Ds. D. Rietdijk - Zondag 49

Uw wil geschiede

De gehoorzaamheid aan Gods wil
De verloochening van eigen wil
Vermaak in Gods wil
Deze preek is eerder gepubliceerd in ‘De Heidelbergse Catechismus’ van ds. D. Rietdijk en ds. C.G. Vreugdenhil (Uitg. Groen, 1998).

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 86: 6
Lezen : Johannes 4: 25-40
Zingen : Psalm 17: 2, 3, 4
Zingen : Psalm 34: 4
Zingen : Psalm 147: 6

Gemeente, wij willen met u overdenken Zondag 49 van onze Heidelbergse Catechismus.

 

Vraag 124: Welke is de derde bede?

Antwoord: Uw wil geschiede, gelijk in de hemel, alzo ook op de aarde. Dat is: Geef dat wij en alle mensen onze eigen wil verzaken, en Uw wil, die alleen goed is, zonder enig tegenspreken gehoorzaam zijn; opdat alzo een iegelijk zijn ambt en beroep zo gewilliglijk en getrouwelijk moge bedienen en uitvoeren als de engelen in de hemel doen.

 

Gemeente, de derde bede bidt: Uw wil geschiede.

 

En dan gaat het om drie dingen:

1. De gehoorzaamheid aan Gods wil

2. De verloochening van eigen wil

3. Vermaak in Gods wil

 

1. De gehoorzaamheid aan Gods wil

 

Gemeente, als u deze catechismuszondag goed gelezen hebt, dan ziet u dat daar verschillende ‘willen’ tegenover elkaar staan. In de eerste plaats Gods wil en in de tweede plaats de wil van ons mensen. En die twee staan tegenover elkaar. De wil van de mens die verdorven is en de wil van God die heilig en goed is.

En als wij de wil van de Heere zullen gehoorzamen, dan zullen we onze wil moeten verloochenen. Het is als met kinderen en ouders. Zullen die kinde­ren hun ouders gehoorzaam zijn, dan zullen ze hun eigen wil niet mogen doorzetten. Welnu, zo is het in het Koninkrijk van God ook. De kinderen hebben zich te onderwerpen aan de wil van de Vader.

 

Er wordt in de allereerste plaats gesproken over de wil van God. Je kunt over die wil op tweeërlei manier spreken. Je kunt over de wil van God spreken als, zoals dat genoemd wordt, ‘de wil des besluits’, dus wat God besloten heeft. Die wordt ook wel genoemd ‘de verborgen wil’, want die kennen wij helemaal niet. Wij weten niet wat God besloten heeft. En wij weten niet wat God voor ons leven besloten heeft. Dat kennen wij niet, dat kun je alleen maar zien in de loop van de tijd, in de loop van de geschiedenis. Dan kun je zien wat God besloten had, want dat zal worden uitgevoerd. In de geschiedenis lezen wij achteraf het boek van Gods raad, het boek van Gods besluit.

Daar tegenover staat een andere wil. Dat is ‘de wil van Gods bevel’. Die wordt ook wel ‘de geopenbaarde wil’ genoemd. Want die is in het Woord van God geopenbaard. De geopenbaarde wil van God of de wil des bevels gaat over hetgeen wij moeten doen en moeten geloven. Hetgeen wij moeten doen vinden wij in het Woord van God terug, in de wet van God, zoals die in de vorige Zondagen behandeld is. En wat wij moeten geloven, vindt u in het evangelie terug. Welnu, die twee, wat u moet doen en wat u moet geloven, dat is de geopenbaarde wil van God, die is ons bekendgemaakt in het Woord van God.

 

Waarover gaat het nu als wij bidden: Uw wil geschiede? Gaat het dan over die verborgen wil, over de wil van Gods raad, die zich zo langzamerhand voor ons oog ontwikkelt en die wij alleen maar achteraf kunnen lezen? Of gaat het over de wil des bevels, over hetgeen ik doen moet en wat ik geloven moet? Als u bidt: Uw wil geschiede, gelijk in de hemel alzo ook op de aarde, dan gaat het over de wil van Gods bevel. Dan gaat het niet over het­geen God moet doen, maar over hetgeen u moet doen.

In de Engelse Bijbel kunt u dat helemaal goed lezen, want daar staat: ‘Uw wil worde gedaan.’ Het gaat dus om het doen van de wil van God, om het doen van de wil des bevels. Dat past natuurlijk helemaal in het gebed des Heeren. Wij hebben namelijk al gehoord uit de catechismus waarin de waar­achtige bekering bestond, namelijk in een hartelijke blijdschap in God door Christus en in een hartelijke lust om hoe langer hoe meer in de wegen des Heeren te wandelen. Daarna zijn wij bij de wet des Heeren terechtgekomen en vervolgens bij het gebed. En in het gebed leren we vragen: ‘Heere, geeft U ons dat wij naar Uw wil mogen wandelen, dat die wil gedaan wordt, dat wij naar die wil leven. Wij hebben dat niet, maar wilt U dat geven?’

