. Het was een gevaarlijke tocht met kamelen, tenten, bezittingen en noem maar op. Zij hadden van alles bij zich, want het ging hun om één ding: zij wilden aan de geboren Koning der Joden hulde gaan brengen. Dat deed al het andere wegvallen, om uiteindelijk in Jeruzalem aan te komen, met de woorden: Waar is de geboren Koning der Joden? Want wij hebben gezien Zijn ster in het oosten, en zijn gekomen om Hem te aanbidden (vers 2).

De waarheid van de almachtige God heeft deze wijzen gegrepen, want in die ster blonk iets van de almacht van dat Kind in de kribbe, ook al wisten zij nog niet waar Hij te vinden was. Dat zou hen nog nader geleerd moeten worden, maar de almacht ervan heeft hun zielen al bezet. De waarheid van het Woord en de almacht van God kunnen de mens zó bezetten, dat hij overtuigd is dat er geen andere weg naar de waarheid te vinden is, dan die, die hem moet brengen aan de kribbe om in het stof te buigen voor de Gegevene van de Vader.

 

Zo komen we bij onze tweede gedachte:

 

2. De nadere aanwijzing van de plaats van Zijn geboorte door de Schrift

 

Als de wijzen na een lange reis in Jeruzalem aankomen, is dat voor hen een geweldige ontnuchtering. Zíj zijn er vol van, vól van die geboren Koning der Joden! Zij hadden gedacht dat de hele wéreld er vol van zou zijn en zéker Jeruzalem. Zij komen Jeruzalem binnen met de verwachting dat de straten versierd zouden zijn, dat er feesten waren en dat iedereen opgewekt zou zijn, vervuld met de geboren prins die daar toch te vinden zou zijn.

Gemeente, wat zal de teleurstelling groot geweest zijn: er was niets aan de hand! Want de mensen kijken met grote ogen naar die vreemde mensen die daar de nauwe straten van Jeruzalem binnenkomen. Teleurstelling dus. Zij hadden gedacht dat iedereen er vól van was en er over sprak. Maar de mensen kijken hen na. Eigenlijk meer zo van: ‘Wat komen die hier doen?’

Ja, gemeente, die ontnuchtering, die kunnen wij ook wel eens in ons leven meemaken, als de waarheid, de Schrift, ons hart gaat bezetten, als de ernst van het leven onze ziel gaat bezetten, als wij overtuigd moeten worden dat een mens wedergeboren moet worden en dat wij niet kunnen sterven zoals we leven, maar dat de genade van Christus in ons hart geboren moet worden. Dan ben je daar vól van, maar de mensen zeggen: ‘Wat bedoelt die man, die vrouw nu? Waar heeft hij of zij het over?’

Dat mensen zó voort kunnen reizen naar de eeuwigheid, zonder een indruk van de waarheid, terwijl zij er vervuld van zouden moeten zijn, dat wij allen op reis zijn naar een eeuwigheid, waar wij voor Gods rechterstoel moeten verschijnen, voor een God Die komt oordelen over leven en dood. Maar er is niemand die daar ernst van maakt, zelfs niet over een geboren Koning der Joden. Wat een ontnuchtering bij deze wijze mannen! Daar in Jeruzalem, dachten zij, daar zou de stad er vól van zijn, maar zij vonden er niets.

 

Teleurstelling, ja, zó gaat het ook op de weg naar de kribbe van Bethlehem. Daar zullen wij ook veel teleurstellingen doormaken. Waar wij het zouden verwachten, daar is het niet. Maar daar waar wij het eigenlijk níet zouden verwachten, daar zal het geopenbaard worden. Zo gaat het altijd.

Zo zal Christus tot Zijn kribbe mensen trekken waarvan wij het niet verwacht hebben. Wie zou het verwacht hebben dat deze magiërs zouden komen en in Jeruzalem zouden zeggen: ‘Waar is de geboren Koning der Joden? Wij hebben Zijn ster gezien, wij willen Hem aanbidden.’ Letterlijk staat er in de tekst: ‘Wij willen Hem in het stof hulde brengen, goddelijke eer geven. Wij zijn er mee vervuld, waar is Hij? Waar kunnen wij Hem vinden?’ Niemand die het weet. Wij kennen de geschiedenis.

