Ds. D. Rietdijk - Zondag 50

Geef ons heden ons dagelijks brood

De bede om brood
De belijdenis van onze afhankelijkheid
Een leven door het geloof
Deze preek is eerder gepubliceerd in ‘De Heidelbergse Catechismus’ van ds. D. Rietdijk en ds. C.G. Vreugdenhil (Uitg. Groen, 1998).

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 34: 9
Lezen : 1 Timotheüs 6
Zingen : Psalm 128: 1, 3, 4
Zingen : Psalm 68: 10
Zingen : Psalm 33: 10

Gemeente, wij gaan overdenken Zondag 50 van onze Heidelbergse Cate­chismus.

 

Vraag 125: Welke is de vierde bede?

Antwoord: Geef ons heden ons dagelijks brood. Dat is: Wil ons met alle nood­druft des lichaams verzorgen, opdat wij daardoor erkennen dat Gij de enige Oorsprong alles goeds zijt, en dat noch onze zorg en arbeid, noch Uw gaven, zonder Uw zegen ons gedijen, en dat wij derhalve ons vertrouwen van alle schepselen aftrekken en op U alleen stellen.

 

Gemeente, de vierde bede handelt over: Geef ons heden ons dagelijks brood.

 

Wij letten op:

1. De bede om brood

2. De belijdenis van onze afhankelijkheid

3. Een leven door het geloof

 

1. De bede om brood

 

Met de vierde bede vangt de tweede serie van drie beden aan van het Onze Vader. Zoals u weet heeft dit gebed zes beden. Drie daarvan zijn gewijd aan de eer van God en drie beden betreffen onze lichamelijke en geestelijke nooddruft. De volgorde in het gebed des Heeren is dat eerst de Vader aan de orde komt. De Vader met Zijn Koninkrijk, Zijn Naam en Zijn wil. Daar­na komen Zijn kinderen. Eerst de Vader en Zijn eer, en dan de kinderen. Zo is het Onze Vader ingedeeld.

De nu volgende drie beden gaan over onze lichamelijke en geestelijke nood­druft. U ziet, het Onze Vader volgt eigenlijk ook de indeling van de tien geboden. De eerste tafel ging over God en Zijn eer en de tweede over onze naaste.

 

Deze tweede serie van drie beden begint met de bede: Geef ons heden ons dagelijks brood.

Er zijn heel veel mensen geweest die gevraagd hebben: ‘Waarom begint de Heere niet met de vergeving der zonden of met de bewaring voor verzoeking?’ ‘De ziel is toch meer dan het lichaam’, zo zeg­gen zij. Had het nu niet beter geweest om te beginnen met de ziel, met het geestelijke, en daarna pas het lichamelijke aan de orde te stellen? Maar dat mag helemaal niet. De Heere heeft het lichamelijke eerst gesteld en daarna het geestelijke.

Er zijn namelijk twee dingen die wij moeten beden­ken als die vraag gesteld wordt.

We moeten bedenken dat ons lichaam niet minder is dan onze ziel. Wij zijn mens met ziel en lichaam beide. Dat is een twee-eenheid. Zo zijn wij door God de Heere geschapen in het paradijs. En dat mens-zijn moet onderhou­den worden. En daar hoort volop het lichaam bij. Want ons lichaam is niet iets minderwaardigs. Zo werd er vroeger wel over gesproken. Dan werd over het lichaam gedacht als iets wat toch tot stof vergaat en wat uiteindelijk toch niet meedoet, wat eigenlijk maar een beetje in de weg staat. Dat is een puur Griekse gedachte, een heidense gedachte eigenlijk. In het Griekse den­ken werd het lichaam gezien als een gevangenis waarin de ziel was opgeslo­ten. De ziel moest bevrijd worden uit de gevangenis van het lichaam. Maar dat is een volkomen antichristelijke manier van denken. Want het lichaam is niet iets min­derwaardigs ten opzichte van de ziel.

 

De Heere Jezus heeft het lichaam gekocht met de dure prijs van Zijn dier­baar bloed. Als u in Zondag 1 hoort belijden wat de enige troost in leven en sterven is, dan zegt de onderwijzer: ‘Dat ik met lichaam en ziel niet mijn, maar mijn getrouwe Zaligmaker eigen ben.’ Iets wat zo duur gekocht is en wat met zo’n hoge prijs betaald is, moet je ook zorgvuldig bewaren. Want als iets veel gekost heeft, als iets erg duur geweest is, dan ben je daar ook erg zuinig op. Dat doet u in uw huisgezin. Dat leert u ook uw kinderen en u zegt: ‘Pas op, want dat heeft heel wat gekost.’

