Ds. H. Paul - Mattheüs 14 : 27 - 31

De geloofsbeproeving op het meer van Galilea

De weg des Heeren
Het geloof van Petrus
De redding door de Heere

MattheĆ¼s 14 : 27 - 31

Mattheüs 14
27
Maar terstond sprak hen Jezus aan, zeggende: Zijt goedsmoeds, Ik ben het, vreest niet.
28
En Petrus antwoordde Hem, en zeide: Heere! indien Gij het zijt, zo gebied mij tot U te komen op het water.
29
En Hij zeide: Kom. En Petrus klom neder van het schip, en wandelde op het water, om tot Jezus te komen.
30
Maar ziende den sterken wind, werd hij bevreesd, en als hij begon neder te zinken, riep hij, zeggende: Heere, behoud mij!
31
En Jezus, terstond de hand uitstekende, greep hem aan, en zeide tot hem: Gij kleingelovige! waarom hebt gij gewankeld?

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 77: 1
Lezen : Mattheüs 14
Zingen : Psalm 66: 3, 5, 8
Zingen : Psalm 42: 7
Zingen : Psalm 93: 3, 4

Gemeente, onze tekst vindt u in een gedeelte van het Woord van God, dat u is voorgelezen uit Mattheüs 14 en daarvan de verzen 27 tot en met 31, waar we Gods Woord en onze tekst lezen:

 

Maar terstond sprak Jezus hen aan, zeggende: Zijt goedsmoeds, Ik ben het, vreest niet. En Petrus antwoordde Hem en zeide: Heere, indien Gij het zijt, zo gebied mij tot U te komen op het water. En Hij zeide: Kom. En Petrus klom neder van het schip en wandelde op het water, om tot Jezus te komen. Maar ziende de sterke wind, werd hij bevreesd, en als hij begon neder te zinken, riep hij, zeggende: Heere, behoud mij! En Jezus terstond de hand uitstekende, greep hem aan en zeide tot hem: Gij kleingelovige, waarom hebt gij gewankeld?

 

Onze tekst bepaalt ons bij: De geloofsbeproeving op het meer van Galilea.

 

Wij staan stil bij:

1. De weg des Heeren

2. Het geloof van Petrus

3. De redding door de Heere

 

1. De weg des Heeren

 

Gemeente, het gedeelte van het Woord van God dat u werd voorgelezen, bepaalt ons bij de wonderen van de Zaligmaker. Hij heeft die op aarde verricht als tekenen en zegelen van Zijn messiasschap. Daarmee bewees Hij de Zoon van God te zijn en bevestigde Hij de woorden die Hij gesproken had. Maar er was geloof nodig om dit te zien en te aanvaarden.

In de verzen 13 tot en met 21 lezen we van het wonder van de vermenigvuldiging van de broden. Met zó weinig, slechts vijf broden en twee vissen, werden duizenden mensen gevoed. Hij bewijst hiermee de Zoon van God te zijn. Het volk wil Hem met geweld nemen en koning maken, zoals we kunnen lezen in Johannes 6 vers 15.

Men ziet in Hem niet de Zaligmaker Die komen zal, maar de man die Israël nodig heeft. Wat zou het een voorrecht zijn, meent men, als deze man onze koning was! Maar dat koninkrijk is niet het rijk van Koning Jezus. Zijn Koninkrijk is niet van deze wereld. Maar een rijk opgericht in de harten van de Zijnen, door de bediening van de Heilige Geest. Maar van zo’n koningschap zijn zij afkerig. Zij wensen hun eigen leven te leiden en Jezus als koning te hebben die wonderen doet en brood geeft. Maar zo’n koning is Jezus niet. Hij is geen koning zonder het kruis. Hij is Koning van een rijk dat Hij door Zijn dood zal verwerven. Dat Koninkrijk zal er op aarde komen. Daarom is het nodig dat Hij de schare van Zich laat.

 

Hij liet ook Zijn discipelen van Zich weggaan. We lezen in vers 22: En terstond dwong Jezus Zijn discipelen in het schip te gaan en vóór Hem af te varen naar de andere zijde, terwijl Hij de scharen van Zich zou laten. Dat was een weg tegen vlees en bloed in. De discipelen hadden het juist zo goed! In de eerste plaats waren ze bij Jezus, Die de liefde van hun hart had. Zij werden gevoed door een wonder. Tenslotte wilde men Hem Koning maken. Dan zouden ook zij mede delen in de eer die Hem werd bereid. Maar nu dwingt de Heere hen in die weg te gaan. Zij gehoorzamen wel, maar het is een weg tegen hun verlangen in.

De Heere gaat soms heel andere wegen dan wij begeren. Maar toch zal deze weg voor de discipelen tot hun nut zijn. Daarin ontvangen zij meerdere kennis van Christus. Zij zullen persoonlijk tot aanbidding komen en getuigen: Wie is toch Deze, dat ook de wind en de zee Hem gehoorzaam zijn? (Mark.4:41)

Wij gaan van onszelf liever eigen wegen. Genade is nodig om eigen wil te verloochenen en gehoorzaam te zijn. Om achter de Heere aan te komen en kruisdrager te worden. Toch wint de Heere op Zijn tijd Zijn kinderen in voor de weg die Hij met ze gaat. Dan heeft Hij een gewillig volk, wanneer het wordt onderwezen in het nut van deze weg. Dan willen ze er niets vanaf hebben.