 

Uiteindelijk komt dat gerucht in het paleis van koning Herodes, die sluwe vos. Die wrede koning Herodes, die zó bang was dat hij van zijn troon gestoten zou worden, dat hij zijn vrouw en twee zonen al had laten vermoorden. Keizer Augustus in Rome zei: ‘Je kunt beter een zwijn zijn bij de Joden, dan een vrouw van Herodes.’ Want een varken maken de Joden niet dood, die laten zij leven, maar Herodes maakte zijn eigen vrouw en zonen dood, zo bang was hij dat hij van de troon gestoten zou worden.

Toen hij dit gerucht hoorde, kreeg hij het benauwd. Hij werd bang, zijn geweten ging spreken. Ja, dat kan ook, dat het geweten van een mens kan gaan spreken als het over de geboren Koning der Joden gaat. Die man, die wíst het, die voelde dat er wat gebeuren ging, en, ach, toen ging zijn geweten spreken. Maar tegelijkertijd zocht hij zijn eigen welzijn en dacht: ‘Dat nooit: ik van mijn troon af en die koning of wie hij ook is, die aangekondigde Zaligmaker op de troon? Dat nooit.’ Daar hebt u nu die vijandschap die de mens heeft tegen die geboren Koning der Joden. Zeker, wij willen wel naar de hemel, wij willen wel zalig worden, maar niet onze troon verliezen, niet in het stof, niet ons ingebeeld koningschap verliezen.

 

Herodes, die sluwe Herodes, wist het. Hij zei: ‘Ja, laat de Farizeeërs en de Schriftgeleerden maar komen.’ Anders heeft hij hen niet nodig, maar nu wel. De Farizeeërs en Schriftgeleerden zullen wel weten waar die koning te vinden moet zijn. Zij zeggen tegen hem: ‘Weet u waar het zal zijn, Herodes? Wel, zo is er geschreven door de profeet: Gij Bethlehem.’ Zij kennen de profetie van Micha wél, zoals onze jongens en meisjes die rond de kerstdagen ook leren: En gij Bethlehem Efratha, zijt gij klein om te wezen onder de duizenden van Juda? Uit u zal Mij voortkomen Die een Heerser zal zijn in Israël (Micha 5:1).

Zij zeggen tegen Herodes: ‘Dat kan niet anders, dat moet in Bethlehem zijn, want dat is de aangewezen plaats, dáár zal Hij geboren worden. Als Hij komt, zal het dáár moeten zijn.’

Gemeente, hoort u wel hoe God de wijzen nu door de Schrift onderwijst? De Schríft zal hen de weg naar Bethlehem bekend moeten maken, want die is hun onbekend. De weg naar Bethlehem om aan de voeten van Christus te komen, was niet alleen voor de wíjzen onbekend, maar die is van nature eigenlijk voor ons allemaal onbekend. De weg der genade om bij de kribbe in het stof te gaan, onderwijst de Heere door Zijn Woord zoals Hij altijd zaligmakend onderwijs geeft door Zijn Woord en Geest. Wij zingen het: ‘Heere, maak mij Uwe wegen door Uw Woord en Geest bekend.’

 

Zo hebben daar die wijzen uit het oosten veel gehoord vanuit de Schrift. De Heere wil Zijn Kerk altijd nader leiden en leren door de Schrift. Calvijn zegt dat die wijzen kwamen met de gedachte aan een menselijke koning, een áárdse koning der Joden. Maar nu wordt hun daar in Jeruzalem door de Schriften bekendgemaakt dat Hij een hémelse Koning is. Zij worden nader onderwezen over Wie Hij is, namelijk God, de Zoon van God Die op de aarde kwam, in de kribbe van Bethlehem.

