Ds. M. Karens - Mattheüs 2 : 1 - 12

De heilbegerige vraag van de wijzen

Verwekt door de ster in het oosten
Gesteld aan de koning in Jeruzalem
Beantwoord bij het Kind in Bethlehem

MattheĆ¼s 2 : 1 - 12

Mattheüs 2
1
Toen nu Jezus geboren was te Bethlehem, gelegen in Judea, in de dagen van den koning Herodes, ziet, enige wijzen van het Oosten zijn te Jeruzalem aangekomen.
2
Zeggende: Waar is de geboren Koning der Joden? want wij hebben gezien Zijn ster in het Oosten, en zijn gekomen om Hem te aanbidden.
3
De koning Herodes nu, dit gehoord hebbende, werd ontroerd, en geheel Jeruzalem, met hem.
4
En bijeenvergaderd hebbende al de overpriesters en Schriftgeleerden des volks, vraagde van hen, waar de Christus zou geboren worden.
5
En zij zeiden tot hem: Te Bethlehem, in Judea gelegen; want alzo is geschreven door den profeet:
6
En gij Bethlehem, gij land Juda! zijt geenszins de minste onder de vorsten van Juda; want uit u zal de Leidsman voortkomen, Die Mijn volk Israel weiden zal.
7
Toen heeft Herodes de wijzen heimelijk geroepen, en vernam naarstiglijk van hen den tijd, wanneer de ster verschenen was;
8
En hen naar Bethlehem zendende, zeide: Reist heen, en onderzoekt naarstiglijk naar dat Kindeken, en als gij Het zult gevonden hebben, boodschapt het mij, opdat ik ook kome en Datzelve aanbidde.
9
En zij, den koning gehoord hebbende, zijn heengereisd; en ziet, de ster, die zij in het oosten gezien hadden, ging hun voor, totdat zij kwam en stond boven de plaats, waar het Kindeken was.
10
Als zij nu de ster zagen, verheugden zij zich met zeer grote vreugde.
11
En in het huis gekomen zijnde, vonden zij het Kindeken met Maria, Zijn moeder, en nedervallende hebben zij Hetzelve aangebeden; en hun schatten opengedaan hebbende, brachten zij Hem geschenken: goud en wierook, en mirre.
12
En door Goddelijke openbaring vermaand zijnde in den droom, dat zij niet zouden wederkeren tot Herodes, vertrokken zij door een anderen weg weder naar hun land.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 68: 14
Lezen : Mattheüs 2: 1-12
Zingen : Psalm 72: 1, 5, 6
Zingen : Lofz. v. Simeon: 2
Zingen : Psalm 66: 8

De stof voor onze overdenking vindt u in de eerste twaalf verzen van Mattheüs 2. Ik lees u vers 2a, waar het Woord van God en onze tekst aldus luidt:

 

Zeggende: Waar is de geboren Koning der Joden?

 

We beluisteren in deze tekstwoorden: De heilbegerige vraag van de wijzen.

 

We letten op drie aandachtspunten.

De heilbegerige vraag werd:

1. Verwekt door de ster in het oosten. Want er staat in vers 2: Want wij hebben gezien Zijn ster in het oosten, en zijn gekomen om Hem te aanbidden.

2. Gesteld aan de koning in Jeruzalem. In het derde vers staat namelijk: De koning Herodes nu, dit gehoord hebbende, werd ontroerd, en geheel Jeruzalem met hem.

3. Beantwoord bij het Kind in Bethlehem. Want ik lees in het elfde vers: En in het huis gekomen zijnde, vonden zij het Kindeke met Maria, Zijn moeder, en nedervallende hebben zij Hetzelve aangebeden. En hun schatten opengedaan hebbende, brachten zij Hem geschenken: goud en wierook en mirre.

 

1. Verwekt door de ster in het oosten


Gemeente, jongelui, het is een overbekende geschiedenis. Toch gaat het eigenlijk over  onbekende mensen. Want we weten hun namen niet, we weten niet precies waar ze vandaan kwamen, we weten niet hoeveel het er waren, we weten niet hoe oud ze waren. Heel veel is onbekend. Er is dan het gevaar dat er allerlei dingen bij gemaakt worden.

Het zou gaan om drie koningen uit het verre oosten: Caspar, Melchior en Balthazar. Maar hierover staat niets in de Schrift. Calvijn doet het af met de krachtige opmerking dat het een kinderachtige dwaling is. Het gaat over ‘wijzen’. Er staat slechts: Toen nu Jezus geboren was te Bethlehem, gelegen in Judea, in de dagen van koning Herodes, zie – het is of Mattheus zegt: ‘Kijk, let eens op wat daar gebeurt – zie, enige wijzen van het oosten zijn te Jeruzalem aangekomen.  

Wat zijn deze wijzen voor mensen? Magioi staat er in het Grieks. Het zijn Babylonische astrologen, magiërs, geleerde mensen, wetenschappers uit het verre oude oosten. Achtenswaardige wijzen, mensen die in hoog aanzien stonden. Zij hielden zich vooral bezig met de loop van de sterren, met het bestuderen van hemellichamen, om daar allerlei belangrijke gebeurtenissen uit op te maken.

 

Enige wijzen uit het oosten. Ze kwamen uit het oosten. De kanttekenaren zeggen: uit landen die ten oosten van Israël liggen. We moeten dan denken aan het Tweestromenland: het oude Babylonië en het verre Perzië, waar nu Iran en Irak liggen. Vermoedelijk kwamen deze wijzen daar vandaan.

Het zijn dus heidenen, die zonder God leven, zonder Christus, zonder hoop, vreemdelingen van de verbonden der belofte, van nature kinderen des toorns, die in het rijk van God niet konden komen.

