Ds. C. Harinck - Romeinen 3 : 28

De rechtvaardiging door het geloof

De plaats van het geloof in onze rechtvaardiging
De werking van het geloof in onze rechtvaardiging

Romeinen 3 : 28

Romeinen 3
28
Wij besluiten dan, dat de mens door het geloof gerechtvaardigd wordt, zonder de werken der wet.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 65: 2
Lezen : Romeinen 3: 9-31
Zingen : Psalm 130: 1, 2, 3
Zingen : Psalm 89: 8
Zingen : Psalm 32: 1

Maarten Luther noemde de rechtvaardiging door het geloof ‘het artikel waarmee de kerk staat of valt’. Zo belangrijk is dit leerstuk. Men kan verschillend denken over kinderdoop en volwassendoop, het zingen van enkel psalmen of ook gezangen, het gebruiken van een bepaalde bijbelvertaling en andere zaken. Hoewel de genoemde zaken niet bijkomstig zijn, zo raken zij toch onze zaligheid niet. Maar met de leer van de rechtvaardiging door het geloof in het plaatsvervangend offer van Christus is dit anders gesteld. Die leer raakt onze zaligheid en het bestaan van de kerk.

Wanneer die boodschap uit de kerk verdwijnt, houdt de kerk op christelijke kerk te zijn. Zo belangrijk is een zuiver Bijbelse opvatting over de rechtvaardiging van een zondaar voor God.

Paulus’ slotverklaring is dan ook van grote betekenis. Wij vinden die in Romeinen 3 vers 28:

 

Wij besluiten dan dat de mens door het geloof gerechtvaardigd wordt, zonder de werken der wet.   

 

Het thema van de preek is: De rechtvaardiging door het geloof.

 

1. De plaats van het geloof in onze rechtvaardiging

2. De werking van het geloof in onze rechtvaardiging

 

1. De plaats van het geloof in onze rechtvaardiging

 

In Romeinen 3 vers 28 lezen wij de slotconclusie van Paulus’ uiteenzetting over de rechtvaardiging door het geloof. 

Een slotconclusie van een rapport of onderzoek is altijd belangrijk. Men heeft een bepaalde zaak van alle kanten bekeken en dan volgt de slotconclusie. De slotconclusie van Paulus is: Wij besluiten dan dat de mens door het geloof gerechtvaardigd wordt, zonder de werken der wet.

De apostel is zomaar niet tot deze eindconclusie gekomen. Hij heeft alles uitvoerig onderzocht en van alle kanten bekeken en komt dan tot deze conclusie.

Hij heeft aangetoond dat alle mensen zondaren zijn, dat niemand naar God zoekt, dat zij allen zijn afgeweken, dat er niemand goed doet, dat er niemand verstandig, dat zij allen onnut zijn geworden. Toen heeft hij reeds de diagnose gesteld en gezegd dat de gehele wereld voor God verdoemelijk is.

In vers 21 kwam het grote keerpunt in zijn betoog. Hij begon met: Maar nu. Hij wees op God, Die in Christus voor verlossing heeft gezorgd, en verklaarde: Maar nu is de rechtvaardigheid Gods geopenbaard geworden zonder de wet, hebbende getuigenis van de wet en de profeten: namelijk de rechtvaardigheid Gods door het geloof van Jezus Christus. God heeft iets nieuws gedaan. God heeft voor verlossing gezorgd. God heeft een rechtvaardigheid geopenbaard die redt en verzoent. De zondaar die in Jezus gelooft wordt daardoor rechtvaardig voor God.

 

Het is een onbegrijpelijk leerstuk, wanneer we bedenken wie er gerechtvaardigd wordt en ook Wie rechtvaardigt en vrijspreekt.

De persoon die gerechtvaardigd wordt is een zondaar. Zijn schuld is bewezen. Hij heeft al Gods geboden overtreden en is zelfs nog steeds tot alle boosheid geneigd. Hoe kan God die mens dan rechtvaardigen? De schuld is bewezen. Zijn misdaad is bekend. Hoe kan God zo iemand dan vrijspreken? Het lijkt op grove rechtsverkrachting.

En toch kan God met behoud van Zijn rechtvaardigheid deze zondaar rechtvaardig verklaren en vrijspreken. Het is omdat Gods Zoon de plaats van de zondaar heeft ingenomen. Hij heeft als de goede Herder Zijn leven gegeven voor de schapen. Hij heeft de toorn Gods waaronder wij eeuwig hadden moeten verzinken, gedragen en weggedragen. God kan nu de schuldige rechtvaardigen. Er is redding voor de verloren mens. Er is een weg van zaligheid en een rechtvaardigheid verworven, die redt en behoudt.

De apostel heeft duidelijk gemaakt dat die rechtvaardigheid niet verkregen wordt door menselijke inspanning of verdienste. Het is niet te verdienen of waardig te maken. Wij kunnen onszelf niet redden door de onderhouding van de wet. Hoe moeten we dan gered worden? Het antwoord van de apostel was: alleen door geloof in Jezus Christus. Dus alleen door te vertrouwen, te rusten en zich te verlaten op het verlossingswerk van Christus.

 

Dan komt hij tot de conclusie: Wij besluiten dan dat de mens door het geloof gerechtvaardigd wordt, zonder de werken van de wet.

Het is het grote thema geworden van de Reformatie. Tegenover de leer van de helpende genade van God die de mens in staat stelt zijn eigen verlossing te bewerken, en de leer van de verdienstelijkheid van de goede werken waardoor wij aanvullen wat in Jezus tekortschiet, stelden zij met nadruk dat de mens alleen door het geloof in Jezus Christus gerechtvaardigd wordt.

