Ds. J. IJsselstein - Zondag 2

Hoe groot mijn zonden en ellende zijn

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 130: 1, 2
Lezen : Mattheüs 22: 34-40
Zingen : Psalm 38: 1, 2, 3, 6
Zingen : Psalm 53: 2, 3
Zingen : Psalm 38: 9, 21, 22

Gemeente, we behandelen in deze dienst Zondag 2 van de Heidelbergse Catechismus, vraag en antwoord 3, 4 en 5:

 

Vraag 3: Waaruit kent gij uw ellende?

Antwoord: Uit de wet Gods.

 

Vraag 4: Wat eist de wet Gods van ons?

Antwoord: Dat leert ons Christus in een hoofdsom, Matth.22:37-40: Gij zult liefhebben de Heere uw God met geheel uw hart, en met geheel uw ziel, en met geheel uw verstand, en met geheel uw kracht. Dit is het eerste en het grote gebod. En het tweede, aan dit gelijk, is: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. Aan deze twee geboden hangt de ganse wet en de profeten.

 

Vraag 5: Kunt gij dit alles volkomenlijk houden?

Antwoord: Neen ik; want ik ben van nature geneigd God en mijn naaste te haten.

 

Jongens en meisjes, om getroost te leven en te sterven zijn er drie stukken nodig; eigenlijk zijn het drie hoofdstukken van één boek. We gaan vandaag hoofdstuk 1 van dat boek lezen. Het heeft als opschrift: ‘Hoe groot mijn zonden en ellende zijn.’

 

De eerste vraag is: ‘Waaruit kent u, ken jij, je ellende?’

Kent u die ellende wel?

U zegt: ‘Ja, wij mensen zijn ellendig. Dat weet ik wel uit het nieuws, uit de krant, uit de media. Je hoort iedere dag zoveel ellende en allerlei nare dingen.’ Of misschien zegt u: ‘Ik weet hoe ellendig mijn leven is door alles wat er de laatste tijd gebeurd is.’ Misschien was er wel ruzie thuis of was er iemand heel erg ziek. Misschien is er zelfs iemand gestorven.

 

Als je ziek bent, jongens en meisjes, als je buikpijn hebt en misschien ook koorts, dan zegt mama na een paar dagen: ‘Kom, we gaan naar de dokter!’ Wat gebeurt er dan, als je binnenkomt in de spreekkamer van de dokter? Dan zegt hij niet: ‘O, ik zie het al. Hier heb je een pilletje, ga maar weer naar huis, dan word je snel weer beter.’

Nee, hij zal zeggen: ‘Kom maar, kom maar even zitten.’ Hij gaat onderzoek doen door eerst wat vragen te stellen: ‘Heb je hoofdpijn, keelpijn, oorpijn, moet je hoesten, heb je buikpijn of diarree?’ Als hij dan helemaal uitgevraagd is, zegt hij: ‘Kom maar, doe je hemd maar even omhoog, dan ga ik even luisteren naar je buik, naar je longen en naar je hart. Ik moet je onderzoeken, want ik wil weten wat er precies, wat er echt aan de hand is.’

Misschien - dat hoop ik natuurlijk niet - zegt hij uiteindelijk: ‘Ik weet het nog niet zo goed. Ga maar even naar het ziekenhuis en laat maar een röntgenfoto of een echo maken.’ Met een foto of met een echoapparaat kun je naar het inwendige van je lichaam kijken. Zo kan de dokter in je buik zien wat hij aan de buitenkant niet kan zien. De dokter moet precies de oorzaak weten van de koorts en van de buikpijn, anders weet hij niet wat hij moet doen.

 

De catechismus laat zien dat de wet van God eigenlijk net zo werkt als een  röntgenapparaat. Met zo’n foto kijk je als het ware dwars door de buitenkant heen naar wat er van binnen zit. Maar nu niet in je buik, maar in je hart.

Die wet gaat vragen naar de oorzaak van alles wat mis is en van alles wat ellendig is in ons leven. De wet van God geeft antwoord op de vraag: hoe komt het toch dat wij zo ellendig zijn?

 

Maar, jongens en meisjes, missen we in de catechismus eigenlijk niet de vraag: ‘Bent u, ben jij wel ellendig?’ Je zou het wel denken, maar de catechismus vraagt dat helemaal niet. De catechismus gaat er gewoon van uit dat het zo is. Wij, zoals wij hier zitten met elkaar, wij allemaal zijn ellendig.