Enige wijzen uit het oosten. Hier wordt al vervuld wat Simeon heeft gezongen op het tempelplein: Een Licht tot verlichting der heidenen (Luk.2:32). Hier komen de eersten uit de heidenen naar het Kind van Bethlehem, getrokken met koorden van goedertierenheid en eeuwige liefde.


Enige wijzen. Je kunt je het zo voorstellen dat ze op hun sterrenwacht in dat verre Perzië ’s nachts de sterren bestudeerden. Ze hebben die prachtige oosterse sterrenhemel bestudeerd en bewonderd. Die indrukwekkende sterrenhemel waarover de Bijbel op andere plaatsen spreekt. Denk maar aan Abraham. Duizenden en duizenden flonkerende sterren hebben ze bekeken.

Op een zekere nacht zien ze een heel bijzondere en onbekende ster. Ze kennen deze ster niet. Er moet dus iets bijzonders gebeurd zijn. Ze zeggen straks: Wij hebben Zijn ster gezien.        

Zijn ster. Een koningsster, is de conclusie van deze geleerden. We staan er maar niet te lang bij stil wat het geweest is. Misschien heeft u wel eens kennis genomen van allerlei theorieën die er over zijn. Een komeet, of dat er op dat moment een bijzondere of speciale stand was van Jupiter en Saturnus, waardoor er een bijzonder licht ontstond. Ik houd het maar gewoon bij de kanttekening van onze Statenbijbel. Daarin staat dat het geen gewone ster geweest is, maar een bijzonder geschapen licht. Zoals de vuurkolom die de kinderen Israëls door de woestijn heeft geleid.

 

Wij hebben Zijn ster gezien. Door de scheppende macht van de God van hemel en aarde ontstond er een bijzonder licht dat hen straks leidt naar Bethlehem. Isaäc da Costa zegt in zijn Bijbelverklaring: ‘Dit was geen gewone ster, maar een buitengewone ster, een sprank van Gods ongeschapen heerlijkheid die zomaar verscheen en zomaar verdween.’

Wij hebben Zijn ster gezien in het oosten. De grote daden van God in de heilsgeschiedenis, de grote werken Gods in het verlossen van mensen gaan dikwijls gepaard met tekenen in de natuur. Je hoeft alleen maar te denken aan wat op Golgotha bij het sterven van Jezus in het rijk der natuur is gebeurd. Zo gebruikt God deze bijzondere ster als een goddelijke aanwijzing voor deze geleerden.

 

In Zijn voorzienig beleid bedient Hij Zich van de taal van deze magiërs. Eigenlijk mag je zeggen: ‘Zo laag daalt God nu af, dat Hij die blinde heidenen in dat verre Perzië een boodschap zendt in hun eigen taal.’ Hij laat die ster verkondigen dat er een wonder gebeurd is in Bethlehems stal. Ik las ergens: ‘Die dwazen in het oosten met al hun afgodendienst maakt de Heere in hun taal de geboorte van Christus bekend.’

O, hoe onnaspeurlijk zijn Gods wegen!

 

Eén van onze oudvaders heeft gezegd: ‘God brengt Zijn Woord tot de uitverkorenen of Hij brengt de uitverkorenen tot het Woord.’

Het zou een wonder zijn als jij daarom in de kerk zat. Want ik dacht: hoeveel zouden er naar de kerk gekomen zijn, jongelui of ouderen, met diezelfde heilbegerige vraag: Waar is de geboren Koning der Joden? Want, gemeente, is het u te doen geworden om die Christus?

In de achterliggende weken heeft u gehoord over Zijn geboorte, gehoord van Zijn komst om te zoeken en te zaligen. Maar bent u begerig naar heil, verlangend naar zaligheid?

Of zit je hier ‘uit gewoonte of bijgelovigheid’? Misschien omdat je moet van je ouders? Maar dan is het toch goed dat je hier in de werkplaats van de Geest zit!

Of is er iemand naar de kerk gekomen met de heilbegerige vraag om in het gewaad van het Woord Christus te mogen ontmoeten? Om door het geloof te mogen knielen bij het Kind van Bethlehem?

O, zie dan hier! De Heere brengt Zijn uitverkorenen onder het Woord. Ze mogen de evangelieboodschap horen. U moet er echter wel op letten dat zij niet door de ster bij Christus gebracht. Een ster brengt ons nooit bij Christus. Ze zijn bij de Heere Jezus gekomen door het Woord. Straks wordt het Woord voor hen geopend. Straks in Jeruzalem krijgen ze een boodschap die hen de weg wijst naar Bethlehem. De ster verwekt het verlangen, maar het Woord en de Geest brengen ons bij Christus!

 

Het waren geen bijzondere, buitengewone openbaringen. Nee, wij hebben het profetisch Woord dat zeer vast is en gij doet wel, dat gij daarop acht geeft, als op een licht schijnende in een duistere plaats, totdat de dag aanlichte en de Morgenster opga in uw harten (2 Petr.1:19). Het is het Woord van God waarin Christus verborgen ligt. Het is de Geest van God Die ons brengt bij dat gezegende Kind. Zo zien we het ook bij deze wijzen.

De heilbegerige vraag wordt verwekt door de ster. Ze hebben met elkaar gesproken over ‘Zijn ster’. Wat betekent nu die bijzondere ster?

Daar in Babylonië, in de oude Babylonische geschriften, op de kleitabletten, werd gesproken over een tijd dat er een grote wereldheerser zou komen. Dat er een grote Koning zou komen. Die Koning zou vrede brengen op de aarde.

Waarschijnlijk heeft men hiervan geweten door de profetieën van Bileam. We kennen die leugenprofeet wel. Maar hij mocht toch, door de Heilige Geest verlicht, spreken over een ster die in Jakob op zou gaan.