Welnu, zo is het lichaam van de kerk des Heeren duur gekocht met de prijs van Zijn dierbaar bloed. De apostel zegt zelfs: Gij zijt duur gekocht; zo ver­heerlijkt dan God in uw lichaam en uw geest, welke Godes zijn (1 Kor.6:20). Dus het lichaam is ook van God. Dat ga je zorgvuldig bewaren, dat moet je ook zorgvuldig onderhouden.

Ons lichaam is dus niet iets minder­waardigs. Het lichamelijke komt ook niet alleen maar naar voren op het moment dat je ziek bent. Nee, je moet je lichaam zo bewaren, dat je zoveel mogelijk schade aan dat lichaam voorkomt. Dat eist de dure prijs van Zijn bloed. Ook het lichaam is van God.

Verheerlijk God in uw lichaam en in uw geest, welke Godes zijn. Dan ziet u de grote waarde van het lichaam. Dan ziet u de grote waarde van de gezondheid. Wij moeten niet alleen om de gezondheid van dat lichaam vra­gen, maar wij hebben ook alles in het werk te stellen om die gezondheid op allerlei wijze te onderhouden, te bewaren en te bevorderen. Dat is dus het eerste. Daarom stelt de Heere het onderhoud van dat mens-zijn eerst. Vraag en bid daarom in de eerste plaats: Geef ons heden ons dagelijks brood.

 

Het tweede dat ik hierbij op moet merken, is dit. Als je het onderhouden van het lichaam en de gezondheid en de onderhouding daarvan buiten de sfeer van het geloof trekt, dan ben je bezig met secularisatie. Dat is een veel gebruikt woord en dat betekent: verwereldlijking.

Als u dus zegt dat eerst het geestelijke en daarna het lichamelijke komt, dan bent u helemaal geseculari­seerd, verwereldlijkt bezig. Want dan valt ons werk, dan valt alles wat bij uw werk behoort, uw gezin en het onderhoud daarvan, je school en al het onderwijs wat gegeven wordt, en ga zo maar door, dan valt het hele leven van maandag tot en met zaterdag buiten het geloofsleven.

Dan bent u pre­cies op de plek waarover we het op dit ogenblik hebben. Dan bent u bezig met de verwereldlijking van het gewone dagelijkse leven.

De Heere Jezus zegt daarentegen: ‘Denk erom, dat gewone dagelijkse leven hoort dag voor dag geleefd te worden in het gebed tot God en door het geloof.’ Als je dat buiten het geloofsleven stelt, dan ben je bezig zoals de wereld bezig is. Daarom begint de Heere niet achteraf nog eens een keer te zeggen dat ook de zorg voor je lichaam er bij hoort. Nee, Hij begint met: Geef ons heden ons dagelijks brood. Een bede die het meer dan waard is om zorgvuldig te worden gelezen.

 

Geef! God kan ons alleen maar geven wat wij missen. En dat wil God ook. Hij wil mild en overvloedig geven. Maar als je nu hier leest: ‘Geef’, dan kan dat de indruk wekken dat hier iemand bij God staat die rechten heeft en die zijn hand ophoudt en die op grond van zijn rechten brood eist en hetgeen hij nodig heeft.

Maar zo moet u dat niet zien. Hier wordt de Vader aangeroepen: Onze Vader, Die in de hemelen zijt. Hier bidt een kind. Dat kind vraagt om brood. Een kind heeft van zijn Vader kinderrechten gekregen. Als je een kind bent en als je een vader hebt, dan heeft je vader op zich genomen om je te onder­houden. Welnu, zo doet God ook met Zijn kinderen. Die Vader heeft op Zich genomen Zijn kinderen te onderhouden. Hij zorgt voor Zijn kinderen.

Als u in het Mattheüsevangelie leest hoe de Heere Jezus in de bergrede spreekt over de onderhouding door een vader van zijn kinderen, dan wordt er telkens verwezen naar uw hemelse Vader, Die weet wat gij behoeft. Uw hemelse Vader zal meer dan Hij voor musjes zorgt, voor u zorgen. Dat is het kinderrecht dat kinderen hebben bij de Vader. Hij heeft op Zich genomen die kinderen te verzorgen.

