Ds. C. Harinck - Romeinen 3 : 21 - 22

De reddende rechtvaardigheid van God

Het karakter van die reddende rechtvaardigheid
Het deelgenootschap aan die reddende rechtvaardigheid

Romeinen 3 : 21 - 22

Romeinen 3
21
Maar nu is de rechtvaardigheid Gods geopenbaard geworden zonder de wet, hebbende getuigenis van de wet en de profeten:
22
Namelijk de rechtvaardigheid Gods door het geloof van Jezus Christus, tot allen, en over allen, die geloven; want er is geen onderscheid.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 32: 1
Lezen : Romeinen 3: 9-31
Zingen : Psalm 103: 1, 2, 3
Zingen : Psalm 85: 4
Zingen : Psalm 135: 12

Gemeente, als we vragen: ‘Wie is de gelukkige mens? Wie kan zeggen dat hij echt geluk bezit?’, dan vinden we het antwoord op die vraag in de Psalm waarmee wij de dienst zijn begonnen. ‘Welzalig hij wiens zonden zijn vergeven, die van de straf voor eeuwig is ontheven. Wiens wanbedrijf waardoor hij was bevlekt, voor het heilig oog des Heeren is bedekt’. Die mens is werkelijk gelukkig. De diepe oorzaak van dit geluk is gelegen in de boodschap: Dien de Heere de ongerechtigheid niet toerekent (Ps.32:2).

Het ‘niet toerekenen’ van de ongerechtigheid is de deur tot het ware geluk. De welgelukzalige mens is de mens die God de ongerechtigheid niet meer aanrekent, en in plaats van hem of haar de ongerechtigheid aan te rekenen, die mens de gerechtigheid van Christus toerekent. De zondeschuld staat niet meer op hun rekening. Hun zonden zijn Jezus aangerekend. Dat maakt van een zondaar een ‘welgelukzalig’ mens.

 

Over dit grote leerstuk van de toerekening van Christus’ gerechtigheid handelt de apostel Paulus in onze tekst, die we vinden in Romeinen 3, de verzen 21 en 22, waar wij lezen:

 

Maar nu is de rechtvaardigheid Gods geopenbaard geworden zonder de wet, hebbende getuigenis van de wet en de profeten, namelijk de rechtvaardigheid Gods door het geloof van Jezus Christus, tot allen en over allen die geloven; want er is geen onderscheid.

 

Deze woorden spreken over: De reddende rechtvaardigheid van God.

 

1. Het karakter van die reddende rechtvaardigheid

2. Het deelgenootschap aan die reddende rechtvaardigheid

 

1. Het karakter van die reddende rechtvaardigheid

 

De apostel heeft duidelijk gemaakt dat alle mensen zondaren zijn. Hij heeft beide Joden en heidenen en Grieken beschuldigd dat ze onder de zonde zijn. Zij zijn allen in de macht van het kwaad en hebben hun weg voor God verdorven. Er is niemand rechtvaardig, ook niet tot één toe. Allen zijn afgeweken en tezamen zijn zij onnut geworden.

Zo kwam de apostel tenslotte tot de ontzettende conclusie: Opdat alle mond gestopt worde en de gehele wereld voor God verdoemelijk zij. Dat is de staat van de wereld. Het is een verdoemelijke wereld. Voor Gods rechtbank is de wereld schuldig bevonden, zelfs met het oordeel van de eeuwige en onherroepelijke verdoemenis.

En dat niet alleen. De gevallen mensenwereld kan zichzelf door het doen van de wet niet van dit oordeel verlossen. De verdorven wereld kan geen gerechtigheid voortbrengen die Gods onderzoek kan doorstaan. Al het doen en laten van de gevallen mens is met zonde besmet. De apostel moest vaststellen: Daarom zal uit de werken der wet geen vlees gerechtvaardigd worden voor God, want door de wet is de kennis der zonde.

De mens is dus een verloren zondaar. Hij is geestelijk en moreel verdorven. Hij ligt onder het oordeel en de toorn van de heilige God, de Schepper van hemel en aarde. Op die wijze heeft Paulus ons het geestelijke en het morele bankroet van de wereld getekend. Hij tekende onze wereld als een wereld die ligt onder het oordeel van God en onmachtig is om zichzelf daarvan te bevrijden.

 

Nu vervolgt de apostel zijn betoog. Na gesproken te hebben over verlorenheid, schuld, onmacht en verdoemelijkheid voor God, spreekt hij over verlossing. Hij begint deze bespreking met een indrukwekkend: Maar nu. Er is nu verlossing bekend geworden. Het woordje nu heeft in dit spreken als het ware een dubbele bodem. Paulus bedoelt natuurlijk: nu in Christus. Maar we zouden ook kunnen lezen: nu, na alles wat ik tot nu toe beweerd heb. 