Maar het helpt natuurlijk niet om met de gedachte ‘het is gewoon zo’, je schouders erover op te halen.

 

‘Ellendig zijn’, wil zeggen: in ballingschap verkeren. Weg van huis, weg van thuis, niet meer thuis wonen. Heel ver weg zijn, zoals de verloren zoon. Hij zei: ‘Ik ga weg bij mijn vader.’ Hij liep weg van huis. Hij had er geen zin meer in. Hij verachtte zijn vader en de liefde van zijn vader. Hij verliet zijn ouderlijk huis en in dat verre land raakte hij in een ellendige toestand. Hij kwam daar bij de varkens terecht en leed honger. Ellendig, ver bij huis vandaan.

 

‘Maar wat is dan onze ellende?’, vraag je.

Ik zei het al: dat is dat we ver van huis, ver van God vandaan zijn. Dat we tegen de Heere God gezondigd hebben en weggelopen zijn. En dat we steeds maar doorgaan met zondigen tegen Hem en verkeerde dingen doen.

We hebben daardoor een heel hoge schuld.

Dat wil zeggen: we moeten betalen, maar we hebben geen geld om te betalen. We hebben niets waardoor de schuld weer weggedaan kan worden. We kunnen ons bovendien niet verbeteren.

Wat zijn we door wat wij gedaan hebben, door onze zonden, toch diep ellendig geworden!

Maar we zijn niet alleen ellendig en ver van de Heere God vandaan, maar we zien het ook nog eens niet. God zegt het wel tegen ons, maar wij geloven het niet.

Ja, we geloven het wel met ons hoofd. Als de Heere zegt: ‘Je bent een zondaar’, zeggen we: ‘Ja Heere, natuurlijk, ik ben een zondaar.’ Maar dat is nog wat anders dan het geloven met je hart.

Als God mij aanwijst als een zondaar, dan zeg ik: ‘Ja Heere, het is waar’, maar eigenlijk denk ik: Maar ik ben toch ook wel een beetje goed? Ik ben toch ook wel netjes?

Dit betekent dat wij niet alleen ellendig zijn, maar ook nog blind. Dat heeft de apostel Johannes ook zo geschreven aan de gemeente in Laodicea. Hij heeft geschreven dat ze ellendig zijn, ver van huis en ver bij God vandaan. Arm, jammerlijk, verschrikkelijk ellendig, blind en naakt. Door de zonde is ons hart helemaal veranderd. We zijn ellendig geworden en leven ver bij God vandaan. En we zien het niet. Dat is allemaal begonnen in het paradijs, toen Adam zondigde.

 

Dus wat hebben we nodig? Wat heb jij nodig? Het is noodzakelijk dat God de Heilige Geest ons weer - zo zeggen we dat - geestelijke ogen geeft. Het is nodig dat God onze blinde ogen opent, zodat we het zien. Tegelijkertijd houdt God ons dan een spiegel voor om daarin met nieuwe ogen te kijken. Die spiegel zegt: ‘Kijk, dat ben jij, dat bent u.’ God is heilig en goed – dat staat in de wet – en jij bent ellendig en zondig. De wet is dus als een spiegel. Een spiegel die je voorgehouden wordt om in te kijken.

Jakobus schrijft in zijn brief: ‘De wet is als een spiegel.’ Ook het Woord van God is als een spiegel. Je zou kunnen zeggen dat de wet wijst naar het binnenste van je denken. Denk maar terug aan dat röntgenapparaat dat dwars door je heen kijkt.

Zo kijkt de wet in je hart en wijst naar het binnenste van je denken en toont wie je bent. De wet laat zien wie je bent: zondaar tegen God. God kijkt dwars door je heen, diep in je hart. De Heere zegt: ‘Kijk maar in die spiegel, dan zie je wie je bent.’

 

Als je in spiegel van de wet kijkt, zie je twee dingen. Je ziet Wie God is, de Heilige, de Volmaakte. Tegelijkertijd zie je wie je zelf bent. Als de Heere God je dat laat zien, door het werk van de Heilige Geest in je hart, zie je met nieuwe ogen dingen die je nog nooit gezien hebt. Je ziet hoe vies, smerig en zondig je hart is.

