Ds. C. Harinck - Romeinen 3 : 19 - 20

Gods oordeel over de gevallen mens

De algemene verdorvenheid van de mens
De algemene machteloosheid van de mens

Romeinen 3 : 19 - 20

Romeinen 3
19
Wij weten nu, dat al wat de wet zegt, zij dat spreekt tot degenen, die onder de wet zijn; opdat alle mond gestopt worde en de gehele wereld voor God verdoemelijk zij.
20
Daarom zal uit de werken der wet geen vlees gerechtvaardigd worden, voor Hem; want door de wet is de kennis der zonde.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 143: 2
Lezen : Romeinen 1: 28-32
Lezen : Romeinen 3: 9-20
Zingen : Psalm 14: 1, 2, 3
Zingen : Psalm 130: 2
Zingen : Geb. des Heeren: 6

Gemeente, toen een predikant intrede deed in een nieuwe gemeente, werd hij door de ouderling toegesproken. De ouderling zei: ‘Dominee, uw werk zal hier heel gemakkelijk zijn, want het is hier allemaal goed volk.’ Toen ze in de consistorie kwamen, zei de dominee: ‘Ik denk dat mijn werk hier moeilijk zal worden, want ik wil al die mensen gaan vertellen dat ze slecht volk zijn en dat ze alleen door Gods genade en het bloed van Christus gered kunnen worden.’

Het is de boodschap die Paulus heeft verkondigd. We lezen dit in onze tekst, die u kunt vinden in Romeinen 3, de verzen 19 en 20. We lezen daar:

 

Wij weten nu dat al wat de wet zegt, zij dat spreekt tot degenen die onder de wet zijn; opdat alle mond gestopt worde en de gehele wereld voor God verdoemelijk zij. Daarom zal uit de werken der wet geen vlees gerechtvaardigd worden voor Hem; want door de wet is de kennis der zonde.

 

We willen spreken over: Gods oordeel over de gevallen mens.

 

1. De algemene verdorvenheid van de mens

2. De algemene machteloosheid van de mens

 

1. De algemene verdorvenheid van de mens

 

Er is geen bijbelboek dat een grotere rol gespeeld heeft in de geschiedenis van de christelijke kerk dan de brief aan de Romeinen. Augustinus is door het lezen van het laatste gedeelte van hoofdstuk 13 tot inkeer en boetvaardigheid gekomen. Maarten Luther is door het lezen van Romeinen 1 vers 16 en 17 tot het licht van het evangelie gebracht. De reformatoren hebben in de Romeinenbrief een voorbeeld gezien van de hoofdzaken van de christelijke leer. De driedeling van ellende, verlossing en dankbaarheid, die zo kenmerkend is voor de Reformatie, vinden we terug in de Romeinenbrief. De brief aan de Romeinen bevat het hart van het evangelie, namelijk: de onverdiende rechtvaardiging van een goddeloos zondaar, alleen door het geloof in Jezus Christus.

Wij vinden de brief aan de Romeinen echter maar een moeilijke brief. Wanneer er uit de Romeinenbrief wordt gepreekt, vinden we dit meestal moeilijk om te begrijpen. Nu zegt dit misschien meer over ons gebrek aan belangstelling dan over de brief aan de Romeinen. Paulus heeft deze brief geschreven aan mensen die nog maar kort geleden tot het geloof in Christus waren gekomen. De brief is gericht aan een jonge christengemeente in Rome.

Het doel van dit schrijven is om het evangelie van Christus uit te leggen aan de jongbekeerde christenen. Paulus zegt in het eerste hoofdstuk dat hij dat graag mondeling had gedaan. Het is al enkele malen zijn voornemen geweest om naar Rome te reizen, maar tot hiertoe is hij daartoe verhinderd geweest. Hij zegt zeer te verlangen om hen te ontmoeten en hoopt dat God in de toekomst daartoe gelegenheid zal geven. Hij wil hen daarom nu door deze brief de leer nader uiteenzetten, opdat ook zij versterkt zullen worden in hun geloof dat Jezus is de Christus, Die in de wereld komen zou.

 

We merken dat de apostel Paulus de belangrijkheid van de gemeente te Rome onderkende.  Rome was het centrum van de toenmalige wereld. Van daaruit liepen niet alleen wegen naar alle landen, maar van daaruit ging ook invloed uit naar alle landen van de wereld. De apostel besefte hoe belangrijk het was om juist die gemeente goed te funderen in het christelijk geloof.

De apostel wil de jonge gemeente in Rome overtuigen van de heerlijkheid van de boodschap van het evangelie. Het evangelie is niet zomaar een nieuwe filosofie, zoals zo vele nieuwe ideeën die toentertijd verkondigd werden. Het evangelie is de enige weg van redding voor een verloren wereld. De verkondiging van zaligheid door het geloof in de gekruisigde Christus noemt hij een kracht Gods tot zaligheid. Er is kracht in deze boodschap om zondaren te redden van het verderf. Daarom zegt hij: Want ik schaam mij het Evangelie van Christus niet; want het is een kracht Gods tot zaligheid (Rom.1:16).