Er zit structuur en opbouw in de brief van Paulus aan de Romeinen. Paulus schrijft niet zomaar wat in hem opkomt. Hij heeft een vast plan en een patroon. Zijn spreken over de zondigheid van heiden en Jood heeft onomstotelijk en onweerlegbaar aangetoond dat de gehele mensenwereld verdorven, schuldig en onder de toorn van God is. We worden als het ware op één grote hoop geworpen en de gehele wereld wordt voor God verdoemelijk verklaard. De apostel heeft daar naar toegewerkt. Dat wilde hij aantonen.

En het is niet alleen Paulus, die ons dit allereerst onder de ogen brengt. Gemeente, we moeten zeggen dat God daar ook naar toewerkt. God wil ons leren dat wij verloren mensen zijn. Hij kan als het ware Zijn genade niet aan ons kwijt, voordat wij dit geleerd hebben. 

Indien Hij ons door Zijn Geest overtuigt van onze zonden, komen we met Jood en heiden op de grote hoop van zondaren te liggen, die gezondigd hebben en verdoemelijk zijn voor God. God werkt er in ons leven naar toe dat wij beginnen te zien en te belijden, dat het aan onze zijde verloren en kwijt is. Schuldig worden we dan. Schuldig voor God. En hulpeloos. Onmachtig onszelf te redden en uit de ellende op te richten.

Het wordt onze beleving wat Paulus schrijft: Daarom zal uit de werken van de wet geen vlees gerechtvaardigd worden voor Hem. Op die manier wordt ook onze mond gestopt en worden we gebracht tot het belijden: ‘Ik heb gedaan dat kwaad is in Uw oog, dies ben ik, Heer’, Uw gramschap dubbel waardig.’

 

Maar hier eindigt het niet. Ik zei reeds: Paulus heeft ergens naar toegewerkt. Het einddoel is niet dat wij bekennen dat wij allen gezondigd hebben en met de gehele wereld verdoemelijk zijn voor God. Het doel van Paulus is om het evangelie van Christus te laten schitteren. Daarom vervolgt hij zijn betoog in vers 21 met: Maar nu is de rechtvaardigheid Gods geopenbaard geworden zonder de wet, hebbende getuigenis van de wet en van de profeten.

Maar nu. Zo begint de apostel deze nieuwe boodschap. Hij begint met een Goddelijk ‘maar’ en met het woordje ‘nu’. Maar nu. Het is het grote keerpunt. Het scharnierpunt, dat de deur van Gods genade opent. Gods ‘maar nu’ doorbreekt de uitzichtloze staat van de gevallen mens.

Donker en hopeloos is de toestand  van de mens. Zijn mond is gestopt; hij heeft geen verweer. De gehele wereld is verdoemelijk voor God. Dan schijnt er plotseling licht in de duisternis en horen we: Maar nu! Nu, met de verschijning van Jezus Christus in de volheid des tijds. Nu, na Bethlehem, Gethsémané, Golgotha en Pasen. Nu, na het lijden en de kruisdood van de Zoon van God in ons vlees. Nu, na Jezus’ bloedstorting. Nu, nadat Jezus de toorn Gods, waaronder wij anders eeuwig hadden moeten verzinken, gedragen heeft. Nu, na  Pinksteren, na de uitstorting van de Geest op alle vlees. Nu, nadat de middelmuur tussen Jood en heiden is doorgebroken en het evangelie ook tot de heidenen gepredikt wordt. Nu is de rechtvaardigheid Gods geopenbaard geworden zonder de wet, hebbende getuigenis van de wet en de profeten, namelijk de rechtvaardigheid Gods door het geloof van Jezus Christus, tot allen en over allen die geloven; want er is geen onderscheid.

 

Zo redt God de verloren mens. Op deze manier en in deze wijze. Hij gaf Zijn eniggeboren Zoon om aan al de eisen van de wet te voldoen en de straf van de overtreders te dragen. Hij stelde Hem in de plaats van de schuldige mens, om met behoud van Zijn rechtvaardigheid en heiligheid de schuldige mens te kunnen vergeven.

Er zijn bijna geen heerlijker woorden in de Schrift dan deze twee woorden: Maar nu. Wat zijn het belangrijke woorden! Donker, hopeloos, wanhopig is de toestand van de mens. De apostel heeft ons dit laten zien. En dan plotseling: Maar nu! Opeens schijnt het licht in die donkere nacht. Plotseling wordt er hoop gepredikt. Er is iets gebeurd, dat de somberheid en hopeloosheid doorbreekt.

 

De apostel zegt: Maar nu is de rechtvaardigheid van God geopenbaard geworden. De apostel zegt wat er gebeurd is. De rechtvaardigheid van God is aan het licht gebracht. Maar dat is toch niet verblijdend? Dat is toch beangstigend? Als God Zijn rechtvaardigheid openbaart moeten wij toch veroordeeld worden en de eeuwige straf voor onze zonden ondergaan? Indien er nu stond dat God Zijn barmhartigheid heeft geopenbaard, ja dan zou er hoop zijn in de ellende. Maar de  apostel zegt dat God Zijn rechtvaardigheid heeft geopenbaard. Dat is sterven en omkomen!