 

En nu staat er zo’n kind en dat zegt: ‘Vader, geef. Geef ons heden ons dagelijks brood.

En nu even dat woordje ‘ons’. Geef óns. Daarin hoort u het bidden van de hele kerk des Heeren over de ganse aarde. Die levende kerk des Heeren bidt: ‘Geef ons, zoals wij hier op aarde zijn.’ Dat ‘hier’ kan zijn waar wij overvloed hebben, dat kan zijn in landen waar men gebrek heeft en waar zorgen zijn, daar waar zoveel gemist wordt wat nodig is voor het leven van elke dag. Maar de kerk des Heeren bidt. Zij bidt niet: ‘Geef mij’, maar: ‘Geef ons.’

Geef ons heden ons dagelijks brood. Vandaag. En dat is zo’n prachtig woord: heden. De Heere bindt ons aan het heden. Hij laat ons zien dat wij mensen zijn met een kortstondig leven, een beperkt leven, een tijdelijk leven, dat elk ogenblik kan worden afgebroken. De Heere zegt: ‘Ga nu niet vragen voor morgen of overmorgen, want elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad. Leef nu maar bij de dag, leer nu telkens maar weer opnieuw te bidden om wat u voor deze dag nodig hebt.’

Als in de woestijn het volk van Israël moest uitgaan om het manna op te rapen, dan moesten zij verzamelen wat zij die dag nodig hadden. Er waren mensen bij die zo hebzuchtig waren, dat ze ook voor de volgende dag gin­gen verzamelen. Maar de andere dag was dat brood bedorven, dan kwamen de wormen eruit. De Heere wilde Zijn volk in de woestijn leren om elke dag uit te gaan om te rapen hetgeen voor die dag nodig was. Zo wil de Heere ons ook leren te zorgen voor het heden.

 

We zijn zo vaak bezig met morgen en overmorgen. We zijn zelfs bezig aan het denken over een jaar, over tien jaar of twintig jaar. Maar nu zegt de Heere tot ons: ‘Nee, niet morgen, niet overmorgen, maar vandaag.’

Geef ons heden ons dagelijks brood. Dat is het brood dat wij vandaag nodig heb­ben. Dat heeft de Heere aan Zijn kerk beloofd. Want Hij heeft gezegd: ‘Uw brood zal zeker zijn en uw water gewis.’

 

De Heere noemt brood. Brood is een weelde als je in het land leeft waar gebrek heerst, waar weinig etenswaren zijn, waar honger geleden wordt. Als je overvloed hebt en je diepvries is vol met alles wat je maar bedenken kunt, met vlees en met groente, ach, dan is brood maar sober. Maar de Heere zegt: ‘Bid er nu maar om.’

 

Geef ons heden ons dagelijks brood. Dat is dat eenvoudige voedingsmiddel, dat God over de ganse wereld geeft en gebruiken wil om te eten. ‘Geeft U dat, Heere.’ Dat wil zeggen: ‘Geef mij geen overvloed.’ Er wordt niet ge­vraagd om allerlei exclusieve dingen van God voor dit tijdelijke leven. Nee, er wordt gevraagd om het gewone, het eenvoudige, om hetgeen u nodig hebt.

Het is eigenlijk het gebed van Agur: Armoede of rijkdom geef mij niet, voed mij met het brood van het mij bescheiden deel, opdat ik zat zijnde, U dan niet verloochene en zegge: Wie is de Heere? Of dat ik verarmd zijnde, dan niet stele, en de Naam mijns Gods aantaste (Spr.30:8-9).

 

Onder het woord ‘brood’ is alles samengevat wat wij nodig hebben voor de onderhouding van ons lichaam, van ons tijdelijke, van ons dagelijkse leven. En het kan best zijn dat dat niet alleen eten is, maar ook kleding, die u nodig hebt om gekleed te gaan. We moeten gewoon gekleed gaan en daarin niet overdreven zijn. Geef ons heden ons dagelijks brood. Dat betreft ook onze woning waarin wij wonen. De kracht die ik nodig heb om mijn werk te doen. Dat geldt ook voor de kinderen op school. Ook zij mogen vragen om wat zij nodig hebben om te doen wat van hen gevraagd wordt. Het gaat om alle dingen voor ons tijdelijke, dagelijkse leven.