Het evangelie is het enige dat verloren mensen redden kan. De geniale jonge Joodse theoloog, Saulus van Tarsen, die gezeten had aan de voeten van de beroemde Joodse leraar Gamaliël, zegt daarom zich niet voor de boodschap van het evangelie te schamen.

 

De gelovigen in Rome bestonden meest uit mensen die Joods waren opgevoed. Hun medebroeders, de Joden, spraken met verachting over het geloof in een gekruisigde Messias. Een gekruisigde kon de ware Messias niet zijn. De talrijke Joodse gemeenschap die in Rome woonde, verachtte daarom de Joden die geloofden dat de gekruisigde Jezus de Messias was.

Het gevaar was daarom niet denkbeeldig dat de Joden die christen waren geworden zich voor hun geloof in een gekruisigde Messias zouden schamen. Maar het evangelie is geen boodschap waarvoor we ons hoeven te schamen. Het is het enige reddingsmiddel voor een verloren wereld. Daarom wil Paulus de jonge gemeente overtuigen van de heerlijkheid van het evangelie van Christus.

 

En hoe doet hij dat? Welke methode kiest hij? Hoe pakt hij dit aan? Door allereerst te stellen dat alle mensen gezondigd hebben en de hele wereld verdoemelijk is voor God. Daarom heeft de wereld dit evangelie van de gekruisigde Jezus zo nodig.

Wij zouden gemakkelijk kritiek op de aanpak van Paulus kunnen hebben en zeggen: ‘Is dat nu de methode om mensen met het evangelie te bereiken? Moet je dat nu zo doen? Moet je nu beginnen bij de ellende van de mens? Moet je nu zelfs beginnen met te stellen dat de gehele wereld verdoemelijk is voor God? Is het niet beter te beginnen met de mensen te vertellen dat God hen liefheeft en Jezus voor hen is gestorven?’

Maar de apostel is een betere evangelist dan wij. Hij wil de waarde en heerlijkheid van de evangelieboodschap laten zien. Dit kan alleen tegen de donkere achtergrond van de schuld en de verlorenheid van het menselijk geslacht.

Je kunt op het zendingsveld en in het evangelisatiewerk wel denken: ik zal maar veel over de liefde van God spreken en met het spreken over de zonde wachten tot later. Maar je komt niet bij de kern van de bijbelse boodschap, zonder te beginnen met de zonde en ellende van de mens. Daarom begint de apostel bij de zondigheid van de gevallen mens.

 

Paulus beschrijft eerst de toenmalige Griekse en Romeinse wereld. Eigenlijk beschrijft hij alleen wat hij rondom zich zag. En wat zag Paulus? Hij zegt het ons:Vervuld zijnde met alle ongerechtigheid, hoererij, boosheid, gierigheid, kwaadheid; vol van nijdigheid, moord, twist, bedrog, kwaadaardigheid; oorblazers, achterklappers, haters Gods, smaders, hovaardigen, laatdunkenden, vinders van kwade dingen, de ouderen ongehoorzaam; onverstandigen, verbondsbrekers, zonder natuurlijke liefde, onbarmhartigen (Rom.1:29-31).

Hij zag rondom zich een verdorven, perverse maatschappij. Vol immoraliteit, vooral op zedelijk gebied. Een wereld waarin homoseksualiteit en lesbische verhoudingen zeer gewoon waren. Een wereld waarin voor gehandicapten en oude mensen geen plaats was. Een wereld zonder natuurlijke liefde. Een onbarmhartige, wrede, egoïstische wereld, die slechts leefde voor brood en spelen.

 

En wat is de oorzaak dat de heidenwereld zo is geworden? De apostel legt er de vinger bij en zegt in Romeinen 1 vers 18: Als die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden. Het is de hoofdzonde waaruit al de andere zonden van de heidenen zijn voortgekomen. Zij hebben de waarheid omtrent God opzettelijk onderdrukt en geweigerd te aanvaarden. Want God maakte Zich aan hen bekend in de natuur en in hun geweten. Zij wisten wat goed en kwaad was. En ondanks deze kennis hebben zij die God niet als God erkend en geëerd, maar hebben zij zich afgoden gemaakt, goden ontworpen naar hun eigen smaak.

En het is dáárom, zegt de apostel, dat God hen heeft overgegeven in een verkeerde zin, om te doen dingen die niet betamen (Rom.1:28). God heeft hen overgegeven, losgelaten en niet beteugeld.

 

En wat is er toen met de wereld gebeurd? Toen is die heidenwereld weggezonken in immoraliteit, wreedheid en onnatuurlijk seksueel gedrag. Veertien van de vijftien keizers waren homofielen. En sommigen zelfs openlijke pedofielen. De seksuele beleving tussen mannen en mannen oordeelden zij veel beter te zijn dan hetero- en normale seks.

