Ds. R. Kattenberg - Zondag 31

De sleutels van het hemelrijk

De betekenis van de woorden 'hemelrijk' en 'sleutel'
Hoe gesproken wordt over de prediking van het evangelie
Het functioneren van de christelijke ban

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 15: 1, 2
Lezen : Ezechiël 33: 1-11
Zingen : Psalm 1: 2, 3
Zingen : Psalm 95: 4
Zingen : Psalm 90: 7
Zingen : Psalm 101: 1

Gemeente, wij besteden in deze dienst aandacht aan Zondag 31 van de Heidelbergse Catechismus, de vragen 83 tot en met 85:

 

Vraag 83: Wat zijn de sleutelen des hemelrijks?

Antwoord: De verkondiging van het heilig evangelie en de christelijke ban of uitsluiting uit de christelijke gemeente, door welke twee stukken het hemelrijk de gelovigen opengedaan, en de ongelovigen toegesloten wordt.

 

Vraag 84: Hoe wordt het hemelrijk door de prediking van het heilig evangelie ontsloten en toegesloten?

Antwoord: Alzo, als, volgens het bevel van Christus, aan de gelovigen, allen en een iegelijk, verkondigd en openlijk betuigd wordt dat hun, zo dikwijls als zij de beloftenis des evangelies met een waar geloof aannemen, waarachtiglijk al hun zonden van God, om der verdiensten van Christus wil, vergeven zijn; daarentegen alle ongelovigen, en die zich niet van harte bekeren, verkondigd en betuigd wordt dat de toorn Gods en de eeuwige verdoemenis op hen ligt, zolang als zij zich niet bekeren; naar welk getuigenis des evangelies God zal oordelen, beide in dit en in het toekomende leven.

 

Vraag 85: Hoe wordt het hemelrijk toegesloten en ontsloten door de christelijke ban?

Antwoord: Alzo, als, volgens het bevel van Christus, degenen die onder de christelijke naam onchristelijke leer of leven voeren, nadat zij, ettelijke malen broederlijk vermaand zijnde, van hun dwalingen of hun schandelijk leven niet willen aflaten, der gemeente, of degenen die van de gemeente daartoe verordineerd zijn, aangebracht worden, en, zo zij aan de vermaning zich niet storen, van henlieden door het verbieden der sacramenten uit de christelijke gemeente, en van God Zelf uit het rijk van Christus gesloten worden; en wederom als lidmaten van Christus en van Zijn gemeente aangenomen, zo wanneer zij waarachtige betering beloven en bewijzen.


De preek kan worden samengevat als: De sleutels van het hemelrijk.

 

We letten op drie zaken:

1. De betekenis van de woorden ‘hemelrijk’ en ‘sleutel’

2. Hoe gesproken wordt over de prediking van het evangelie

3. Het functioneren van de christelijke ban
 

Gemeente, ik zou willen beginnen met een vraag: Wanneer we even vooruitkijken naar het opschrift boven Zondag 32: ‘Van de dankbaarheid, die men Gode voor de verlossing schuldig is’, valt dan de toon van Zondag 31, die we u zojuist hebben voorgelezen, niet heel erg tegen? Het betreft immers de laatste Zondag van het stuk van de verlossing?

Waarom klinkt er in dit laatste gedeelte over de verlossing geen blijde jubel? Zou dat niet meer op zijn plaats geweest zijn? Let u bijvoorbeeld eens op Romeinen 8 vers 1: Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen die in Christus Jezus zijn. Of nog een andere tekst uit Romeinen 8: Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? (Rom.8:35) Zou dat niet een veel mooiere afsluiting zijn van het stuk van de verlossing, om van daaruit te beginnen aan het stuk van de dankbaarheid?

De laatste Zondag in de afdeling van de catechismus over de verlossing spreekt over de sleutels van het hemelrijk, over de tucht in de prediking en over de christelijke censuur. Lijkt dat nu niet op een donkere wolk die voor de zon schuift?

Onze kinderen zeggen soms: ‘Het is mooi weer, maar kijk eens, daar komen wolken aandrijven. Zo meteen verdwijnt de zon.’ Is dat hier ook zo?

We hebben immers in het stuk van de verlossing zulke rijke getuigenissen gehoord en nu schuiven er wolken voor de zon! Zou dat nu niet anders kunnen?

 

Gemeente, mochten we zo denken, dan moeten we elkaar tot de orde roepen, want zo is het niet. Er zit inderdaad wel een droeve kant aan deze Zondag, maar er zijn helaas in de gemeente ook onoprechten, huichelaars en onbekeerlijken. Juist zij worden hier gewezen op het grote gevaar waarin zij verkeren. We moeten bovendien niet vergeten dat ook de gemeente Gods, hoeveel genade ze ook ontvangen heeft, altijd tot zonde geneigd is.