Kinderen, je moet hierbij maar even denken aan een jongetje of meisje dat thuis lekker aan het verven is met vingerverf. Met die verf kun je mooi tekenen en verven. Je bent druk bezig en ineens krijg je kriebels aan je neus. Je hebt het niet in de gaten, maar het gebeurt wel. Maar je gaat lekker door, totdat mama zegt: ‘Moet je eens kijken hoe vies je eruit ziet.’ Je zegt: ‘Nou, ik zie helemaal niets.’

Dat klopt ook, want je kunt niet in een boogje kijken. Je ziet er zelf niets van. Pas als je in de spiegel kijkt zie je hoe vies je bent.

Dit alles zegt de Heere in deze preek ook tegen mij, tegen jou en tegen ons allemaal. ‘Kijk jij, kijkt u maar eens in de spiegel van de wet. Dan zie je hoe zondig je bent. Hoe vuil je hart is van de zonde.’

 

Het gaat dus in vraag 3 over mij en over u, en over jullie. Er staat niet: waaruit ken je de ellende, in zijn algemeenheid. Maar: waaruit kent u uw ellende, en waaruit ken je jouw ellende? De bedoeling van de wet is niet om de ellende om ons heen te laten zien, maar het gaat over mij, over u, over jou, over ieder van ons persoonlijk.

De wet van de Heere God zegt: ‘Jij hebt tegen God gezondigd. God is heilig en goed en jij, en u en ik zijn slecht.’ Je kunt wel wegvluchten zoals Adam, je kunt je wel verstoppen zoals Saul, en je kunt het wel ontkennen zoals David, maar God maakt vandaag een röntgenfoto. Niet van je buik, maar van je hart. Hij kijkt dwars door je heen. Hij zet je voor de spiegel en zegt: ‘Kijk maar, dan zie je hoe slecht je bent.’

Paulus schrijft, als hij vertelt over zijn leven: ‘Eerst wilde ik niet in die spiegel kijken, want ik was blind. Maar toen de Heere ging werken in mijn hart, kwam de wet in mijn leven.’ ‘En toen ik in die spiegel keek’, schrijft hij, ‘is de zonde levend geworden. Toen ging de hemelse Dokter, God de Heere in de hemel, mij als het ware die foto voorhouden en Hij zei: Kijk, dáár zit de kwaal.’

De wet wijst aan, als een aanwijsstok. Zij laat zien dat we overtreden hebben, dat we de wet van de Heere niet gehouden hebben.

 

Wat doet de wet nog meer? De wet veroordeelt. Zij zegt niet alleen dat je al haar geboden niet hebt gehouden, maar voegt er nog iets aan toe: ‘Je bent schuldig. Je hebt de wet overtreden. Je moet betalen.’ Zoals je van de politie na een snelheidsovertreding te horen krijgt: ‘Je hebt te hard gereden. Je reed 140 km per uur in plaats van de toegestane 100 km. Ik houd je staande, want je hebt de wet overtreden. Je krijgt een boete. Je moet betalen. Als je niet betaalt, dan ga je mee.’

 

Gebeurt dat maar één keer? Werkt God dat één keer in je hart en daarna nooit meer? Nee, dat boek met die drie hoofdstukken is een boek dat je steeds weer terugleest. Je leest hoofdstuk voor hoofdstuk, maar op een ander moment blader je weer terug.

Ook als God je een nieuw hart gegeven heeft, houdt Hij je de spiegel van de wet voor om de zonde aan te wijzen. Dan zeg je, als je terugkijkt: ‘Ik weet niet zo precies wanneer het was, maar op een gegeven moment in mijn leven, toen gebeurde het. Toen opende God de Heilige Geest mijn ogen. Toen ging ik mijn zonden zien. Mijn leven werd toen heel anders. Ik kreeg berouw. Ik kreeg verdriet over al de zonden die ik gedaan had en ik ging de Heere zoeken. Ik wilde Hem hartelijk gaan dienen. Het was de tijd dat ik de Heere heel erg lief kreeg en vol was van Hem.