Zo zag de wereld er uit in de dagen van Paulus. Wat is dat actueel! Het is alsof hij onze wereld beschrijft, want zo ziet onze wereld er ook uit.

 

Maar de wereld van de Jood was niet veel beter. Dat toont hij vervolgens aan in hoofdstuk 2. Daar zegt hij bijvoorbeeld in vers 18 dat zij de wil van God weten en dat ze een uitlegger zijn van de wijsheid van God, dat ze zelfs leidslieden van blinden kunnen zijn. Zoveel wisten de Joden omtrent God en van goed en kwaad. Zij wisten zoveel meer dan de heidenen.

Maar, zo zegt de apostel, zij leefden niet overeenkomstig hetgeen zij wisten. Zij leerden anderen geen overspel te doen, maar zelf bedreven zij wel overspel. Zij leerden dat stelen fout was, maar pleegden wel diefstal. Zij hadden van afgoderij een gruwel, maar offerden God het verminkte en zieke. De slotconclusie van Paulus is: Want de Naam van God wordt om uwentwil gelasterd onder de heidenen (Rom.2:24). De heidenen zeiden van de Joden: ‘Als je naar de Joden kijkt, hoe geldgierig, onbetrouwbaar, leugenachtig ze zijn, kan hun godsdienst niet veel waard zijn.’

Wat een spiegel wordt ook ons hier voorgehouden! Want hoe ziet onze godsdienstige en christelijke wereld er uit? Wordt de Naam van God ook niet om onzentwil gelasterd? Hoe dikwijls kan de ongelovige niet zeggen: ‘Zijn dat nu christenen? Beweren die God te kennen en beter te zijn dan wij? Zij zijn onbetrouwbaarder en liefdelozer dan mensen die niet in God geloven.’

De apostel besluit zijn oordeel over de Jood met een vraag. Wat dan? Zijn wij uitnemender? En zijn antwoord is: Ganselijk niet.

Zijn slotconclusie is:Want wij hebben tevoren beschuldigd beide Joden en Grieken, dat zij allen onder de zonde zijn. Zij zijn allen onder de zonde, de Jood zowel als de heiden. Zij zijn allen onder de macht en het verderf van de zonde. Het zijn allen zondaren, overtreders van Gods goede geboden. Het is een mensenwereld verloren in zonde en schuld. Ja, een mensenwereld van onreinen,  kwaaddoeners, haters, dwazen, leugenaars, moordenaars en ruziemakers.

 

Het is een oordeel dat gegrond is op feiten. De apostel draagt bewijzen aan voor wat hij zegt. Die bewijzen lezen we in Romeinen 3, de verzen 10 tot en met 18. Het is een lange lijst van beschuldigingen aan het adres van Jood en van heiden. Eigenlijk een catalogus van zonden.

De apostel begint met te zeggen: Er is niemand rechtvaardig, ook niet één. Onder Jood en heiden is niemand recht voor God. Niemand doet wat recht en goed is in Gods ogen.

Hij zegt verder: Er is niemand verstandig, er is niemand die God zoekt. Onder al de mensen is niemand zo verstandig die zegt: ‘Er moet toch een God zijn; er moet toch een Schepper zijn Die alles heeft gemaakt.’ Maar er is niemand verstandig genoeg om dit op te merken en daarom is er ook niemand die God zoekt. Allemaal roepen ze: ‘Er is geen God; er is geen ziel, geen hel en geen hemel. Er is helemaal niets van dit alles.’ Het gevolg is dat de apostel zegt: Er is niemand die God zoekt. Wat is dat verschrikkelijk! Het is één van de droevigste constateringen van de Bijbel. Onze wereld is een wereld die niet meer naar God zoekt.

De apostel zegt vervolgens: Allen zijn zij afgeweken, tezamen zijn zij onnut geworden. Ze zijn allen van de rechte weg afgegaan, ze gaan allen een verkeerde weg. Tezamen zijn zij onnut geworden, dat wil zeggen: tezamen zijn ze niet meer nuttig voor het doel waarvoor God de mens heeft geschapen. Onnut zijn ze geworden, ze deugen nergens meer voor.

 

De lijst met bewijzen voor de zondigheid van het mensengeslacht zet zich voort. De apostel zegt: Hun keel is een geopend graf, met hun tongen plegen zij bedrog, slangenvenijn is onder hun lippen. Wanneer mensen hun mond opendoen is het alsof er een stinkend graf wordt geopend. Wat een leugen, bedrog, onreinheid en vuilheid komt er niet uit hun monden!

Welker mond vol is van vervloeking en bitterheid. De vreselijkste dingen wenst men zijn naaste soms toe.

Hun voeten, zo zegt de apostel, zijn snel om bloed te vergieten. De voetstappen die de mens in de wereld achterlaat, zijn gekenmerkt door moord, doodslag en oorlogsgeweld. Sinds het verlaten van het paradijs laat de mens een spoor van bloed na in de wereld. De wereld is als het ware doordrenkt van het bloed van oorlogen en vernietiging.