Gemeente, zo las Luther de brief aan de Romeinen. Zo verstond hij het woord ‘rechtvaardigheid’. Nadat hij van Von Staupitz, de rector van de Universiteit te Wittenberg, de opdracht had gekregen om de brief aan de Romeinen met de studenten te bespreken, zei hij: ’Von Staupitz heeft me geen grotere gruwel kunnen aandoen dan mij de opdracht te geven deze brief uit te leggen.’ Het woord ‘rechtvaardigheid’ vervulde hem met verslagenheid. Hij zegt er laten van: ‘Ik wist dat de wet Gods rechtvaardigheid openbaarde, maar nu moest ik geloven dat ook het evangelie Gods rechtvaardigheid openbaart.’ Hij moest zeggen: ‘Indien God Zijn rechtvaardigheid handhaaft en wanneer ook het evangelie alleen maar van rechtvaardigheid spreekt, ben ik een verloren mens.’

Gods rechtvaardigheid werd Luthers grote probleem. Wij denken en zeggen meestal dat de zonde Luthers probleem was. Maar zijn diepste probleem was God en wel Gods rechtvaardigheid. ‘Indien ook het evangelie zegt dat God Zijn strenge rechtvaardigheid doet gelden, ben ik verdoemd’, zo moest Luther concluderen. Zijn vraag werd dan ook: hoe krijg ik een genadig God, een God Die mij genadig is?

 

Gods rechtvaardigheid wordt het probleem van een overtuigde zondaar. Wanneer de Heere ons overtuigt van onze zonden; de zonden uit ons verleden in herinnering worden gebracht en wij met David beleven: ‘Mijn zonden zie ik mij steeds voor ogen zweven’, wordt Gods rechtvaardigheid ons grote probleem. Indien God rechtvaardig is en de schuldige geenszins onschuldig houdt, ben ik een verloren mens.

De overtuigde zondaar gelooft en gevoelt dit. Hij of zij denkt niet meer zo oppervlakkig over zonde en Gods vergeving als voorheen. Wanneer we onze zonden zien in het juiste licht, beseffen we: God kan zomaar niet aan het kwaad dat ik heb bedreven, voorbijgaan. Hij is te heilig en te rechtvaardig om mijn zonden ongestraft te laten. De gedachte aan Gods rechtvaardigheid zal ons met bekommering en vrees vervullen. Dan zeggen we Luther na: ‘Hoe krijg ik een genadig God?’

 

De apostel verkondigt echter geen straffende en wraakvorderende rechtvaardigheid, maar een réddende rechtvaardigheid. Welke rechtvaardigheid wordt door het evangelie aan het licht gebracht? Paulus zegt het in het volgende vers: Namelijk de rechtvaardigheid van God door het geloof van Jezus Christus. Het gaat om de rechtvaardigheid van God. Dat is een rechtvaardigheid waarvan God de Auteur is, die God aanbrengt, schenkt en toerekent. Het is geen rechtvaardigheid die de mens aanbrengt, maar een rechtvaardigheid die God schenkt en toerekent. Deze rechtvaardigheid staat dan ook tegenover de eigen gerechtigheid die de Joden zich zochten op te richten.

Het is een rechtvaardigheid waarvan de apostel verder zegt: Zonder de wet, hebbende getuigenis van de wet en van de profeten. Het is een rechtvaardigheid die niet verkregen is door het doen van de wet. Wij zouden zeggen: die niet op Joodse wijze tot stand is gebracht. Het is een geheel andere rechtvaardigheid.

En toch heeft deze rechtvaardigheid getuigenis van de wet en de profeten. Het lijkt een vreemde conclusie. Het is een rechtvaardigheid die niet door werken van de wet verkregen is en tóch door de wet is goedgekeurd en in alles met de eisen van de wet overeenstemt.  Het is ook geen rechtvaardigheid die in tegenspraak is met wat de profeten gezegd hebben. Het gaat om de rechtvaardigheid waarvan in de boeken van Mozes en door de profeten is gesproken en waarnaar de vromen van alle eeuwen hebben uitgezien.

Gemeente, het is duidelijk dat het hier gaat om de rechtvaardigheid van de Messias, de rechtvaardigheid die Christus door Zijn gehoorzaamheid en verzoenend sterven zou verwerven. Daarom zou men Hem noemen: De Heere onze gerechtigheid (Jer.23:6).

 

Deze rechtvaardigheid, zegt de apostel, heeft de Heere nu geopenbaard. Nu, nadat Christus Zijn werk heeft volbracht, ten hemel is gevaren en het evangelie alle volken wordt verkondigd, nu wordt deze rechtvaardigheid bekendgemaakt. Nu brengt God dit aan het licht.

Onder het Oude Testament is dit gebrekkig geopenbaard geweest, maar nu in het volle licht geplaatst. Nu verkondigt God alle mensen en alle volkeren dat er een rechtvaardigheid is die rechtvaardig maakt voor God. Het is de reddende gerechtigheid van Christus, die het getuigenis heeft van de wet en de profeten, dat is: het gehele Oude Testament.