Jezus is een volkomen Zaligmaker. Wie Hem bezit, bezit alles wat tot zijn zaligheid nodig is. We herkennen het in onze Nederlandse Geloofsbelijdenis, waar gezegd wordt: ‘Want het moet noodzakelijk volgen, óf dat niet al wat tot onze zaligheid van node is, in Jezus Christus is; óf, zo het alles in Hem is, dat degene die Jezus Christus door het geloof bezit, zijn gehele zaligheid heeft.’ Geweldige woorden, die ook heden nog hun zeggenskracht en betekenis hebben.

De mens is altijd op zoek naar iets méér dan Christus alleen en het geloof alleen. Het was de dwaling die Paulus ontmoette in de gemeenten van Galatië. Het ging daar om Christus plus de besnijdenis en plus de daden van de wet.

Ook nu dreigt er gevaar dat mensen nog iets naast Christus willen hebben. Dan gaat het om Christus en mijn berouw, of Christus en mijn ervaringen. Het evangelie weet echter van niets anders dan Jezus Christus en Die gekruisigd. Alles wat wij nodig hebben tot onze zaligheid is in Jezus Christus.

 

De rechtvaardiging van de zondaar door het geloof is de grote geestelijke en theologische doorbraak geweest in het leven van Maarten Luther. Hij kwam niet gemakkelijk tot deze doorbraak. Hij heeft geprobeerd op een andere manier vrede met God te krijgen. Misleid door de Roomse dwaling van boetedoeningen en goede werken, zocht hij de vrede met God in de weg van vasten, bidden, boetedoeningen en biechten. Het bracht hem geen vrede met God en geen rust in zijn geweten. Hij beefde voor de rechtvaardige God Die voldoening voor de zonde eist. Hij kon God die voldoening niet geven.

Door de bestudering van de Romeinenbrief, en met name de woorden uit Romeinen 1 vers 17, kwam hij tot een recht verstaan van de leer van de rechtvaardiging door het geloof. De apostel zegt daar: Uit geloof tot geloof; gelijk geschreven is: Maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven.

Hij verstond dat de mens nooit door een eigen rechtvaardigheid, rechtvaardig kan zijn voor God, maar alleen door de rechtvaardigheid van Christus. De Heilige Geest deed hem verstaan dat de rechtvaardigheid waardoor de goddeloze zondaar rechtvaardig is voor God, niet van zichzelf is, maar van Christus komt. En hij verstond ook dat hij die door Christus verworven rechtvaardigheid, alleen door het geloof kan aannem­en.

Wij worden niet rechtvaardig voor God door onze werken en boetedoeningen, maar alleen door te geloven, dat is: door ons op Christus te verlaten. Zo begreep hij het woord uit de profeet Habakuk: De rechtvaardige zal door zijn geloof leven (Hab.2:4), dat is: gered worden van het verderf.

 

De slotconclusie van Paulus, dat de mens door het geloof gerechtvaardigd wordt, zonder de werken van de wet, bevat dan ook de kern van de leer van de Reformatie en is het kloppend hart van het evangelie. 

Het grote geschil tussen Rome en Reformatie is of een mens door werken van de wet óf alleen door het geloof in Christus rechtvaardig wordt voor God. Centraal in dit conflict stond en staat nog steeds: wat is de plaats van het geloof in onze rechtvaardiging voor God? Deze vraag is nog steeds actueel. Het is echt niet overbodig daar bij stil te staan. We moeten niet zeggen: ‘Die strijd uit de zestiende eeuw heeft voor vandaag geen betekenis meer.’

Er zijn ook vandaag veel misvattingen en ontsporingen over de plaats van ons geloof in het leerstuk van de rechtvaardiging voor God door het geloof in Jezus Christus. Veel leden van de kerk hebben geen goed inzicht in wat het geloof is en welke plaats het inneemt in onze redding. Zelfs velen van Gods kinderen tasten hier in duisternis en helaas weten ook veel predikers niet wat het geloof is en welke plaats het inneemt in onze rechtvaardiging voor God.

Uit de gehele leer van de Schrift blijkt hoe belangrijk en onmisbaar het geloof is. De Heere Jezus gaf Zijn discipelen de opdracht om te prediken: Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden (Mark.16:16). In al de brieven van de apostelen wordt deze boodschap herhaald. Zo ook door Paulus in Romeinen 3 vers 28: Wij besluiten dan dat de mens door het geloof gerechtvaardigd wordt.

 

De vraag is: wat ís dat geloof, dat zo onmisbaar is om zalig te worden en waardoor wij gerechtvaardigd worden voor God?

De rooms-katholieke opvatting is: het geloof is een deugd die ons een rechtvaardig mens maakt. Het is een geschiktheid waardoor men uit de sacramenten van de kerk de rechtvaardigheid ontvangt, die ons een tot een rechtvaardig mens maken. In de leer van Rooms Katholieke Kerk maakt het geloof je niet rechtvaardig voor God, maar maakt het jouw een rechtvaardig mens. Het gaat bij Rome niet om vrijspreken van schuld en straf, maar om een morele verandering. Door het geloof wordt ons de rechtvaardigheid ingestort; het maakt ons een beter en rechtvaardig mens. Zo worden wij door het geloof van de kerk en het gelovig gebruik van de sacramenten van de kerk tenslotte rechtvaardig voor God.

Ten diepste wordt de mens dus rechtvaardig voor God door een ingestorte rechtvaardigheid en niet doordat ons de gerechtigheid van Christus wordt toegerekend. De roomse theologie vult het begrip ‘rechtvaardig zijn voor God’ heel anders in dan de Schrift. Het gaat om innerlijk en moreel rechtvaardig worden voor God. Met de hulp van Gods genade, de sacramenten en de goede werken kun je dat worden.

 

Dat een schuldig zondaar door eenvoudig in Christus te geloven rechtvaardig wordt voor God, is in de visie van de Rooms Katholieke Kerk een ketterij.

Het Concilie van Trente van 1545-1563 sprak dan ook over twee zaken een anathema uit:

‘Wie zegt dat de rechtvaardigmaking niets anders is dan vertrouwen op Gods barmhartigheid in Christus, die zij vervloekt!’