 

Ik denk aan de weg die Asaf gaan moest, waarvan we kunnen lezen in Psalm 73. Een weg tegen zijn verlangens in. Een weg waarvan hij dacht dat er voor hem alleen maar zorg en moeite was. Maar toch een weg waarvan hij straks erkent dat de Heere goed voor hem was. Waarin hij een groot beest wordt bij zichzelf, maar ook erkent: Maar mij aangaande, het is mij goed nabij God te wezen; ik zet mijn betrouwen op de Heere Heere, om al Uw werken te vertellen (Ps.73:28).

We zien dat de Heere in deze weg Zichzelf eer bereidt. Maar het blijft een weg waarvoor Gods Kerk telkens ingewonnen en gewillig gemaakt moet worden. Want al kan die gewilligheid en die overgave er vandaag zijn, dan kan het morgen weer zo heel anders zijn.

 

Het is daarom ook wel begrijpelijk dat de discipelen er moeite mee hadden om de weg te gaan die de Heere ze aanwees. Het was zo goed aan de wal en nu moesten ze naar de overzijde van het meer.

Zo kan het ook in het leven zijn, dat na voorspoed een weg van tegenspoed gegaan moet worden. Dat na een tijd van licht en leven er tijden van duisternis zijn, en na tijden van vereniging een tijd van scheiding. Wie kiest hiervoor?

De discipelen moeten ook gedwóngen worden. Wij verkiezen graag hetgeen het beste is in eigen ogen. Zoals wij denken dat het gaan moet en tot ons welzijn dient. Maar de Heere leidt vaak door onbegrepen en ongekende wegen. Maar Hij leidt de Zijnen zo, dat

Hij de eer ontvangen zal en zij bewonderen zullen dat God deze weg ging.

Ik denk aan vader Jakob: Al deze dingen zijn tegen mij (Gen.42:36). Hij was er moedeloos onder. Alles liep tegen: Jozef was gestorven, Simeon was er niet en Benjamin zou er straks ook niet meer zijn. Al deze dingen zijn tegen mij. Maar wat een wonder als hij straks mag zeggen dat alles vóór hem is. Dat de Heere deze weg ging, opdat een groot volk in het leven werd behouden, dat het geslacht van Jakob en de komst van de Messias daarin gewaarborgd is.

 

Bovendien, als de Heere die weg doet gaan, laat Hij niet alléén gaan. Als de Heere Zijn volk een weg doet gaan, die onbegrepen lijkt, blijven ze toch besloten in Zijn voorbede. Als Hij Zelf op de berg is om te bidden, dan gedenkt Hij hen in Zijn voorbede, zodat hun geloof niet zal ophouden. Dan is Zijn wakend oog over hen, ook in de meest onbegrepen wegen.

Wij denken misschien dat de weg die de Heere doet gaan altijd een weg is waarin het voor de wind gaat. Nee, Hij doet juist die wegen gaan om te doen ervaren Wie Hij is. Dat het wonder wordt ondervonden, dat Hij de Zijnen niet begeeft en niet verlaat. Dan laat hij het veelal vastlopen aan onze kant en worden we vaak voor onmogelijkheden gesteld, opdat Hij te meer Zijn eer en Zijn heerlijkheid zal bekendmaken. Opdat Hij Zijn trouw zal bewijzen en meer genade zal schenken. Dan is het goed verdrukt geweest te zijn, zegt de dichter, om dus het Goddelijk recht te leren.

 

We moeten overigens niet denken dat die druk het zelf doet. Laten we daarom maar nooit naar zwaarheid staan, maar naar klaarheid. Want als we denken dat zwarigheid ons op de juiste plek brengt en de Heere komt er niet in mee, dan komt er alleen maar opstand. Dan komt openbaar wat in ons hart leeft en verzetten we ons met hand en tand tegen de weg die God met ons gaat.

Soms kunnen er gebalde vuisten en opstandige harten zijn. Maar als de Heere meekomt, dan leidt Hij naar Zijn raad en welbehagen. Dan kan de nood wel eens groot zijn, en kan het water zelfs wel eens tot aan de lippen komen, maar Hij heeft een wakend oog over allen die Hij Zijn weg doet gaan.

 

Dat zien we ook in de geschiedenis die nu onze aandacht vraagt. De schare heeft Hij van Zich gelaten en de discipelen zijn naar de overzijde gezonden. Spoedig steekt er een storm op en de wind is hen tegen. Zo’n valwind van de bergen, valt op het water en het water wordt opgezweept. De golven slaan over het schip, zodat het dreigt te zinken.

Want we lezen: En het schip was nu midden in de zee, zijnde in nood van de baren; want de wind was hun tegen (vers 24). Zeilen was totaal onmogelijk. Mogelijk hebben ze de riemen wel genomen om te roeien, om zo aan de overkant te komen. Maar elke golf slaat hen weer verder terug. Zij vorderen niet. Uur na uur verstrijkt. En de Heere is er niet! Het wordt aan hun kant steeds onmogelijker om aan de overzijde te komen. Maar het ergste is dat Hij er niet is. Angst vervult hun hart en een diepe vrees bezet hen: zij zullen nog omkomen.