 

U hebt natuurlijk elke dag te maken met Gods besluit, met de verborgen wil van God, want elke dag ontrolt zich eigenlijk ons levensboek, met alle din­gen die daarin voorkomen. Daar hebt u steeds mee te maken. Er bestaan geen toevalligheden, er is geen lot in ons leven. Zo praat de wereld er wel over en zo denkt de humanistische mens, die vandaag aan de dag leeft. Die ziet alles als toeval en lot en over zonde mag je niet meer praten. U merkt wel dat we in een verhumaniseerde maatschappij leven, waar God helemaal niet meer in meedoet, waarin Hij ook geen plaats heeft. Maar elke dag, elk uur ontwikkelt zich in uw leven de raad van God. Dat verborgen besluit voert God uit langs allerlei wegen die wij niet in de hand hebben en waar­van je hooguit achteraf kunt zeggen: ‘Dat dat nu moest gebeuren in mijn leven, om mij op die plaats te krijgen…’

Wij hebben dus wel met die verborgen wil te maken. En natuurlijk kan die verborgen wil wel eens dingen voor ons meebrengen in het leven, die wij beschouwen als een kruis dat ons wordt opgelegd. Als een last die wij te dragen krijgen, als moeite, als verdriet, als zorg. Natuurlijk! En dat kan soms heel fel toeslaan in het leven. En om het dan met God eens te zijn! Ja, dat is een andere zaak. Dat is genade, als u het dan met God eens mag zijn en als u ‘amen’ mag zeggen op het handelen van God in uw leven.

Dat heeft de Heere Jezus ons voorgebeden in Gethsémané, toen Hij in het stof gebogen heeft en gezegd heeft: Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat deze drinkbeker van Mij voorbijgaan, doch niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt (Matth.26:39). Vader, geef wat U wilt aan Mij. Laat dat kruis dan maar komen als U dat wilt en geeft U Mij die drinkbeker dan maar te drinken als U dat wilt.

En dan zullen wij bij Hem terecht moeten komen, Die daar door het stof kroop en bad: ‘Niet Mijn wil, maar Uw wil geschiede.’ Om het dan met God eens te zijn. Dat zult u alleen van Hem kunnen leren. Om in tegenhe­den, in kruiswegen, in moeite, in zorg, troost te putten uit Hem Die voor­gegaan is als de grote Kruisdrager, eenswillend te zijn met de raad en de wil van God. Dat is de genade, die alleen bij Christus te vinden is.

 

Maar als wij gaan luisteren naar Zondag 49, dan gaat het daarin niet om de wil des besluits, niet om de verborgen wil, niet om de kruisen die wij moe­ten dragen en om de last die op ons leven gelegd wordt en die we alleen maar kunnen dragen achter Hem aan. Als we gaan bidden: Uw wil geschiede, dan gaat het om de geopenbaarde wil van God. Dan gaat het om het gebod van God, om het evangelie, om hetgeen de Heere aan ons geopenbaard heeft. Dat moeten wij doen.

 

Als het gaat om het kruisdragen in uw leven, dan kunt u beter kijken naar de eerste bede, waarin gevraagd wordt: ‘Uw Naam worde geheiligd, geef dat wij U recht kennen. En dat wij U in al Uw werken, waarin Uw deugden klaarlijk schijnen, U roemen, prijzen en heiligen mogen.’ Dan kunnen we beter kijken naar de bede die vraagt om de heiliging van de Naam des Hee­ren in al Zijn werken, in al Zijn doen en laten.

Nu gaat het over de heilige wil van God, over de wil van Zijn bevel, die bekendgemaakt is in het Woord. Het gaat over de geboden van God. ‘Heere, geef dat wij en alle mensen onze eigen wil verzaken en Uw wil, die alleen goed is, zonder tegenspreken gehoorzaam zijn.’ Daar ziet u het. Het gaat om gehoorzaamheid aan het Woord, aan het bevel des Heeren, om te wandelen in de geboden van God.

 

‘Geef.’ Want, gemeente, dat heb ik niet. Wat kunnen we vaak dwaas bezig zijn. Terwijl het Woord voor ons open ligt, terwijl we het Woord van God heb­ben en kennen, en dan toch dwars tegen dat Woord ingaan, dwars tegen dat gebod van God ingaan, dwars tegen het bevel van God ingaan.

Als wij bidden: ‘Heere, geef dat wij Uw wil, die alleen goed is, mogen gehoorzamen’, dan gaat het dus in de allereerste plaats om de vraag: ‘Heere, laat mij zien wat Uw gebod is.’ Want in het leven kunnen we zo dikwijls voor de vraag staan: ‘Wat moet ik doen? Wat is nu in overeenstem­ming met het gebod van God?’ Want het leven kan ons soms opeens zulke ingewikkelde vragen stellen, ons in moeilijke situaties plaatsen, dat wij niet onmiddellijk zien wat de wil van de Heere is. Hoe moet ik naar Zijn Woord en naar Zijn wet de juiste beslissing nemen en de juiste paden inslaan?