De weg des vredes hebben zij niet gekend, zegt de apostel. De weg naar de vrede en naar de verzoening is voor de gevallen mens een onbekend pad.

Er is geen vreze Gods voor hun ogen. Ze achten God niet en hebben geen respect voor Zijn geboden.

 

Het is een lange lijst van beschuldigingen aan het adres niet alleen van de heidenen, maar ook aan het adres van de Joden. Wat een aanklacht, gemeente! Een aanklacht tegen de mensheid en een aanklacht tegen u en tegen mij!

Dan besluit de apostel: Wij weten nu dat al wat de wet zegt, zij dat spreekt tot degenen die onder de wet zijn, opdat alle mond gestopt worde en de gehele wereld voor God verdoemelijk zij. Dat is de eindconclusie. Dit vonnis spreekt de Thora, het Woord van God uit over Jood en heiden. Zij liggen immers allen onder de verplichting van Gods wet en zijn allen schuldig zich daarnaar te gedragen. Door hun zonden en overtredingen ligt de gehele wereld onder het oordeel van God.

De hele wereld is voor God verdoemelijk. Het woord dat Paulus hier gebruikt is een woord afkomstig uit de rechtspraak. Na rechterlijk onderzoek, na goed onderzoek wordt de schuldige veroordeeld. De apostel heeft onderzoek gedaan, en wat is de uitslag? Hij verklaart: En de gehele wereld voor God verdoemelijk zij.

 

Gemeente, dat is wat Paulus wilde dat de jonge christenen in Rome zouden geloven. En God wil dat u en ik dat ook zullen geloven. We moeten geloven dat ik die mens ben die niet naar God zoekt. En dat ik die mens ben die onnut is geworden en die mens ben wiens keel een geopend graf is. De apostel wil dat we zullen geloven dat ik die mens ben die niet rechtvaardig is en God niet vreest.

Opdat de gehele wereld voor God verdoemelijk zij. Er staat nog iets bij. Er staat: Opdat alle mond gestopt worde en de gehele wereld voor God verdoemelijk zij. Opdat niemand dit vonnis kan tegenspreken. De bewijzen die de apostel heeft aangevoerd slaan ons alle tegenspraak uit handen. Alle mensen wordt de mond gestopt.

Onze mond is echter niet zo vlug gestopt. We staan niet zo snel met de mond vol tanden. Vooral de moderne westerse mens heeft overal wel zijn mening over en heeft overal wel een antwoord op. Wanneer er iets geponeerd wordt, hoor je al spoedig: ‘Maar ik denk daar toch een beetje anders over’ of: ‘Ik geloof dat het toch anders in elkaar zit.’ Vooral als het gaat om de schuldvraag, weten wij al vlug iemand anders of iets anders als de schuldige aan te wijzen. Maar de apostel wil dat alle mond gestopt wordt en de gehele wereld voor God verdoemelijk zij.

 

Dat neemt de wereld niet. Dat neemt de heidenwereld niet, maar dat neemt ook de godsdienstige wereld niet. U moet maar eens luisteren wat de wereld over God te zeggen heeft als er rampen plaatsvinden. De wereld bekritiseert God, en zegt en publiceert openlijk: ‘Indien er een God is, dan is Hij of machteloos of goddeloos. Indien God er niets aan doen kan, is Hij machteloos. Maar als God er niets aan doen wil, terwijl Hij dat toch wel zou kunnen, is Hij goddeloos.’ De mond van de wereld wordt niet vlug gestopt. Mensen durven hun mond wijd open te doen en God te bekritiseren. Zij houden hun mond niet. Integendeel, zij doen hun mond wijd open!

Maar ook de mond van de godsdienstige wereld wordt niet vlug gestopt. Wat een verzet leeft er ook bij de godsdienstige mens tegen de boodschap dat de gehele wereld voor God verdoemelijk is! ‘Zou ik verdoemelijk zijn? Ik, die zo goed mogelijk naar Gods wetten zoek te leven? Ik, die bid om bekering en aan de waarheid van de Bijbel vasthoud? Wat kan ik er aan doen dat ik niet bekeerd ben en het ware geloof niet bezit? Bekering is toch Gods werk en geloof toch een gave van God? Je kunt mij toch niet verantwoordelijk houden voor het feit dat ik niet geloof of niet bekeerd ben? Er is toch een uitverkiezing? God ontfermt Zich toch over wie Hij wil en verhardt toch wie Hij wil?’ Wat durven wij onze mond tegen God open te doen!

 

De apostel wil echter dat onze mond gestopt zal worden, ons tegenspreken zal ophouden en ons alleen maar over zal blijven: ‘Ik heb gedaan dat kwaad is in Uw oog, dies ben ik, Heer’, Uw gramschap dubbel waardig.’ Het was alles wat de verloren zoon overbleef in de ontmoeting met zijn vader. Hij beleed: Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u (Luk.15:18).