Om nog iets te noemen: we lezen van Daniël dat de koning hem tot overste over al de magiërs van Babel stelde. Dus de geschriften van Daniel waren ongetwijfeld onder deze wijzen bekend.

 

En nu zien ze Zijn ster. Ze gaan erover spreken. Eén ding staat voor hen vast: deze ster kondigt de geboorte van een Koning aan. Deze ster staat in verband met het feit dat in het westen, in Palestina, een Koning geboren is. Je moet eens letten op hun vraag. Straks stellen ze in Jeruzalem niet de vraag: ‘Is er hier een Koning geboren?’ Nee, dat staat zeker vast voor hen. Ze vragen alleen: ‘Waar is Hij?’ Ze zijn er vast van overtuigd dat die Koning geboren is. Maar het is voor hen de vraag: ‘Waar kunnen we Hem vinden? Waar is Hij geboren?’

Je stelt het je zo voor, dat ze iedere avond die ster weer zien. Dan zeggen ze tegen elkaar: ‘Kijk, daar staat hij weer; wat een bijzondere ster!’ Zo wordt het verlangen gewekt en verdiept om die Koning te gaan bezoeken, om die Koning te leren kennen, om die Koning te mogen aanbidden. Om bij die Koning te komen en te buigen.

Een wonderlijke begeerte wordt er in hun hart gewekt om op reis te gaan en deze ster te volgen. Een wonderlijke betrekking komt er in hun ziel, verwekt door die schitterende ster. En zo gaan ze straks op weg.

 

Gemeente, jongelui, er ligt voor ons een les in. Het is niet alleen een geschiedenis, maar er ligt ook onderwijs in hoe God door trekkende liefde en met koorden van goedertierenheid deze blinde dwazen uit het oosten gaat brengen bij Zijn Kind. Er ligt ook een les in voor de weg die de Heere gaat – ook vandaag nog – om zondaren te brengen bij de kribbe van Bethlehem. Om zondaren te brengen aan de voeten van Zijn Zoon.

O, we zien ook hier: Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke (Joh.6:44). We zien het hier: Al wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen; en die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen (Joh.6:37). Ze worden uit dat verre oosten getrokken met innerlijke koorden van goedertierenheid aan de voeten van Christus. Zo wil de Heere nog door Zijn Woord en Geest verloren zondaren trekken uit de macht van de duisternis, uit de macht van de dood tot Zijn wonderbaar licht.

 

De wijzen gaan op weg. Ze laten alles achter. Eén ster gezien, en dat maakt hun hart gaande om die Koning te leren kennen. ‘Ik wil’, zegt God, ‘en zij zullen.’

Gemeente, dat genadewonder zien we heel de Bijbel door. Abraham woonde daar ook ergens in het heidense Ur der Chaldeeën. God zei: Ga gij uit uw land en uit uw maagschap (Gen.12:1), en daar ging hij. De koningin van Scheba had een gerucht gehoord over de wijsheid van Salomo. Zij ging op weg. Levi zat in zijn tolhuis. Het ging hem alleen om geld. Dat Jezus voorbijging interesseerde Levi niet. Hij diende de Mammon. Maar Jezus Levi ziende… Daar ligt het begin, gemeente. Daar ligt het begin, jongelui. De zaligheid is uit God. Als Hij naar Zijn vrijmachtig welbehagen Levi aanziet en zegt: Volg Mij (Luk.5:27), dan staat Levi op. Dan gaat het tolhuis dicht. Er komt een bordje ‘Voorgoed gesloten’ aan te hangen. En hij alles verlatende stond op en volgde Hem (Luk.5:28).

Zo zien we het de hele Bijbel door. Zalig als u, als jij mag weten hoe God door Zijn genade de Eerste, de Alfa, was in uw leven.

Kent u persoonlijk dat allesoverwinnende werk van de Heilige Geest? Kennen we die trekkende liefde van God in ons hart? Dan gaat Gods Geest ons verstand verlichten en komt er een begeerte naar God. Dan ga ik God kennen in Zijn algenoegzaamheid en mijzelf in mijn vloekwaardigheid. Maar dan komt er ook een kennen van Jezus in Zijn dierbaarheid.

 

Zo zijn de wijzen op weg gegaan. Vergis je niet, het is een lange reis. Het is een geweldige onderneming. Ze moeten duizenden kilometers door woestijnen. En dat alleen maar om zo’n Kind te bekijken? Alleen maar omdat een ster vertelt dat er een Koning geboren is?

Soms wordt er gedacht dat die ster hen naar Kanaän bracht, naar Palestina, maar daar lezen we niets van. Ze hebben die ster gezien in het oosten en toen zijn ze op reis gegaan. Ze zien de ster pas weer als ze uit Jeruzalem op de weg naar Bethlehem zijn. Pas daar zien ze tot hun blijdschap de ster weer.

Een lange reis met grote bezwaren. Zo’n drie maanden heen en terug. Een barre reis, de hitte des daags en de kou van de  nacht. Ze hebben hun voorbereidingen getroffen. Ze hebben hun kamelen gezadeld. Ze hebben de kamelen beladen met schatten, geschenken en giften. Ze zullen komen langs de stromen. Langs de Eufraat via Damaskus en dan in de richting van Jeruzalem.

O, het is in hun leven vervuld wat Jesaja heeft geprofeteerd in het tweeënveertigste hoofdstuk: Ik zal de blinden leiden door de weg die zij niet geweten hebben, Ik zal ze doen treden door de paden die zij niet gekend hebben; Ik zal duisternis voor hun aangezicht ten licht maken, en het kromme tot recht (Jes.42:16). Met die heilbegerige vraag zijn ze geleid naar Jeruzalem.

 

Tenslotte komen ze in de Koningsstad. Ze vragen – zegt vers 2 – aan de inwoners: Waar is de geboren Koning der Joden?  