Geef ons heden ons dagelijks brood. Dan leggen wij eigenlijk ons hele leven, alles wat je daarvoor nodig hebt, voor God neer en dan zeg je: ‘Heere, geef mij dat uit het verbond der genade, dat U gesloten hebt en waarin U beloofd hebt als een Vader voor Uw kerk te zorgen. U wilt ons van alle goeds ver­zorgen en alle kwaad van ons weren of ten onze beste keren.’

Dat is samen­gevat in de bede: Geef ons heden ons dagelijks brood. Dat is het eerste: het gebed om brood. Dat is tegelijkertijd een belijdenis van afhankelijkheid. Dat is het tweede wat we met elkaar gaan overdenken.

 

2. De belijdenis van onze afhankelijkheid

 

Onze catechismus wijst er op dat het een gebed is dat heenwijst naar onze afhankelijkheidsbeleving. ‘Dat is’, zo zeg­gen zij: ‘Wil ons met alle nooddruft des lichaams verzorgen, opdat wij daar­door erkennen dat Gij de enige Oorsprong van alle goeds zijt, en dat noch onze zorg en arbeid noch Uw gaven zonder Uw zegen ons gedijen.’

Het zijn dus twee dingen. Het eerste is een belijdenis dat God de Bron van alle goeds is. Het tweede is dat wij de zegen van God over alle dingen nodig hebben. Wij zijn van Hem afhankelijk.

Gemeente, nu is elk mens afhankelijk. U en uw kinderen, de ouderen, wij allen zijn afhankelijk van God, elke dag opnieuw, elk ogenblik van ons leven. Maar wij beleven dat niet altijd. Naarmate u ouder wordt, zwakker wordt of als u ziek bent en als u echt geholpen moet worden in het ziekenhuis, dan ga je beseffen dat wij diep afhankelijk zijn van God. Dan gaan wij de afhankelijkheid beleven.

Er is een groot verschil tussen afhankelijk zijn of jezelf afhankelijk voelen. Wij zijn afhankelijk, maar weinig mensen voelen dat. Heel veel mensen leven alsof ze van niemand afhankelijk zijn en zeker niet van God. Zij weten hun weg wel te vinden en zij kunnen zelf wel hun pad banen. Ze hebben God daar niet bij nodig. Dat is onze tijd. In onze wereld, in ons Nederland kunt u wel boven de deur schrijven: ‘Wij hebben niets nodig en God hebben wij ook niet nodig.’

Wij hebben God niet nodig en dat is heel duidelijk. Op de rand van een muntstuk staat geschreven: ‘God zij met ons.’ Dat willen sommige mensen eraf hebben. U zult zeggen: ‘Is dat nu zo erg?’ Dat is een tweede. Dat is een daad. Het wil zeggen dat God uit onze samenleving en uit onze maatschappij wordt geweerd. Wij hebben Hem niet meer nodig.

Als u een krant leest, dan ziet u dat er banen vervallen. Dan in dit grote bedrijf, dan in een ander groot bedrijf. Banen worden opgeheven. Ondanks dit alles zijn we stekeblind en gaan we rustig door. We hebben God niet nodig. We kunnen het zonder God wel af en we weten het zonder Hem wel te klaren. Ondertussen kunt u duidelijk zien dat waar wij in het verlaten van God en in de wetgeving vooraan staan in Europa – en dat is geen eervolle plaats – de ellende in ons land hand over hand toeneemt.

 

Afhankelijkheidsbeleving, kent u het? Want, gemeente, het is zo dat wij in ‘s lands vergaderzalen en in de wetgevende vergaderingen God niet meer nodig hebben. Maar deze ontwikkeling stopt niet bij de deur van de kerk. Hebt u God nodig? Dat is een persoonlijke vraag. Als wij deze bede over­denken, dan gaat het er over of u God nog nodig hebt in uw leven.

Jongens en meisjes, hebben jullie de Heere wel eens nodig? Komt dat voor? Heb je Hem nodig als je naar school gaat, als je op school zit, als je je huiswerk maakt of als je voor je catechisatie moet werken? Heb je God dan nodig, of gaat het ook wel zonder Hem?

Ouderen, hebt u God nodig? Of zijn we zo vermaterialiseerd en vertechniseerd dat wij God kunnen missen en het zelf op kunnen lossen?