 

Dan wil de Heere dat licht ook schenken.

 

Heer’, ai, maak mij Uwe wegen,
Door Uw woord en Geest, bekend;
Leer mij hoe die zijn gelegen,
En waarheen G’ Uw treden wendt.

 

En dat wil de Heere altijd doen. Hij opent de ogen van mensen en Hij geeft door Zijn Woord licht. Uw woord is een lamp voor mijn voet en een licht voor mijn pad (Ps.119:105). Dat Woord, verlicht door de Heilige Geest, laat ons de wil van God zien in allerlei situ­aties van het leven. Het Woord wil dat wij juist daar heengaan, waar de Heere wil dat wij zullen zijn.

 

Het gaat hier dus om de vreze des Heeren. Het gaat om wat wij noemen de praktijk der godzaligheid. Dat gaat dus niet alleen over de zondag en wat u op die dag doet, maar het gaat over elke dag, over alle plaatsen waar u bent. De moeder in het huis, de vader op zijn werk en de kinderen op school. De Heere wil dat wij leven naar Zijn gebod, dat wij vragen: ‘Heere, leer mij Uw weg.’ Dat wij bidden: ‘Heere, leid mij in Uw wegen.’ Daar gaat het om. Eigenlijk kunt u heel Psalm 119 vers voor vers hierbij lezen.

 

Welzalig zijn d’ oprechten van gemoed,
Die, ongeveinsd, des Heeren wet betrachten;
Die Hij op ‘t spoor der godsvrucht wand’len doet;
Welzalig die, bij dagen en bij nachten,
Gods wil bepeinst, en Hem, als ‘t hoogste goed,
Van harte zoekt met ingespannen krachten.

 

Daar gaat het over. Over de wil des Heeren doen, over de wandel in de prak­tijk der godzaligheid, om de vreze des Heeren.

En, gemeente, wat is dat een geweldig leven, als je zo mag leven met de Heere, bij het Woord van God en als je de dag mag beginnen met de vraag: ‘Heere, wilt U mij vandaag bij de hand nemen en wilt U mij vandaag leiden in het spoor van Uw Woord. Dat ik vandaag mag leven tot de eer van Uw Naam, naar Uw goddelijke wil.’

 

Maar niet alleen naar de wet des Heeren. Want ik heb u gezegd dat het niet alleen gaat om wat de Heere bevolen heeft om te doen naar Zijn heilige wet, maar ook om wat de Heere heeft gezegd wat wij moeten gelo­ven.

En dan zult u zeggen: ‘Maar geloven kunnen wij niet. Dat is iets wat je gegeven moet worden.’ En dan moet ik u antwoorden: ‘Ja, maar dan moet u toch een keer op gaan passen, want als het gaat om geloven, om jezelf over te geven aan de Heere, om jezelf aan de Heere en Zijn Woord te verliezen, om jezelf met alles wat je bent en wat je hebt onvoorwaardelijk aan Hem over te geven, ach, gemeente, dat is een kwestie van onmacht of van onwil.’

Zeg het eens eerlijk. Als het er nu om gaat, als puntje bij paaltje komt, zou u het dan echt willen? Moet u dan niet bekennen wat Augustinus schreef: ‘Heere, leer mij, maar vandaag nog niet’? Is dat uw gebed misschien? Jongens, meisjes, hoe is het in jullie leven? We kunnen ons wel op onmacht beroepen en zeggen: ‘Dat kan ik niet.’ Maar is het niet veel meer zo, dat wij niet willen en dat wij ten diepste ons verzetten tegen het werk van God en van Zijn Heilige Geest? Want voor dat kunnen, voor die onmacht, wel, daar is een overvloed van genade voor. Voor dat ‘niet kunnen’, daar is Christus voor, Die door Zijn genade ons kan geven alles wat ons ontbreekt. Hij kán het niet alleen, maar Hij wíl het ook geven. Hij kan en wil en zal in nood… Daar is een overvloed. Maar het is niet willen, het is ‘nee’ zeggen, het is in je binnenste eigenlijk weerstand bieden.

En nu gaan we bidden: Uw wil geschiede, gelijk in de hemel, alzo ook op de aarde. Dan gaat het ook hier over: ‘Heere, geef dat ik Uw wil gehoor­zamen mag, dat ik dat mag doen wat U van mij vraagt en mij tot zaligheid dient. Dat ik het in mijzelf mag verliezen en dat ik het in U mag vinden. Dat ik mijzelf mag kwijtraken en dat ik U mag vinden als het allerhoogste en eeu­wige Goed.’

‘Zonder enig tegenspreken gehoorzaam zijn.’ Dit is de wil van God, dat u gelooft in de Naam van Zijn Zoon. Die bede gaat dus veel verder dan alleen het gebod van God. Ziet u het? Het gaat om alles wat de Heere van ons vraagt en eist in Zijn Woord. En dan moet ik bij Hem terechtkomen als een zondaar. En mijn eigen wil moet gekruisigd worden. Om Zijn wil te mogen doen, zonder enig tegenspreken.