Zondag 31 laat heel duidelijk het licht vallen op de eer en de heerlijkheid van God. En waar de eer van God wordt beoogd en verheerlijkt, daar worden zondaren gezaligd. Zullen we niet vergeten dat dit ten nauwste met elkaar verbonden is?

Calvijn sluit zijn Institutie af met de drie letters S.D.G. Dat betekent: Soli Deo Gloria, God alleen de eer. We verliezen dat wel eens uit het oog. Maar juist wanneer God de eer krijgt, worden zondaren gezaligd en goddelozen met God verzoend.

De Bijbel brengt een blijde boodschap, maar er is ook een andere zijde aan die boodschap. Waar de eer en heerlijkheid van God beoogd wordt, horen we in het spoor van het Woord van God ook dat de goddelozen de toorn van God zullen ondervinden. Er klinken dan indrukwekkende woorden als ‘de toorn van God’ en ‘eeuwige verdoemenis’.


We onderzoeken nu eerst de betekenis van twee woorden die kenmerkend zijn in deze Zondag; de woorden ‘hemelrijk’ en ‘sleutel’.

 

1. De betekenis van de woorden ‘hemelrijk’ en ‘sleutel’


We beginnen met het woordje ‘hemelrijk’.

Kinderen, de juf of de meester heeft vast wel eens een gelijkenis verteld over het koninkrijk der hemelen. Het koninkrijk der hemelen is gelijk aan een koopman die mooie parels zoekt of het is als een net vol vissen.

Het koninkrijk der hemelen… Waaraan denk je bij deze woorden?

Aan het rijk van een koning.

Wie is die Koning?

Dat is de Heere Jezus.

Dus het koninkrijk der hemelen is het rijk van God.

 

Zouden we op reis kunnen gaan naar het koninkrijk der hemelen? Is dat een land ergens in de buurt van Egypte of van IJsland?

Nee, dat weten jullie wel. De juf of meester kan dat land niet op de kaart aanwijzen. Het is een geestelijk koninkrijk. Je kunt het omschrijven als ‘de genadeheerschappij van de Heere Jezus’.

Waar komt dat koninkrijk eigenlijk vandaan?

Gemeente, het komt uit het hart van God. Wij kunnen het niet doorgronden. Het is welbehagen, het is verkiezende liefde van God. Het is evangelie, het is de blijde boodschap.

De genadeheerschappij van Christus begint in het hart van mensen. Hij doet hen voor Zich buigen. Hebt u al gebogen voor de Koning der koningen? Buigt u zich al voor Hem neer?

Als u kerkelijk getrouwd bent, dan heeft u geknield voor het aangezicht van de Heere.

Is dat de basis geworden van uw leven en van uw huwelijksleven?

Is het steeds uw gebed: ‘Heere, vervul dat gebed dat we samen met de gemeente gebeden hebben. Zegen ons, Heere, met de kinderzegen. Heere, wilt U Uw koninkrijk, de genadeheerschappij van Christus, bouwen en vestigen in onze kinderen?’

 

Het koninkrijk der hemelen is een geestelijk koninkrijk, maar dat rijk strekt zich wel uit over de hele wereld. Het is onmogelijk ergens op aarde een plek aan te wijzen en te zeggen: ‘Daar ligt het koninkrijk der hemelen.’ Maar het omgekeerde is ook waar. De juf of meester kan ook geen plek op aarde aanwijzen waarvan je kunt zeggen: ‘Daar is het koninkrijk der hemelen niet.’

Je zou het wel zo kunnen zeggen: ‘Overal waar mensen de Heere vrezen en de Heere Jezus liefhebben, daar is het koninkrijk der hemelen.’ Dat rijk is altijd daar waar de Koning is, daar waar de Heere Jezus woont in harten van mensen, ook van jonge mensen.

Kinderen, we moeten ons altijd maar afvragen: is het koninkrijk der hemelen ook in mij? Leven we voor de Heere? Want daar is het koninkrijk der hemelen.


Kinderen, maar ook volwassenen, als je de Heere liefhebt, dan dringt dat door in heel je leven. Dan kun je je heel gelukkig voelen en vrede in je hart hebben. Je begeert dan om voor de Heere te leven. Je voelt je dan ‘in de wereld en niet van de wereld’. Je doet niet mee met allerlei praktijken van de wereld. Je denkt dan ook niet: ‘Ik ben veel beter.’ Maar je weet dan dat de Heere je Koning en je hemelse Vader is. Aan veel dingen kun je niet meedoen, maar andere dingen doe je juist graag. Dat komt omdat je kind van God bent en door de liefde die je hebt voor de Heere Jezus Christus.