Het zal een heel indrukwekkende stoet geweest zijn. Ze waren wel wat gewend in Jeruzalem, maar niet zo’n opzienbarende stoet. Ze zullen wel moeite gehad hebben met de vraag van deze vreemdelingen: Waar is de geboren Koning der Joden? De inwoners kijken vreemd op. Een vreemde vraag! Ze hebben ook geen antwoord.

Een koning? In Jeruzalem verwacht niemand iets. In Jeruzalem is men godsdienstig. Maar men verwacht niets, men weet niets, men zegt niets, men vraagt niets. Ziende blind en horende doof. Van godsdienstig Jeruzalem geldt: Ik ben rijk en verrijkt geworden, en heb geens dings gebrek (Openb.3:17). Jeruzalem verwacht de beloofde Messias-Koning, de Koning der Koningen, niet! Men weet niets over een geboorte.

 

Gemeente, jongelui, wat moet het een teleurstelling voor deze wijzen geweest zijn. Als je vijf weken gereisd hebt door woestijnen… Misschien zijn ze in het verre Perzië wel uitgelachen door hun collega’s. Het waren immers wijzen, wetenschappers? En dan zo’n reis maken voor een Koning Die ergens in dat verachte Palestina geboren zou zijn. Dan kom je in Jeruzalem en dan krijg je geen antwoord op je vraag. Ze hadden gedacht dat iedereen er vol van zou zijn. Ze dachten dat iedereen het in de stad alleen maar over die geboren Jezus zou hebben. Maar niemand weet er van!

Weet je wat er dan gebeurt?

Dat moet je maar eens aan een kind van God vragen.

Dan rijst er nog een vraag: ‘Is het wel waar geweest? Heb ik mij niet vergist? Heb ik het mij niet ingebeeld dat God door deze ster heeft gesproken?’

O, wat kan dat een smartelijke ervaring zijn! Je komt met je heilbegerige vraag misschien wel in de kerk en er is niemand die je begrijpt…

 

Ik heb wel eens gehoord van iemand uit de wereld die krachtdadig door Gods genade gegrepen was. Hij kwam op een zondagmorgen in de kerk, met de gedachte dat er allemaal bekeerde mensen zouden zitten. Hij zei: ‘Ik dacht dat het allemaal kinderen van God waren, die mij konden vertellen waar ik Jezus kan vinden.’ Maar het werd een bittere teleurstelling.

Maar weet u, ze zullen Christus vinden, hoor! Al die heilbegerige zondaren zullen Christus vinden. Maar het gaat in een andere weg en op een andere plaats dan zij hadden gedacht. O, ze zullen Hem vinden, de Schoonste van alle mensenkinderen, die dierbare Zaligmaker. Maar het gaat door een weg van onmogelijkheid. Door een weg van sterven aan jezelf.

Zit er hier zo’n volk? Misschien wel een jongere of een kind? Je hoeft er niet oud voor te zijn, hoor! Iemand die uitziet naar de geboorte van de gezegende Zaligmaker in eigen hart. Die het verlangen doorleeft om Hem te kennen, Hem te aanbidden, Hem te volgen, Hem te dienen. Omdat Hij je door Gods genade zo dierbaar en noodzakelijk geworden is. O, hoor dan, die in de kerk zitten met een liefde tot een onbekende Jezus, zullen er komen. Bij een Christus, Die nog zo verborgen is voor hen.

O ja, van Zijn Naam hebben ze gehoord. Jezus, Zaligmaker. Maar Wie is Hij dat ik Hem mag kennen?

Toch zullen ze Hem kennen. Want Hij zal Zichzelf aan al die heilbegerige harten openbaren, aan al die zondaren die in hun zonden en ellenden tot Hem zich ter genezing wenden.

 

Wij zien dat in onze tweede gedachte. Want die heilbegerige vraag is niet alleen verwekt  door de ster in het oosten, maar ook:

 

2. Gesteld aan de koning in Jeruzalem

 

De wijzen komen uiteindelijk bij Herodes. De koning Herodes nu dit gehoord hebbende werd ontroerd. Er staat in het Grieks: werd verbijsterd. Een ontzaglijke ontroering maakte zich van hem meester. Nee, niet een positieve ontroering, maar een verschrikkelijke verbijstering. Dat gold trouwens voor heel Jeruzalem. Iedereen was  bang, want ze wisten wie Herodes was. Hij was een Edomiet, een nakomeling van Ezau. Op de troon van David zit een Edomiet. O, wat een ontzaglijk verval in Israël!

Deze koning is Herodes de Grote. Hij is één van de eersten uit het Herodes-geslacht. Hij stond bekend om zijn wreedheid. Hij was een machtswellusteling en deed alles om zijn troon te handhaven. Hij had twee zoons vermoord. Ook twee leden van het Sanhedrin. Daarom zijn de inwoners van Jeruzalem zo bang. Want als hij nu gehoord heeft dat er een koning geboren is, zal dat een bloedbad geven. Ze vrezen het ergste!

 

Herodes is verbijsterd en vol ontroering, en gans Jeruzalem met hem.

Waarom eigenlijk?

Omdat zijn troon wankelt. Omdat hij verneemt dat er een Koning geboren zou zijn. En hij gelooft onvoorwaardelijk dat dit de Messias is. Hij vraagt straks niet aan de schriftgeleerden óf er een Koning geboren is, nee, hij vraagt: ‘Weten jullie waar de Christus, de Messias, geboren wordt?’ Hij gelooft onvoorwaardelijk dat Hij, Die door de profeten is beloofd, gekomen is. Van Wie Jesaja heeft gezegd: En de heerschappij is op Zijn schouder (Jes.9:5).

De rust is daarom weg uit zijn hart. Is dan alles tevergeefs? Zal dan toch zijn troon, die hij met bloed heeft gevestigd, wankelen?