 

Dat is het tweede dat wij met elkaar gaan overdenken vanuit onze catechismus:

 

2. De verloochening van eigen wil

 

‘Geef dat wij en alle mensen onze eigen wil verzaken en Uw wil, die alleen goed is, zonder enig tegenspreken gehoorzaam zijn.’

‘Onze eigen wil.’ Tegenover de wil van God in Zijn gebod en in het evangelie gege­ven, staat onze wil. Daar staat die verkeerde wil van u van nature. Een wil die verkeerd, een wil die boos is, zo zegt onze belijdenis. En nu moeten wij die wil, die altijd dwars van God staat, gaan verzaken.

Dat onze wil dwars tegen­over God staat, komt omdat wij in het paradijs in plaats van de wil van God te doen, gekozen hebben voor de vorst der duisternis. Omdat wij hebben gedaan wat wij niet mochten doen, namelijk eten van de boom der kennis des goeds en des kwaads. Een verkeerde wil. Onze wil is totaal verdorven.

En als die wil in aanraking komt met de wil van God, zowel in het gebod als in het evangelie, dan gaat die wil bruisen. Want wij willen onszelf zijn. Wij willen doen wat wij zelf denken, wat wij als goed zien.

 

Dat ziet u al bij kin­deren. Kleine kinderen hebben zo’n eigen wil, die dwars kan zijn en tegenover de wil van de ouders staat. Zij willen niet doen wat hun ouders willen. En zo zijn wij nu tegenover God. Wij willen niet wat God wil.

En, gemeente, dat is zo’n ontzaglijk groot kwaad, die verkeerde wil van ons. Want de mens heeft zich daarmee niet alleen buiten de gemeenschap van God gesteld, maar vandaag de dag stellen wij ons nog in allerlei levenssituaties tegenover God en kiezen we onze eigen wegen. Jongeren verlaten de kerk en gaan wegen die vader en moeder niet willen, buiten de kerk en buiten het Woord van God om. Mensen gaan eigen gekozen wegen en ontwikkelen zelfs hun eigen willen in deze, zo men dat vandaag de dag noemt, ik-gerichte maat­schappij. Een mens moet zichzelf ontwikkelen, moet zichzelf zijn, zichzelf een plaats in de maatschappij weten te geven.

En nu kom ik met mijn oude catechismus van 1563 in deze moderne wereld, die zegt, zo fris als een hoentje, dat ik mijn eigen wil moet verzaken, dat is: verloochenen. Dat wil zeggen dat ik naar mijn eigen wil niet moet kijken.

 

Als u wilt weten wat verloochening is, dan neem ik u even mee naar de zaal van hogepriester Kajafas, waar Jezus staat. Hij staat daar geboeid voor de hoge­priester en moet belijden dat Hij de Zoon van God is. Ik bezweer U bij de levende God, dat Gij ons zegt of Gij zijt de Christus, de Zone Gods (Matth.26:63). En daar zegt Hij ‘ja’ op. Gij hebt het gezegd (Matth.26:64). En dat kost Hem de dood.

Achter Hem stond Petrus en hij zei: ‘Nee.’ Toen aan hem gevraagd werd: ‘Hoort u ook bij Hem en bent u ook van Hem?’, toen heeft Simon Petrus gezegd: ‘Ik ken die Mens niet. Ik ben niet van Hem, ik wil niet van Hem weten, ik heb niets met Hem te maken.’ Dat is verloochenen. Zo moet u bid­den: ‘Heere, geef dat ik mijn eigen wil mag verzaken. Dat ik daar ‘nee’ tegen zeg. Dat ik niet zeg: Die ken ik niet en Die wil ik ook niet kennen en ik ben niet van Hem. Ik wil die wil niet doen.’

Mijn eigen wil verzaken. Dan moet je zeggen: ‘Dit wil ik wel, maar dat zet­ten we opzij, want de Heere vraagt dit en dat van mij.’

 

En dan begrijpt u wel wat er gaat gebeuren, als ik mijn eigen wil moet verzaken. Dan moet ik met mijn hele ‘ik’, dat ‘ik’ met hoofdletters, opzij, en daar moet de Heere voor in de plaats komen. Paulus schrijft daarover in de Galatenbrief: Ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij (Gal.2:20). Daar hebt u het. Christus leeft in mij.

Mijn eigen wil verzaken. Als u dat in eigen kracht wilt doen, dan gaat het in der eeuwigheid niet. Want dat kan niet. Maar hier staat ook: ‘Geef dat wij onze eigen wil verzaken.’ Heere, geef uit Uw genadebron, door Uw Heili­ge Geest, dat ik dat mag doen. Geef dat ik mijn eigen wil leer verzaken, dat ik daar niet naar omkijk, dat ik die niet doen wil, dat ik daar niet van weten wil.

Dat is een geweldige strijd. Die kunt u alleen maar overwinnen in de kracht van Christus. Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij. Daar hebt u nu waar het hier om gaat.