Dus overal waar een kind van God woont, is het koninkrijk der hemelen.

Straks, op de grote dag des Heeren, wordt het koninkrijk van God volmaakt en zichtbaar. Dan komen alle onderdanen samen bij hun Koning Jezus. Het wordt dan één kudde onder leiding van één Herder.

 

Wat is het aangrijpend, als we buiten dat hemelrijk staan. We zijn door onze zonden en dus om eigen schuld, buiten het paradijs gesloten, buiten de gemeenschap met God, en daarmee buiten Zijn koninkrijk.

Als de Bijbel opengaat, kom je altijd terecht bij je eigen schuld, vanwege je zonden. Wij hebben ons uitgeleverd aan de koning van het rijk van de duisternis en die koning is de duivel, de satan.

Het Halloweenfeest bijvoorbeeld is heel duidelijk een feest van het rijk van de duisternis. Doe er toch niet aan mee! Het zijn de strikken van de duivel. Die strikken worden zó gelegd, dat je snel de neiging hebt om te zeggen: ‘Ach, zit daar nu zoveel kwaad in?’ Maar voordat je het weet, ben je erin verstrikt.

 

We kennen allemaal wel het bordje: ‘Verboden toegang. Artikel 461 van het Wetboek van Strafrecht.’

Een kind zegt dan: ’Papa, mama, daar mogen we niet in.’

Als we eens een keer achterom kijken naar het verloren paradijs, dan is dat net zo. Het paradijs is voor ons voor altijd gesloten. Zo is het huis van God, het koninkrijk van God, voor ons dichtgegaan. Die deur kunnen wij niet meer zelf opendoen.

U zegt misschien: ‘Wat doen we dan nog hier in de kerk?’

Gemeente, er is nog een woord uit de catechismus dat de aandacht vraagt. Dat is het woordje ‘sleutel’. Daarin openbaart zich de genade van God. Want het gaat over een sleutel voor een deur die hermetisch gesloten is.   

Het is de genade van God en onze Heere Jezus Christus, dat er een sleutel is waarmee de deur tot het hemels koninkrijk kan worden geopend.

Wie heeft die sleutel van het koninkrijk der hemelen? Wie kan mensen toelaten? Wie kan mensen uitsluiten?

Er is er maar Eén. Het is de Heere Jezus Christus. Hij heeft de sleutel van David. Van Hem lezen we in Openbaring: Die opent en niemand sluit, en Hij sluit en niemand opent (Openb.3:7).   

 

De verhoogde Christus, in Wiens hand de sleutels liggen, heeft die bevoegdheid overgedragen aan de christelijke gemeente. De gemeente draagt die sleutel weer over aan de ambtsdragers, in het bijzonder aan de ouderlingen.

De apostelen hebben die sleutelbevoegdheid van Jezus ontvangen. In Mattheüs 16 zegt de Heere Jezus tegen Zijn discipelen: En Ik zal u geven de sleutelen van het Koninkrijk der hemelen; en zo wat gij zult binden op de aarde, zal in de hemelen gebonden zijn; en zo wat gij ontbinden zult op de aarde, zal in de hemelen ontbonden zijn (Matth.16:19).

Na de tijd van de discipelen hanteren de ambtsdragers in de kerk van nu deze sleutels namens de gemeente.


Wat zijn de sleutels van het hemelrijk? Dat zijn de verkondiging van het evangelie en de christelijke ban.

Daar waar de kerk is en zij haar roeping vervult, worden geloof en ongeloof zichtbaar. Al bij het kerkgebouw gaan de wegen van mensen uiteen. Niet iedereen die je op zondag op straat tegenkomt, gaat naar de kerk. Hoeveel mensen lopen de kerk niet voorbij? De kerk brengt scheiding. De één gaat wel naar binnen en de ander niet. Bij de ingang splitsen zich de wegen.

Wat is het dan een wonder dat wij hier in de kerk zijn! En jullie ook, meisjes en jongens! Het is een zegen van de Heere als Hij je brengt onder de bediening van het evangelie. We hebben zo-even horen lezen uit Ezechiël, dat de Heere dat doet om je te behouden. De Heere zegt daar: Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen, want waarom zoudt gij sterven, o huis Israëls? (Ez.33:11)

 

Maar binnen de kerk is er ook een tweedeling. Er zijn gelovigen en ongelovigen. Mensen die zich laten gezeggen door het Woord en die door de genade van God en door het werk van de Heilige Geest buigen, en anderen die doorgaan op hun eigen gekozen weg.

De één zoekt en vindt de vergeving van de zonden, de ander de genieting van de zonden.