‘Wie leert dat men zonder goede werken, zonder de bemiddeling van de kerk en de sacramenten, alleen door het geloof in Christus rechtvaardig is voor God, die zij vervloekt!’

De Schrift leert echter steeds wat de apostel in Romeinen 3 als slotsom van zijn betoog zegt: Wij besluiten dan dat de mens door het geloof gerechtvaardigd wordt, zonder de werken der wet.

We moeten hieruit concluderen dat de tweede vervloeking van Trente geheel in strijd is met hetgeen de geïnspireerde apostel leert. Trente vervloekt hen die zonder de werken door het geloof in Christus hun rechtvaardigheid voor God zoeken. Terwijl Paulus juist leert dat wij zonder de werken en alleen door het geloof in Christus gerechtvaardigd worden voor God. De apostel heeft er nadrukkelijk bijgevoegd: zonder de werken der wet. Alleen het geloof in Christus redt, en niet onze werken. Het is het bekende Sola Fide van de Reformatie.

 

Deze uitspraak is nog steeds ontzettend belangrijk! Er mag niets van de mens bijgevoegd worden. De Schrift leert overvloedig dat de zondaar alleen door het geloof in Jezus Christus wordt gerechtvaardigd. Niets anders kan ons redden van de verdiende toorn van God en de vloek van de overtreden wet. Alleen het geloof in Jezus Christus redt en behoudt. In het werkverbond kon Adam zijn rechtvaardigheid verdienen. Nu moeten we alles door het geloof in Christus zoeken en vinden.

Het middel waardoor wij gerechtvaardigd worden voor God is het geloof in Jezus Christus. Dit wordt heel nadrukkelijk door de apostel uitgesproken. Zelfs onze boetvaardigheid, hoe onmisbaar ook, noch onze liefde, hoe belangrijk ook, zijn het middel waardoor wij gerechtvaardigd worden. Het is alleen het geloof in Christus dat rechtvaardigt voor God.      

 

Wat verstaan wij onder dit geloof? Allereerst moet gezegd dat geloven geen verdienstelijk werk is. Het is geen deugd, geen waardigheid, geen prijs om iets mee te kopen. Het is een gave van God, een genadegave. De Schrift zegt: Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof, en dat niet uit u, het is Gods gave (Ef.2:8).

Hoe onmisbaar het geloof verder ook is, zo is het niet door mijn geloofsdaad of mijn geloven als zodanig dat ik zalig word, maar door Christus, Die door het geloof wordt aangegrepen en toegeëigend.

Het is belangrijk hier de juiste gedachten over het geloof te hebben. Het gevaar bestaat om het geloven te zien als een werk door de zondaar gedaan, waardoor hij als beloning gerechtvaardigd wordt voor God. De mannen van de Nadere Reformatie hebben daarvan gezegd dat op die manier Rome en Arminius, die we door de voordeur uit de kerk verwijderd hebben, weer langs de achterdeur de kerk binnenkomen.

 

De oude dwalingen keren steeds in een nieuwe jas terug. We zien dit vooral ook vandaag in de opvatting over het geloof van pinksterkerken en evangelische kerken. Zij stellen: ‘Je moet geloven. Je moet Jezus aannemen. Indien je gelooft, dan ben je gered.’ In hun bekeringsijver wijzen zij mensen met wie ze in gesprek komen op bepaalde teksten in de Bijbel, zoals bijvoorbeeld wat Paulus schrijft aan Timotheüs: Dit is een getrouw woord en alle aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld is gekomen om de zondaren zalig te maken ( 1 Tim.1:15). Men stelt daarop de belangstellende de vraag: ‘Gelooft u dit of geloof u dit niet? Gelooft u dat u een zondaar bent? Gelooft u dat Jezus in de wereld is gekomen om de zondaren zalig te maken?’ Wanneer dan gezegd wordt: ‘Ja, dat geloof ik’, zegt men: ‘De Heer’ zij geprezen! U bent gered! U bent nu kind van God, want allen die geloven zijn kinderen Gods.’

Het lijkt een goede en Bijbelse benadering van zondaren, die zonder het geloof in Christus dreigen verloren te gaan. De apostel Paulus zocht hen ook tot het geloof in Christus te brengen. Hij zegt: Wij dan, wetende de schrik des Heeren, bewegen de mensen tot het geloof (2 Kor.5:11).

Er lijkt dus niet zo veel tegen deze methode van evangeliseren en preken te zeggen te zijn. Maar er is wel veel tegen te zeggen. Onder andere: maak je het geloof op die manier niet tot een verstandszaak? Het is geen arm zon­daars­geloof. De tolle­naars­bede: O God wees mij zondaar genadig (Luk.18:13), ontbreekt er in. De boetvaardigheid en het hartelijk berouw over de zonde wordt er in gemist.

Het is ook een oproep tot geloven die losgemaakt is van de oproep tot bekering. Jezus riep ook op tot geloof, maar niet zonder bekering. Zijn boodschap was: Bekeert u en gelooft het Evangelie (Matth.4:17). De mensen moeten worden opgeroepen om met alle verkeerde wegen te breken, tot God terug te keren met berouw over hun zonden en het verlossende evangelie te geloven dat Jezus Christus in de wereld is gekomen om de zondaren zalig te maken. Het geloven in de redding die Christus heeft aangebracht, mag niet losgemaakt worden van de bekering.

 

Een andere dwaling omtrent het geloof is dat men het geloof losmaakt van zijn voorwerp, namelijk van de Persoon van de Heere Jezus Christus. Je moet geen Christus van je geloof maken. Het geloof op zich wordt dan onze redding. Het is ongetwijfeld waar dat de Schrift op vele plaatsen zegt dat het geloof ons behoudt. Jezus sprak enkele malen tot mensen die met ziekte en nood tot Hem kwamen: Uw geloof heeft u behouden, gaat heen in vrede (Mark.5:34). Maar het was niet het geloof op zichzelf dat hen had behouden, maar geloof in Jezus’ macht en ontferming dat hen genezing en redding bracht.