 

Onze eigen wil verzaken, daarvoor moet je sterven aan jezelf. Dan moet je ‘ik’ weg. En dan komt Christus daarvoor in de plaats. Dan gaat Hij het voor het zeggen krijgen in je leven. Dan gaat Hij het ook doen. Dan leer je het de apostel nazeggen: Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons Gods, Die mij liefgehad heeft en Zichzelven voor mij overgegeven heeft (Gal.2:20).

Kijk, er is er Eén geweest Die Zijn ‘Ik’ opzij gezet heeft. Hij heeft Zichzelf volledig overgegeven. Hij heeft Zich vernietigd, zegt Paulus in Filippenzen 2, opdat Hij nu zo’n mens zou kunnen zalig maken.

 

‘Mijn eigen wil verza­ken.’ ‘Geef dat, Heere, opdat ik Uw wil zal doen.’ Gemeente, de wil van God is alleen maar goed. Die is heilig en volmaakt en daar mankeert niets aan. De wil van God is alleen maar gericht op het goede.

‘Het gebod is ten leven’, staat er. Dat is ook zo. Het bevel van God in de tien geboden is ten leven. U ziet het in onze maatschappij. Als het gebod van God verlaten wordt, ziet u moord en doodslag en misdaad met golven het land binnenkomen. ‘Het gebod is ten leven.’ En dat geldt voor ieder mens, of deze nu kerkelijk is of niet, of hij er nu ‘wat aan doet’, zoals men zegt, of dat hij er niets van moet hebben. Dat doet allemaal niets ter zake.

Zodra wij kans zien om het laatste scherfje van het gebod van God uit onze wetgeving weg te krijgen, dan moet u bedenken dat dat geen zegen brengt, want het gebod is ten leven en waar het gebod wijkt, komt de dood. Dat zult u zien. Daarvan spreekt de hele Bijbel. ‘Wie God verlaat, heeft smart op smart te vrezen’, staat er in dat oude versje van Psalm 32. De wil van God is alleen goed.

 

Gemeente, juist door de genade van de Heilige Geest ga ik zien dat de wil van God alleen maar goed is en dat er buiten die wil alleen maar verderf, dood en zonde is. Dat is alleen maar akelig en naar en dat zaait alleen maar verderf rondom zich heen. Dat ga ik dan zien en dan ga ik het gebod van God liefhebben. Dan word ik geen wettisch mens. Wettische mensen hebben het gebod niet lief. Die hebben zichzelf lief. Maar door de genade van Chris­tus ga je het gebod liefhebben: Hoe lief heb ik Uw wet! Zij is mijn betrach­ting de ganse dag (Ps.119:97).

Gemeente, er zijn mensen in de wereld die het geen cent interesseert wat God in Zijn gebod en in het evangelie zegt, zelfs al zijn ze in de kerk. Maar waar de Heere met Zijn Heilige Geest komt, daar gaat het de vraag van mijn leven worden. Daar ga ik naar vragen: ‘Uw wil, die heilig is en goed, leer mij die door Uw genâ bestendig te bewaren.’ Daar ga ik naar zoeken. Ik ga vra­gen naar het bevel van God en word dan zonder enig tegenspreken gehoorzaam.

Gemeente, dat is geweldig: zonder enig tegenspreken gehoorzaam zijn. U weet wel, kinderen kunnen tenslotte toch nog wel iets doen als je wat vraagt. Eerst wordt er nee gezegd en nog eens een keer nee, en tenslotte gaan ze het toch doen. Ze gaan gehoorzamen, maar het gaat langs een hele weg van tegenspreken. Welnu, zo is het met zondaren ook. De verdorven mens is van nature een tegenspreker. We hebben altijd wat te zeggen tegen de Heere en tegen Zijn dienst. Ik heb nog nooit ergens een gesprek gehoord, waarin er op de dienst van God niets was aan te merken.

Het is altijd wat en er mankeert ook altijd wat aan, dat moet je nooit bevreemden. De mens is een tegenspreker tegenover God. Hij doet het wel, maar nooit zonder tegenspreken. We zijn net als kinderen.

En nu heeft Jezus dat tegenspreken van zondaren, staat er in Hebreeën, verdragen. Dat wil ontzaglijk veel zeggen. Het geldt niet alleen voor de zondaren van toen, maar ook voor de zondaren van nu. Nog nader gezegd: ook uw tegen­spreken heeft Hij verdragen. En we hebben wat gezegd!

 

Gemeente, als de Heere het niet zou verhoeden, dan zeggen we nog zoveel tegen Hem terug. Wij zetten Zijn Woord van liefde tegenover Zijn bevel van liefde. Dan zijn we van die tegensprekers met al onze ‘ja maars’ en al onze bezwaren die wij weten in te brengen. En nu gaan we bidden: ‘Geef, Heere, dat ik mijn eigen wil verzake en Uw wil, die alleen goed is, zonder enig tegenspreken gehoorzaam zal zijn.’ Zomaar ‘ja’ zeggen en ‘ja’ doen. Zonder een ‘ja maar’. Zonder de gedachte: ‘Ja, moet dat nu, kan dat nou niet anders?’ Zomaar zonder enig tegenspreken gehoorzaam zijn. Ja zeggen op dat gebod van God.