Het is in ieder geval waar, dat God de Kerk altijd door de Schriften onderwijst. Ook in het zalig maken brengt Hij de mens náár de Schriften. De ouden zeiden vroeger wel: ‘Als God een mens bekeert, dan brengt Hij hem naar de Schrift, óf Hij brengt de Schrift naar de mens.’ De Heere spreekt door Zijn Woord, Hij geeft vanuit dat Woord onderwijs. Dat Woord van God leert ons van de val in het paradijs, van een verloren mens, een schúldig, een zóndig mens. Het leert ons van de noodzakelijkheid van een Verlosser, en het wijst ons er óók op dat er een Zaligmaker gekomen ís.

Het Woord van God, de Zaligmaker, geboren in de kribbe van Bethlehem. Dát is het heilgeheim dat hun dáár in Jeruzalem vanuit de Schriften wordt geopenbaard. Daar krijgen zij nader onderwijs en horen zij waar zij naar toe moeten gaan om de geboren Koning der Joden waarlijk hulde te brengen. Zij horen dat vanuit de Schrift.

De herders wisten het direct, want zij kregen het in de velden van Efratha gelijk te horen: ‘Gaat heen, naar de stad van David (dat is Bethlehem); en dit is het teken: gij zult het Kindeke vinden liggende in de kribbe.’ Maar de wijzen uit het oosten moet de weg nader gewezen worden door de Schriften.

 

Gemeente, wat is dat verblijf in Jeruzalem wonderlijk geweest. Wij kunnen dat lezen, want er staat in vers 3: De koning Herodes nu, dit gehoord hebbende, werd ontroerd, en geheel Jeruzalem met hem.

Zij zijn in de war gebracht. Zij hebben allemaal toch aangevoeld dat er wat aan de hand is. Dit is geen gewone zaak! Maar, gemeente, waar is die ontroering gebleven? Wat heeft die beroering teweeggebracht? Herodes, die duivel, stelt zich uiterlijk vroom voor. Hij probeert met vrome praatjes de wijzen zover te krijgen, dat zij hem straks precies zullen vertellen waar die geboren Koning der Joden is. Hij is er toch wel van overtuigd dat er iets bijzonders gebeurd is, hij is niet helemaal los van de Schriften.

En u weet het, met zijn duivelse list zegt hij tegen die wijzen: ‘Als jullie Hem aangebeden hebben, dan moet je maar terugkomen. Dan moet je het mij maar komen vertellen, en dan ga ík ook om Hem te aanbidden.’ Maar hij bedoelt: ‘Dan ga ik Hem vermoorden’, want zó groot is zijn vijandschap. Hij wíl niet van zijn troon, hij is bang dat hij het van de Koning der Joden zal verliezen.

En hij hééft het verloren, eeuwig verloren. Want aan die vijandschap tegen de Koning der Joden, daar gaan wij allemaal aan ten onder, daar moeten wij het allemaal van verliezen. Van dat Kind in de kribbe van Bethlehem, daar zal de hele wéreld het van verliezen. Gelukkig echter zijn wij, als wij het nú verliezen, als wij vandaag in het stof mogen komen met onze schuld, verlorenheid en zonden. De Farizeeërs en Schriftgeleerden waren de wegwijzers, maar het waren dode wegwijzers.

Ja, zo kan God nog wel eens dode wegwijzers gebruiken om mensen te brengen tot de zaligheid. Zij kenden wél de Schriften, maar zij gingen níet mee naar Bethlehem om dat Kind te aanbidden. Zij bleven achter bij de Schriften, bij hun verstandskennis. En gemeente, zo kunnen er zo veel zijn. Wij hebben zoveel kennis van de Schrift, en zoveel kennis van het kerstfeest, maar wij gaan niet mee naar het kleine Bethlehem, niet mee om in het stof te aanbidden, niet mee om als verloren zondaar te bidden: ‘O God, wil mij arme zondaar genadig zijn.’