Er staat: ‘Wil met alle nooddruft ons lichaam verzorgen, opdat wij daardoor erkennen dat Gij de Gever alles goeds zijt.’ Hier vouwt iemand zijn handen. Hij gaat bidden en zegt: ‘Heere, geef ons heden ons dagelijks brood.’ Zo’n mens gaat zijn afhankelijkheid van God erkennen en ook dat God de Vader der lichten, de Gever is van alle goede gaven en volmaakte giften. Zon­der Hem heb ik niets. Dat is een belijdenis, de erkentenis dat de Heere de enige Oorsprong alles goeds is.

 

Dan moet je een klein mens worden. Dan moet je weten dat je in je leven niets hebt zonder de gaven van deze God. Hij is de Gever van alle goeds. De enige Oorsprong. Buiten Hem is er niemand te vinden die ons enig goeds kan schenken dat werkelijk goed mag heten. Geen drinken, geen eten, geen kleding, geen kracht, niets. Het komt alles van Hem, Die in de hemel zit, van de God en Vader van onze Heere Jezus Christus.

Want laten wij dat er bij bedenken, toen we daarnet over kinderrechten spra­ken en over de Vader Die aan Zijn kinderen geeft wat Hij beloofd heeft: dan zijn die kinderrechten gekocht met de dure prijs van het dierbare bloed van de Heere Jezus. Dat is allemaal gekocht door dat bloed dat in de hof van Gethsémané heeft gedrupt op de aarde en dat van het kruis van Golgotha heeft gevloeid op de aarde. Het is gekocht door Hem, Die geen Vader meer had en Die geroepen heeft: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij ver­laten? (Matth.27:46)

Die bron van alle goeds is geopend door het lijden en door de dood van de Heere Jezus Christus. Want Hij heeft voor Zijn kerk alles verworven.

Toen Spurgeon ziek was en geen eetlust had en daarna weer genas en voor het eerst weer eten kon, vroeg zijn vrouw hoe het hem smaakte. Spurgeon antwoordde: ‘Die boterham smaakt naar genade.’ Kijk, daar hebt u het. Die boterham smaakt naar genade. Dan smaakt die naar de liefde van de Heere Jezus, om zelfs een boterham te geven aan een kind. Hij is de Bron van alle goed. Dan gaan wij Hem erkennen als de enige Oorsprong alles goeds. Uit genade wordt het gegeven, om Jezus’ wil. Dat is één: afhankelijk zijn van God.

 

Maar wij hebben ook Zijn zegen nodig, want wij kunnen zon­der die zegen van de Heere niet leven. Dan kunt u brood op uw tafel heb­ben, maar als dat niet gezegend wordt, dan zal uw lichaam daar niet wel bij varen. Dan kunt u wel werken, maar hoezeer u ook werkt en hoe hard u ook werkt, zonder de zegen van de Heere zal het niet gedijen. Onze catechismus zegt het zo: ‘Dat noch onze zorg en arbeid, noch Uw gaven zonder Uw zegen ons gedijen.’

Er zijn mensen die aan het eind van hun leven weten te vertellen hoe gewel­dig hard ze gewerkt hebben. Welnu, het is fijn dat u dat kunt en dat u die kracht gekregen hebt. Maar hebt u er wel eens over gedacht dat, al zou u tien keer zo hard gewerkt hebben, het zonder de zegen van de Heere niets opgeleverd zou hebben? Een mens kan zich uitsloven tot het uiterste toe, maar zonder de zegen van de Heere kan uw arbeid achter uw hand wor­den afgebroken en dan levert het u niets op. Die zegen van God hebt u nodig.

 

De zegen van God wil niet zeggen dat u overvloed hebt, dat u rijkdom hebt of dat u in weelde baadt. Dat is slechts materialistische voorspoed. Maar dat is niet de zegen van de Heere.

Over de zegen van de Heere zegt Salomo: De zegen van de Heere, die maakt rijk, en Hij voegt er geen smart bij (Spr.10:22). Dan kun je misschien weinig hebben, maar het weinige van de recht­vaardige is beter dan de overvloed van de goddeloze. Dat weinige van de rechtvaardige is gezegend. En als het gezegend is, dan maakt dat u rijk en blij. Als de zegen van de Heere ergens in gevonden wordt, dan maakt ons dat rijk en gelukkig. Als u ziet uit welke hand het komt, als u ziet Wie het geeft en als u dan ziet op grond waarvan het u gegeven wordt, dan maakt dat blij en rijk.