Maar nu. Nu onder het Nieuwe Testament, nu wordt geopenbaard dat er een rechtvaardigheid is, een rechtvaardigheid die de mens niet zelf moet en kan voortbrengen, maar een rechtvaardigheid die God heeft aangebracht. Een rechtvaardigheid die beantwoordt aan alles wat de wet eist. Het gaat om de rechtvaardigheid van het evangelie. Dat wilde Paulus ons laten zien.

 

Eigenlijk is alles wat de apostel Paulus tot hiertoe heeft gezegd, erop gericht om ons de heerlijkheid van dit evangelie te laten zien. Alles staat in het licht van zijn machtige uitspraak: Want ik schaam mij het Evangelie van Christus niet (Rom.1:16).

En waarom schaamde de jonge, geleerde theoloog Saulus van Tarsen, die aan de voeten van Gamaliël was opgegroeid, zich het evangelie van Christus niet? Hij zegt: Want de rechtvaardigheid van God wordt daarin geopenbaard (Rom.1:17). God maakt door het evangelie Zijn reddende rechtvaardigheid bekend. Wat een wondere boodschap bevat het evangelie! Het is de verkondiging dat God Zijn Zoon de schuld heeft laten dragen om schuldigen te kunnen vergeven.

 

Gemeente, het evangelie is een niet slechts een wonder, maar een verwondering! Zo klinkt het in de oren van een zondaar die weet dat hij of zij met de ganse wereld verdoemelijk is voor God. Wanneer wij gevoelen niets anders te verdienen dan dat God naar Zijn rechtvaardigheid ons zal straffen, en dan te horen dat God voor een reddende rechtvaardigheid heeft gezorgd. En wel doordat Hij Zijn Zoon, Die geen zonde gekend noch gedaan heeft, voor ons tot zonde heeft gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem.

Wanneer de Heilige Geest daarvoor onze ogen en ons hart opent en wij dit in het geloof verstaan, beleven we wat Luther beleefde: ‘Toen was het alsof ik gekomen was tot aan de poort van het paradijs.’ Wat gaat er dan, te midden van onze vrees en verlorenheid, een deur open in het dal van Achor. Wat is onze ziel dan verwonderd! God heeft in Christus rechtvaardigheid aangebracht voor zondaren die enkel onrechtvaardigheid zijn. Het maakt het evangelie dierbaar aan ons hart. Wij zeggen Paulus dan na: Want ik schaam mij het Evangelie van Christus niet (…), want de rechtvaardigheid van God wordt daarin geopenbaard.

 

Maar hoe wordt die rechtvaardigheid nu míjn rechtvaardigheid? Daarop letten we in de tweede gedachte:

 

2. Het deelgenootschap aan die reddende rechtvaardigheid

 

Na de tekening van de zondigheid en verdoemelijkheid van de gehele wereld, heeft de apostel ons getoond wat God in Christus heeft gedaan. God heeft voor een reddende rechtvaardigheid gezorgd. De vraag is echter: hoe krijg ik daar deel aan? Hoe wordt die rechtvaardigheid van Christus de mijne? Hoe kan ik die ontvangen en daarmee bekleed worden?

Gemeente, dit zijn geen achterhaalde vragen. Sommigen willen je dat wel doen geloven. Zij zeggen: ‘Je moet niet bezig zijn met deze vragen. Jezus is toch voor ons allen gestorven en God heeft ons toch allemaal lief? Je belijdt toch een zondaar te zijn en gelooft toch dat Jezus de Zaligmaker is van zondaren? Nu, wat wil je nog meer? Je moet dit gewoon geloven en aannemen! Al dat wroeten in jezelf is alleen maar onvruchtbaar. Waar je mee bezig moet zijn is: hoe leef ik als christen? Hoe kan ik getuigen in de wereld?’ Ofschoon dit laatste waar is, zo gaat daar toch de persoonlijke vraag aan vooraf: ben ik wel een christen? Bezit ik zelf wel het ware geloof?

De vraag naar zekerheid is een legitieme vraag. Het is een Bijbelse vraag. Abraham worstelde ook met de zekerheid. Hij zei tegen de Heere: Heere Heere, waarbij zal ik weten, dat ik het erfelijk bezitten zal? (Gen.15:8) David zocht ook naar een bevestiging van God. Hij bad: Zeg tot mijn ziel: Ik ben uw Heil (Ps.35:3). Petrus wist dat de christenen daar ook mee worstelden. Hij wekt hen op om hun roeping en verkiezing vast te maken. Hij wijst ze de weg hoe ze tot die zekerheid kunnen komen.

 

Hoe krijg ik deel aan Christus en Zijn gerechtigheid? Het is de zielenworsteling van allen die weten dat er niemand rechtvaardig is, dat we allen afgeweken zijn, ja dat we met de gehele wereld verdoemelijk zijn voor God. Het is hun tot verwondering dat er een maar nu is. Zij horen met verwondering het evangelie van God verkondigen, dat God in Christus een rechtvaardigheid heeft aangebracht. Wanneer Jezus hun in de prediking voorgesteld wordt als een volkomen en gewillige Zaligmaker, zien ze dat bij Jezus alles is te vinden wat zij tot hun zaligheid nodig hebben.