Dode wegwijzers, straatlantaarns, die wel licht op de weg verspreiden, maar zélf de genade niet nodig hebben, die blijven bij wetenschap en geleerdheid.

 

Het volk in de straten van Jeruzalem was óók beroerd. Weet u waarom? Zij zeiden: ‘Als dat maar goed afloopt. Als er straks maar weer geen oorlog komt. En als wij maar in onze gezapige rust kunnen blijven. Wij leven nu zo rustig voort, als er straks maar weer niet herrie van komt. Wie weet, wij leven in zulke boze dagen.’

Dat zoekt de mens, rust en veiligheid. Als er maar niets met hem gebeurt, als hij maar veilig is, zijn werk mag doen, zijn koffie drinken en zijn krantje lezen, als dáár maar niet aan geplukt wordt. Ja, die mensen in Jeruzalem, zij bleven waar ze waren. Later, toen de wijzen de poort uittrokken, zeiden zij tegen elkaar: ‘Gelukkig, die zijn weg. Er is geen oorlog van gekomen. Wij kunnen ons leven weer voortzetten.’

Zo kan het ook bij ons zijn: wij leven van het ene kerstfeest naar het andere, maar de heilige verontrusting is er niet. Wij gaan niet mee naar de kribbe van Bethlehem.

 

Zo vertrekken deze wijzen uit het oosten. Zij gaan een weg op die ze nóóit verwacht zouden hebben. Hoe hadden zij óóit kunnen indenken dat dáár nu de ster zou staan van de Koning der Joden. Zij gaan op weg van Jeruzalem naar Bethlehem. En gij Bethlehem Efratha, zijt gij klein om te wezen onder de duizenden van Juda? (Micha 5:1)

Een klein, verachtelijk stadje. Néé, een koning wordt toch geboren in Jeruzalem, in dat koninklijke paleis van Herodes, met alle glans en glorie. Toch zeker niet in dat kleine provinciestadje Bethlehem? Já, daar werd Hij nu wél geboren. Daar moesten de herders naar toe en daar moeten nu ook de wijzen naar toe. Weg uit het koninklijk paleis naar het kleine Bethlehem. Wie zou dáár nu een koning verwachten? Wie zou daar nu een prins verwachten?

Maar… zij gaan! En weet u wat het wonderlijke is? Zo gauw zij buiten de stad zijn, zien zij de ster weer. Terwijl zij in Jeruzalem waren, hebben zij de ster níet gezien. Maar het staat er: En zij, de koning gehoord hebbende, zijn heengereisd; en zie, de ster die zij in het oosten gezien hadden, ging hun voor, totdat zij kwam en stond boven de plaats waar het Kindeke was (vers 9).

God neemt het weer voor deze mensen op en Hij laat hun de ster weer zien. De Heere zegt als het ware tegen hen: ‘Jullie zijn op de goede weg, mannen, ga maar door.’ Misschien hebben zij het zich wel afgevraagd: ‘Kán dat wel, daar in Bethlehem? En al die mensen die niet meegaan dan, die Farizeeën en Schriftgeleerden? Zij blijven allemaal achter. Zijn wij eigenlijk niet abuis? Wat doen wij eigenlijk?’

 

Ja, ook in het leven van Gods Kerk kunnen er op de weg naar de kribbe van Bethlehem zo menigmaal van die aanvallen komen. Gaat het wel goed? Moet dat nu zo, die oude waarheid? Er zijn toch zoveel mensen die kerstfeest vieren, en zij hebben allemaal vreugde en blijdschap. Zullen die mensen straks allemaal bedrogen uitkomen? Maar, gemeente, die ster, die zagen zij weer! Het is alsof God zegt: ‘Ga maar voort, vrienden, het gaat goed, reis maar voort. Dat is de waarheid.’