 

Gemeente, dan gaat het niet om veel of weinig, maar dan gaat het om de zegen des Heeren. Ik denk aan die jongelingen in Babel, aan Daniël en zijn vrienden. Daniël was twaalf jaar, toen hij in het koninklijke paleis ontvangen werd en genodigd werd aan de koninklijke tafel om daar te eten van de koninklijke spijze. Toen zeiden ze: ‘Nee.’ Die twaalfjarige jongetjes zaten daar in Babel in dat prachtige gebouw, in dat schitterende paleis en ze zeiden: ‘Nee, wij hoeven van die tafel niet. Wij willen graag gewoon groen moes hebben, zoals God dat in Zijn wet ons bevolen heeft.’

De overste antwoordde: ‘We zullen het eens proberen of dat gaat. We geven jullie tien dagen de tijd. Dan moet je dat groene moes maar eten en dan zul­len we daarna kijken wie er beter uitziet, die van de tafel van de koning eten, of die van dat groene moes eten.’

Toen de tijd verstreken was en Daniël en zijn vrienden getoond werden, zagen zij er beter uit dan de anderen die van de tafel des konings gegeten hadden. Daar werd de zegen des Heeren openbaar. Kijk, die zegen des Hee­ren is het belangrijkste in je leven.

 

De zegen van God. Nu moet u ook weten wat de inhoud van die zegen is.

De zegen van de Heere over onze zorg en arbeid, u kent die psalm wel: Zo de Heere het huis niet bouwt, tevergeefs arbeiden deszelfs bouwlieden daaraan (Ps.127:1). Als de Heere het niet zegent, wel, dan is het tot ons verderf.

Waar komt de zegen van God vandaan? Psalm 134 vers 3: De Heere zegene u uit Sion. Dat wist de Israëliet die Jeruzalem verliet en naar huis keerde. Als hij uit de tempel kwam, kreeg hij de zegen mee. De Heere zegene u uit Sion. Dat was de plaats waar alles sprak van het offer en van het bloed, waar alles heenwees naar Christus Jezus.

 

Gemeente, de zegen des Heeren is de zegen van Hem, Die zegenend is opgevaren naar de hemel vanaf de Olijfberg en Zijn handen heeft uitgebreid over Zijn discipelen. Het waren doorboorde handen, waarin de tekenen stonden van de nagelen waarmee Hij aan het kruis was geslagen. Hij is opge­varen naar de hemel en zo is Hij de hemelzaal ingegaan en vandaaruit zegent Hij Zijn kerk hier op aarde, vanuit die doorboorde handen, vanuit Zijn offerande, vanuit Zijn bitter lijden en sterven. Dat is een zegen die Hij geeft op grond van de gerechtigheid die Hij heeft aangebracht. Het is een zegen uit en van Christus Jezus.

Dan gaat alles door Zijn handen heen. Als er een schare zit van vijfduizend mensen, is daar een jongetje met vijf broden en twee visjes. Meer niet. Jezus gaat dat brood breken. Het brood gaat door Zijn handen. Kijk, dat is het. Geef ons heden ons dagelijks brood. En dan kan Hij blijven delen, net zolang als er vragers zijn. Elke keer als de discipelen terugkomen, is er weer brood. Hij deelt uit totdat er geen vragers meer zijn en iedereen verzadigd is. Ja, dan stopt het. Dan heeft Hij niets meer uit te delen. Maar dan is er nog een heleboel over. Twaalf volle korven, dat wil zeggen: voor elke disci­pel een mandje. Dat konden ze meenemen. Dat was door Jezus’ handen gegaan en dan gaat het goed. Dan is onze arbeid niet tevergeefs, dan is onze zorg niet tevergeefs, dan zijn ook de gaven van God niet tevergeefs. Dan krijgt u een zegen over alle dingen van uw leven.

 

Gemeente, dan gaat u het zien, dan gaat u het erkennen en belijden voor Zijn aangezicht en zeggen: ‘Heere, U overlaadt ons.’ Want als u de zegen van God gaat meten aan mensen die niets verdiend hebben dan de vloek, en die dan de zegen des Heeren mogen ontvangen, dan word je klein vanwege de weldaden des Heeren. Dan gaat u zeggen: ‘Geloofd zij God met diepst ontzag! Hij overlaadt ons, dag aan dag, met Zijne gunstbewijzen.’

Dan mag u verder kijken dan dat brood en de zegen op uw arbeid. Dan mag u zeggen: ‘Die God, Die deze zegen geeft over dat brood en over dat geld, die God is ons een God van heil.’ Ziet u dat dagelijks leven en geestelijk leven niet uit elkaar getrokken moeten worden? Het is één geheel.