De één zegt: ‘Heere, bewaar me, maak dat ik niet ben als de wereld’ en de ander zegt: ‘Geef mij de wereld en houd Jezus maar.’

Voelt u aan hoe scherp het Woord van God is? De één ontvangt het eeuwige leven en de ander wordt verdoemd.

 

Gemeente, we ontmoeten hier het evangelie in zijn ernstigste vorm. Hier is de laatste uitgestoken hand. Het is één van tweeën: binnen of buiten.

De sleutel, die binnenlaat of buitensluit, wordt gehanteerd in de prediking. Het is binnen of buiten. Er is geen derde weg.

Er zijn mensen die wel graag een weg willen zien tussen hemel en hel. Ze zeggen: ‘Ik ben niet ongelovig. Maar gelovig, in de diepste zin van het woord, ben ik ook weer niet.’ Ze willen een tussenweg hebben. Maar het Woord van God kent die derde weg niet. In de Openbaring staat: Zo dan, omdat gij lauw zijt, en noch koud noch heet, Ik zal u uit Mijn mond spuwen (Openb.3:16).

Als de poort tot het koninkrijk voor u niet geopend wordt met de sleutel van de bediening van het evangelie, dan blijft u buiten staan. ‘Buiten’, dat is buiten God en buiten het hemelrijk en zonder de Heere Jezus Christus.


Zo heeft de bediening van de sleutelmacht twee kanten.

Enerzijds is zij buitengewoon rijk en heerlijk. Eigenlijk in mensenwoorden niet te vatten. Maar er is ook een vreesaanjagende kant; die is eigenlijk ook niet in mensenwoorden uit te drukken.

Dat blijkt uit wat er staat als antwoord op de vraag: ‘Hoe wordt het hemelrijk door de prediking van het heilig evangelie ontsloten en toegesloten?’

Het antwoord luidt: ‘De gelovigen wordt, zo dikwijls als zij de beloften van het evangelie met een waar geloof aannemen, betuigd dat al hun zonden vergeven zijn. En de ongelovigen wordt betuigd dat de toorn Gods en de eeuwige verdoemenis op hen ligt, zolang als zij zich niet bekeren.’


We gaan nu eerst Psalm 95 vers 4 zingen, waarin de oproep tot bekering tot ons komt:

 

Want Hij is onze God, en wij
Zijn ‘t volk van Zijne heerschappij,
De schapen, die Zijn hand wil weiden;
Zo gij Zijn stem dan heden hoort,
Gelooft Zijn heil- en troostrijk woord;
Verhardt u niet, maar laat u leiden.

 

2. Hoe gesproken wordt over de prediking van het evangelie

 

De evangelieboodschap wordt vooral gebracht in de prediking van het Woord van God. Meisjes en jongens, een preek kan soms wel wat lang duren; je hoort soms te veel om te kunnen onthouden. Als je er veel van vergeet, is dat op zich niet zo erg. Niemand kan de hele preek onthouden.  Het is dan ook beter dat je een paar dingen goed onthoudt. Daar kun je dan heel de week over nadenken.

Vandaag moet je vooral twee woorden onthouden: ‘open’ en ‘dicht’.

 

De prediking van het evangelie is in de eerste plaats ‘openen’.

In de Naam van de Heere Jezus Christus mag en moet de kerk openlijk betuigen dat er door de verzoening in Zijn bloed een open deur tot het hemels koninkrijk is. De kerk steekt haar boodschap niet onder stoelen of banken. Het is een boodschap die overal gehoord mag worden. Het moet juist verkondigd worden aan alle mensen en het moet gehoord worden tot aan de einden van de aarde.

De kerk hoeft zich voor de verkondiging van de evangelieboodschap niet te schamen. Ze mag er ronduit voor uitkomen en doorgeven wat ze van God heeft ontvangen.

 

Die verkondiging van het evangelie gaat niet zonder tegenstand. Onze Nederlandse Geloofsbelijdenis en de Heidelbergse Catechismus zijn tot stand gekomen in een tijd van vervolgingen. De mannen die de catechismus opgesteld hebben, spreken uit ervaring, ze spreken uit de bevinding van het geloof. Ruik maar eens goed aan de catechismus, dan ruik je de brandlucht nog van de brandstapels. Zijn wij erop voorbereid dat wij ook met vervolging geconfronteerd kunnen worden? Zijn we voorbereid op de toekomst des Heeren, die zich door de weeën van deze wereld aankondigt?

 

De opstellers van de catechismus mogen zo, in de Naam van de Heere Jezus Christus, vanuit het Woord van God, de weg wijzen tot het eeuwige leven.

De kerk mag zeggen: ‘Binnen!’ Het wordt de gelovigen verkondigd en betuigd. Dat gaat in de weg, zoals we hier lezen, van het aannemen van de beloften van het evangelie door een waarachtig geloof.