U begrijpt, dat is genade. Wat is het groot als je zo met de Heere mag leven, als je dit gebed in je leven mag betrachten de ganse dag. En dan maar vragen aan de Heere: ‘Heere, geef…’ Daar komt nooit een einde aan in dit leven. Het gaat door, totdat de kerk boven zal komen en voor de troon zal zijn. Dan is het tegenspreken opgehouden en gaan we zon­dermeer God gehoorzamen en Hem dienen dag en nacht in Zijn tempel. Zolang we hier op aarde zijn zal dat tegenspreken nog gevonden worden. Vandaar dat het gebed nodig is: ‘Uw wil geschiede. Geef dat wij en alle men­sen onze eigen wil verzaken en Uw wil, die alleen goed is, zonder enig tegen­spreken gehoorzaam zijn.’

 

Wat is die mens gelukkig, die dicht bij de Heere mag leven, bij wie het niet meer gaat om zijn ‘ik’ en zichzelf en zijn eigen wensen en verlangens en begeerten, maar die voor God buigt en zegt: ‘Heere, zonder enig tegen­spreken wil ik U gehoorzaam zijn. Wilt U dat geven?’ Want daar ligt een ver­maak in, daar ligt een vrolijkheid in, daar ligt een blijdschap in, om zo met de Heere te mogen leven en om zo in Zijn wegen te wandelen.

Bovendien, degene die zo de Heere vreest, zal ook mogen ondervinden dat de Heere hem bewaart.

De mens die de Heere vreest en in Zijn wegen wan­delt, heeft de belofte mee voor dit en voor het toekomende leven. Want die mag weten wat de dichter zong in Psalm 34 vers 4 en wat wij nu met hem gaan zingen:

 

Des Heeren engel schaart
Een onverwinb’re hemelwacht
Rondom hem die Gods wil betracht;
Dus is hij welbewaard.
Komt, smaakt nu en beschouwt
De goedheid van d’ Alzegenaar;
Welzalig hij die, in gevaar,
Alleen op Hem betrouwt!

 

3. Vermaak in Gods wil

 

Gemeente, onze catechismus gaat in op het tweede deel van de bede: Gelijk in de hemel, alzo ook op de aarde. En dat legt ze zo uit: ‘Opdat een iege­lijk zijn ambt en beroep zo gewilliglijk en getrouwelijk moge bedienen en uitvoeren als de engelen in de hemel doen.’

Ambt en beroep, dat plaatst ons weer helemaal op de aarde, zo in het leven van elke dag, van maandag tot zaterdag toe. De engelen in de hemel zijn onze medeschepselen. Zij hebben ook een ambt. Zij hebben een drievoudig ambt. Zijn zij niet allen gedienstige geesten, die tot dienst uitgezonden worden om dergenen wil die de zaligheid beërven zullen? (Hebr.1:14)

De engelen gebruikt God om Zijn kerk op aarde te bedienen. Ze zijn bij de kerk op aarde.  We weten dat uit de geschiedenis van Jakob in Bethel. Zij klimmen op een lad­der en zij dalen af. Ze zijn bij Jakob en klimmen op met zijn noden en komen terug met allerlei vervullingen. De Heere Jezus herhaalt dat in Johannes 1 vers 52: Van nu aan zult gij de hemel zien geopend, en de engelen Gods opklimmende en nederdalende op de Zoon des mensen.

 

De engelen hebben een drievoudig ambt. Dat is het profetische, het pries­terlijke en het koninklijke ambt. Het profetische ambt bekleden ze vaak. Denkt u maar aan de geschiedenissen van de patriarchen Abraham, Izak en Jakob. De engelen hebben dikwijls de wil van God bekendgemaakt aan deze knechten van God. In het huwelijksformulier staat: ‘Uw vrienden en getrou­we dienaren, Abraham, Izak en Jakob.’ Ze zijn ook bij Maria geweest, ze zijn bij de herders geweest in Efratha’s velden. Ze hebben gestaan bij het open graf op de paasmorgen.

Ze hebben een profetisch ambt om het heil­geheim van God bekend te maken. Ze brengen een eigen boodschap mee van de troon.

Ze hebben ook een priesterlijk ambt. Ze staan in de priesterlijke dienst. Ze bedienen de kerk op aarde. En dat doen zij priesterlijk. Het kenmerk van een priester is dienen. Zo komen de engelen ook dienend bij de kerk des Hee­ren.