 

Die God is ons een God van heil;
Hij schenkt, uit goedheid, zonder peil,
Ons ‘t eeuwig zalig leven;
Hij kan, en wil, en zal in nood,
Zelfs bij het naad’ren van de dood,
Volkomen uitkomst geven.

 

Wij gaan dat zingen met elkaar uit het tiende vers van de 68ste Psalm:

 

Geloofd zij God met diepst ontzag!
Hij overlaadt ons, dag aan dag,
Met Zijne gunstbewijzen;
Die God is onze zaligheid.
Wie zou die hoogste Majesteit
Dan niet met eerbied prijzen?
Die God is ons een God van heil;
Hij schenkt, uit goedheid, zonder peil,
Ons ‘t eeuwig zalig leven;
Hij kan, en wil, en zal in nood,
Zelfs bij het naad’ren van de dood,
Volkomen uitkomst geven.

 

3. Een leven door het geloof

 

Gemeente, dit vraagt om een leven door het geloof. Daar staat: ‘En dat wij derhalve ons vertrouwen van alle schepselen aftrekken en op U alleen stel­len.’ Dat wil dus zeggen dat je leeft met God. Van Henoch staat er geschreven: En Henoch wandelde met God (Gen.5:22). Dat is het leven met de Heere. Dat is leven door het geloof. Dat wil zeggen dat u alle dingen van dit leven, de kleine met de grote samen, bij de Heere brengt en dat u Hem daarvoor nodig hebt, zelfs voor de meest eenvoudige dingen. Kohlbrugge zegt: ‘Bidden om een spijker of om een speld.’

Dat is het geloof dat beoefend werd door mensen die God nodig hadden. Niet alleen op zondag in de kerk, of als ze ernstig ziek werden, voor hun eeu­wige zaligheid. Nee! Als u God niet nodig hebt voor die spijker of voor die speld, dan hebt u Hem ook niet nodig voor uw ziel. Zult u daar aan denken? Dat is de waarheid, hoor. Wie God niet nodig heeft voor de dingen van het dagelijkse leven, heeft Hem ook niet nodig voor zijn ziel. Want die horen bij elkaar. Die zijn aan elkaar verbonden.

 

Dat is het erkennen van de levende God, dat wij ons vertrouwen van alle schepselen aftrekken. Dat wil zeggen dat ik op niet één schepsel bouw. ‘Vest op prinsen geen betrouwen, waar men nimmer heil bij vindt.’ Op geen enkel schepsel. Maar dat ik mijn vertrouwen op de Heere alleen stel. Dan heb ik Hem nodig.

 

Ik denk aan een ouderling uit Rotterdam. Hij moest een brief versturen die hij niet kon vinden. Hij had de Heere erom gevraagd of hij die vinden mocht voor het tijd was. Hij moest voor een bepaalde tijd op de post gedaan wor­den en die brief was nergens te vinden. Die ouderling geloofde dat de Heere hem die brief zou laten vinden op tijd. En hoe dikwijls ze van binnen ook zeiden: ‘Maak hem opnieuw, zoek hem opnieuw, schrijf hem opnieuw’, en hij soms zelf zijn schrijfmachine weer gepakt had, toch had hij die weer weg­gezet en zijn knieën gebogen.

U zult zeggen: ‘Moet dat dan zo?’ Ja, dat is nu geloofsleven. Geloven dat de Heere die brief laat vinden, op tijd, dat is geloofsleven. Dat heeft alles met het geloof te maken. Als u dat wegschuift en zegt: ‘Zo hoeft het niet’, dan moet ik u zeggen: dan kent u die levende God niet, dan kent u dat leven met God niet en dan kent u dat leven der genade niet.

Die man heeft zijn brief gevonden. Precies een half uur voor de tijd kon hij die brief op zijn gemak naar de post brengen. Die brief lag in een laatje waar hij al duizend keer in gekeken had, maar hem niet had gezien. Toen zag hij hem wel.

 

Dat is God, dat is de levende God. Op Hem kun je aan, met Hem kun je leven. Hij is die God Die helpt in nood, zelfs met de kleinste dingen. Je mag alles met Hem overleggen. Je kunt bij Hem terecht. Hij is het, Die zegt:

 

Opent uwen mond,
Eist van Mij vrijmoedig,
Op Mijn trouwverbond;
Al wat u ontbreekt,
Schenk Ik, zo gij ‘t smeekt,
Mild en overvloedig.