In de Schrift is het geloof steeds verbonden met de Persoon van Christus en Zijn verzoenend lijden en sterven. Wat ons redt is het volbrachte werk van Christus; het offer van Golgotha en Zijn overwinning over dood en hel. Het is niet ons geloof op zich dat ons redt. Het is Jezus Christus Die redt, wanneer Hij door het geloof wordt aangegrepen.

 

Er zijn echter ook ontsporingen aan de andere zijde. In het bestrijden van hen die éénzijdig aandringen op ‘je moet geloven’, zijn sommigen tot een ander uiterste vervallen. Zij stellen: ‘Er moet heel wat meer gebeuren! Je moet grondig ontdekt zijn aan je zonden en ellende. Je moet een gevoelig, diep overtuigd zondaar zijn geworden, die tot een bepaalde diepte van zondebeleving is gebracht.’ Het zogeheten ‘plaatsmakend’ werk van de Heilige Geest neemt in deze visie een grote plaats in.

Nu is het ongetwijfeld waar dat er bij ons van nature geen plaats is voor Jezus. Evenmin als er in Bethlehem plaats voor Hem was. Bij een waar geloof in Jezus hoort een gevoelen van de noodzakelijkheid van Christus’ verzoenend lijden en sterven. Het is een mens die zijn zonden en ellende kent, die tot Jezus vlucht en Hem in het geloof aangrijpt.

Maar deze Bijbelse zaken kunnen zodanig naar voren worden gebracht, dat zij een voorwaarde en bepaalde geschiktheid worden om in Christus te geloven. Een bepaalde mate van ellendekennis wordt dan een voorwaarde en een geschiktheid voor het geloof.

De zondaar ontleent dan zijn recht om de belofte van het evangelie te mogen geloven en tot Christus te mogen komen, aan zijn ellendekennis en vernedering voor God.

Dan kom ik met een prijs in mijn hand tot Christus. Terwijl het geloof echter arm, leeg, bankroet en verloren tot Christus komt. Het lijkt er dan soms op of wij een rijke zondaar, die rijk is aan ellendekennis, diepe vernederingen en geschiktheden, tot Jezus zoeken te brengen.

De zondaar moet overtuigd worden van zijn zonden en ellende. Zonder een bevindelijke kennis daarvan zal hij of zij nooit belang bij Jezus krijgen. Zonder een bepaalde mate van nood en ellende wordt Jezus niet gezocht en begeerd. Een mens moet overtuigd worden van zijn zonden en ellende; wanhopen aan alle gerechtigheid van zichzelf, eer hij geloven kan en wil. Maar dat maakt ons niet geschikt om te geloven en het is niet de grond van het geloof. Dan spreek je op verkeerde manier over ellendekennis. Het is slechts de weg naar de verlossing.

Wanneer het over geschiktheid gaat om in Christus te geloven, maakt niets ons méér geschikt dan dat wij verloren nakomelingen van Adam zijn. Wij komen niet tot Christus omdat wij zo diep en grondig ontdekt zijn aan onze ellende; ook niet omdat we zo oprecht berouw hebben over onze zonden, maar omdat wij buiten Hem reddeloos verloren zijn.

Geen geschiktheden drijven ons in dit komen tot Christus, maar juist het missen van alle geschiktheid. Nood, honger, dorst, naaktheid en armoede brengen ons tot de Zaligmaker. De grond van ons komen vinden we ook niet in onze verbrijzeling of mate van ontdekking, maar in de nodiging van het evangelie, dat roept: O alle gij dorstigen, komt tot de wateren, en gij die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja, komt, koopt zonder geld en zonder prijs, wijn en melk (Jes.55:1). In de belofte alleen ligt onze vrijmoedigheid om tot Christus te komen en Hem als onze rechtvaardiging voor God te omhelzen.

 

De bekende Thomas Shepard zegt hier over: ‘Vraag een verslagen zondaar: waarom gelooft u? Waarom neemt u Christus aan als uw eigen Zaligmaker? Heeft de Heere zo ronduit gezegd dat Hij de uwe is? Neen, zegt de ziel, maar de Heere biedt Zichzelf mij vrijwillig aan, die zonder Hem verloren ben, en zegt dat zo ik Hem aanneem, Hij eeuwig de mijne zal zijn om mij het leven te geven. Derhalve omhels ik Hem dankbaar. Dit is de grond des geloofs. De Schrift toont dit in een levende gelijkenis van een groot avondmaal, waartoe een ganse menigte genodigd was. Wat was de grond van hun komen daartoe? Het was de nodiging: Ziet, alle dingen zijn gereed. Zo u komt en eet, het is voor u. Maar zo u niet komt, het is voor u niet. Maar komende op de roeping en nodiging, zullen alle dingen uwe wezen. Luk.14:17. En hierom worden degenen die niet kwamen uitgesloten en de anderen met een welkom ontvangen.’ (De gezond gelovige, blz.153).   

Het is de nodiging van het evangelie die in het verslagen hart het geloof opwekt, dat tot Christus komt, Hem omhelst en zich eigen maakt. Het brengt ons tot de tweede gedachte:

 

2. De werking van het geloof in onze rechtvaardiging

 

De apostel stelt in zijn eindconclusie nadrukkelijk dat we door het geloof gerechtvaardigd worden. Hij voegt er bij: zonder de werken der wet. Daarmee heeft de apostel de exclusiviteit van het geloof in onze rechtvaardiging voor God benadrukt. Dit laatste gaf Luther vrijmoedigheid om de woorden van Paulus te vertalen met: ‘Wij besluiten dan dat de mens alleen door het geloof gerechtvaardigd wordt.’ Zo lezen we dit dan ook in de Lutherbijbel.