Zo vaak als dat gebeurt, zijn hun de zonden vergeven. Dat is de stelligheid van de Reformatie, gefundeerd in het Woord van God. Het is niet een mogelijkheid die hier geboden wordt, maar hier wordt met een vast geloof uitgesproken: ‘De zonden zijn vergeven als de beloften van het evangelie geloofd worden.’ Al die beloften monden uit in de kernbelofte en de enige inhoud daarvan is Christus Jezus en Zijn volbrachte werk.

Dus de beloften van het evangelie geloven, is eigenlijk hetzelfde als in Christus geloven. Zo dikwijls als u onder de prediking en daarbuiten de beloften van het evangelie met een waarachtig geloof aanneemt en omhelst, zijn uw zonden u van Godswege vergeven.

Rijker kan het niet. Als dat openlijk verkondigd en betuigd wordt, spreekt het geloof het uit: ‘Mijn zonden zijn vergeven!’

Dat zegt een mens wel aarzelend en met knikkende knieën. Maar je kunt dat ook alleen maar in verwondering zeggen. Het is niet vanzelfsprekend, maar het is een wonder van de genade van God. Het wordt beleden met veel vrees in het hart en vaak ook onder veel aanvechtingen van de duivel.

 

Allerlei omstandigheden kunnen een rol spelen. Maar Gods kind zegt dat omdat God het zegt. Het is geen verzinsel van eigen makelij, maar het is naspreken van het Woord van God.

God heeft het gezegd, en in de prediking moeten we niet anders doen dan nazeggen wat God heeft voorgezegd. Zo is de prediking van het evangelie een heerlijke en een aangrijpende aangelegenheid.

De deur gaat open in de verkondiging van het evangelie, dat van troost spreekt voor bedroefden, ontferming voor ellendigen, en behoud van verlorenen. Het verkondigt steun voor de vermoeiden en bezwaarden van hart, bekering voor de dwalenden van hart en zekerheid voor twijfelmoedigen.

Maar het spreekt ook het oordeel uit over de hardnekkigen die zich niet van harte tot God bekeren.

Daar hebt u de andere kant. U zit hier niet vrijblijvend. We kunnen niet zeggen: ‘We zullen er nog eens over denken en u hoort er nog wel van.’ Nee, de Heere dringt aan. We hebben het gehoord, de Heere zegt tegen Israël: ‘Onrecht in Mij?’

 

Doet God onrecht? U staat nu voor de spiegel van het Woord van God. De Heere zegt door de profeet Micha: ‘Betuig tegen Mij (Micha 6:3), zeg het maar: Wat doe Ik dan verkeerd? Beloof Ik te weinig of vraag Ik teveel? Geef antwoord!’

Gemeente, wilt u het liever van een afstand beschouwen en er alleen maar een beetje over praten?

Maar zo is het Woord van God niet. Dat is nooit afstandelijk. Dat vraagt om een onmiddellijke reactie. Want de Heere zegt: Heden, zo gij Zijn stem hoort (Ps.95:7).


U ziet wel dat als u in de kerk komt en onder het Woord zit, dat daar heel wat aan vast zit. Al zou u niets van de preek gehoord hebben en niet hebben meegezongen en meegebeden, u zult nooit kunnen zeggen dat u de weg tot het koninkrijk niet geweten hebt. De weg des levens wordt elke dienst verkondigd en steeds wordt het oordeel u aangezegd.

Beseft u wel dat u hier niet vrijblijvend zit?

Het is of het één, of het ander.

Enerzijds zegt Christus in het Woord van God: ‘Uw zonden zijn uw vergeven, indien u waarachtig gelooft.’ Dan gaat de poort naar het Godsrijk open.

Anderzijds zegt Hij ook: ‘Uw zonden zijn u gehouden, u blijft in uw zonden, zolang u voortleeft in ongeloof en in onbekeerlijkheid.’

De poort gaat dan dicht. Dat is de ernst van elke kerkgang.

Naast die rijke en heerlijke kant ‘de poort gaat open’, zit er aan de bediening van de sleutelmacht ook die ernstige en aangrijpende boodschap vast dat ‘alle ongelovigen, en die zich niet van harte bekeren, verkondigd en betuigd wordt dat de toorn Gods en de eeuwige verdoemenis op hen ligt, zolang als zij zich niet bekeren.’

 

Misschien hebt u wel eens nagedacht over de vraag: wat houdt een mens nu eigenlijk buiten het koninkrijk van God?

Je ontmoet vaak mensen die op deze vraag antwoorden: ‘Mijn zonden.’