Wanneer gebeurt dit? Dit gebeurt wanneer de Heilige Geest ons de spiegel uit Romeinen 3 voorhoudt en wij zien: ‘Ik ben die man, ik ben die vrouw, ik ben die jongen en dat meisje van wie wordt gezegd: Er is niemand rechtvaardig, ook niet tot één toe. Ik ben het van wie wordt gezegd: Er is niemand die God zoekt. Ik ben het, op wie van toepassing is: Er is geen vreze Gods voor hun ogen.

Wanneer God ons zo de spiegel voorhoudt, zien we onszelf zoals God ons ziet en altijd al gezien heeft. Want zo heeft God ons altijd al gezien, al vanaf onze geboorte. Maar dan zien we het ook zelf. De ogen gaan dan echt open voor wie we zijn voor God, namelijk: een onrechtvaardige; een onverstandige; een onnutte; een zondaar die God zijn Schepper nooit heeft geëerd of gezocht; een mens die de weg des vredes niet heeft gekend.

De lange lijst van beschuldigingen uit Romeinen 3 klaagt ons dan persoonlijk aan. Het gevolg is dat onze mond wordt gestopt en wij met de gehele wereld voor God verdoemelijk worden verklaard.

 

Het is het eerste wat de apostel de jonge kerk in Rome onder ogen wilde brengen. Dit moesten zij allereerst weten. Zij moesten weten dat zij met de gehele wereld schuldig stonden voor God. Het tweede dat hij hen wilde leren was: Daarom zal uit de werken der wet geen vlees gerechtvaardigd worden voor Hem.

We letten er op in de tweede gedachte:

 

2. De algemene machteloosheid van de mens

 

Paulus wilde niet alleen dat de gemeenteleden te Rome overtuigd zouden zijn van hun verdoemelijkheid voor God, maar ook zouden weten dat de mens daarom zichzelf niet verlossen kan. Zijn conclusie is: Daarom zal uit de werken der wet geen vlees gerechtvaardigd worden voor Hem, want door de wet is de kennis der zonde.

De brief aan de Romeinen zit vol met de woorden ‘daarom’, ‘maar’ en ‘want’. Zij vormen verbindingen met wat eerder is gezegd. Het is een methode uit de Joodse betoogtrant. Paulus kende die methode. Dat blijkt ook hier weer. Na zijn lange betoog over de zondigheid van de heiden en daarna van de Jood, komt hij tot een conclusie. Hij zegt dan: Daarom – omdat de mens zo zondig en verdorven is – zal uit de werken der wet geen vlees gerechtvaardigd worden voor Hem.

 

We ontmoeten hier enkele belangrijke begrippen uit de brief aan de Romeinen.

Allereerst het begrip ‘werken van de wet’, dat zijn eigenlijk: daden die in overeenstemming zijn met de wet van God.

De apostel spreekt verder over ‘vlees’.  Zo heet de mens in de brieven van Paulus vanwege zijn zondigheid. De mens is ‘vlees’, dat is: verdorven door de zonde.

En dan heeft Paulus het over ‘gerechtvaardigd’ worden voor God. Het wil zeggen: dat God ons onschuldig verklaart en vrijspreekt van schuld en rechtsvervolging.

Samengevat is de conclusie van de apostel: omdat wij ‘vlees’, zondig en verdorven zijn, kan niemand door daden van de wet voor de God van hemel en aarde onschuldig verklaard worden. Uit de bittere bron van de menselijke verdorvenheid kan niet een zodanige goedheid voortkomen, die in staat is ons voor God te rechtvaardigen.

 

En waarom kan het doen van de wet dit niet bewerken? Waarom kunnen wij door daden van de wet niet gered worden? Wel, zegt Paulus: want door de wet is de kennis der zonde. Met andere woorden: de wet is geen reddingsmiddel, de wet redt en verlost niet. Integendeel! De wet wijst onze verkeerde daden, woorden en gedachten aan als zonde. 

De wet als reddingsmiddel, de Thora als ladder naar de hemel, het is de grote dwaling geworden van het Joodse volk. Zij zochten door werken en daden van de wet, rechtvaardig te worden voor God. Zij zagen op de wet als een reddingsmiddel uit de schuld en de verlorenheid van de mens. Ze hadden in dit opzicht, zo zegt Paulus hier, geen juiste kennis van de wet. Zij zagen niet dat de wet de zondige mens op zijn zonden wijst, hem aanklaagt en veroordeelt.

De weg van de wet, het houden van Gods geboden, was eens de weg voor de mens om zich een gerechtigheid te verwerven. God beloofde het houden van Zijn wet met het eeuwige leven te belonen. Maar deze weg is nu onbegaanbaar. Niet omdat de wet en de belofte van de wet veranderd zijn, maar omdat wij ‘vlees’, zondige mensen zijn geworden. Door de val in zonde en de verdorvenheid van onze natuur kan de mens niet anders dan de wet van God voortdurend overtreden. Hij is onmachtig om te doen wat de wet eist. Daarom kan hij door het doen van de wet niet gered worden.