Hij is daarmee echt een kind van Adam. Net als jij, net als ik en u. Want we doen er alles aan om onze troon te handhaven. We wilden God, onze Schepper, van kroon en troon beroven. Ik wil als God zijn! Wij zijn heren en zullen nooit meer tot U wederkeren.

Heeft u al leren zien dat onze haan, mijn haan, altijd koning moet kraaien? Heeft u bij het licht van de Heilige Geest uw opstand en rebellie tegen God al ingezien? Welgelukzalig als u door genade van de troon afgestoten wordt. Als we aan de voeten van de Heere terecht mogen komen.

 

Herodes legt de vraag voor aan de Joodse raad, het Sanhedrin. Daarin hebben de grote theologen in Jeruzalem zitting. Zij moeten Herodes voorlichten over zijn vraag. Zij hoeven er geen vijf minuten over na te denken. Ze hoeven niet eens de profetenrollen te raadplegen.

Het is toch wel veel waard als je goed thuis ben in de Bijbel! Ben jij dat ook? U ook? Schriftkennis is zo nodig. Maar als het niet méér is, dan is het arm. De leden van het Sanhedrin weten precies waar de Christus geboren zou worden: in Bethlehem. Lees maar wat Micha de profeet heeft gezegd: En gij Bethlehem, gij land van Juda, zijt geenszins de minste onder de vorsten van Juda; want uit u zal de Leidsman voortkomen, Die Mijn volk Israël weiden zal.

 

Dan volgt er een geheim onderhoud. Herodes nodigt de wijzen uit in zijn paleis. Hij toont  grote interesse. Hij wil zo veel mogelijk weten. Hij wil precies de tijd weten wanneer ze die ster gezien hebben. Hij geeft ze ook een opdracht: ‘Als jullie  naar Bethlehem gaan en dat Kind vinden, die Koning, laat het mij dan alsjeblieft weten. Want dan wil ik ook komen en Hem aanbidden.’

Wat een duivelse leugen! ‘Dan wil ik ook die Koning aanbidden, dan wil ik ook voor Hem buigen.’ Hij bedoelt: dan wil ik Hem doden, dan zal ik deze Koning vermoorden.

 

Zo reizen de wijzen af naar Bethlehem. Ze gaan met hun kamelen de Oostpoort uit in de richting van Bethlehem. Ziet u, gemeente, niet de ster, maar het Woord brengt hen bij Christus. Hij ligt verborgen in het heilig evangelie. ‘De rol des boeks is met Zijn Naam vervuld.’ De Geest leidt zondaren door het Woord tot de kribbe.

De natuur kan ons veel leren over God, over Zijn majesteit, wijsheid en almacht. Wat kun je onder de indruk zijn van Gods heerlijkheid en glorie in de natuur! Maar het is de Schrift die ons bij Christus moet brengen. Kennis van de weg der zaligheid ontvangen we door Woord en Geest. Door het Woord worden ze van Jeruzalem naar Bethlehem geleid. Het profetisch Woord brengt hen bij Christus.

Lieve jeugd, daarom: Onderzoekt de Schriften (…) die zijn het die van Mij getuigen (Joh.5:39). Kom getrouw op onder de verkondiging van het Woord. Met de bede: ‘Och, dat Uw Geest mij ware wijsheid leer!’

 

Wat is het schrijnend als je er over doordenkt. Je ziet de wijzen gaan naar Bethlehem. De schriftgeleerden, de farizeeën en de overpriesters blijven achter. Alles precies weten, maar op de plaats blijven waar je bent. Een wegwijzer zijn voor een ander en zelf verwerpelijk. Vol van Bijbelkennis, maar nooit als een verloren zondaar gebogen aan de kribbe van Bethlehem…

Rijk in je godsdienst! Zo zijn de overpriesters en de schriftgeleerden. Zo is Jeruzalem. Nooit zondaar geworden voor God. Nooit als een geheel verloren zondaar leren vluchten tot Hem. Hiervan heeft Jezus gezegd: Ik ben gekomen in de Naam Mijns Vaders, en gij neemt Mij niet aan. (…) Meent niet dat Ik u verklagen zal bij de Vader; die u verklaagt is Mozes, op welken gij gehoopt hebt. Want indien gij Mozes geloofdet, zo zoudt gij Mij geloven; want hij heeft van Mij geschreven (Joh.5:43-46).

Zo spreekt Christus tegen mensen die weten waar Hij geboren is, maar die achterblijven, terwijl heidenen voorgaan. Dit is een voorteken van wat er straks zal gebeuren. Hier blijven ze aan hun plaats. Straks zullen ze Hem verwerpen. Straks zullen ze uitroepen: ‘Weg met Deze, weg met Deze! Kruis Hem, kruis Hem!’

 

Ziet u de voortgaande lijn die zich aftekent? De weg van de verharding onder de boodschap van het evangelie! Maar het zal wat zijn voor Jeruzalem, want zij hebben de boodschap gehoord.

Eigenlijk wonderlijk! God heeft er voor gezorgd dat er een handjevol predikers helemaal uit Perzië kwam om in de Davidsstad te verkondigen dat Jezus geboren is. Ze hebben het geweten. De boodschap is ernstig en welmenend verkondigd. Er is een geboren Koning der Joden. De Schriften zijn vervuld in de volheid des tijds.

De kerstboodschap gehoord, maar niet gegaan. De Heere maakte Zich vrij. Jeruzalem kan nooit zeggen niet geweten te hebben van de geboorte van de Verlosser. Maar ze hadden liever rust. Ik heb liever mijn wereldse leventje. Ik heb genoeg aan mijn uiterlijk godsdienstige leventje. Laat mij maar met rust! Is dat na de kerstprediking ook uw plaats? Is dat jouw gestalte?