Dat is echter niet waar, want dáár is doen aan. Johannes houdt ons voor: Het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde (1 Joh.1:7). U kunt u niet achter uw zonden verschuilen.

Andere mensen zeggen: ‘Het zijn mijn ongerechtigheden, want er mankeert nogal wat aan mijn leven, dus die houden me buiten het koninkrijk.’

Nee, dat weerhoudt u ook niet.

Wat dan wel?

Uw ongeloof! Dat is de grootste zonde. Ongeloof houdt u buiten het koninkrijk.

Er is een brief van dominee Van der Groe, waarin hij schrijft: ‘Indien u maar niet schuldig staat aan de zonde van ongeloof, dan kunnen er nog zoveel zonden zijn in uw leven, maar dan hoeft u geen vrees te hebben om verloren te gaan.’

Er is zelfs een boekje van William Fenner, dat als titel heeft: ‘Ongeloof, de grofste poging tot zelfmoord.’

Denk aan wat we gezongen hebben uit Psalm 95:

 

Zo gij Zijn stem dan heden hoort,

Gelooft Zijn heil- en troostrijk woord;

Verhardt u niet, maar laat u leiden.


Gemeente, het is niet te zeggen hoe ernstig de zonde van ongeloof is. Als we ons niet bekeren, wordt ons de toorn van God en de eeuwige verdoemenis verkondigd.

We kunnen wel daaraan voorbij leven, omdat de toorn nu nog getemperd wordt door de algemene genade van God. Maar merken we de uitingen van Gods toorn op in Nederland, als Hij ons volk overgeeft aan eigen goeddunken? Zien we Gods toorn over het geheel van de wereld oprijzen?

Het is nodig om de Heere voor alle goede gaven in ons leven te danken, maar wat is het vooral nodig om boete te doen. We moeten als kerk en als natie met boete en berouw aan de voeten van de Heere terechtkomen.

 

Gemeente, het is onbeschrijfelijk erg als we horen: ‘De toorn van God blijft op degene die het evangelie ongehoorzaam is.’ Zo’n mens kómt niet onder de veroordeling, maar blíjft er onder.

Eeuwige verdoemenis... Het is een woord dat je doet huiveren, een woord om je over te ontzetten. Dat huiveringwekkende woord moet je niet losweg in je mond nemen.

U hebt het al vaak gehoord, maar het moet wel een keer wat uitwerken in uw leven. De catechismus zegt daarom: ‘Zolang als zij zich niet bekeren.’

 

Kinderen, jullie kijken wel eens uit nieuwsgierigheid door een kiertje van de deur om te zien wat je eigenlijk niet zien mag. De opstellers van de catechismus kijken eigenlijk ook door een kiertje van de deur en vragen zich af: ‘Bekeren de kinderen zich wel? Bidden ze met heel hun hartje:

 

‘t Boze dat ik heb gedaan
Zie het, Heere, toch niet aan
Schoon mijn zonden vele zijn,
Maak om Jezus’ wil mij rein?

 

Gemeente, weet u hoe erg het is als u zich er telkens weer onderuit redeneert? U geeft daarmee aan dat u zich te goed voelt om verloren te gaan. Het is ten diepste niet anders dan hoogmoed.

Er zijn mensen - en let dan ook op uzelf - die nooit geleerd hebben dat ze niet te goed zijn om verloren te gaan. Dat is voor ons mensen onbegrijpelijk en we begrijpen het evangelie dan ook niet. Als je je hoofd niet op het blok legt, dan heb je het evangelie ook niet nodig.

Ons behoud ligt in een weg van omkomen, van jezelf verliezen. Want zo wie zijn leven behouden wil, die zal het verliezen; maar zo wie zijn leven verliezen zal om Mijnentwil, die zal het behouden (Luk.9:24).

Wie zijn leven wil behouden, die zal het verliezen, maar wie zijn leven zal verliezen - nee, wie zijn leven metterdaad verliest, door de praktijk van het geloof - die zal het behouden.

 

Zo ziet u dat Gods Woord ons een deur verkondigt, die open kan en toegesloten kan worden. Maar er is ook die kier: ‘Zolang als zij zich niet bekeren.’

Dat is heel scherp. Die lijn gaat dwars door de gemeente heen. De evangelieverkondiging loopt van de preekstoel naar de rechterstoel van God.

Er is een rechte lijn naar boven. God zal oordelen met Zijn Woord in de hand, zowel  vrijspraak als veroordeling.

Waak op en hoor de stem van het evangelie van de Zoon van Zijn liefde. Hij zegt: Zou Ik enigszins lust hebben aan de dood van de goddeloze? (Ez.18:23) Laten we het menselijk zeggen, God bedoelt: ‘Echt niet!’ Wat beoogt Hij dan? Wel, daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve (Ez.33:11).