 

Want vooral als de Heere Zijn aanwezigheid niet doet ervaren, als Zijn voetstappen niet bemerkt worden, is er de vrees te moeten omkomen! Heere, is dát Uw weg? Is dat de weg die U met ons gaat? Dan kan diepe vrees het hart vervullen. Zo ook hier: het schip wordt omhoog geworpen als een notendop en als een speelbal van de golven heen en weer geslingerd.

Wat hier in de natuur gebeurt, is geen vreemde zaak in het geestelijke. Asaf spreekt er ook van: Uw weg was in de zee, en Uw pad in grote wateren, en Uw voetstappen werden niet bekend (Ps.77:20). Dat is juist het ergste, gemeente: Zijn voetstappen werden niet bekend!

Toch weet de Heere er van en Hij staat voor ze in. Want al is Hij dan alleen op de berg om te bidden, Hij ziet die worstelende discipelen wel. Hij slaat hen nauwlettend gade. Er is geen omstandigheid waarvan Hij niet weet. Er is geen golf die Hij niet intoomt, opdat die golven het schip niet zullen overspoelen. Hij meet het kruis en Hij weegt het af. De nood kan dan wel groot zijn en het water kan tot aan de lippen komen, maar het zal er niet overheen gaan.

 

Daar is het geloof voor nodig. Het geloof dat weet van Zijn almacht, van Zijn trouw en goedheid. Het geloof dat Hij hen niet zal begeven en niet zal verlaten. Waar in het donker de ondergang voor ogen schijnt, komt Hij op Zijn tijd. Dat is niet vóórdat de storm opsteekt, dat is niet aan het begin van de nacht. Nee, dan hebben ze eerst heel wat doorworsteld, en heel wat vrees geleden. De nood wordt ook werkelijk nóód. Dat is een nood waarbij eigen stuurmanskunst en zeevaartkunde niet meer helpen, maar waarin God alléén helpen kan, en uitkomst kan geven. De nood wordt als nood doorleefd.

Dat is geen beschouwing, nee, dat is ervaring, beleving. Ook dat Hij alléén uitkomst geven kan, zoals straks gezien zal worden dat Hij helpt en redt; dat Hij getrouw is.

 

Hij komt pas in de vierde nachtwake, dat wil zeggen: tegen de morgen. Wij zouden zeggen: zo om een uur of drie. Het is nog wel donker, maar misschien is het eerste ochtendgloren reeds te zien, want het is daar vroeg licht.

In de vierde nachtwake komt Hij tot hen. Dat was Zijn doel, want ze horen bij elkaar. Zij zagen naar Hem uit. Maar meer dan zij naar Hem uitzagen, verlangt Hij hen te zien. Dat is altijd het grote wonder. Dat was ook zo na Zijn opstanding. Als de Heere Jezus verschijnt aan Zijn discipelen, dan is Hij de Eerste. Hij is getrouw. Hij geeft wat nodig is. Wie Hem het hardst nodig heeft, bezoekt Hij het eerst: Maria Magdalena en Petrus.

Hij heeft niet gezegd: ‘Petrus, je hebt het er zo slecht afgebracht, jij moet maar een poosje wachten.’ Nee, juist waar de nood groot is, daar is de redding nabij.

Zo is het ook hier, Hij komt tot hen in de vierde nachtwake. Maar toch herkennen ze Hem niet. Zij verwachten zeker niet dat Hij zó zal komen. Hij komt wel, maar langs een onbegrepen weg. Zijn discipelen houden Hem voor een spookverschijning en ze schreeuwen van vrees.

Wat zit er toch een ongeloof en bijgeloof in het hart van hen die de Heere vrezen! De Heere moet over veel heenkomen, en veel doorbreken, opdat Hij weer gekend wordt en de vrede in het hart afdaalt.

 

Op Zijn tijd komt Hij, juist toen zij dachten dat het niet meer kon; dat de ondergang nabij was. Dan is Hij vaak veel dichterbij dan zij denken. In onze gedachten kan Hij zó ver weg zijn, ook in het leven van de Kerk. In de beleving van schuld en zonde kunnen golven en baren over ons heenkomen. Golven van ongerechtigheid kunnen ons schier overspoelen. Dan lijkt de Heere zó ver weg. Dan kunnen we ook niet anders zeggen dan dat God met zo’n mens niet te doen kan hebben.

Maar dan is Hij soms zo dichtbij! Ondanks wie wij zijn, ondanks wat in ons hart leeft, ondanks dat we het ons zo waardig maken dat Hij nooit naar ons omziet, kan Hij het doen ervaren dat Hij juist zo dichtbij is.

Want de Heere werkt een werk, waarin niet de méns, maar Híj de eer ontvangt. Een werk waarin Hij gekend en erkend wordt en waarvoor Hem de lof en dank zal worden toegebracht.

 

Als Hij komt, dan spreekt Hij wat nodig is, dan brengt Hij aan wat zij niet kunnen missen. We lezen in vers 26: En de discipelen ziende Hem op de zee wandelen, werden ontroerd, zeggende: Het is een spooksel. En zij schreeuwden van vrees. Ook dát nog! Nu is de ondergang zeker nabij! Maar terstond - hoort u dat? – terstónd spreekt Hij tot hen: Zijt goedsmoeds, Ik ben het, vreest niet!