Het zijn tenslotte ook koningen, want zij hebben strijd te leveren. Zij komen in aanraking vanuit de hemelse troonzaal, met de machthebbers van deze eeuw. Door de boosheden die in de lucht zijn, door de duivelse machten die op de aarde zijn, moeten zij de kerk benaderen. Zij hebben strijd te leveren met de boze. Dat blijkt ook uit het boek Daniël, als u leest over de vorst Michaël. Ze hebben strijd te leveren met de boze geesten op de aarde. Dat doen ze koninklijk om de kerk te bewaren en te beschermen. De engelen die zo dienen, doen dat werk met vermaak. Wie Psalm 103 leest, leest van enge­len die met vermaak de wil van God doen, die voor de troon van God staan en die daar op Zijn wenken staren. Zij doen onmiddellijk Zijn wil met vreug­de, met blijdschap. Ze hebben lust om de wil des Heeren uit te voeren.

 

Nu gaan we bidden: Gelijk in de hemel (daar hebt u die engelen), alzo ook op de aarde. Wij hebben, net als de engelen, niet alleen zonder tegenspre­ken, en dat is al heel wat, te gehoorzamen, maar we moeten dat, net als de engelen, met vermaak doen. Er is er Eén geweest op aarde Die daar vermaak in had, namelijk de Heere Jezus. Hij zegt tot Zijn discipelen als Hij die Samaritaanse vrouw ontmoet heeft: ‘Ik heb een spijze, en dat is om de wil te doen Desgenen Die Mij gezonden heeft, om de wil Mijns Vaders te doen.’ Dat was Zijn spijze en drank. Dat was Zijn eten en drinken. Dat was het vermaak, de vreugde van Zijn leven, om de wil van de Vader te doen. Hij heeft dat met lust en liefde gedaan. Hij is daar Zijn kerk in voorgegaan.

En nu gaat de kerk bidden op grond van Zijn verdiensten, met als voorbeeld de engelen, die met vreugde de taken uitvoeren die zij ontvangen vanuit de hemel: ‘Heere, geef dat wij U zonder tegenspreken gehoorzaam zijn, opdat alzo een iegelijk zijn ambt en beroep zo gewillig en getrouw moge bedienen en uitvoeren als de engelen in de hemel dat doen.’ Dus met dezelfde vreug­de, met dezelfde getrouwheid, met dezelfde gewilligheid.

 

‘Zijn ambt en beroep.’ We hebben allemaal onze taak in het leven. Ons huwelijksformulier spreekt over een goddelijk beroep, en dat is ook zo. Ons beroep is niet zomaar een baantje, niet zomaar iets wat je doen moet, maar het is een goddelijk beroep. Het is van God gekregen, als taak op deze wereld.

Een goddelijk beroep, en daarnaast een ambt. U weet, het ambt is in de kerk en bij de overheid te vin­den. Zowel in de kerk als bij de overheid als in het goddelijke beroep wat wij hebben, dienen wij zo gewillig, zo getrouw te handelen, zoals de enge­len altijd vaardig passen op het woord van Zijn mond. Dan gaan zij uit, dan gaan ze doen hetgeen God hen opdraagt. Dat doen ze gewillig, dat doen ze vrijwillig, dat doen ze met liefde en vermaak.

Zo hebben wij ook te handelen in de kerk, te doen op ons werk, thuis, op alle plaatsen waar wij komen. Jongens en meisjes, ook op school moet je zo getrouw als de engelen in de hemel dat doen, je werk maken. Biddend.

Kijk eens naar die getrouwe Getuige, Die gewillig Zijn weg gegaan is, Die getrouw het pad gelopen heeft dat Zijn Vader Hem bevolen heeft, Die met zoveel lust en liefde de wil van de Vader gedaan heeft. Als u eens op Hem ziet wat Hij voor u gedaan heeft, dan krijgt u lust om te gaan bidden: ‘Geef dat wij en alle mensen Uw wil, die alleen goed is, zonder enig tegenspreken gehoorzamen, en onze eigen wil verzaken, opdat wij ons ambt en beroep zo getrouw en gewillig bedienen en uitvoeren als de engelen in de hemel dat doen.’

 

Gemeente, dan krijgt u er lust in, dan krijgt u er zin in, dan krijgt u daar ver­maak in om dat te doen. Wie dan zo, biddend en afhankelijk van de hemel, leven en werken mag op de plaats waar God hem stelde, die mag straks een wonderlijk en genadevol woord horen uit de mond van Hem: ‘Komt in, gij getrouwe dienstknecht!’

‘Gij getrouwe dienstknecht.’ Moet u zich voorstellen. Dat is een mens die heeft moeten bidden: ‘Heere, geef dat ik U zonder enig tegenspreken gehoorzamen mag.’ Die heeft moeten bidden: ‘Heere, geef dat ik mijn eigen wil mag verzaken.’ Gij goede en getrouwe dienstknecht, over weinig zijt gij getrouw geweest, over veel zal Ik u zetten; ga in, in de vreugde uws heren (Matth.25:21).

Is dat geen wonder? Dat is een genadewonder van die ene getrou­we Knecht des Heeren, Die altijd de wil van Zijn Vader gedaan heeft, Die geleefd heeft zoals de Vader dat van Hem vroeg. Hij heeft gedaan wat de Vader van Hem wilde. Hij heeft geleefd voor het aangezicht van Zijn God en Vader.