Maar hoe wordt die rechtvaardigheid van Jezus mijn deel? Het feit dat al Gods uitverkorenen deelgenoten zijn van die rechtvaardigheid, kan hen niet helpen. Zelfs de boodschap dat allen die treuren over de zonden en allen die hongeren naar de gerechtigheid eens verzadigd zullen worden, is hun toch niet genoeg. Hun grote vraag is: hoe krijg ik persoonlijk deel aan het door Christus verworven heil?

 

De apostel wijst ons ook hierin de weg. Hij duidt die reddende rechtvaardigheid van God nader aan en zegt:Namelijk de rechtvaardigheid van God door het geloof van Jezus Christus, tot allen en over allen die geloven; want er is geen onderscheid.

De rechtvaardigheid van God, waardoor wij rechtvaardig worden voor God, wordt verkregen door het geloof.  Het wordt ons niet toegerekend vanwege enig werk door ons gedaan, noch ook vanwege ons berouw of onze toewijding aan God. De apostel spreekt niet over de rechtvaardigheid van ons berouw, van onze vernedering of van onze liefde. Hij noemt deze rechtvaardigheid waardoor de zondaar rechtvaardig staat voor God: de rechtvaardigheid door het geloof van Jezus Christus.

Het is een rechtvaardigheid die door het geloof wordt verkregen. Het geloof alleen is het middel waardoor Gods reddende rechtvaardigheid wordt ontvangen. Ons geloof is daarbij geen deel van onze rechtvaardigheid voor God. Het is ook niet de grond waarop ons die gerechtigheid wordt toegerekend. Het is alleen het instrument waardoor wij deze rechtvaardigheid ontvangen.

 

De apostel spreekt nadrukkelijk over het geloof van Jezus Christus.

Deze omschrijving het geloof van Jezus Christus is door de apostel nauwkeurig gekozen. Het valt op dat het in het Nieuwe Testament meestal gaat over het geloof in de Heere Jezus Christus. Maar hier staat niet ‘door het geloof in Jezus Christus’, maar ‘door het geloof van Jezus Christus’. In de brief aan de Filippenzen spreekt Paulus ook op deze wijze over het geloof. Hij zegt daar: Niet hebbende mijn rechtvaardigheid die uit de wet is, maar die door het geloof van Christus is (Fil.3:9).

Door het geloof van Jezus Christus. Gemeente, wat wil dat nu zeggen? Het wil ons allereerst leren dat het geloof het enige instrument is waardoor wij  de rechtvaardigheid van Christus de onze kunnen maken. Deze rechtvaardigheid wordt niet verkregen door onze boetvaardigheid, ootmoed, ijver of liefde. De enige manier om die te verkrijgen is door het geloof. En wel door het geloof van Jezus Christus.

Dat is een geloof dat bij Jezus Christus, de Zaligmaker en beloofde Messias hoort. Het wil zeggen dat dit geloof bij de Persoon van Jezus Christus hoort. Bij Jezus hoort een zondaar die gelooft. Niet een zondaar die werkt of verdient, maar die gelooft. Het geloof van Jezus wil niet zeggen dat het geloof ons redt, maar Jezus Christus, Die door het geloof wordt aangegrepen. Door het geloof van Jezus Christus, zegt de apostel. Dat is een geloof dat met Christus verbindt, een geloof dat zijn heil in Christus vindt en in Christus zoekt.

 

Het geloof staat nooit los van Christus. Het is nooit een zelfstandige grootheid. Het geloof is altijd alleen maar een instrument en niet de oorzaak van onze redding. Het redt ons omdat het ons met Christus verbindt, omdat het alles wat van Christus is, het onze maakt.

De uitdrukking het geloof van Jezus Christus leert ons nadrukkelijk dat deze rechtvaardigheid niet los van Christus verkrijgbaar is. Het geloof op zichzelf redt ons niet. Het is Christus Die door het geloof wordt aangegrepen, dat ons redt. De Bijbel heeft het dan ook altijd over het geloof in verband met Jezus Christus. Het geloof staat nooit los van Christus.

We horen mensen nogal eens zeggen: ‘Ik heb veel steun aan mijn geloof.’ Zij bedoelen dit wel goed en willen daarmee zeggen in zorg en verdriet steun te hebben aan het christelijke geloof. Toch kan het geloof op zich ons niet redden. Het moet altijd geloof zijn dat aan Jezus Christus verbindt.

Het geloof is ook geen middel om jezelf te redden. Men zegt dan: ‘Toen ben ik gaan geloven.’ Het klinkt alsof men zegt: ‘Toen heb ik mezelf gered.’ Dan maak je het geloof tot een werk. Het is echter geen werk, maar alleen een instrument dat Jezus aangrijpt.

 

Het geloof is dus de enige manier om deel te krijgen aan het heil dat Christus heeft verworven.

De apostel beklemtoont dat de zondaar gerechtvaardigd wordt voor God door het geloof van Jezus Christus. Het geloof van Mozes, van Petrus of van de kerk schiet hier tekort. Slechts het geloof dat in Jezus Christus de zaligheid zoekt, kan de mens redden. Het geloof dat met Jezus Christus verbindt, triomfeert over de beschuldigingen van het geweten, de vloeken van de overtreden wet, de strafwaardigheid van onze zonden en het vonnis van de dood, omdat het zich hult in het kleed van Jezus’ gerechtigheid, en daar veilig is.