Het geloof in Christus de Gekruisigde is de weg die God heeft uitgekozen om zondaren te redden van het verderf. Waarom heeft God deze weg uitgekozen? Omdat deze weg Hem de meeste eer toebrengt. Het brengt niets anders tot God dan armoede, behoefte en ledigheid. Alle genaden brengen iets tot God, maar het geloof brengt niets. De liefde brengt de warmte van een brandend hart; de boetvaardigheid brengt tranen van een verbroken hart; de gehoorzaamheid brengt werkende handen en voeten; het geduld brengt onderwerping, maar het geloof brengt niets dan een lege hand. Het geloof verheerlijkt God, want het zoekt alles in Hem. Het waagt alles op Zijn Woord. Het zoekt de zaligheid geheel en alleen in de gekruisigde en opgestane Heere Jezus. Daarom heeft God de weg van het geloof uitgekozen als de weg om zondaren van het verderf te redden.

 

Maar is het niet gevaarlijk zo nadrukkelijk alleen over het geloof te spreken? Vervallen we daarmee niet tot dezelfde oppervlakkigheid en eenzijdigheid die velen doet zeggen: ‘Je moet alleen maar geloven dat alles door Jezus is volbracht. Verder is er niets anders nodig’? Komt door zo nadrukkelijk over het geloof te spreken de noodzakelijke overtuiging van zonde niet in het gedrang? Velen spreken vanwege het misbruik dat van het begrip ‘geloven’ gemaakt wordt, liever niet over het geloof en het geloven. Men spreekt meer over hoe Christus tot een zondaar komt en weinig over hoe een zondaar gelooft en tot Jezus komt.

Toch behoeven we niet bang te zijn dat de ellendekennis, de overtuiging van zonde en het beleven van onze verdoemelijkheid voor God in gevaar komt, wanneer we het geloof en het geloven de belangrijke plaats geven in de prediking die het ook in de Schrift inneemt. En wel om de eenvoudige reden dat al deze elementen behoren tot de natuur van het geloof. Het geloof is vergezelschapt van zondekennis, erkentenis van straf en behoefte aan verzoening. Wanneer we niet meer durven zeggen dat de mens alleen door het geloof gerecht­vaardigd wordt, omdat we bang zijn dat daarmee de ellendekennis wordt overgesla­gen, kennen wij de natuur van het ware geloof niet. Daarom is het zo belangrijk om na te denken over de natuur en werking van het geloof.

 

Wat is het geloof?

Velen beschouwen het geloof als de meest gewone zaak in de wereld. Je gelooft wanneer je wilt en wat je wilt.

Zij zien het geloof slechts als een verstandelijke instemming met zekere waarheden. Maar het geloof is een goddelijke genade, een vrucht van de werking van de Heilige Geest. Het komt van God en daalt neer van omhoog. Het woont in een verslagen zondaarshart. Het heeft te maken met een zondaar die overtuigd is van zijn zonden en ellende en in die nood vanuit het evangelie hoort dat Christus Jezus in de wereld is gekomen om de zondaren zalig te maken.

De grote theoloog John Owen geeft er de volgende korte definitie van: ‘Het geloof is de daad van een overtuigd zondaar waar­door deze tot Christus vlucht, zich op Christus verlaat, Hem aangrijpt, ontvangt en omhelst tot zaligheid van de ziel.’

 

Het zaligmakend geloof staat dus niet los van kennis van ellende, overtuiging van zonde, schuldbesef en boetvaardigheid. Al deze dingen vergezellen het geloof. Het openbaart zich niet door daden van oppervlakkigheid of vermetelheid. Het kenmerkt zich ook niet door daden van verdienen of waardig maken. Het kenmerkt zich door daden van zich verlaten, vertrouwen, steunen en overgeven aan de barmhartigheid van God geopenbaard in Jezus Christus. Het openbaart zich in alles buiten Christus schade en drek te achten; het afzien van alle eigen gerechtigheid, waardigheid of geschiktheid. De natuur van het geloof is: zich als een reddeloos en verdoemelijk zondaar te werpen op Christus tot behou­denis van de ziel.

Het geloof is ledigheid, die door Christus’ volheid wordt vervuld.

Het geloof is onmacht, die zich verlaat op Christus’ kracht.

Het geloof is een vloekwaardig zondaar die schuilt bij Christus, van Wie de apostel zegt: Christus heeft ons verlost van de vloek der wet, een vloek geworden zijnde voor ons (Gal.3:13).

Het geloof is een ongerechtige, die al zijn gerechtigheid buiten zichzelf in Christus zoekt.

Het geloof is als Abraham, de onvruchtbare, die niets kan doen dan zich vastklemmen aan God, Die het beloofd heeft.

Het geloof is als de boetvaardige moordenaar, die belijdt: Wij toch rechtvaardig, want wij ontvangen straf, waardig hetgeen wij gedaan hebben (Luk.23:41), maar zich toch tot Jezus keert met de bede: Gedenk mijner (Luk.23:42).

Daarom is de daad van het geloof altijd verbonden met een zondaar in nood en gevaar. Het is verbonden met schuldig staan voor God en de belijdenis: ‘Ik heb gedaan dat kwaad is in uw oog, dies ben ik, Heer’, Uw gramschap dubbel waardig.’

 

De aard van het geloof bestaat niet in: ik kies voor Jezus, of: ik geloof dat ik een kind van God ben. Het heeft te maken met de vlucht van een over­tuigd en schuldig zondaar tot Christus en Zijn gerechtigheid.

Het geloof is de vlucht tot de Vrijstad, van een mens die door de bloedwreker wordt achtervolgd.

Het geloof is de hand waarmee de offeraar steunt op de kop van het offerdier.

Het is het zich toevertrouwen aan God en Christus, van een mens die geen ander toevluchtsoord ziet, kent, weet.