We horen Paulus in één van zijn brieven smeken: Zo zijn wij dan gezanten van Christuswege, alsof God door ons bade; wij bidden van Christuswege: Laat u met God verzoenen. Het kan nog! Want Dien, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem (2 Kor.5:20-21).

Hier horen we weer de zo pastorale toon van onze catechismus: ‘Zolang als zij zich niet bekeren.’

 

We zingen nu Psalm 90 vers 7:

 

Wie kent Uw toorn, wie Zijn geduchte krachten?
Wie vreest dien recht geduchtste Macht der machten?
Leer ons de tijd des levens kost’lijk achten,
Opdat ons hart de wijsheid moog’ betrachten.
Keer weder, Heer’, Uw gunst koom’ ons te stâ;
Hoe lang ontzegt G’ Uw knechten Uw genâ?

 

3. Het functioneren van de christelijke ban


Onze catechismus schrijft: ‘Alzo, als, volgens het bevel van Christus, degenen die onder de christelijke naam onchristelijke leer of leven voeren, nadat zij, ettelijke malen broederlijk vermaand zijnde, van hun dwalingen of hun schandelijk leven niet willen aflaten, der gemeente, of degenen die van de gemeente daartoe verordineerd zijn, aangebracht worden.’

 

Gemeente, het gaat hier om de christelijke censuur, de tucht. De tucht gaat over leer en leven van de belijdende leden van de gemeente. Zij heeft een bepaald doel. De tucht is niet bedoeld om iemand dwars te zitten, maar om hem of haar van een verkeerde weg af te houden en om te voorkómen dat de sacramenten ontheiligd worden.

Hier ziet u weer dat het gaat om de heerlijkheid van God en de heiligheid van God in de kerk en in alles wat in de gemeente plaatsvindt.


De tucht begint niet, zoals veel mensen denken, bij de kerkenraad, maar bij de gemeente. Het woord ‘broederlijk’ betekent niet ‘de broeders van de kerkenraad’, maar het gaat om de gemeente. Gemeenteleden hebben als eersten een taak naar de andere leden toe. Dus de uitspraak: ‘Daar mag de kerkenraad wel eens wat aan doen’, is niet juist. U mag niet zomaar praatjes rondstrooien en er zelf niets aan doen. Dan staat u buiten de orde van het Woord van God. Dat is roddelen.

Als u iemand ziet zondigen of daarvan gehoord hebt, gaat u allereerst zelf naar die persoon toe. We hebben het dan niet over zomaar een zonde. Eigenlijk mag je niet zeggen: ‘Zomaar een zonde’, want elke zonde is zonde tegen de hoge, heilige God. Maar het gaat hier over dingen die diep ingrijpen. Het gaat hier over een zonde die iemand de toegang tot de tafel des Heeren en tot het doopvont ontzegt. Het moet echt iets ingrijpends zijn.

 

Als je weet van een ernstige zonde van een gemeentelid, dan ga je naar hem toe met het Woord in je hand en dan zeg je: ’Ik wil graag onder vier ogen met u praten.’ Je hoopt dan dat die man of vrouw zich laat overtuigen en dankbaar zegt: ‘Dankjewel dat je me daarop wijst.’ Dan bent u ook dankbaar en blij het zo gedaan te hebben. En na afloop praat je er verder met niemand over. Het is en blijft dan een geheim tussen u beiden.

 

Maar helaas gaat het niet altijd zo. Het kan zijn dat die persoon zegt: ‘Ja, maar…’ Hij gaat zich verdedigen, terwijl u ervan overtuigd bent dat u gelijk hebt. Het is dan uw plicht om nog een keer en nog een keer te gaan. Hoe vaak? Dat kan ik niet zeggen, maar het moet een broederlijke vermaning zijn.

Komt uw broeder niet tot inkeer, dan zoekt u een lid van de gemeente dat goed zwijgen kan en legt hem de zaak voor. Je vraagt hem met je mee te gaan, omdat je ervaren hebt dat je de zondaar alleen niet kunt overtuigen. Je bidt om de zegen van de Heere en gaat nu met z’n tweeën.

Komt de zondaar in dat gesprek of daaropvolgende gesprekken tot inkeer en schuldbelijdenis, dan is het klaar.

Maar als hij niet tot inkeer komt, dan breekt het moment aan dat u naar de kerkenraad moet gaan. Dan verklaart u: ‘Ik heb verschillende malen geprobeerd, eerst alleen en toen met een ander lid, met een broederlijke vermaning, mijn broeder of zuster van zijn of haar zonde te overtuigen. Ik heb gedaan wat ik kon, maar heb hem of haar niet kunnen overtuigen. Willen jullie het overnemen?’ Pas dan wordt het een zaak voor de kerkenraad.