Maar daarna hield de Heere me weer de spiegel van de wet voor. Toen hield Hij me weer een foto van het binnenste van mijn hart voor en klonk het: ‘Kijk eens wat Ik daar zie?’ Toen zag ik het nog veel scherper, meer helder dan ooit tevoren. En toen zag ik het: mijn hart was vol vijandschap, haat, en zonde tegen God. Ik zei toen: Heere, ik heb de dood verdiend. Ik wist niet dat ik zo slecht was. Ik ben een goddeloos mens.’

Nadat ik op deze wijze weer hoofdstuk 1 gelezen had, las ik ook hoofdstuk 2 opnieuw; het hoofdstuk dat ik daarvoor niet zo mooi vond. Het sprak me niet aan. Maar toen ging dat hoofdstuk 2 over de Heere Jezus en over de verlossing van de zonde, er opeens heel anders uitzien.’

Zo lees je nu dat boek door. Hoofdstuk 1, nog een keer hoofdstuk 1. Dan hoofdstuk 2 en 3 en dan toch weer terug naar hoofdstuk 1. Steeds opnieuw…

 

De wet is een spiegel. Zij laat zien wat de mensen niet zien. God schijnt met Zijn licht en opent je ogen. Hij doet dat om ons - nu gebruik ik een moeilijk woord - te ontdekken aan onszelf. We noemen dat ook wel: ontdekkende genade of ontdekkend licht van de Heere. Dat wil zeggen: de Heere doet dat om ons te leren Wie Hij is en ook wie wij zijn. Wie je bent, dat zie je in de spiegel. Wie God is zie je in de wet van God.

 

We lezen nu vraag 4 van de catechismus: ‘Wat eist de wet van God van ons?’

Het antwoord is: Dat leert ons Christus in één hoofdsom, in een samenvatting. Gij zult liefhebben de Heere uw God, met geheel uw hart, met geheel uw ziel, met geheel uw verstand en met geheel uw kracht. Dit is het eerste en het grote gebod. En het tweede aan dit gelijk is: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. Aan deze twee geboden hangt de ganse wet en de profeten (Matth.22:37-40). De catechismus vat hier dus met de woorden uit de mond van de Heere Jezus de gehele wet samen.

 

God op de Sinaï en de Heere Jezus zeggen beide dat de wet twee dingen vraagt. Allereerst vraagt zij God, de Heere in de hemel, lief te hebben boven alles, meer dan alles en iedereen, met heel je hart, met heel je ziel, en met je hele verstand.

Dat heeft betrekking op alles wat je denkt, op alles wat je voelt, op wat je graag wilt, en op al je plannen. En dat met heel je kracht, met je handen, je mond, met alles wat je hebt. God liefhebben, meer dan alles en iedereen.

Het tweede dat de wet van ons vraagt is je naaste lief te hebben als jezelf. Je naasten; dat zijn alle andere mensen. Niet alleen de mensen van wie je houdt, ook de mensen voor wie je je neus ophaalt. De Heere Jezus heeft zelfs gezegd: ‘Je vijanden zijn ook je naasten.’ Iedereen lief hebben als jezelf.

 

Dat zegt de catechismus, dat leert ons Christus.

De bedoeling van de catechismus is dus gewoon na te zeggen wat de Heere Jezus heeft gezegd.

Het is niet de leer van Paulus of van Mozes.

Nee, het is een uitspraak van de Heere Jezus Christus Zelf. Maar wel precies als Mozes het heeft gezegd, vroeger al, in Deuteronomium 6.

 

De Heere God liefhebben met uw hele hart, met uw hele ziel en met al uw vermogens. Wat zegt de Heere Jezus tegen die wetgeleerde, die naar Hem toe komt? Wat zegt de Heere Jezus daarmee vandaag tegen jou, tegen u en tegen mij?

Wel, die wetgeleerde had een vraag. Hij vroeg aan de Heere Jezus: ‘Wij hebben de wet met haar tien geboden. Maar welk gebod is nu het belangrijkste? Gebod één of twee of zeven, of het tiende gebod?’

Jongens, meisjes, wat was het antwoord van de Heere Jezus?

Luister: ‘Al de geboden zijn even belangrijk.’ Je kunt ze samenvatten en dat heeft de Heere Jezus gedaan in twee geboden, een dubbelgebod: God liefhebben meer dan alles en iedereen, en je naaste, je medemens, als jezelf.