Het geloof ontledigt de mens. Geloven is de zaligheid buiten jezelf in Jezus Christus zoeken. Het geloof belijdt dat het bij ons verloren en kwijt is, maar zegt tegelijk: Gewisselijk, in de Heere zijn gerechtigheden en sterkte; tot Hem zal men komen (Jes.45:24). Zonder de beleving van onze verlorenheid is er geen geloof en geen geloven.

 

De daad van het geloof is voorts verbonden met het geloof in de belofte van het evangelie dat zegt dat een iegelijk die in de gekruisigde Jezus gelooft niet zal verderven, maar het eeuwige leven zal hebben. De zondaar die in het geloof tot Christus vlucht, hoopt op de beloften van het evangelie. Zoals de ster de wijzen uit het oosten bij het Kind Jezus in Bethlehem brachten, zo brengen de beloften verslagen zondaren tot Christus. De beloften wijzen hen de weg. Zij bemoedigen hen en versterken het geloof. Christus Zelf toont Zich aan hen in de beloften van het evangelie, als een volkomen, gepaste en gewillige Zaligmaker.

De zondaar die in het geloof tot Jezus komt, hoopt niet op zijn ellende­kennis, zijn boetvaardigheid of het billijken van Gods straffen. De hoop richt zich op het evangelie en in het bijzonder op Christus in het evangelie.

 

Het geloof bevat kennis van en een hartelijke instemming met de weg van de zaligheid alleen door het geloof in Jezus Christus. Het keurt die weg goed. Het geeft zich er aan over en zou niet op een andere wijze zalig willen worden. Het geloof zegt met Paulus: Ja, gewisselijk, ik acht ook alle dingen schade te zijn, om de uitnemendheid der kennis van Christus Jezus, mijn Heere (Filipp.3:8).

De arme, in zichzelf verloren en vrezende zondaar is hartelijk ingenomen met de verlossingsweg. De zondaar is geheel overreed dat er alleen in Jezus Christus be­houdenis is. In de beleving van schuld en zonden hoort men in de prediking van het evangelie hoe God in Christus voor verlossing heeft gezorgd en Zijn eniggeboren Zoon heeft overgegeven tot in de kruisdood, om zondaren te kunnen sparen. Het vervult met verbazing, verwondering en aanbidding. Het bewerkt dat men tenslotte van alles afziet en zijn toevlucht neemt tot de redding die in het evangelie wordt verkondigd.

 

Het geloof is daarom de daad van de ziel waardoor men Christus aangrijpt, zoals Hij ons aangeboden wordt in het evangelie. Zonder deze aanbieding zou er geen vrijmoedigheid zijn dit heil aan te nemen. Maar overreed door het feit dat het evangelie waar is en waar is voor een schuldig en onrein zondaar zoals ik ben, komt het geloof tot de Zaligmaker.

Het geloof is dan ook een hartelijke vereniging met Christus, zoals Hij Zich aan ons vertoont in de spiegel van het evangelie.

Het ware geloof is niet slechts een instemming met een bepaalde leer, maar een levende relatie met Jezus Christus. Christus is Zelf aanwezig in het geloof. Luther heeft er van gezegd: ‘Zoals een juweel gevat is in een ring.’ Het geloof huwt de ziel aan Christus, zodat Christus’ gerechtigheid onze gerechtigheid voor God wordt. Het is de ongelijke ruil, die Luther deed zeggen: ‘Heere Jezus, ik ben Uw zonde en U bent mijn gerechtig­heid.’ Het geloof beleeft het, dat Christus voor mij zonde is gemaakt, opdat ik rechtvaardigheid van God zal zijn in Hem.

 

Door dit geloof in Christus worden wij rechtvaardig voor God. De apostel zegt: Wij besluiten dan dat de mens door het geloof gerechtvaardigd wordt, zonder de werken van de wet.

Gerechtvaardigd worden we, dat is:vrijgesproken, vrijverklaard. God als Rechter spreekt de zondaar die in Christus gelooft vrij van schuld en straf. Hij rekent hem of haar de zonde niet toe, omdat zij aan Christus zijn toegerekend en Hij in plaats hun schulden heeft voldaan. Een vrijspraak ontvangen zij.

Die vrijspraak klinkt in het evangelie. God verklaart in het evangelie de zondaar voor rechtvaardig, die in Christus gelooft. In het evangelie zegt God dat ieder die in Christus gelooft niet zal verderven, maar het eeuwige leven zal hebben. Jezus verklaarde nadrukkelijk: Voorwaar, voorwaar zeg ik u: Die Mijn woord hoort, en gelooft Hem Die Mij gezonden heeft, die heeft het eeuwige leven, en komt niet in verdoemenis (Joh.5:24).

De boetvaardige zondaar die zijn heil bij Christus zoekt, hoort dit spreken van God in het evangelie. Hij of zij leest in de Schrift en hoort verkondigen dat God verklaart: Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen die in Christus Jezus zijn (Rom.8:1).

 

De ziel kan dit genadevonnis dat God uitspreekt over hen die in Christus geloven, echter niet altijd met zekerheid omhelzen. De aanvechtingen van satan en de zwakheid van hun geloof staan de omhelzing van dit genadevonnis in de weg. Zij durven en kunnen het niet omhelzen dat zij in Christus rechtvaardig zijn voor God.

Daarom is nodig dat het vonnis dat God over ieder die in Christus gelooft uitspreekt in Zijn Woord, ook door de Heilige Geest wordt afgekondigd in de hof van ons geweten. De Heilige Geest spreekt de belofte van vergiffenis dan in het hart van de schuldverslagen en vrezende zondaar. Hij overwint in dit spreken tot ons hart alle twijfel en aanvechting en brengt de ziel tot rust, zoals Jezus tijdens de storm op zee de zee tot rust bracht en de storm deed bedaren. Het is een getuigenis dat de twijfel verdrijft en tot de omhelzing brengt dat God vanwege het offer van Zijn Zoon nooit meer op ons toornen noch schelden zal. Het is een samenkomen van Geest en belofte, dat de geloofsomhelzing bewerkt en de zekerheid schenkt waarvan de catechismus zegt: dat niet alleen aan anderen, maar ook mij vergeving van zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid om Christus’ wil van God is geschonken.