Wat weet Hij toch altijd het juiste woord te spreken. Wat Hij spreekt, schenkt Hij ook. De golven en de baren waren nog aanwezig; het schip werd nog omhoog gezweept. Maar waar de Heere kalmte geeft, daar is rust van binnen: Zijt goedsmoeds, omdat ze de moed hadden laten zinken. Ik ben het, vreest niet, omdat hun hart vol vrees was.

Dan verstaan ze ook Wie Hij is. Zijn spreken heeft kracht. Hij geeft wat Hij vraagt en brengt aan wat nodig is.

 

Wat een wonder voor de discipelen, dat de Heere zo spreekt. Zij dachten om te komen. Ervoeren dat de Heere zo ver weg was. Zij voelden zich aan zichzelf overgelaten. Waar het van hun kant niet meer kon en er zelfs een spookverschijning gezien werd, spreekt de Heere tot hen en doet Hij hun Zijn kracht ervaren.

Dat is geen vreemde zaak in het leven van de Kerk des Heeren. Wanneer het bij hen onmogelijk wordt, ze niet anders voor ogen zien dan de ondergang, spreekt de Heere. Dan daalt er vrede in het hart en rust in de ziel. Hij spreekt met macht en met majesteit. Dan horen Zijn schapen Zijn stem en Hij kent ze en zij volgen Hem. Zo mogen ze weer bij Hem zijn.

Hij komt tot hen over het water. De Heere houdt getrouw Zijn Woord. Hij laat nooit een weg gaan waarin men voor eigen rekening ligt. Wanneer in de Naam des Heeren een weg moet worden gegaan, dan zal de Heere doen ervaren: En waar Ik ben, aldaar zal ook Mijn dienaar zijn (Joh.12:26). Maar ook: ‘Waar Mijn dienaar is om Mij, daar ben Ik ook.’

 

Daarom, gemeente, wat een voorrecht dat de discipelen mogen delen in de zorg van de Heere. Wat is de Heere het waard dat Hij gediend en gevreesd wordt! Wat zijn de wereld en de zonde harde meesters. Ze lijken wel veel te geven en veel te beloven. Het wordt wel aantrekkelijk en aanlokkelijk voor ogen gesteld wat de wereld biedt. Die schittering bekoort, maar laten we nooit vergeten: schijn bedriegt! De wereld biedt niet meer dan schijngoed en schijngoud. Zij schijnt ons alles te beloven, maar gééft ons niets. Het geeft nooit wat tot onze vrede en zaligheid dient en het zal nooit dát geven waar we werkelijk met blijdschap mee vervuld kunnen zijn. Want een ronde wereld kan ons driekantig hart nooit vervullen.

De Heere kan wel eens moeilijke wegen houden met de Zijnen, waarin het waar wordt wat Hij toezegde: In de wereld zult gij verdrukking hebben; maar Hij zegt ook toe: Maar hebt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen (Joh.16:33).

Dan wordt het waar wat de apostel schrijft in Hebreeën 12 vers 10: Maar Deze kastijdt ons tot ons nut, opdat wij Zijner heiligheid zouden deelachtig worden. Wanneer de Heere een mens inwint voor de weg die Hij gaat, dan wil je er niets af, gemeente. Dan is er, ondanks deze weg, toch rust in het hart. Als de Heere er in meekomt en er licht over geeft, dan wil je met de hele wereld niet ruilen. Dan wil Asaf niet ruilen met de mensen die het zo goed hadden in de wereld. Dan weet hij het: ‘Wat zijn ze nameloos arm, die niets anders hebben dan wat voor de tijd is. Wat missen ze het wezenlijke en wat echt vrede geeft. Dan maar liever het kruis, maar mét de Heere, dan zonder kruis zónder de Heere.’

 

De dienst van de Heere is een liefdedienst. Denk nu niet dat de Heere altijd zulke zware verdrukkingen geeft in het maatschappelijke, kerkelijke of persoonlijke leven. Daar is de Heere vrij in. Maar elk heeft wel verdrukking. Dezen zijn het die uit de grote verdrukking komen; en zij hebben hun lange klederen gewassen en hebben hun lange klederen wit gemaakt in het bloed des Lams (Openb.7:14). Wel uit de verdrukking, maar straks eeuwige zaligheid!

Denk ook eens aan de rijke man en de arme Lazarus. Die arme Lazarus werd gedragen in Abrahams schoot en de rijke man kauwde zijn tong van pijn. Abraham zegt tot de rijke man: Kind, gedenk dat gij uw goed ontvangen hebt in uw leven (Luk.16:25). Daarom, wat baat het een mens als hij de gehele wereld gewint en hij lijdt schade aan zijn ziel? Wat zal een mens geven tot lossing van zijn ziel?

Oneindig veel beter is het in de hand des Heeren te vallen, zoals David het mocht verkiezen. Want Zijn barmhartigheden zijn vele. Zijn dienst is een liefdedienst.

 

Dat zien we ook wanneer Petrus op de golven wandelt. Want als de Heere zegt: Zijt goedsmoeds, Ik ben het, vreest niet, dan ontwaakt de hartelijke liefde in het hart van Petrus. Dat de Heere aan ze denkt, dat Hij tot hen komt in hun omstandigheden, dat doet Petrus verlangen om bij de Heere te zijn. Hij zegt: Heere, indien Gij het zijt, zo gebied mij tot U te komen op het water. En als de Heere dan zegt: Kom, dan klimt Petrus uit het schip en wandelt op het water, om tot Jezus te komen.