Kohlbrugge zegt het zo: ‘De weg van Jeruzalem naar Bethlehem wordt gevonden door de kleinen, de verbrokenen, door hen die dwaas zijn in eigen ogen.’ Zij gaan van de machtige stad, de godsdienst, de weg naar de kribbe van Bethlehem op. Maar de ster gaat hen voor. De Heere zegt: ‘Ga maar voort, want het is goed. Dit is de weg naar de Schriften, al hebt u het niet zo verwacht.’

En zal die weg naar de kribbe van Bethlehem niet altijd anders gaan dan wij denken? Altijd anders: in de weg van vernedering, van ootmoed, van schuld, in de weg van kleinen, van verbrokenen en dwazen. Er blijft eigenlijk niets over, maar dáár, waar wij het niet zouden verwachten, ja, dáár ligt nu Christus in de kribbe, dáár is Hij nu geboren in die stal. Waar de wereld aan voorbij gaat en waar zelfs de christenmens, de rechtzinnige mens geen oog voor heeft, dáár moeten de wijzen naar toe. Maar de ster gaat hun voor en wijst hen de plaats aan: dáár, daar is Hij.

 

Voordat wij stil zullen staan bij onze laatste gedachte, zingen wij eerst Psalm 138 vers 3:

 

Dan zingen zij, in God verblijd,

Aan Hem gewijd,

Van ’s Heeren wegen;

Want groot is ’s Heeren heerlijkheid,

Zijn majesteit

Ten top gestegen;

Hij slaat toch, schoon oneindig hoog,

Op hen het oog,

Die need’rig knielen;

Maar ziet van ver met gramschap aan

De ijd’le waan

Der trotse zielen.

 

Wij komen nu bij onze derde gedachte:

 

3. Het vinden en aanbidden van het Kind door de wijzen

 

Als de wijzen in Bethlehem aankomen, wonen Maria en Jozef niet meer in de stal. De herders die al aan de kribbe geweest waren, zullen wel voor onderdak gezorgd hebben. Er is tenslotte al weer enige tijd verlopen als de wijzen uiteindelijk in Bethlehem aankomen. In ieder geval, zij vinden het huisje waar Maria en Jozef zijn. Wij lezen het ook in onze tekst: En in het huis gekomen zijnde, vonden zij het Kindeke met Maria, Zijn moeder. Daar gaat het om: zij vinden daar het Kindeke, de geboren Koning der Joden. Maar het is een andere Koning dan zij zich voorgesteld hebben. Geen koning met aardse herauten, aardse glans en aardse heerlijkheid. Het is een eenvoudig Kind. ‘Er was geen gedaante noch heerlijkheid,’ zegt Jesaja, ‘dat wij Hem zouden begeerd hebben.’

Zo was Zijn uiterlijk bij Zijn geboorte. Er was geen stralenkrans boven Zijn hoofd, nee, uiterlijk was er niets aan Hem te zien. En toch: God geopenbaard in het vlees! Dat is het grootste wonder: de Zaligmaker, God geopenbaard in het vlees.

 

En wat staat er nu in onze tekst, wat is nu het belangrijkste wat die wijzen daar doen? En nedervallende hebben zij Hetzelve aangebeden.

Nédervallende, dat betekent: in het stof hulde brengen, goddelijke hulde brengen. Hun ogen zijn geopend! Zij ergeren zich niet aan die eenvoudige wieg, en die eenvoudige mensen die daar wonen in dat kleine huisje. Nee, hun ogen zijn er voor opengegaan, want achter dat alles, daar ligt Hij, de Zoon van God! Daar ligt het vleesgeworden Woord.

 

Dat is nu het wonder van genade, ook voor zondaren die aan de kribbe van Bethlehem mogen komen, dat hun ogen er voor geopend worden. Dan zien zij in Hem wat zij nooit gezien hebben. Zij hebben Hem gezien in de Schriften, zij wisten Wie Hij was en waar Hij was, zeker, maar nu zien zij het heilgeheim dat geopenbaard moet worden door het geloof: nu zien zij Hém!