Wij mogen dan met het hart beleven wat Paulus zegt: Wij dan gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God door onze Heere Jezus Christus (Rom.5:1). Het geweten is dan besprengd met het bloed van Christus.

 

Laten we nu eerst samen zingen Psalm 89 vers 8:

 

Gij toch, Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht;

Uw vrije gunst alleen wordt d’ ere toegebracht;

Wij steken ‘t hoofd omhoog en zullen d’ eerkroon dragen,

Door U, door U alleen, om ‘t eeuwig welbehagen;

Want God is ons ten schild in ‘t strijdperk van dit leven,

En onze Koning is van Isrels God gegeven.

 

Gemeente, volgens Maarten Luther is de leer van de rechtvaardiging van de schuldige en in zichzelf goddeloze zondaar alleen door het geloof in Jezus Christus, een leer waarmee de kerk staat of valt. Het is het belangrijkste en troostrijkste leerstuk van de kerk, de bron, het motief en de drang tot heiligmaking.

In het algemeen vinden de mensen de leer van de rechtvaardiging door het geloof een moeilijk en ingewikkeld  leerstuk. Dit leerstuk wordt echter direct al een stuk eenvoudiger wanneer we bedenken dat het te maken heeft met de allerbelangrijkste en bekende levensvraag: ‘Mijn ziel, doorziet gij uw lot, hoe zult gij rechtvaardig verschijnen voor God?’ Begin dan ook met deze vraag en tracht er een antwoord op te vinden.

Zou het antwoord op deze vraag kunnen zijn: ‘Mijn goede daden, mijn ernst en oprechte berouw over mijn zonden maken mij rechtvaardig voor God’? Zou u het daarmee durven wagen? Zou u voor Gods rechtbank durven verschijnen met een beroep op uw goedheid en heiligheid? Indien u beseft een betere gerechtigheid nodig te hebben dan uw werken, hebt u al een belangrijk deel van de leer van de rechtvaardiging begrepen.

Wanneer u vervolgens uzelf zou afvragen: ‘Waar vind ik dan een gerechtigheid die wel volkomen is en waarmee ik God kan ontmoeten?’, is er dan een ander antwoord dan: ‘De volmaakte gehoorzaamheid en voldoening van Christus’? Dit brengt weer een stap nader tot het verstaan van de rechtvaardiging voor God.

Wanneer we dan tenslotte vragen: ‘Hoe kan ik die gerechtigheid van Jezus verkrijgen?’, is het antwoord: ‘Alleen door het geloof.’

 

Wat verder belangrijk is, is dat God de goddelóze rechtvaardigt. Het gaat niet om de rechtvaardiging van een heilige of gelovige, maar om de rechtvaardiging van een goddeloze. Hij doet dit niet door zijn of haar zonden over het hoofd te zien, maar door de schuldige zondaar onschuldig te verklaren op grond van Christus’ genoegdoening. God heeft Zelf voor deze gerechtigheid gezorgd door van Zijn Zoon genoegdoening voor de bedreven zonden te eisen. Een verbazingwekkende gedachte. Het heil is van God! De apostel zegt: God is het Die rechtvaardig maakt. Wie is het die verdoemt? (Rom.8:33-34)

Dit is een zeer troostrijke leer. Indien God de goddeloze rechtvaardigt, kan Hij immers ook ú rechtvaardigen. Indien God dit niet doet om iets van mij of in mij, maar alleen om de verdiensten van Christus, kan Hij mij ook rechtvaardigen.

De vraag is echter: Wilt u zo behandeld worden? Wilt op die manier gered worden? Bent u bereid te belijden: ‘Ik ben een goddeloze in gedachten, woorden en werken’?

Indien u in eigen oog een rechtvaardige bent, hebt u uzelf al vrijgesproken. God hoeft u dan niet meer te rechtvaardigen. Dan bent u heel ver af van de rechtvaardiging van de goddeloze. Maar als u uzelf veroordeelt, zal God u niet veroordelen. 

 

De rechtvaardiging voor God is door het geloof in Jezus Christus. Wij kunnen onszelf niet redden door de werken van de wet. Er is maar één weg van redding: de weg van het geloof in Jezus Christus. Het werk van de Heilige Geest is er dan ook op gericht alle andere wegen toe te sluiten. Hij maakt dat alleen deze weg overblijft. Het geloof in Christus wordt dan ook in de diepte geoefend. Het heeft te maken met een zondaar die met de bloedvloeiende vrouw al het geld aan medicijnmeesters ten koste heeft gelegd en wiens kwaal alleen maar erger is geworden. De bekende Hugo Binning zegt er van: ‘Het geloof is het aankleven van Christus van een verloren ziel.’

Luther brengt het voorbeeld naar voren van de stokbewaarder. In zijn radeloosheid gaf Paulus hem de raad: Geloof in de Heere Jezus Christus en gij zult zalig worden (Hand.16:31). Luther zegt dan: ‘Alles is simpel en gemakkelijk. Het is slechts geloven. Maar het geloof is verre van gemakkelijk. Het geloof is voor de armen, veroordeelden en hulpelozen, die niets anders meer kunnen doen dan zich op Christus werpen en Hem aangrijpen.’

Je kunt niet in Christus geloven en trots overeind blijven staan en met de farizeeër zeggen: Ik dank U dat ik niet ben als de andere mensen (Luk.18:11).