 

Maar wat wil de Heere Jezus daar nu mee zeggen? Wat houdt Zijn boodschap aan ons in? Dat je alles wat je doet, moet doen met liefde.

Je kunt wel nooit iemand vermoord hebben - gelukkig maar - maar als je je naaste haat in je hart, dan ben je toch wel een moordenaar. Je kunt wel iedere zondag heel braaf in de kerk zitten - het is fijn dat je er bent, dat u er bent - maar je moet het wel doen met de liefde van je hart. Als je het alleen maar doet omdat het moet, omdat het zo hoort, dan zit het niet goed in je hart.

De Heere Jezus zegt dat het er niet om gaat dat je alles doet. Het gaat erom hoe je het doet, waarom je het doet, wie en wat je op het oog hebt. De wet is niet een boekje met regels, maar – dat is de boodschap van de Heere Jezus – de wet is geestelijk. Het gaat om de oprechte liefde van je hart. Maar als dat er niet is, als je de liefde niet hebt, dan kun je nog zo braaf en zo netjes lijken, maar dan ben je als een klinkend metaal en een luidende schel. Dan ben je een geestelijke rammelaar.

 

De wet is Gods spiegel. Het oog van de alwetende God dringt door tot het diepste van ons hart. Hem liefhebben boven alles, zodat we getuigen met Psalm 73: ‘Wien heb ik nevens U in de hemel? Wat zou mijn hart, wat zou mijn oog op aarde, naast U, toch begeren?’ God meer dan alles liefhebben en je naaste als jezelf.

Gemeente, leg uw hart er maar naast. Jullie, jongens en meisjes, en ik ook.

Wat is je antwoord, als de Heere dat van je vraagt? God meer dan alles en iedereen liefhebben… De mensen in de kerk, buiten de kerk, je buren, iedereen, liefhebben als jezelf. Wat zeg je dan? Zeg je dan: ‘Dat klopt Heere’, terwijl je je stiekem omdraait en wegloopt? Jakobus schrijft in zijn brief: ‘De mens kijkt in de spiegel, hij is een man gelijk, welke zijn aangeboren aangezicht bemerkt in een spiegel (Jak.1:23); hij schrikt vervolgens, en hij loopt weg. Hij probeert zijn beeld zo snel mogelijk te vergeten.’

Wij proberen ons misschien heimelijk wel gerust te stellen, door te zeggen: ‘Ja, ik zie nu wel dat ik slecht ben, maar ik doe toch ook nog heel veel goede dingen? Ik ben toch netjes? Ik zie er vanbuiten toch uit als een christen uit en zo gedraag ik me toch ook?’

Ja, in het allerbeste geval krijg je een tien voor het doen, maar een nul voor de liefde. En dan is het dus niks met je. Dan noemt Paulus je: een klinkend metaal en een luidende schel, een geestelijke rammelaar…

 

U zegt misschien: ‘Maar daar kan ik toch niets aan doen? Als de Heere mij niet bekeert, als Hij me geen nieuw hart geeft, wat kan ik er dan aan doen?’ U kijkt dus in de spiegel en u ziet dat u een misdadiger bent, maar u zegt: ‘Ach, wat zielig! Maar ik voel me eerder een slachtoffer.’

Jongens en meisjes, wat moet er dan gebeuren?

We moeten luisteren naar de wet van God. Niet zoals mensen die zeggen: ‘Laten we maar vaak over de wet praten, dan kun je horen hoe goed ik ben en hoe slecht een onkerkelijk mens is.’ Nee, want het gaat hier over mijn zonden en het gaat over mijn ellende, de zonden van mij en de ellende van mij, waardoor ik zo ver bij God vandaan leef. Dat gaat blijken als ik ga luisteren naar de wet van God.

 

Als God de Heilige Geest de wet gaat gebruiken om de zonde aan te wijzen, net als die dokter wijst naar de röntgenfoto, gaan onze ogen open. ‘Kijk, daar zit het.’ Als God de Heilige Geest de wet als een foto van het binnenste van mijn hart gaat gebruiken om de zonde aan te wijzen, zie ik die scherper dan ooit tevoren.