En al wat aan Hem is, is gans begeerlijk en Hij draagt de banier boven tien duizend. Dan wordt dat kruis van Christus geen ergernis. Dan is die eenvoudige gestalte ook voor deze mannen geen ergernis. Zij zeggen niet: ‘Wij hebben ons vergist, dat kan Hem niet zijn. Zo’n ster en dan dit?’ Nee, het geloof ziet meer: daar ligt Hij, God uit God, Licht uit Licht, waarachtig God uit waarachtig God. Daar ligt Hij, achter de eenvoudige kindsgestalte. Daar is Hij: de Zoon van God.

Dit is nu het heilgeheim dat de Heere Zijn volk openbaart door de Heilige Geest. Hij openbaarde het in de Schriften, maar ook aan deze mannen.

 

Als het geloofsoog die goddelijkheid, koninklijkheid en heerlijkheid ziet, och, dan blijft er niet veel over. Dan klinkt er alleen nog maar vanuit het stof: ‘Wie zijn wij?’ Want hoe rijker dit Kind geopenbaard wordt, des te kleiner de mens dan wordt in zijn ootmoed en kleinheid. Deze wijzen liggen in het stof, want nedervallende hebben zij Hetzelve aangebeden.

Zij brengen Hem goddelijke, koninklijke hulde. Zij zien daar het wonder. Ja, laat ik het zo zeggen: toen is de ster die zij gezien hadden, voor hen opgegaan in hun harten als de ster van Jakob, zoals Bileam dat geprofeteerd had. Zij hebben het licht der lichten mogen zien, dat is daar voor hun ogen geopenbaard. Wat is dat een wonder als de ogen voor zo’n Koning opengaan: God én mens.

God de Vader heeft ons verloren beeld van het paradijs in de kribbe gelegd, de scheiding is daar hersteld. De weg naar een volkomen verlossing met God is weer open. Ja, dan kan het wel eens kerstfeest worden, al is het midden in de zomer. Dan kan de ziel wel eens vanuit het stof de heerlijkheid en de grootheid van die Koning bezingen. Dan gaat het hart open, dat is toch het voornaamste, maar als het hart open gaat, dan gaan de koffers ook open.

 

De harten van de wijzen gingen open, zij hebben Hem aangebeden, staat er, en toen gingen de koffers ook open, want dat is het gevolg. Het staat in onze tekst: En nedervallende hebben zij Hetzelve aangebeden; en hun schatten opengedaan hebbende, brachten zij Hem geschenken: goud en wierook en mirre.

Het hart gaat voorop, hun ziel is vervuld met die Koning, maar daarna hebben zij ook hun geschenken gegeven. Zij zeiden: ‘Hier hebt U wat wij hebben meegebracht.’ Zij hebben Hem in hun hart eerst goddelijke eer gebracht, want dat gaat voorop: alleen de schatten en rijkdommen brengen zónder je hart, daar wil Christus niets van hebben. Hij ziet allereerst op het hart, maar die schatten zijn de bevestiging, de uiting van de liefde die zij voor hun Koning hebben.

Er staat dat zij goud, wierook en mirre hadden meegebracht. Over die geschenken kan natuurlijk heel veel gefilosofeerd worden. Je kunt er een allegorische preek over houden. Er zijn er geweest die hebben gezegd dat het goud een afbeelding van het koningschap van Christus was, de wierook was de afschaduwing van het priesterschap (u weet, in de tempel werd wierook gebruikt) en de mirre was de afschaduwing van de profetische bediening. Een ander heeft weer gezegd dat het zag op de harten: het goud is als het goud van het geloof dat in hun ziel was, de wierook was het gebed en de mirre de verootmoediging. Hoe het ook allemaal is, zij hebben in ieder geval hun schatten aan de Heere gegeven. Uit liefde.