De wet brengt de zondige mens geen troost, maar geeft hem kennis van de zonde. De wet leert ons dat afgoden dienen, je ouders verachten, stelen, liegen en overspel bedrijven zonde is. De wet is geen verlossingsweg. De wet is aanklager en veroordeler van de zondige daden van de mens.

 

De Joden dachten dat de wet een reddingsmiddel was. Het is helaas nog steeds de visie van de Jood. De Thora is voor hen de ladder naar de hemel. Het is echter niet alleen een dwaling van de Jood. Het is een algemene dwaling. De algemene gedachte onder de mensen is dat de ernstige betrachting van de wet en de verbetering van ons leven ons rechtvaardig kan maken voor onze Schepper. Maar de wet is geen reddingsmiddel, zegt de apostel. En waarom niet? Want, zegt de apostel, door de wet is de kennis der zonde.

De vraag is nu: waarom wil de apostel dat de mensen in Rome dit zouden weten? Waarom wijst hij zo nadrukkelijk op het feit dat de wet geen weg van redding is? Hij heeft aangetoond dat zowel heiden als Jood zondaar zijn voor God. Hij heeft beiden onder de zonde besloten en geconstateerd dat de gehele wereld, zowel de Joodse als de heidense wereld, verdoemelijk is voor God. Waarom moet daar nu nog bij komen dat de wet ons niet redden kan?

Het is bedoeld om de christenen in Rome en ons te laten weten dat zelfverlossing uitgesloten is. De mens is niet alleen schuldig, hij is ook machteloos om zichzelf te redden. Steeds blijkt in de brief aan de Romeinen hoe belangrijk de apostel dit vindt. Hij wil ons er van doordringen dat wij onszelf niet kunnen redden.

 

Deze twee zaken acht de apostel van het allergrootste belang te zijn. Ten eerste dat onze mond gestopt zal worden en wij zullen weten dat de gehele wereld voor God verdoemelijk zij. De mond moet ons gestopt worden. We moeten ophouden met God te bekritiseren, onszelf te verdedigen en zoeken te verontschuldigen. Het is het bewijs dat we van het kwaad van de zonde overtuigd zijn geworden. Onze mond wordt dan gestopt. Dan hebben we niets meer in te brengen tegen al de veroordelingen die we in Gods Woord lezen. Dan kiezen we de zijde van God en zeggen we dat Zijn oordeel over de zonde rechtvaardig is. Luther zegt: ‘We rechtvaardigen dan God in Zijn oordeel over de zonde. En’, zo zegt hij daarna, ‘als wij God rechtvaardigen, rechtvaardigt Hij ons.’ Schulderkentenis en buigen onder Gods oordeel is de weg naar vergeving en vrijspraak. 

Maar ten tweede wil de apostel Paulus ook dat wij zullen weten: dat er in de wet geen redding is. De wet is geen ladder naar de hemel. Het is een belangrijke en onmisbare les in het bevindelijk geloofsleven.

 

Paulus heeft het nodig geoordeeld ons te vertellen hoe hij zelf heeft geleerd dat de wet ons niet redden kan. Hij spreekt over zijn eigen ervaring en zegt: Zonder de wet, zo leefde ik eertijds. Maar als het gebod gekomen is, zo is de zonde weder levend geworden, doch ik ben gestorven.

De apostel vertelt ons dat hij in zijn blindheid geloofde dat de wet een weg van redding was. Ook wij geloven dit in onze blindheid en dwaasheid. Zodra een zondaar verontrust wordt over zijn zonden en verloren staat, vlucht hij tot de wet om door verbetering van leven en ernstige onderhouding van Gods geboden vrede met God te verkrijgen. En velen komen nooit verder. Zij zijn verontrust geworden over hun zonden en hebben zichzelf gerustgesteld met hun uiterlijke levensverandering.

Met Paulus was het echter anders gegaan. Toen hij echt verstond wat de wet eist, werd de zonde daardoor levend. Zijn zonden die hij begraven had onder een vroom en wettisch leven, werden in de spiegel van de wet levend. Zij stonden als het ware op uit de doden. Het gevolg was dat hij stierf aan het zoeken van zaligheid door de werken van de wet.

Het wordt de beleving van allen die in hun verontrusting tot de wet vluchten. Het gebod dat eens een weg tot het leven was, wordt hun een weg ten dode. De wet maakt de zonde levend. Het is een spiegel die ons steeds meer van onszelf laat zien. Zo zegt de apostel dat de wet hem geleerd heeft dat ook zondige begeerten en gedachten, die nooit tot daden komen, zonde zijn voor God. Hij zegt daarover: Ook had ik de begeerlijkheid niet geweten zonde te zijn, indien de wet niet zeide: Gij zult niet begeren. Het is dan ook door de wet met zijn eis van volmaakte gehoorzaamheid, dat wij steeds dieper verstaan dat door de wet geen vlees gerechtvaardigd zal worden voor God. Wij zijn immers ‘vlees’, dat is: onbekwaam tot het goede, geneigd tot het kwade.