 

Het geloof is geen verdienende geschiktheid. Het is de bedelaar die de hand uitsteekt en een gift ontvangt. Hij kan niet zeggen dat hij de gift verdiend heeft. Hij heeft alleen zijn hand opgehouden en alles ontvangen vanwege de gulheid en goedheid van de gever.

De rechtvaardiging van de zondaar alleen vanwege de verdiensten van Christus is een aangelegenheid van pure genade. We moeten dan ook niet zeggen: ‘Indien u het vereiste geloof en de ware boetvaardigheid bezit, zult u gerechtvaardigd worden.’ Dr. John Owen zegt dat dit gelijk is aan een blinde beloven om hem duizend pond te geven op voorwaarde dat hij zal zien. Het stellen van voorwaarden verdonkert Gods genade. Gods genade is geen genade op voorwaarden. Iemand die zichzelf kent, bezit ook in eigen waarneming nooit over het juiste geloof en de juiste boetvaardigheid. Zo iemand zegt: ‘Mijn geloof is zo zwak en mijn boetvaardigheid zo ondiep.’

Het is dan ook beter om met die vrouw die in Schotland in verband met het avondmaal  onderzocht werd of zij wel het juiste geloof en de juiste boetvaardigheid bezat, te zeggen: ‘Of mijn boetvaardigheid diep genoeg en mijn geloof van God is, weet ik niet. Eén ding weet ik: dat ik een verloren zondaar ben en Jezus de Zaligmaker van zulke zondaren is.’

Sommige over hun ziel bekommerde mensen zijn hun gehele leven op zoek naar een bepaalde diepte van zondekennis, de ware boetvaardigheid en het juiste geloof. Zij zeggen: ‘Wist ik dit maar, dan zou ik wel tot Christus gaan.’ Maar het echte geloof is de vlucht tot Christus van een zondaar die niets anders bezit dan zonde en vervloeking. U zult leeg, schuldig, vuil, verloren, ongeschikt, afgekeurd en geheel hulpeloos tot Christus moeten gaan, of anders nooit kunnen gaan.

 

Vele bekommerden leven in voortdurende duisternis omdat zij meer zien op het geloof waarmee zij op de rots moeten staan, dan te zien op de rots waarop zij moeten staan. Het geloof is niet onze rots, dat is Christus. Wij krijgen geen genezing door naar ons geloof of onze boetvaardigheid te kijken, maar door naar de koperen slang op te zien.

In de gekruisigde Christus ligt onze rechtvaardigheid voor God. In Hem is een volledige zaligheid; bloed dat de kracht van de zonde overtreft; een rechtvaardigheid die de zondaar rechtvaardigt voor God; vrede die het verontruste en aanklagende geweten tot rust brengt, en hoop die de demon van de wanhoop verdrijft.

Wanneer we daar door de verlichting van Gods Geest zicht op krijgen, in onze ellende en aanklachten van de wet en ons geweten, zeggen we met Luther: ‘Het was alsof ik van de poorten van de hel gekomen was tot aan de poort van het paradijs.’ Dit alles vindt de zondaar aan de voet van het kruis, gelovig ziende op de  gekruisigde Jezus.

 

Kom dan, bedroefde over de zonde, zoeker naar zaligheid en naar vrede met God. Kom, vermoeide, bankroete zondaar. Kom arm, schuldig, onrein en vuil, ja kom precies zoals u bent. Nader tot het kruis van Jezus. Zie dat Hij om uw overtredingen is verbrijzeld en uw zonden heeft gedragen. Zie, geloof en wees gered! Verwacht het niet van opzienbarende ervaringen. Laat het worden zoals McCheyne het zegt: ‘Ik boog me en geloofde, en mijn God sprak mij vrij.’

 

Het gaat ook in de rechtvaardiging van de zondaar door het geloof in Jezus Christus om de bevindelijke kennis van deze leer. We kunnen de zuivere leer van rechtvaardiging kennen. We kunnen er een kloppend en rechtzinnig systeem van maken, maar de ondervinding en werkelijkheid er van missen. Maar wanneer de Geest het harde hart heeft verbroken, onze ogen heeft geopend voor de heiligheid van Gods wet, onze zonden geplaatst heeft in het licht van Gods aanschijn, ons hart heeft overtuigd van de diepe noodzaak van Christus’ bloed en gerechtigheid, en wij in die nood geleid zijn tot een rusten op een algenoegzame Zaligmaker, dan kunnen we met recht zeggen: ‘Nu ken ik die waarheid zo diep als gewis, dat Jezus alleen mijn gerechtigheid is.’ Het maakt onze godsdienst tot een godsdienst van het hart.

 

Deze leer van een vrije schuldvergiffenis alleen door het geloof in Jezus Christus is de bron, drang en het motief van de heiligmaking. Wanneer wij weten dat wij niet door vergankelijke dingen, zilver of goud verlost zijn uit onze ijdele wandel, maar door het dierbaar bloed van Christus als van een onbestraffelijk en onbevlekt Lam, zullen wij met Paulus instemmen: En wat ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God, Die Mij liefgehad heeft en Zichzelf voor mij overgegeven heeft (Gal.2:20).

 

Jezus Christus voor ons en buiten ons, is de grond van onze rechtvaardigmaking.

Jezus Christus in ons en binnenin ons, is de vrucht van onze heiligmaking.

 

Zo besluiten wij dan ook met Paulus, dat de mens door het geloof gerechtvaardigd wordt, zonder de werken van de wet.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 32:1

 

Welzalig hij, wiens zonden zijn vergeven;

Die van de straf voor eeuwig is ontheven;

Wiens wanbedrijf, waardoor hij was bevlekt,

Voor ‘t heilig oog des Heeren is bedekt.

Welzalig is de mens, wien ‘t mag gebeuren,

Dat God naar recht hem niet wil schuldig keuren,

En die in ‘t vroom en ongeveinsd gemoed,

Geen snood bedrog, maar blank’ oprechtheid voedt.