 

2. Het geloof van Petrus

 

Petrus is een voortvarend man. Dat blijkt ook na de opstanding, als de Heere Zijn discipelen verschijnt aan het meer van Galilea. Als Petrus hoort dat de Heere het is, omgordt hij het opperkleed en gaat hij door het water naar de Heere. Nu ziet hij de Heere wandelen op het water en zegt: Heere, indien Gij het zijt, zo gebied mij tot U te komen op het water.

De vraag van Petrus is verschillend beoordeeld. Er zijn verklaarders die zeggen dat het eigenlijk alleen maar ongeloof was: Indien Gij het zijt. Indien U het werkelijk bent, laat het dan daaruit blijken, dat ik tot U mag komen op het water. Calvijn zegt ervan dat deze vraag van Petrus de lof verliest van goed te zijn. Hij kan er dus ook niet veel waardering voor opbrengen. ‘Want’, zegt hij, ‘eigenlijk had hij een kleiner geloof dan de anderen.’

De anderen hadden genoeg aan het woord dat Hij het was. Maar Petrus wilde dat het bewezen werd, die had het wonder nog nodig.

 

Toch moeten we anderzijds bedenken dat de Heere hem straks niet berispt om zijn wandelen, maar dat Hij hem berispt om zijn wankelen. Daarom, als hier staat: Indien Gij het zijt, dan kan het ook betekenen: ‘Dáár Gij het zijt.’ Dat komt op meerdere plaatsen in Gods Woord voor. Paulus schrijft het in de brief aan de Kolossenzen: Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zo zoekt de dingen die boven zijn (Kol.3:1).

Dat betekent dus: ‘Dáár gij met Christus opgewekt zijt.’ Zo is het ook hier. Petrus ziet de Heere wandelen op de golven en hij kent Hem als de Almachtige en zegt: ‘Heere, daar Gij het zijt, daar Gij de Almachtige zijt, zeg ook dat ik tot U mag komen op het water.’ Het gaat niet buiten de Heere om. Hij stapt niet in eigen kracht uit het vaartuig op het water. Hij vraagt of de Heere daartoe bevel geeft. Hij heeft hier geloof in de almacht van Jezus. De Heere Zelf is de Almachtige, Hij wandelt op het water. Maar Hij is ook almachtig om Petrus op het water te doen wandelen. Hij is het Die de Rode Zee gekliefd heeft. Op het woord dat Mozes sprak in de Naam des Heeren, dat de kinderen Israëls voort moesten trekken, scheidden de wateren.

Er is geen ding voor de Heere onmogelijk. Israël ging door het pad door de Rode Zee. Daarom is ook geen ding onmogelijk voor hem of haar die gelooft. De Heere Jezus zegt: Die in Mij gelooft, de werken die Ik doe, zal hij ook doen en zal meerdere doen dan deze (Joh.14:12).

 

Eerst was Petrus te berispen om zijn ongeloof. Eigenlijk moet ik zeggen: om zijn bijgeloof. Straks is Petrus te berispen om zijn kleingeloof. Maar híer zien we hem in het geloof: Heere, indien Gij het zijt, zo gebied mij tot U te komen. Dat zegt ons dus dat het geloof vaak geklemd zit tussen het bijgeloof en het kleingeloof. De allerheiligste heeft het vaak nog maar een weinig tijd in bezit. Het is zó genoten en zó weer toegesloten.

Maar hier staat Petrus in het geloof. Door het geloof heeft hij straks het schip verlaten; door het geloof heeft hij gewandeld op het water; door het geloof komt hij tot de Heere.

Maar het is slechts een korte tijd. Want ziende de sterke wind werd hij bevreesd en als hij begon neer te zinken, riep hij, zeggende: Heere, behoud mij!

Hij wandelde wel in het geloof, maar als hij op de omstandigheden ziet krijgt het ongeloof weer kracht. Bange vrees vervult zijn hart als hij het gehuil van de wind hoort, als hij die geweldige golven ziet en als hij zich die diepten indenkt. Dan roept hij het uit: Heere, behoud mij!

Dan kan alleen de Heere hem helpen. In het geloof vreest hij de golven niet. In het geloof staat hij vast. Maar wanneer het ongeloof zijn kracht openbaart en uitoefent, dan begint hij te zinken.

 

Er staat dat hij begínt te zinken. Het gaat dus niet zo één-twee-drie. Iemand die in het water valt, die begint niet te zinken, die zínkt en schiet in een ogenblik naar de diepte. Maar Petrus begínt te zinken.

Zo is het ook in het geloof. Wanneer het geloof aanwezig is, dan mag Gods Kerk op de Heere zien. Dan springt men met de Heere over een muur en dringt door sterke benden. Maar als het ongeloof erbij komt, dan wordt het geloof aangetast, dan oefent het minder kracht uit. Dan begint ook Petrus te zinken. Langzaamaan krijgt het ongeloof meer voet aan de grond. Dan zijn er de golven, de wind en de diepte. Allemaal zaken die er op wijzen hoe gevaarlijk de omstandigheden zijn waarin hij verkeert.