De mens is hopeloos verloren. Hij staat schuldig voor God, zijn Schepper, en is onmachtig zichzelf te verlossen.

 

Deze twee belangrijke dingen wil de apostel dat wij zullen weten. En waarom? Waarom wil hij dat de christenen in de gemeente van Rome deze twee zaken goed zullen verstaan? Opdat ze ook het reddend evangelie zullen verstaan. Het evangelie waarvan hij geschreven heeft: Want ik schaam mij het Evangelie van Christus niet; want het is een kracht Gods tot zaligheid (Rom.1:16). Het evangelie waarvan hij vervolgens heeft geschreven: Want de rechtvaardigheid Gods wordt in hetzelve geopenbaard uit geloof tot geloof; gelijk geschreven is: Maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven (Rom.1:17).

Hij wil dat zij kennis zullen krijgen aan het evangelie dat de boodschap verkondigt dat de schuldige, doemwaardige, machteloos verloren mens gered wordt enkel en alleen door zich toe te vertrouwen aan de gekruisigde Christus. Hij wil hen het geheim binnenleiden van de rechtvaardiging van de goddeloze enkel en alleen door het geloof in Jezus Christus. Zoals hij dat zegt in hoofdstuk 1 vers 17: Uit geloof tot geloof, dat is: van begin tot eind alleen door het geloof.

 

Laten wij nu samen eerst zingen van Psalm 130 het tweede vers:

 

Zo Gij in ‘t recht wilt treden,

O Heer’, en gadeslaan

Onz’ ongerechtigheden,

Ach, wie zal dan bestaan?

Maar neen, daar is vergeving

Altijd bij U geweest;

Dies wordt Gij, Heer’, met beving,

Recht kinderlijk gevreesd.

 

Gemeente, we hebben geluisterd naar Paulus’ oordeel over de wereld waarin hij leefde. Hij heeft beiden Joden en Grieken beschuldigd.

Nu zouden we kunnen zeggen: dit was Paulus’ oordeel. Het is echter niet alleen Paulus’ oordeel. Het is Gods oordeel over de mens. De lijst met beschuldigingen aan het adres van zowel de Jood als de Griek is afkomstig uit Psalm 14. Daar lezen we: De Heere heeft uit de hemel nedergezien op de mensenkinderen, om te zien of iemand verstandig was, die God zocht (Ps.14:2). En het resultaat is: Zij zijn allen afgeweken, tezamen zijn zij stinkende geworden; er is niemand die goed doet, ook niet één (Ps.14:3).

Het oordeel van Paulus is op Gods onderzoek gegrond. Het is met feiten bewezen dat de mens een zondaar is. De lijst van beschuldigingen is in de rechtzaal neergelegd. Er is niemand rechtvaardig, ook niet één. Allen zijn zij afgeweken, tezamen zijn zij onnut geworden. Er is niemand die goed doet en niemand die God zoekt. Er is niets tegen in te brengen. De bewijzen ligger er. Daarom wordt de mond van alle tegensprekers gestopt en de gehele wereld voor God verdoemelijk verklaard.

Het is een sombere boodschap. Maar ook een boodschap die niet verzwegen mag worden. Hoe zou u denken over een man die mensen naar de afgrond zag lopen, zonder hen te waarschuwen? Hoe zou God denken over een dienaar of kerk die de boodschap van Romeinen 3 verzwijgt? Het mag niet verzwegen worden dat de gehele wereld voor God verdoemelijk is. Het is een noodzakelijk vertrekpunt om het evangelie te verstaan. Zonder de boodschap uit Romeinen 3 hangt Golgotha in het luchtledige en verstaan we niet wat de Zoon van God kwam doen. We missen dan de essentie van het evangelie, dat boodschapt: Want God was in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende, hun zonden hun niet toerekenende (2 Kor.5:19).

Jonge mensen, daarom mogen we deze boodschap ook niet voor jullie verzwijgen en moeten we onze kinderen vertellen dat de ganse wereld verdoemelijk is voor God. Het is een boodschap die maakt dat we het evangelie van God dierbaar zullen achten en bij Christus onze redding zullen zoeken.

 

Met dit doel heeft Paulus dit aan de gemeente te Rome geschreven. Hij wilde hen daardoor tot Christus leiden en het evangelie dieper leren verstaan. 

Wij vinden dat Paulus een vreemde methode heeft gekozen. Ik hoor u al zeggen: ‘Hoe leg je dat nu uit aan de moderne mens van de eenentwintigste eeuw? Kun je daar nu wel mee aankomen, met zo’n boodschap dat de gehele wereld verdoemelijk is voor God? Hoe leg je dat uit aan de van God en Zijn Woord vervreemde mens? Hoe verkoop je dit aan de jeugd?’