 

Als Hij uw God, Koning en Zaligmaker is, dan wordt u zalig. Maar als Hij het niet is, dan bent u nu al verloren in dit leven. Dan ben je met alles wat je hebt een verloren mens. Hoe rijk u ook mag zijn, doet niet ter zake. Hoe veel u ook mag hebben, maar met dit alles bent u een verloren mens. Buiten deze Zaligmaker is het ten enenmale verloren.

Dat is de predi­king, dat is de waarheid van God. Want God wil dat aan Zijn gerechtigheid genoeg geschiede. Dat is de wil van Hem, die in de wet tot uitdrukking komt. Daaraan moet voor de volle honderd procent genoeg gedaan worden. God is een heilig God. Hij wil dat aan Zijn gerechtigheid genoeg geschiede. Daarom moeten wij ‘of door onszelf of door een Ander betalen’.

Welnu, als u dit hoort, dan begrijpt u wel dat wij er nooit aan toekomen om aan die gerechtigheid van God genoeg te doen. Dan moet er een Ander betalen. Hebt u Die al gevonden? Iemand Die voor u betalen wil, Die de schuld van uw leven wil overnemen en betalen wil wat u op alle fronten tekortkomt? Want wij zijn verliezers aan alle kanten.

 

‘Geef dat wij’, – dan moet ik u nog op één ding wijzen – ‘en alle mensen…’

‘Wij’ staat er eerst, natuurlijk, dat is de kerk des Heeren, dat is de kerk van God over de hele aarde, van zee tot aan zee en van de rivier tot aan de einden der aarde. ‘Wij’, zo bidt de Heere met Zijn kerk. ‘Wij.’ Maar dan moeten we ook voor onze medebroeder en -zuster bidden. Omdat zij ook zonder enig tegenspreken, eigen wil verzakend, de wil van de Heere mogen doen.

‘En alle mensen.’ Dat is alleen maar hier gezegd. Waarom nu alle mensen? Moet u zich voorstellen, als nu alle mensen de wil van God gehoorzamen, dan zegt Mozes in Deuteronomium: ‘Dat zou als een hemel op aarde zijn.’ Als nu alle mensen de geboden van God zouden gehoorza­men, dan zou deze wereld gelijk zijn aan de hemel. Want daar doen ze alleen maar de wil van God. In de hemel is nooit iemand die tegen de wil van God is. Daar wordt niet tegen de wil van God gepraat, daar wordt niet tegen de wil van God in gegaan. Daar zijn ze het allemaal met God eens. Daar wordt de wil van God tot op de laatste tittel en jota gedaan. Die wil is daar op zijn allerluisterrijkst te zien.

 

Als alle mensen de wil van God zouden doen, dan zou er een hemel op aarde zijn. In de hel wordt de wil van God niet gedaan. Daar zijn alle tegenspre­kers samen tegen de wil van God. Als op aarde de wil van God niet gedaan wordt, dan wordt die aarde veranderd in een hel. Maar als de wil van God gedaan wordt op deze aarde, dan is het als een hemel op aarde. ‘Dat hemel, zee en aarde en berg en dal, hoe ver men ook Zijn scepter ziet regeren, nu Zijne Naam en grote deugden eren.’ Het zou een hemel op aarde zijn.

Gemeente, dat zal eenmaal gebeuren als de Heere wederkomt. Als Hij de levenden en de doden geoordeeld zal hebben, dan komt er een nieuwe aarde en daarop zal gerechtigheid wonen. Daar zal niemand meer iets tegen de wil van God doen. De hele aarde zal vervuld zijn met de levende kerk des Hee­ren in heerlijkheid. Daar zullen zij de wil van God eeuwig doen. Daar zal God verheerlijkt worden. Dan zal het met recht een heilstaat op aarde zijn. Dan zal de kerk des Heeren eeuwig zalig zijn.

 

Gemeente, het gebed zegt: ‘Wij en alle mensen.’ Zouden we het vergeten hebben te bidden omdat het er zo donker op aarde uitziet? Laten we die vraag meenemen. ‘Heere, geef dat ik, in de eerste plaats, en alle mensen onze eigen wil ver­zaken en Uw wil, die alleen goed is, zonder enig tegenspreken gehoorzaam zijn.’

 

Laten we het bidden en blijven bidden tot roem van Gods grote Naam.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 147:6

 

De Heer’ betoont Zijn welbehagen
Aan hen die need’rig naar Hem vragen,
Hem vrezen, Zijne hulp verbeiden,
En door Zijn hand zich laten leiden;
Die, hoe het ook moog’ tegenlopen,
Gestadig op Zijn goedheid hopen.
O Salem, roem de Heer’ der heren;
Wil Uwen God, o Sion, eren.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in ‘De Heidelbergse Catechismus’ van ds. D. Rietdijk en ds. C.G. Vreugdenhil (Uitg. Groen, 1998).