 

Ten slotte benadrukt de apostel nog dat dit zowel voor de Jood als de heiden geldt. Hij verklaart: Tot allen en over allen die geloven; want er is geen onderscheid. Er is geen aparte weg van redding voor de Jood en een aparte weg van redding voor de heiden. Er is maar één weg voor allen, voor de Jood en voor de heiden, en dat is de weg van het geloof.

De reden is, wat de apostel verder zegt: Want zij hebben allen gezondigd en derven de heerlijkheid Gods. Welk verschil er ook is tussen de mensen, zij zijn allen zondaren die God de gehoorzaamheid niet kunnen geven die Hij in Zijn wet van hen eist. Zij hebben allen deze rechtvaardigheid van God nodig, die door het geloof van Jezus Christus wordt verkregen. Op die wijze maakt de apostel duidelijk dat er voor ieder gevallen mens maar één weg van redding is, namelijk door het geloof van Jezus Christus. Alle andere wegen zijn doodlopende wegen.

 

Geloof moet dan wel geloof blijven, en niet vermengd worden met verdienstelijkheden of geschiktheden van de mens. De reformatoren spraken nadrukkelijk over: ‘Sola Fide’, alleen geloof.

Het geloof mag niet vermengd worden met verdienstelijkheden  van de mens, zoals in de Roomse rechtvaardigingsleer wordt voorgesteld. Onze werken zijn geen deel van onze rechtvaardigheid voor God. Met die gedachte wordt tekortgedaan aan de volkomenheid van Christus’ offer. Christus’ verzoening heeft geen aanvulling van menselijke verdiensten nodig.

Maar geloof mag ook niet vermengd worden met menselijke geschiktheden. Men kan op een zodanige wijze over de noodzaak van de ellendekennis en een bepaalde diepte van zondekennis spreken, dat dit een geschiktheid wordt om door God gerechtvaardigd en door Jezus aangenomen te worden. Het is dan een geschikt gemaakte zondaar, die gerechtvaardigd wordt.

Wat zijn hier helaas ontsporingen! Kennis van ellende is noodzakelijk, maar de rechte boetvaardigheid maakt ons geen geschikte zondaar, maar in eigen oog juist de meest ongeschikte en onwaardigste zondaar voor God.

 

Het ‘Sola Fide’ moet steeds bewaakt worden. Er mag niets van de mens tussen kruipen. En waarom niet? Wel, zodra je het geloof vermengt met menselijke werken, waardigheden of geschiktheden, bederf je het geloof. Dan is geloof geen geloof meer. Geloof is altijd koning en alleenheerser. Daarom is echt geloven: afzien van je eigen werken, afzien van je verbeteringen, afzien van je vernederingen en niets brengen dan je ellende, je schuld, je zonden, je nood, je strijd, je honger en je dorst.

Dat maakt geloven zo moeilijk, en eigenlijk zo buiten het bereik van de gevallen natuur van de mens. Want de natuur van de mens is gekenmerkt, gekarakteriseerd, door hoogmoed. Die hoogmoed wil wat meebrengen. Die verzet zich tegen ‘Sola Fide’, alleen geloof. De mens wil altijd iets hebben of meebrengen om op te vertrouwen. Maar geloof is: zich geheel aan Christus toevertrouwen en niets anders te weten dan Jezus Christus en Die gekruisigd.

Vertrouwen op wat Christus heeft gedaan. Vertrouwen, niet op wat ik heb gedaan, maar op wat Christus heeft gedaan op het kruis van Golgotha, waar Hij heeft geroepen: Het is volbracht! (Joh.19:30) Het is vertrouwen, niet op mijn gehoorzaamheid, maar op Christus’ gehoorzaamheid. Vertrouwen, niet op mijn vernederingen, maar op de diepe vernedering van Christus.

Daarom gaat echt geloven gepaard met een heilzame wanhoop aan al het andere. Luther schreef aan Melanchthon: ‘Ik wens je een heilzame wanhoop toe.’ Een heilzame wanhoop aan je tranen, aan je gebeden, aan je verbeteringen, aan je vernederingen, ja aan alles van jezelf. En dan toch in die ellende niet omkomen. Omdat je het evangelie gelooft dat de apostel hier verkondigt: Maar nu is de rechtvaardigheid Gods geopenbaard geworden, zonder de wet, hebbende getuigenis van de wet en de profeten, namelijk de rechtvaardigheid Gods door het geloof van Jezus Christus.