Eigenlijk diep eenvoudig. Je hoeft maar rondom je te kijken in wat voor wereld wij leven. En wat voor wereld zie je dan? Dezelfde wereld die Paulus zag. Een wereld die naar God niet zoekt; waar niemand rechtvaardig is. Een wereld van mensen van wie de mond vervuld is met vervloeking en bitterheid, van wie de voeten snel zijn om bloed te vergieten en die een spoor van ellende en vernieling achter zich laten. Het is de wereld uit Romeinen 3 en het is onze wereld. Het is een wereld die, vanwege zijn ongerechtigheid, verdoemelijk is voor God.

 

In zo’n wereld wilde Paulus het evangelie verkondigen. Voor zo’n wereld had hij een boodschap van redding; het evangelie van God Die in Christus de wereld met Zichzelf verzoend heeft.

Het was geen boodschap van: ‘Doe je best, dan kom je er wel.’ Het was de verkondiging dat niets de zondaar van het oordeel redden kan, dan alleen het geloof in Jezus Christus, Die overgeleverd is om onze zonden en opgewekt is tot onze rechtvaardigmaking. Naar dit doel heeft Paulus toegewerkt. Daarom heeft hij gesproken over de schuld en verlorenheid van Jood en heiden en verklaard dat de gehele wereld verdoemelijk is voor God.

 

Gemeente, dit is Gods oogmerk met de overtuiging van zonde en ellende. De ellendekennis is er op gericht om ons te leren dat er maar één weg van redding is, namelijk het geloof in Jezus Christus. Calvijn zegt dat God Zijn dreigingen en verwijten als hamerslagen op ons hoofd doet neerkomen, om te haken naar het leven dat Hij ons in Jezus Christus aanbiedt. Hij oordeelt dat God geen behagen zou hebben ons zo te behandelen, als Hij niet wist dat het noodzakelijk is.

Het geloof in Christus kan niet gescheiden worden van de kennis van onze zonde en schuld voor God. Wanneer je jezelf hebt leren kennen als een verdoemelijk mens voor God, begroet je de boodschap van het evangelie met blijdschap en verwondering. Eerst dan wordt het evangelie een boodschap van redding. Want waarom zou je Jezus zoeken en waarom zou je in Hem geloven, indien je niets gevoelt van je schuld en verlorenheid voor God? 

 

Opdat alle mond gestopt worde en de gehele wereld voor God verdoemelijk zij. Het is nogal een boodschap die Paulus brengt! En toch zo’n noodzakelijke boodschap. Wij redeneren en discussiëren. Wij hebben allerlei soorten van kritiek op God. Job had dat ook. Hij ging zelfs zo ver dat hij zei: Och, of ik wist dat ik Hem vinden zou! Ik zou tot Zijn stoel komen (Job 23:3). Hij wilde voor Gods rechtbank komen en God ter verantwoording roepen. Maar toen God verscheen, werd zijn mond gestopt en sprak hij: Ik leg mijn hand op mijn mond (Job 39:37).

We kunnen grote woorden gebruiken, God bekritiseren en zelfs met de atheïsten roepen dat er geen God is, maar in Gods tegenwoordigheid moeten alle mensen verstommen.

 

Bent u tot zwijgen gebracht in Gods tegenwoordigheid? Is dat al met u gebeurd? Hebt u niets meer tot uw verdediging aan te voeren? Moet u het onderschrijven wat Paulus zegt: Dat degenen die zulke dingen doen, des doods waardig zijn (Rom.1:32)? Zie dan eens op Jezus. Hij heeft gezwegen, terwijl Hij kon spreken. Hij kon Zichzelf verdedigen en  zeggen: ‘God, de zonden waarvoor Ik moet lijden heb Ik niet bedreven; de schuld die Ik moet betalen heb Ik niet gemaakt; de straf die Ik moet ondergaan verdien Ik niet.’ Maar Hij zweeg.

Als een lam werd Hij ter slachting geleid, en als een schaap dat stom is voor het aangezicht van zijn scheerders, alzo deed Hij Zijn mond niet open (Jes.53:7). En waarom? Jesaja zegt het: Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf die ons de vrede aanbrengt was op Hem (Jes.53:5).

Zie dan vanuit je nood en smart op deze Jezus, Die zwijgen wilde, aanvaarden wilde, om voor ons te bewerken wat Paulus prediken wilde: Want ik schaam mij het Evangelie van Christus niet; want het is een kracht Gods tot zaligheid een iegelijk die gelooft.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Gebed des Heeren: 6

 

Vergeef ons onze schulden, Heer’;

Wij schonden al te snood Uw eer;

De boosheid kleeft ons altijd aan;

Wie onzer zou voor U bestaan,

Had Jezus niet voor ons geleên?

Wij schelden kwijt, die ons misdeên.