Zo is het ook in het leven van de Kerk. Het gaat niet van het ene moment op het andere; niet van de ene seconde op de andere. Waar het geloof in oefening is en zich op de Heere en op Zijn Woord richt, dat Hij getrouw, almachtig en genadig is, daar is een wandelen in het geloof. Maar als op de omstandigheden gezien wordt, wordt het geloof aangetast, openbaart het zich minder in geloofsdaden.

 

Dat kan zijn in allerlei levensomstandigheden. Ook bij het inleven van de verdorvenheid. Dan zit de vijand niet stil. Dan wordt ons vuile kleed aangewezen of op het verleden gewezen. Zo wordt de kracht van het geloof aangetast, waardoor we steeds minder op de Heere zien.

Waar het geloof krachtig is en de Heere pas gesproken heeft, daar vervult de liefde het hart. In de tijd van de eerste liefde, van de gevoelige genietingen van Gods genade, hebben we een antwoord op de aanklacht van satan en de beschuldiging van de wet. Maar als het gevoelige geweken is en de omstandigheden weer zó zijn, dat je jezelf terug krijgt, wat heb je dan nog te antwoorden? Wat is het dan nodig dat het geloof geoefend is. Dat we zien op Hem, in Wie alleen de zaligheid is. Want anders kun je wel eens bij jezelf denken: ‘Wat heb ik gezegd?’ Of, als u wel eens aan de bediening van het Heilig Avondmaal bent geweest: ‘Wat heb ik gedaan? Heb ik me niet een oordeel gegeten?’

Zo kan het zijn dat het ongeloof ons bespringt en dat er meer oog is voor onze omstandigheden dan voor Wie de Heere is. Dat er geen oog is voor Gods trouw, Zijn genadevolheid, maar wordt gezien op wie ik ben en blijf.

De vijand wijst me op mijn verdorvenheid. Als dan het geloof niet in oefening is, de kracht ervan wordt aangetast door het ongeloof, dan wordt het benauwd en beginnen we steeds dieper weg te zinken.

 

Toch zien we het geloof in Petrus openbaar komen. Hij roept uit: Heere, behoud mij! Eerst wandelde hij in het geloof op de golven, zag hij op de Heere alléén. Maar nu, te midden van alles, is er tóch het geloof: Heere, behoud mij! Wij denken wel eens dat het geloof er alleen maar is als er bij ons volle zekerheid is. Maar het geloof is in de eerste plaats een uitgaan uit jezelf naar de Heere; een voor wáár houden van Wie de Heere is en wat het Woord zegt.

We zien dat er ook geloof is in het toevlucht nemen van Petrus. Dat is het kinderlijk geloof, dat zegt: ‘Heere, U alleen kunt me behouden en ook in deze omstandigheid kunt U alleen redding geven’. Dat is ook geloof!

We lezen dat de Kananese vrouw aanhoudt bij de Heere en dat ze tenslotte niets anders overhoudt dan het woord: Heere, help mij! (Matth.15:25) Ze is overal buiten gezet, niet waardig dat de Heere naar haar omziet, en toch blijft er over: Heere, help mij! Het is een noodkreet, die overblijft. Dat is óók geloof, gemeente. Daarin doet de Heere ervaren dat Hij helpt en uitkomst geeft.

Het hoeft niet zo’n lang gebed te zijn en met veel mooie woorden gezegd te worden. Juist in de nood van het leven is het gebed dat de Heere hoort maar zo’n kort gebed.

Wie werkelijk in de nood van zijn leven tot God roept, heeft geen lang gebed van veel woorden. Hier is het Petrus die roept: Heere, behoud mij!

Daar is het de tollenaar in de tempel, die zucht: O God, zijt mij zondaar genadig (Luk.18:13). Straks is het de moordenaar aan het kruis, die smeekt: Heere, gedenk mijner als Gij in Uw Koninkrijk zult gekomen zijn (Luk.23:42).

 

Misschien denken we: ‘Petrus, wat ben je toch ongelovig. Onbegrijpelijk!’ Dat zeggen we wanneer het geloof een zaak van redeneren is. ‘Dat kan toch niet, Petrus? Als je wandelt op de golven, ben je er een bewijs van dat de Heere almachtig is, dan hoef je toch niet te twijfelen? Dan mag je niet twijfelen! Het is toch een wonder dat je staat op het water? Dan kun je je toch niet voorstellen dat je nog zult wankelen?’

Maar wie zichzelf kent en weet dat ook dan genade, genade blijft, en dat geloof een genadegave van God is, die verstaat het. Maar die houdt óók de bede over: ‘Heere, help me ook in deze omstandigheden.’ Waar de golven hoog zijn, de wind loeit en de diepte onder me aanwezig is, waarin ik dreig te verzinken, blijft er één woord over: ‘Heere, help me!’

Dan weet Petrus ook dat de Heere helpen kan, dat geen ding voor Hem onmogelijk is. Dat is het kinderlijk geloof en het kinderlijk vertrouwen. Heere, tot wie zullen wij heengaan? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens (Joh.6:68). Dan is alleen Hij het, Die uitkomst geven kan. Zo doet de Heere ervaren dat bij Hem hulp en redding is.

 

Dat heeft de dichter verstaan in het vers dat we nu eerst gaan zingen uit Psalm 42 vers 7:

 

O mijn ziel, wat buigt g’ u neder?

Waartoe zijt g’ in mij ontrust?