 

Maar nu, zo begint de apostel de leer van de zaligheid door het geloof. Ik heb u al getoond wat een belangrijke wending dit woord aangeeft. Het is een belangrijk woord in de leer van de rechtvaardiging, maar ook in de ervaring van de christen. In de heilzame wanhoop zegt ook de zondaar: Maar nu. Wanneer bedreven zonden ons veroordelen; ons geweten ons aanklaagt; de heilige wet van God ons vloekt; de duivel ons benauwt met ons bedreven kwaad; Gods rechtvaardigheid en heiligheid ons verschrikken; wanneer een heilzame wanhoop aan alles waarop we ooit betrouwd hebben werkelijkheid wordt; wat blijft die mens dan over? Het maar nu van de apostel.

Er is een maar nu, dat wijst op wat God in Christus heeft gedaan. Het is een maar nu dat staat tegenover de boodschap van Romeinen 3 vers 19: Opdat alle mond gestopt worde en de gehele wereld voor God verdoemelijk zij. God heeft in Christus voor een rechtvaardigheid gezorgd, die niet door de wet, maar door het geloof ons deel wordt. Er is licht opgegaan in de duisternis van onze verlorenheid. Zo beleven we dit in het geloof. Er gaat licht op in onze duisternis, zodat we kunnen zeggen: Maar nu!

 

Daarom, als uw mond gestopt is, u geen zelfverdediging meer over hebt gehouden, maar moet onderschrijven dat je met de hele wereld verdoemelijk bent voor God, hoor dan dit: Maar nu! En zie van de wet, die u gebroken hebt en die u vloekt, naar Golgotha’s kruis, waar Christus is verbroken en de vloek heeft gedragen. Zie van de donder van de Sinaï, van de grootheid van uw zonden, op het bloed van Jezus, dat betere dingen spreekt dan het bloed van Abel. Zie het bloed van Jezus bij God pleiten om uw vrijspraak en redding.

Maar nu. Het is het nochtans van het geloof waarmee de zondaar in zijn duisternis en schuld het evangelie van God omhelst. Het is de omhelzing van een vrijspraak van schuld en straf. Het is de omhelzing van een rechtvaardigheid waarmee wij voor God kunnen bestaan, namelijk de rechtvaardigheid van Christus. Een rechtvaardigheid, niet verkregen door werken, maar door geloven.

Een ‘vreemde’ vrijspraak is het, want zij is niet gebaseerd op het bewijs van onze onschuld, maar op Christus, Die om onze overtredingen is verwond, om onze ongerechtigheden is verbrijzeld en Wiens strafdragen ons vrede brengt met God.

 

Zingen we nu Psalm 85 vers 4:

 

Dan wordt genâ van waarheid blij ontmoet;
De vrede met een kus van ‘t recht gegroet;
Dan spruit de trouw uit d’ aarde blij omhoog;
Gerechtigheid ziet neer van ‘s hemels boog;
Dan zal de Heer’ ons ‘t goede weer doen zien;
Dan zal ons ‘t land zijn volle garven biên;
Gerechtigheid gaat voor Zijn aangezicht,
Hij zet z’ alom, waar Hij Zijn treden richt.

 

Want ik schaam mij het Evangelie van Christus niet. Dat heeft Saulus van Tarsen gezegd, te midden van de heidenwereld die het kruis van Christus dwaasheid achtte, en te midden van de Joodse wereld die zich aan dat kruis van Christus ergerde. Hij verklaart dat hij daarom alle smaad en ontbering met geduld verdroeg, om onder de heidenen te verkondigen de onnaspeurlijke rijkdom van Christus.

Aan alles is te merken dat het evangelie voor Paulus een wonder, ja een verwondering was. De gehele wereld was verdoemelijk voor God. Zij hebben immers allen gezondigd en derven de heerlijkheid Gods. Waar niemand rechtvaardig was, heeft God in Christus voor een rechtvaardigheid gezorgd, die redt van dood en ondergang. Het doet hem zeggen: Maar nu is de rechtvaardigheid Gods geopenbaard geworden, namelijk de rechtvaardigheid Gods door het geloof van Jezus Christus.

We ontmoeten in Paulus een man die een schat had gevonden, die hij met anderen wilde delen. Hij kan niet zwijgen van hetgeen God in Christus heeft gedaan. We herkennen er de rechte dienaar aan. Een rechte dienaar is niet alleen van God geroepen, maar heeft ook een boodschap van God ontvangen. Hij heeft een schat gevonden waarvan hij niet zwijgen kan. In dit licht en naar die maatstaf gemeten zijn er maar weinig rechte dienaren van het evangelie.

 

Maar nu, zegt de apostel. Het is het grote keerpunt in de geschiedenis. Na de donkere duisternis getekend te hebben van de schuldigheid en de hopeloosheid van de wereld, kan de apostel spreken over: Maar nu.

Er schijnt nu licht in de duisternis van onze verlorenheid. God heeft voor verlossing gezorgd! Hij heeft in Christus een weg gebaand om, zonder Zijn rechtvaardigheid tekort te doen, zondaren met Zichzelf te verzoenen. God heeft voor een reddende rechtvaardigheid gezorgd. Het is de rechtvaardigheid van het evangelie. Het is de rechtvaardigheid die Christus heeft aangebracht, door Zijn gehoorzaamheid en Zijn verzoenend lijden en sterven. En deze reddingsweg is nu geopenbaard. Zij is bekend geworden door de prediking van het evangelie.