 

Dat is de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, Die door Zijn eeuwige Geest woont in het hart van mensen. Hij maakt mensenkinderen niet kinderachtig, maar kinderlijk, om op Hem alleen te vertrouwen met verzaking van alle schepselen.

En, gemeente, of die schepselen nu wereldse of kerkelijke schepselen zijn, dat doet niets ter zake. Vertrouw op God alleen, zodat je niemand overhoudt dan Hem alleen. En dat geloof is beoefend. U hoeft alleen maar de kerkge­schiedenis door te kijken en dan komt u ze tegen. Ziet u de grote mannen, die alleen hebben gestaan, zoals Luther voor de Rijksdag. Hij zei: ‘Mijn geweten is gevangen in het Woord van God.’ Dat is de uitspraak van Lut­her. En hoewel heel de wereld zegt dat hij gek is, toch blijft hij daarbij. ‘Mijn geweten is gevangen in het Woord van God.’

En dan hebt u die eenzame mensen in de kerkgeschiedenis die op brandsta­pels klimmen, zoals Guido de Brès. Alleen op Hem je vertrouwen stellen. Dan kom je nooit beschaamd uit, nimmer, zelfs niet als je op een brandsta­pel stappen moet. Want zelfs vanaf de brandstapel klonk het getuigenis van Guido de Brès: ‘Mijn Heere Jezus, mijn Bruidegom!’

 

Gemeente, er is maar één gezegend leven en dat is het leven door het geloof, waarbij u uw leven met alles wat erin is, in de handen van de God en Vader van onze Heere Jezus Christus leert stellen. Want die Vader heeft een Naam. Hij is de Vader van onze Heere Jezus Christus. Zo kunt u Hem ontmoeten, zo kunt u uit Hem leven en zo wordt u uit Hem bediend. Dan mag u kracht ontvangen, soms boven bidden en boven denken. Dan mag u ondervinden dat Hij die God is, Die ondersteunt en sterkt en kracht geeft. Hij geeft licht, wijsheid en doorzicht. Hij is het, ‘Die helpt in nood en in Sion groot is. Aller volken macht, niets is bij Hem geacht.’ Dan staat er ook bij: ‘Buigt u dan in het stof en verheft met lof het heilig Opperwezen, wil Het eeuwig vrezen.’

 

Gemeente, daar gaat het om. Hem vrezen. Daar hebt u genade voor nodig. Om zo door het geloof te leven uit Hem. Die genade wordt u nog gepre­dikt. U kunt dit Woord te eenvoudig achten of vreemd, u kunt het terzijde leggen of vertrappen, maar God komt er op terug.

Maar dit is het gezegende geslacht, dat leeft door het geloof alleen uit Hem van Wie de aarde is, mitsgaders haar volheid. Gelukkig is de mens die leven mag uit het goed van die Vader, dat gekocht is met het dure bloed van Chris­tus Jezus.

 

Driewerf ongelukkig en rampzalig is de mens die dit mist.

Rampzalig is de wereld waarin wij leven, die God niet nodig heeft.

Rampzalig is de mens die in de kerk zit, maar onbekeerd voortleeft naar de grote eeuwigheid.

Ramp­zalig is een ieder die dat vertrouwen niet kent en beoefent. Dan is er haast geboden. Haast u en spoed u om uws levens wil!

 

Maar driewerf gelukzalig is de mens die de God van Jakob tot zijn hulp heeft en wiens verwachting van de Heere, zijn God, is. Die heeft wel een stervend leven, jawel, net als alle schepselen. Maar daarvoor komt toch iets anders in de plaats en dat is dit: ‘Ik mag weten dat er een Vader is, Die voor mij zorgt.’

 

Geen vader sloeg met groter mededogen,
Op teder kroost ooit zijn ontfermend’ ogen,
Dan Isrels Heer’ op ieder die Hem vreest.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 33:10

 

Zijn machtig’ arm beschermt de vromen,
En redt hun zielen van de dood;
Hij zal hen nimmer om doen komen,
In dure tijd en hongersnood.
In de grootste smarten
Blijven onze harten
In de Heer’ gerust;
‘k Zal Hem nooit vergeten;
Hem mijn Helper heten,
Al mijn hoop en lust.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in ‘De Heidelbergse Catechismus’ van ds. D. Rietdijk en ds. C.G. Vreugdenhil (Uitg. Groen, 1998).