Voed het oud vertrouwen weder;

Zoek in ’s Hoogsten lof uw lust;

Menigwerf heeft Hij uw druk

Doen verand’ren in geluk.

Hoop op Hem, sla ’t oog naar boven;

Ik zal God, mijn God, nog loven.

 

3. De redding door de Heere

 

En Jezus terstond de hand uitstekende, greep hem aan en zei tot hem: Gij kleingelovige, waarom hebt gij gewankeld? En als zij in het schip geklommen waren, stilde de wind. Die nu in het schip waren, kwamen en aanbaden Hem, zeggende: Waarlijk, Gij zijt Gods Zoon.

Redding bij de Heere. De Heere geeft uitkomst op Zijn tijd. Dat kan wel eens langer duren dan wij denken. Het kan wel eens zo zijn dat wij geen uitkomst meer verwachten, dat het helemaal vastloopt. Op Zijn tijd geeft Hij redding, als de nood als nood wordt beleefd, waarin Hij alleen uitkomst geven kan.

Maar hier grijpt de Heere terstond in! Anders zou Petrus verdronken zijn. Hier grijpt de Heere hem onmiddellijk bij de hand en redt hem. Het is een teken van Zijn almacht. Voor de Heere is geen ding onmogelijk.

 

Hij spreekt Petrus wel toe: Gij kleingelovige, waarom hebt gij gewankeld? Gij kleingelovige! De Heere bestraft én vertroost tegelijk. Wij zouden misschien zeggen: Gij óngelovige. Maar de Heere zegt: Gij kleingelovige. Kleingeloof is wel geloof. De Heere bestraft hem wel vanwege zijn kleingelovigheid, maar tegelijkertijd zegt Hij dat hij toch gelooft!

Weet u, gemeente, waarin dat geloof tot uiting kwam? Dat kwam tot uiting in het Heere, behoud mij! Petrus zelf heeft het bepaald niet voor geloof kunnen houden. Ook de Kananese vrouw heeft haar woord zeker niet voor geloof kunnen houden. Maar wat een ‘voor waarachtig houden’ is van wat de Heere zegt, dat is geloof. Wat de Heere van ons, wat de Heere van mij zegt, dat moet ook geloofd worden. Dat mag niet in ongeloof verworpen worden. Dat mag niet alleen verstandelijk worden aanvaard. Het werk van de Heilige Geest is nodig om dat te leren aanvaarden, anders weten we het wel, maar geloven we het niet. Want waar het werkelijk geloofd wordt, daar brengt het ons in de nood, maar ook bij de Heere.

Als geloofd wordt dat we op de brede weg wandelen en slechts een naar verderf ons wacht, hebben we geen ogenblik rust meer! Het moet onze persoonlijke vraag worden: ‘Mijn ziel, doorziet gij uw lot, hoe zult gij rechtvaardig verschijnen voor God?’

Ten diepste zijn we allemaal ongelovigen, hoezeer we ook onze belijdenis onderschrijven en hoezeer we ook het Woord van God aanvaarden. We geloven niet wat de Heere zegt. Het slechts aanvaarden van Gods Woord is niet het geloof wat nodig is om die waarheid ter harte te nemen.

 

De nood brengt Petrus bij de Heere: Heere, behoud mij! De Heere redt hem terstond: En Jezus terstond de hand uitstekende, greep hem aan. Petrus geloofde wel dat Jezus uitkomst geven kon en redden kon. Toch bestrafte de Heere hem: Waarom hebt gij gewankeld? Wat voor reden was er om te wankelen?

Er zijn mensen die dát nu het échte vinden. Dat is pas echt, zoals Petrus daar in zijn wankelmoedigheid op de golven loopt en bevreesd wordt en bang is dat hij elk ogenblik om zal komen. Dat is het échte. Het wordt dan verdacht gehouden als er door het geloof gesproken wordt. Men zegt dan: ‘Die spreekt zo hoog, dat moet je maar eens nakijken. Nee, dit is pas het echte: het kleingeloof of het vrezen.’

 

De Heere alleen is het, Die het geloof schenkt en onderhoudt, dat is geen mensenwerk. Dit wánkelen is wel te verstaan vanuit de mens, maar het wandelen op de gólven is niet te verstaan vanuit de mens, dat is Gods werk. Daarom gaat het in de eerste plaats, als het goed is, om Zijn werk.

Als de Heere genade verheerlijkt en het geloof schenkt, dat houvast geeft aan Hem en Zijn Woord, mag je dat niet verdacht houden, alsof het te hoog zou zijn. Wij moeten oppassen dat we het kleingeloof niet gaan verheerlijken.

We zijn van onszelf vol ongeloof. Dat moet ook na ontvangen genade worden beleden. Maar we spreken zo gemakkelijk over ongeloof, alsof dat geen zonde zijn zou. Weet u wat ongeloof is? Dat versta je eigenlijk het beste als je weer geloven mag. Dan zie je wat ongeloof is. Hoe het ongeloof God en Zijn Woord verdacht houdt. Juist als Gods Kerk weer door het geloof mag zien op Wie de Heere is, dat Zijn trouw groot is en Zijn Woord waar is, dán wordt ongeloof op de rechte wijze gezien. Ongeloof is wel eens ‘de officier van alle kwaad’ genoemd.