 

Gemeente, hoe zou ons leven er uit zien zonder dit evangelie? Uitzichtloos, alleen duistere wanhoop zou er zijn. Maar God zij geprezen! Er is een maar nu. Er is altijd een maar nu. Al heb je nog zo zwaar gezondigd. Al ben je nog zo ver van God afgeweken. Er is altijd een maar nu. Omdat God in Christus voor redding heeft gezorgd. Neem dat met je mee. Laat de duivel het niet van je winnen, die zegt: ‘Het kan niet meer voor jou!’ Er is altijd een maar nu, een nochtans. Nu God dit heeft gedaan, nu Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft tot een verzoening voor de zonde, nu is er altijd een maar nu.

 

Wie wordt deze redding van het evangelie beloofd? We lezen: Tot allen en over allen die geloven.

Het gaat eerst over tot allen en dan over over allen. De reddende rechtvaardigheid waarvoor God in Christus heeft gezorgd is allereerst tot allen. Zij wordt in het evangelie allen verkondigd, voorgesteld en aangeboden, overeenkomstig het bevel van Jezus: Gaat heen in de gehele wereld, predikt het Evangelie alle creaturen (Mark.16:15).

Deze reddende rechtvaardigheid komt echter alleen over allen die geloven. Zij komt alleen de gelovigen ten goede.

Terwijl het alle mensen wordt verkondigd, bedekt deze gerechtigheid alleen hen die geloven. Het komt over hen als een kleed dat al hun zonden en vlekken bedekt. Zij worden bekleed met de mantel der gerechtigheid. Het is het fijne lijnwaad van de rechtvaardigmaking der heiligen. Het wordt het deel van allen die geloven. Of men nu Jood of heiden, blank of zwart is, dat maakt geen onderscheid. Er is maar één weg voor allen, en dat is de weg van het geloof.

 

Geloof en geloven. Waarom is dat toch zo belangrijk? Waarom is dat zo allesbeslissend? Het geloof op zich is helemaal niet zo’n indrukwekkende zaak. Het is helemaal niet iets waarnaar mensen in verwondering opzien, zoals de mensen keken naar de machtige toren van Babel. Het geloof is helemaal niet zo indrukwekkend. Het geloof is slechts een bevende hand die het kleed van Jezus aanraakt. Het geloof is slechts de roep van de boetvaardige moordenaar tot Jezus: Heere, gedenk mijner! (Luk.23:42) Het geloof is het niet kunnen loslaten van Jezus, zoals bij de Kananese vrouw.

De bekende schrijver Hugo Binning zegt: ‘Het geloof in zijn zuiverste werking is een aankleving van een verloren ziel aan Christus.’ Meer is het niet. Het is een omschrijving van het geloof die je met gouden letters zou willen neerschrijven.

Kent u dat? Kent u dat geloof? Er wordt wel veel over het geloof geredeneerd, maar kent u dit: ‘de aankleving van een verloren ziel aan Christus’?

Een ander beeld dat vooral de puriteinen dikwijls gebruiken om het geloof te omschrijven is: het verlaten van het oude zinkende schip van het werkverbond, om te zwemmen naar de veilige rots van het genadeverbond.

 

Maar ik hoor u zeggen: ‘Dat kan allemaal waar zijn, maar ik kan niet zwemmen. Ik heb geen geloof; ik kan niet geloven.’ Nu, dat kon de vader van de maanzieke knaap ook niet. Toen Jezus zei: Zo gij kunt geloven, alle dingen zijn mogelijk degene die gelooft (Mark.9:23), toen kon die man niet zeggen: ‘Ja, Heere, ik heb geloof. Ik voldoe aan de voorwaarde.’ Hij kon niet zwemmen. Maar hij riep: Ik geloof, Heere, kom mijn ongelovigheid te hulp (Mark.9:24). En hij is niet verdronken. En ook u zult niet verdrinken, als u zich zo neerwerpt aan de voeten van Christus.

 

De gehele wereld verdoemelijk voor God. Hoe ontzettend! Er is echter een maar nu. Hoe onbevattelijk! De apostel zegt zelfs:Want God was in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende, hun zonden hun niet toerekenende (2 Kor.5:19). God heeft voor redding gezorgd. De apostel spreekt dan ook over de rechtvaardigheid van God. Het is geheel Gods werk. God heeft deze rechtvaardigheid aangebracht. God heeft in de diepe verlorenheid en hulpeloosheid van het menselijk geslacht Zelf voor verzoening gezorgd.

Daarom wordt u gebeden: Laat u met God verzoenen (2 Kor.5:20). Laat dat gebeuren, gemeente. Leg uw opstandigheid af en capituleer voor God, Die Christus aan u voorstelt tot verzoening, en door Zijn dienaren bidt: Laat u met God verzoenen.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 135: 12

 

Sion, loof met dankb’re stem
God, uw Heer’, die eeuwig leeft,
En het schoon Jeruzalem,
Door Zijn woning luister geeft;
Loof Hem, voor uw heilrijk lot;
Loof al juichend uwen God!