 

Gemeente, bent u wel hoorder, maar geen dader van het Woord? Dan zullen deze astrologen uit Perzië u en jou voorgaan in de eeuwige heerlijkheid! Dan zullen de wijzen uit dat heidense land opstaan op de jongste dag. Zij zullen jou en u veroordelen. Want zij zijn gekomen op de boodschap van het Woord van God. Zij zijn gekomen tot het Kind van Bethlehem.

Bij jou was er geen begeerte. U was vervuld met de dingen van de wereld. U wist het zo goed, net als die schriftgeleerden. Straks zal Christus wenend uitroepen: Jeruzalem, Jeruzalem, (…) hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, gelijkerwijs een hen haar kiekens bijeenvergadert onder de vleugelen, en gijlieden hebt niet gewild (Matth.23:37). Eens zal er een dag komen dat je – wat Gods genade moge verhoeden – voor de witte troon zult wensen dat je deze zondag niet in de kerk geweest was! Dan zul je wensen dat je nooit had gehoord dat er Eén is gekomen met Kerst om te zoeken en om zalig te maken wat verloren is. Dan zullen we wensen nooit dit heilig evangelie gehoord te hebben.

Bedel daarom toch of de Heilige Geest in je hart heilige onrust wil schenken. Of dat heilige verlangen naar God, naar de levende God, naar de verlossing uit je ellendestaat, in je hart mag worden gewerkt. Opdat er zou komen een uitgaan, een komen, een vluchten, zoals deze wijzen. Want het antwoord op hun heilbegerige vraag ligt in Bethlehem!

 

We gaan nu eerst zingen uit de Lofzang van Simeon, het tweede vers:

 

Een licht, zo groot, zo schoon,
Gedaald van ‘s hemels troon,
Straalt volk bij volk in d’ ogen;
Terwijl ‘t het blind gezicht
Van ‘t heidendom verlicht,
En Isrêl zal verhogen.

 

We overdenken de heilbegerige vraag van de wijzen. Hij is verwekt door de ster in het Oosten. Hij is gesteld aan de koning in Jeruzalem. Ten derde wordt de vraag:

 

3. Beantwoord bij het Kind in Bethlehem

 

Zien jullie ze gaan, Jeruzalem uit? Helemaal alleen! Niemand gaat mee. Geen schriftgeleerde, geen farizeeër, geen inwoner van Jeruzalem. Weet je hoe dat komt? Zij voelden geen nood, geen schuld drukte hen, zij hadden geen Zaligmaker nodig. En daarom bleven ze achter. Geen verlossing nodig, geen verlangen naar God om Hem te dienen. Ik zie geen zonden, geen nood, geen schuld, geen gemis. O, rampzalig!

Maar zie de wijzen gaan. Er gaat niemand mee naar zo’n verachtelijk dorp. De weg wordt al moeilijker en al smaller. Ze gaan de Zuidpoort uit, want Bethlehem ligt ten zuiden van Jeruzalem.

Zeggen de wijzen: ‘Als er nou niemand meegaat, zullen we dan maar teruggaan? Als het in Jeruzalem, die koningsstad, niet is, waar dan? Wat moeten we eigenlijk in zo’n dorpje gaan doen?’

Gemeente, op weg naar Bethlehem valt de scheiding! Op de weg naar Bethlehem zie je geen farizeeën, geen schriftgeleerden, geen godsdienstige mensen. De weg naar Bethlehem is een weg die je alléén gaat. Dat is een weg waarop je alles moet achterlaten. Dat is een weg waarop je met al je vragen, met al je zonden en schuld alléén overblijft. De weg naar Bethlehem is een stervensweg. De weg naar Christus is een weg waarin zoekende zielen worden geleid.

En weet je wat nu zo nodig is? Dat kun je uit deze geschiedenis weer leren.

De weg van de Schrift, de weg uit Jeruzalem naar Bethlehem, die ga je zo vaak alleen. Veel godsdienstige mensen begrijpen je dan niet.

Weet je wat je dan moet doen?

Omhoog kijken! Want daar ligt de oplossing. ‘Ik sla d’ ogen naar ‘t gebergte heen, vanwaar ik dag en nacht des Hoogsten bijstand wacht.’ Want toen zij de ster zagen verheugden zij zich met grote vreugde! God bewees opnieuw dat Hij van hen afwist. Daar zien ze op die weg in alle twijfel en strijd opeens de ster weer! ‘God zal Zelf hun Leidsman wezen, leren hoe ze wandelen moeten, en het goed dat nimmermeer vergaat zullen ze ongestoord verwerven.’

Met al hun vragen… Is dat nu de weg? Langs die weg Jezus zoeken en vinden? In zo’n plaats, en dan zo’n heerlijke Koning? Maar dan komt God hen te hulp. Die ster is de bevestiging dat Hij van hen afweet! Deze ster maakt dat alle twijfel verdwijnt. Er staat: Met zeer grote vreugde.

 

Dat doet de Heere nog, wanneer Hij door Zijn Woord en Geest terugkomt op Zijn eigen werk. Er zit misschien een zondaar in de kerk die denkt: Is het wel ooit van God geweest? Vastgelopen in Jeruzalem! Geen antwoord op je vragen bij de schriftgeleerden?

Maar dan geeft de Heere weer een teken. De ster! Dan mogen ze zich verheugen en verblijden. Dan laat God zien waar het begin in je leven lag.

Die bekende ster gaat hen voor naar een huis. Het huis waar de Koning is. Waar de Heere Jezus Christus is!

Die laatste acht kilometer van Jeruzalem naar Bethlehem gaat de ster hen voor. De ster staat stil boven het huis. Waarschijnlijk hebben Jozef en Maria vanuit de stal ergens in Bethlehem in een huis hun intrek genomen.