 

Wat zal Petrus beschaamd geweest zijn! Dan is het geen zaak van redeneren en zeggen we niet: ‘Ik kan van mezelf toch niet geloven?’ Zulk redeneren is niet van de Heere. Petrus zal diep beschaamd geweest zijn, dat hij die Zaligmaker, Die hij toch heeft mogen zien door het geloof en aan Wie hij zich toebetrouwde, zó verdacht gehouden heeft! Waarom hebt gij gewankeld?

Aan de andere kant is het geloof alleen maar een wonder van de opzoekende liefde van de Heere en van Zijn trouw. Straks zullen de discipelen in aanbidding zeggen: ‘Waarlijk, Gij zijt Gods Zoon!’

Want door deze ervaring heen, zal het geloof weer bijzonder worden versterkt. Zo ook bij Petrus. Waar hij geconfronteerd is met zijn eigen ongeloof, maar daarna Hem alleen overhoudt, zegt ook hij: Waarlijk, Gij zijt Gods Zoon.

 

Dat is het geloof. Dat is niet alleen een dogmatische waarheid, maar die wordt ook geloofd! ‘Gij zijt Gods Zoon, ook voor mij!’ Dan mag ook Thomas zeggen: Mijn Heere en mijn God (Joh.20:28).

Jongens en meisjes, wie het van de Heere verwacht en wie in de weg van de Heere mag gaan, zal nooit beschaamd worden. De discipelen hadden een moeilijke weg, maar het was de weg van de Heere. De Heere had deze weg gewezen en zij mochten gaan en zij moesten gaan. Op die weg leek alles vast te lopen. Daar leek het te zijn alsof de Heere niet van hen afwist. Maar de Heere houdt getrouw Zijn Woord. Wat is Hij dan goed, wat is Hij het dan waard om gediend en erkend te worden.

 

Wat hebben de discipelen het uiteindelijk goed mogen hebben. Hij aan boord, Die hun Heere, Die hun God was. Wat zijn ze daarin rijk gezegend! Dat was de winst na het verlies! Dat was de uitkomst na de beproeving!

Je kunt het vooraf niet bekijken, je kunt er niet doorheen zien. Maar de Heere is getrouw, Hij houdt getrouw Zijn Woord. En daarom, je kunt beter met de Heere, ook in deze wegen van beproeving zijn, dan in een weg van schijnbare voorspoed, of in een weg waar je je eigen leven denkt te kunnen uitstippelen. Dat is leven in een vrijheid die in wezen niets anders is dan een gebondenheid aan de zonde. Een leven dat tenslotte eindigt in de dood. Want waar het ware geloof niet gehoord wordt in de bede: Heere, behoud mij, daar is geen redding. Daarom mag je er om vragen: ‘Heere, leer ons bidden. Laat ik het toch van U mogen verwachten. Schenkt U mij Uw hulp en zegen. Schenkt U mij genade, om aan U verbonden te zijn. Heere, bewaar me voor het afwijken van Uw Woord. Bewaar me er voor dat ik eigen wegen ga kiezen.’ Roep de Heere toch te hulp, tegen jezelf in, en zeg: ‘Heere, ontneem me maar wat ik kwijt moet en schenkt U maar wat ik nodig heb.’

 

Als we het van de Heere mogen verliezen, dan is dat winst, een winst die blijft. Zij hadden Hem aan boord, Die Gods Zoon is, Die God Zelf is. Die hen door de moeite van het leven leiden zal en straks zal opnemen in heerlijkheid.

Wat is het nodig dat gebed te leren: Heere, behoud mij! Voor hen die het niet geleerd hebben zal straks gelden: Alsdan zullen zij beginnen te zeggen tot de bergen: Valt op ons; en tot de heuvelen: Bedekt ons (Luk.23:30).

Maar, gemeente, dat gebed wordt nooit verhoord. Dan is het te laat, voor eeuwig te laat. Daarom, vandaag is de weg nog geopend om te roepen: ‘Heere, behoud me! Heere, verlos me!’ Vraag er maar om, want: ‘Al wat u ontbreekt schenk Ik, zo gij het smeekt, mild en overvloedig.’

 

Wie door het geloof wel eens heeft verstaan wat David zegt: Want met U loop ik door een bende (2 Sam.22:30), weet ook dat het soms laag kan aflopen. Maar de Heere is getrouw. Dan kan de Heere wel eens laten voelen hoe zwak we zijn en hoe waar het is: Want zonder Mij kunt gij niets doen (Joh. 15:5). Wanneer wij aan onszelf werden overgelaten, dan zou de ondergang nabij zijn. Maar Hij is getrouw. Hij laat niet varen het werk Zijner handen. Zo lezen we: ‘Hij heeft Zijn Kerk geen kalme reis beloofd, maar wel een behouden aankomst.’ De haven wenkt, de toekomst wacht, op de eeuwige stranden is zaligheid, tot in der eeuwigheid.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 93: 3 en 4

 

Maar, Heer’, Gij zijt veel sterker dan ’t geweld

Der waat’ren, dien Uw almacht palen stelt;

De grote zee zwijgt op Uw wenk en wil,

Hoe fel zij bruis’, hoe fel zij woede, stil.

 

Uw macht is groot, Uw trouw zal nooit vergaan;

Al wat Gij ooit beloofd hebt, zal bestaan.

De heiligheid is voor Uw huis, o Heer’,

Eeuw uit, eeuw in, tot sieraad en tot eer.