Hun harten zijn geopend en dat komt tot uiting in de geschenken die zij meegebracht hebben. Het is geen vergoeding, geen betaling, want het is zoals de psalmdichter zegt: Wat zal ik de Heere vergelden voor al Zijn weldaden, aan mij bewezen? (Ps.116:12) Aardse schatten zijn immers niet te vergelijken met die grote gave, met die hemelse schat, die God de Vader gelegd heeft in de kribbe van Bethlehem. Want dat is de Zaligmaker, van Wie de Kerk door het geloof mag uitroepen: Al wat aan Hem is, is gans begeerlijk (Hoogl.5:16) en: Hij draagt de banier boven tienduizend (Hoogl.5:10).

 

Dan gaan zij weer naar huis. Maar zoals de Heere hun gezegd had, gaan zij langs een andere weg, niet meer door Jeruzalem. Misschien wel over Jericho en dan zo de Jordaan over, de andere kant op. Het is een goddelijk bevel, staat er. Door Goddelijke openbaring vermaand zijnde in de droom, dat zij niet zouden wederkeren tot Herodes, vertrokken zij door een andere weg weder naar hun land (vers 12).

Ja, zo gaat het nu altijd: eerst de komst naar de kribbe, dan dat wonderlijk verkeren bij de kribbe van Christus, en als wij de kribbe weer verlaten, dan gaat het altijd langs een andere weg. De weg er héén is nooit zo als de weg terug, dat kan nooit! Zo gaat de Kerk bij de kribbe vandaan, langs een andere weg, terugdenkend aan wat God gedaan heeft, vervuld met Zijn liefde en Zijn genade.

 

Wat er verder met deze mensen gebeurd is, weten wij niet. Maar één ding staat vast: wij zullen gelukkige mensen zijn als wij hen later ontmoeten mogen in de hemel! Want dat deze mensen in de hemel zijn, is zeker. Deze vreemdelingen uit de landstreken van het ongeloof, zij zijn gekomen! En zullen zij ons nog voorgaan? Wij, die het allemaal zo goed weten, onze kerstliederen zingen, onze kerstverzen met elkaar opzeggen? Deze magiërs, die de weg níet wisten, zijn tóch aan de kribbe gekomen. Zij wisten de weg niet, die werd hen gewezen door de Schriften. Wij weten de weg wél. Wij hebben de Schrift, het profetische Woord van God.

 

Gemeente, als wij de gang naar de kribbe nog niet kennen, mogen wij wel zó de Heere bidden, opdat wij in het stof mogen komen, schuldig, zondig, nietswaardig. Maar dan zal God ons aan de andere zijde ook laten zien dat er een Verlosser is, een Zaligmaker: Jezus Christus, en Die gekruisigd. Zijn dat geen zalige ogenblikken voor de Kerk, als zij daar aan de voeten van die Koning mag komen, met niets in zich dan schuld en zonde? De wijzen wisten de weg naar Bethlehem niet, die moest hun aangewezen worden, en de Heere wees die aan. Hij bemoedigde hen er ook in. Och, laten bekommerde en verslagen harten ook nu nog bemoedigd worden. Ga maar voort, al bent u nog zo kreupel, nog zo lam, al hebt u niets bij uzelf. Ga de weg maar naar Bethlehem, buig daar uw knieën, want dát is de goede weg, dáár is het Licht der heidenen opgegaan. Dáár zal de Zaligmaker geopenbaard worden. Dáár is die enige Naam waarvan de Kerk op aarde wel eens vol mag zijn. Straks zal de ganse Kerk uit alle talen, geslachten en volken, zoals zij hier op aarde al begonnen is, en vanuit de liefde van het hart gegeven heeft wat zij bezat, straks samen met de wijzen uit het oosten eeuwig de lof toebrengen aan die Koning die toekomt alle lof, aanbidding en dankzegging, van nu aan, tot in eeuwigheid.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 150: 1

 

Looft God, looft Zijn Naam alom;

Looft Hem in Zijn heiligdom;

Looft des Heeren grote macht,

In de hemel Zijner kracht;

Looft Hem, om Zijn mogendheden;

Looft Hem, naar zo menig blijk

Van Zijn heerlijk koninkrijk,

Voor Zijn troon en hier beneden.