Censuur wordt altijd gevoed vanuit de liefde en beoogt het behoud van de zondaar.
Dat is net zoals bij de dokter. Onze kinderen weten ook wel dat als je ziek bent, de dokter langskomt. Hij geeft je een drankje en je hoopt dat je zo weer beter wordt.

Zo is de censuur ook een middel tot genezing, tot berouw en boete van de zondaar. De gemeenteleden die vermaanden en ook de kerkenraad hopen dat door de behandeling de zondaar van zijn overtreding genezen wordt.

Als de vermaningen en gesprekken geen resultaat hebben, dan treedt de eerste trap van censuur in. De gemeente wordt dan meegedeeld dat er een broeder of zuster onder de eerste trap van censuur is gezet.

Er is dan op dat moment al heel wat gepasseerd. Als de kerkenraad die stap neemt, dan moet zij er van overtuigd zijn dat de zonde van zodanige aard is dat, als de zondaar of zondares zich niet bekeert, zo iemand afgesneden wordt. Als ‘een rottend lid’, zo staat het in het formulier. Dan wordt dat lid van de gemeente als een heiden en als een tollenaar. U beseft wel dat er dan wel heel gewichtige dingen aan de orde zijn.


Als die eerste trap bekend wordt gemaakt, wordt er geen naam genoemd, maar wel het gebod waartegen iemand overtreden heeft. Er wordt ook gevraagd of de gemeente wil bidden voor die zondaar of zondares.

Hierna wordt de gecensureerde voortdurend bezocht en vermaand tot inkeer en schuldbelijdenis. Dit kan lange tijd in beslag nemen.

Als er geen verandering komt, wendt de kerkenraad zich tot de classis. Daar worden de bijzonderheden rondom het gecensureerde lid toegelicht en wordt verslag gedaan van de inspanningen om de zondaar tot boetvaardigheid te brengen. De kerkenraad vraagt dan toestemming om over te gaan tot de tweede trap van censuur.

Dat gebeurt niet zondermeer. De zaak wordt van alle kanten bezien en vaak zal de classis tot terughoudendheid manen en zeggen: ‘Wacht nog maar even en doe nog eens dit of dat.’

Er kan echter een moment aanbreken dat er toestemming wordt gegeven voor de tweede trap van censuur. Dan wordt aan de gemeente de naam bekendgemaakt en de zonde van de gecensureerde vermeld. Opnieuw wordt dan gevraagd om het gebed van de gemeente. Hierna volgt weer een, vaak lange, periode van vermaning. Als het gemeentelid door vermaning en gebed van de gemeente tot bezinning komt en schuldbelijdenis aflegt, wordt de censuur opgeheven.


Tenslotte volgt de afsnijding, zoals de belijdenis zegt, als ‘een rottend en ongeneeslijk lid’. Als het gemeentelid tenslotte niet in de schuld komt voor God en Zijn heilige gemeente, dan volgt uitsluiting van de gemeente door de christelijke ban. Dat is ‘uitgesloten uit het koninkrijk van God’, zo lezen we hier, ‘door God Zelf’.

De gemeente is dan als het ware ten einde raad. Je ziet iemand weggaan en de deur wordt achter hem of haar toegesloten.  

 

Maar toch, de deur gaat niet definitief dicht. Hij blijft op een kier staan! Ook hier geldt weer: zolang zij zich niet bekeren. De christelijke kerk is, in het spoor van het Woord van God, de openbaring van Gods barmhartigheid.

Gemeente, nooit geldt: ‘Weg jij, we willen je nooit meer zien.’

Soms moeten we echter wel iemand buitensluiten. Maar we zeggen dan tegelijk: ‘Kom alsjeblieft weer terug.’

Als u kijkt naar het ‘Formulier van ban of afsnijding’, dan staat direct daarna het ‘Formulier van wederopneming’ om de afgesnedene, na schuldbelijdenis voor God en Zijn gemeente, weer op te nemen in de gemeente van Christus.

Weer zien we dat liefde altijd de drijfveer is.

 

De evangelieverkondiging en de kerkelijke tucht beogen beide dat de deur geopend wordt en een zondig mens behouden zal worden.

 

Gemeente, we horen uit de hemel roepen:

Zou Ik enigszins lust hebben aan de dood des goddelozen? (Ez.18:23)

 

Wat is uw antwoord?

 

Vanuit de hemel klinkt het:

Daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve! (Ez.33:11)

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 101: 1

 

‘k Zal van de deugd der milde goedheid zingen,
Van ‘t heilig recht der strenge rechtsgedingen;
Een psalmgezang, o hooggeduchte Heer’,
Uw naam ter eer.