 

En dan volgt er zo’n wonderlijke ontmoeting. Er staat zo treffend: En in het huis gekomen zijnde, vonden zij het Kindeke met Maria, Zijn moeder, en nedervallende hebben zij Hetzelve aangebeden; en hun schatten opengedaan hebbende, brachten zij Hem geschenken: goud en wierook en mirre.  

Ze komen het huis binnen. Ze zien Maria, Zijn moeder. Over Jozef horen we niet. Ze zien zijn moeder en dan het Kindeke. Wat is dat een wonderlijke ontmoeting! Wat een zalig ogenblik! Duizenden kilometers gereisd met een heilbegerige vraag. Hier ligt het antwoord. Daar ligt nu de geboren Koning der Joden. Daar ligt Hij, naar Wie hun hart uitgaat.

Zij vonden het Kindeke. In het Grieks mag je ook lezen: ‘Zij zagen het Kindeke.’

O, hun ogen hebben de Koning gezien in Zijn schoonheid.

Wat zal dat ook een ontmoeting geweest zijn voor Maria. Zo’n jonge eenvoudige moeder en zulke wijzen. Wat zal dat voor haar geweest zijn, als ze gesproken hebben over die schitterende ster in het oosten. In dat huis is het waarheid geworden: ‘Komt, luistert toe, gij Godsgezinden, gij die de Heer’ van harte vreest, hoort wat mij God deed ondervinden, wat Hij gedaan heeft aan mijn geest.’

Ze vonden, en ze zagen het Kindeke. Met hun natuurlijke ogen, maar bovenal met geloofsogen.

 

Er was eigenlijk niets bijzonders te zien aan dat Kindeke. Hij had geen gedaante noch heerlijkheid. Als ze alleen maar met natuurlijke ogen hadden gezien, waren ze direct op hun kamelen gestapt en teleurgesteld teruggereisd. Want wat was er te zien aan dat Kindeke? Maar ze zagen het Kind met geloofsogen. Toen zijn ze neergevallen en hebben Hem aanbeden. Ze mochten de Koning zien in Zijn schoonheid. Ze mochten in Hem de grote Davidszoon zien. Van deze Koning geldt: De heerschappij is op Zijn schouder; en men noemt Zijn Naam Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst (Jes.9:5).

O, als de geloofsogen van een kind van God worden geopend en zij voor het eerst in hun leven mogen zien op deze gezegende Zaligmaker, dan is er een onuitsprekelijke vreugde in hun ziel. Hij is gekomen, niet alleen voor anderen, maar ook voor mij!

Ze mochten Hem vinden. Hij was het doel van hun tocht. Hij was het voorwerp van hun verlangend uitzien. Hij is het voorwerp van hun liefde. Ze mochten Hem vinden. En toen hebben ze het Johannes mogen nastamelen: Het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eniggeborenen van de Vader), vol van genade en waarheid (Joh.1:14).

 

O, kinderen van God, zeg eens, toen u iets van de heerlijkheid van deze Koning, van dit heilig Kind Jezus mocht zien, waren het toch ogenblikken om nooit te vergeten? Die Mij vindt, vindt het leven en trekt een welgevallen van de Heere (Spr.8:35). In zo’n weg mogen zondaren de allerhoogste Profeet vinden, Die de verborgen raad van hun verlossing bekendmaakt. Dan mogen ze in Hem de gezegende Priester zien, Die kwam om hun schuld te verzoenen. Dan mogen ze in Hem een Koning zien, van Wie zij zingen: ‘Bij U, mijn Koning en mijn God, verwacht mijn ziel een heilrijk lot.’

Ze aanbidden Hem. Ze vallen op hun knieën. Daar liggen ze. Van de verre stromen zullen ze komen. Daar buigen ze en brengen Hem hulde.

Aanbidden is Goddelijke eer bewijzen. Ze zien in Hem Immanuël: God met ons. Hun geestelijke ogen mogen dwars door Zijn nederige gestalte heen Zijn heerlijkheid zien. Dan ga je zakken en zinken, als je door het geloof de heerlijkheid van deze Christus mag zien! Dan kom je op de grond terecht. Daar liggen ze in heilige verwondering aan Zijn voeten.
 

Ze brengen Hem geschenken. Kraambezoek en geschenken horen bij elkaar. Maar het wonderlijke is dat zij hun geschenken niet aan Maria gaven, maar aan Hem. Ze brachten Hem geschenken: goud, wierook en mirre. Kostbare kraamcadeaus die ze meegenomen hebben uit hun land. Kostelijke geschenken. Vruchten der dankbaarheid.

Als je hart voor Christus is ingewonnen krijgt Hij je tijd, je geld en noem maar op. Hij wordt alles in je leven: ‘U al mijn liefde waardig schatten, wijl Gij mijn rechterhand wou vatten.’

De zakken worden afgeladen van de kamelen. De schatten gaan open. De schatkamers van deze geleerden gaan open voor deze gezegende Koning. Ze brengen Hem geschenken. ‘Want het is onmogelijk dat, zo wie Christus door een waarachtig geloof ingeplant is, niet zou voortbrengen vruchten der dankbaarheid.’

 

Kostbare geschenken. Er wordt van alles over gefantaseerd; we moeten dat maar niet doen. Toch ligt er wel een aanwijzing in die geschenken. Ze wijzen op Zijn drievoudige ambt. Het goud past bij Zijn koninklijke heerlijkheid. Wierook hoort bij Zijn profetische werk. En mirre bij Zijn priesterlijke werk. O, die geschenken zeggen iets over Wie Hij is, de gezegende Koning, Die daar in de armen van Maria ligt.

 

Zie ook Gods vaderlijke zorg voor Zijn Zoon en Zijn kinderen! Wonderlijk, straks moeten ze op reis. Straks moeten Jozef en Maria naar Egypte vluchten. Niet zonder geld, want God zorgt dat er een rijkdom is aan goud, wierook en mirre,  opdat ze straks met het Kind de vlucht naar Egypte kunnen maken.

Door een Goddelijke openbaring laat de Heere deze heidenen weten dat ze niet terug moeten gaan naar Herodes, maar door een andere weg naar huis. Dan gaan ze uit Bethlehem onder de Dode Zee langs, naar het Overjordaanse. En via Damascus weer terug naar hun vaderland.

De eerste heidenen zijn gekomen. Een Licht tot verlichting der heidenen en tot heerlijkheid van Uw volk Israël (Luk.2:32).

Tot op de dag van vandaag zijn er door Gods genade velen gevolgd. Blinde heidenen van God gescheiden, maar gekomen, getrokken met koorden van goedertierenheid. Ze komen aan van het oosten en van het westen, van het noorden en van het zuiden, en ze zullen door de arbeid van deze Koning aanzitten in het Koninkrijk Gods. 

 

Gemeente, bij deze Christus, bij de geboren Koning der Joden, bij dit Kind van Bethlehem is plaats voor de allerarmste. Voor de herders, de meest verachten. Maar bij Hem is ook plaats voor wetenschappers. Voor wijzen, die dwaas zijn in zichzelf! Wijzen, die door Goddelijke genade zijn vernederd onder Zijn krachtige hand. Zondaren, die leerden dat de wijsheid der wijzen zal vergaan. Maar die ook ‘naar Zijn reine leer, in Hem hun heil, hun hoogst geluk beschouwen, die Sions Vorst erkennen voor hun Heer’. Welzalig zij die vast op hem betrouwen.’

Toen werden ze echte wijzen!

 

Gemeente, jongelui, bij deze beminnelijke Koning is plaats voor de meest dwazen, voor de meest blinden, voor de meest goddelozen. Wij weten veel meer dan deze magiërs. Eén ster en één tekst heeft hen naar Christus gebracht. En u en jij?

Zijn Naam staat op je voorhoofd geschreven. Je hebt een Bijbel. Je mag van rustdag tot rustdag horen over Hem Die gekomen is om te zoeken en zalig te maken wat verloren is. Wij weten veel meer dan deze astrologen uit Perzië. Maar hoe staat het in uw leven? Ben je nog steeds zonder ware kennis? Nog steeds zonder die geheiligde kennis in je hart? Want dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige en waarachtige God en Jezus Christus Die Gij gezonden hebt (Joh.17:3).

Straks zal alles tegen je getuigen. Bedel dan op deze rustdag dat God door Zijn Geest je wil trekken uit de dood tot het leven. Uit de duisternis van je zondaarsbestaan tot Zijn wonderbaar licht. Laat het Woord je leidsman zijn.

Zoek eerst het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid (Matth.6:33). Ook u, die moet belijden het kerstfeit al zoveel keer gehoord te hebben, al zo vaak deze geschiedenis gehoord, maar nog steeds vreemdeling bent van God en Christus. Smeek toch aanhoudend of de Heere uw ogen wil openen voor uw ellendestaat buiten Jezus.

 

Kind van God, de weg der wijzen zal u niet vreemd zijn. Al is de leiding van de Heilige Geest verschillend. Al leidt de Heere door Zijn Geest Zijn kinderen langs allerlei wegen. Maar de weg waarin God Zijn kinderen altijd leidt is: missen, zoeken en vinden! En dat telkens opnieuw.

Misschien bent u door Gods vrije gunst op weg naar Bethlehem. Maar dan bent u nog niet bij het Kind. Haast u dan en spoed u om het Kindeke Jezus te mogen aanschouwen of om het Kind opnieuw te mogen zien.

Misschien hebben de wijzen het wel één voor één opgepakt met de armen van het geloof en een kus gedrukt op het voorhoofd van dit Kindje. Met de uitroep: Al wat aan Hem is, is gans begeerlijk. Zulk een is mijn Liefste, ja, zulk een is mijn Vriend, gij dochteren van Jeruzalem (Hoogl.5:16).

Weet u, dan zeggen de wijzen met al hun rijkdom, met al hun schatten van goud, wierook en mirre, en met alles wat ze bezitten: ‘Weg wereld, weg schatten, gij kunt niet bevatten hoe rijk of ik ben! Ik heb alles verloren, maar Jezus verkoren, Wiens eigen ik ben.’

 

Als het oprechte geloof op Hem mag zien en Hem mag omhelzen, dan is er alles! Hij is de zaligheid. Hij is de vrede. Hij is de vreugde. Hij is de Christus.

Zoekt u al zo lang, met die heilbegerige vraag? De wijzen roepen u toe: ‘Gij, die God zoekt in al uw zielsverdriet, houdt aan, grijpt moed, uw hart zal vrolijk leven.’

Missen, zoeken en vinden. Telkens opnieuw. Maar dan ook: aanbidden. Want bij dit Kind kun je niet staande blijven. Hem zij de lof en de eer en de dankzegging, van nu aan tot in eeuwigheid. ‘Wat blijdschap smaakt mijn ziel, wanneer ik voor U kniel.’

 

De Geest van Christus verwekke voor het eerst of opnieuw in ons hart de vraag: ‘Waar is de geboren Koning?’ Totdat het klinkt in uw ziel: ‘Zie, hier ben Ik, Ik ben uw heil alleen.’

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 66:8

 

Komt, luistert toe, gij Godgezinden,
Gij, die de Heer’ van harte vreest,
Hoort, wat mij God deed ondervinden,
Wat Hij gedaan heeft aan mijn geest.
‘k Sloeg heilbegerig ‘t oog naar boven,
Ik riep de Heer’ ootmoedig aan;
Ik mocht met mond en hart Hem loven,
Hem, Die alleen mij bij kon staan.