Zoals Nathan tegen David, die zich probeerde te verstoppen, zei: ‘U bent die man. U hebt het gedaan!’ Zo scherp als de Heere Jezus was tegen de Samaritaanse vrouw. Hij hield haar als het ware een spiegel voor, de foto van het binnenste van haar hart: ‘Vrouw, de man die u nu hebt, dat is uw man helemaal niet.’ Zo scherp houdt God ons de wet voor, als Hij zegt, tegen ons mensen die onszelf zo goed vinden: ‘U denkt wel dat u goed bent, maar u bent slecht!’

 

Als God de Heilige Geest in je hart werkt en Hij doet de wet als het ware doordringen tot in het diepste van je hart, dan buig je. Dan breek je. Dan zeg je: ‘O God, niet al die andere mensen, maar ik heb tegen u gezondigd. Wee mij, dat ik zo gezondigd heb! Zo erg en zo veel.’

De wet lijkt dan wel een beetje op een politieagent die je voor de rechter sleept. En die rechter aarzelt geen ogenblik en hij zegt: ‘Ja, jij bent schuldig. Het is misschien wel heel scherp. U denkt dat u goed bent en dat u altijd goed gedaan hebt, maar uw hart, uw binnenste, is vol van haat en vijandschap. Dat blijkt wel op die foto. Ik zie wel allemaal mooie verf aan de buitenkant van je hart, maar binnenin is de dood.’

Dan zegt de wet - want de wet is meer dan een spiegel alleen - dan spreekt de wet als een rechter: ‘Ik veroordeel je.’

Dan breek je, en word je een arm mens voor God.

 

Maar de wet doet nog meer. Jongens en meisjes – ik gebruik nu weer een moeilijk woord, je moet het proberen te onthouden - de wet drijft uit. Goed onthouden: uitdrijven. Wat wil dat zeggen?

Wel, als mensen worden aangeraakt door de wet van God, worden ze onrustig. Je zou kunnen zeggen: de wet schudt ze wakker. De wet zegt: ‘Kijk eens hoe gevaarlijk je toestand is, hoe slecht je bent voor de heilige God.’

Die mensen gaan dan God zoeken. Ze gaan hun uiterste best doen om Hem te vinden. Ze hopen dat ze zich een beetje kunnen verbeteren, om zo vrede met God te vinden.

Er zijn trouwens ook mensen die wakker geschud worden door de wet, maar die al snel weer slaperig worden en inslapen. Zij hebben na verloop van tijd toch weer rust. Je hoort ze zeggen: ‘Ik ben toch een net mens? Ik ben tegenwoordig veel ijveriger dan vroeger. Ik houd me veel beter aan de regels van de wet. Ik ben eerbiediger geworden en ernstiger. Ik lijk wel een beetje bekeerd.’

Maar één ding ontbreekt. Eén ding zit niet goed.

Gemeente, onderzoek uw eigen hart maar, ik doe het ook.

Eén ding mankeert eraan. Ze kennen de plaats van de tollenaar niet. Hij sloeg op zijn borst en zei: O God, wees mij zondaar genadig! (Luk.18:13).

Deze mensen missen de plaats van de buitenstaander, van de ellendeling, die het niet meer weet.

 

We hebben allemaal de neiging om ons te verbeteren. Als God ons de spiegel van Zijn wet voorhoudt, en we zien onze zonde, dan gaan we ons best doen. We gaan ons leven veranderen. Het lijkt dan beter met ons te gaan.

Maar daar zit het punt; we hopen vooral dat de Heere het ziet, en dat Hij blij zal zijn met onze inspanningen, en ons zal belonen. We beloven de Heere: ‘Wees maar gerust! Ik zal me verbeteren, ik zal alles betalen wat ik U schuldig ben.’

Weer gebruikt de Heere de spiegel van de wet. De wet eist God lief te hebben boven alles, met heel je verstand, met heel je ziel, met alle kracht, en je naaste als jezelf. De wet dringt dwars door de buitenkant heen. Ja, eerst lijkt het nog wel wat. Maar zij dringt door tot het binnenste, zij wijst steeds dieper naar de bron, naar mijn hart. Die bron is zondig en verdorven. De wet laat de zonde steeds meer, steeds dieper en steeds scherper zien. Het uiteindelijke doel van de wet is dat ik me afkeur, dat ik ga wanhopen aan al mijn pogingen om mezelf te verbeteren. Opdat ik eerlijk tegen de Heere ga zeggen: ‘Heere, ik kan het niet. Het lukt nooit. O, wees mij zondaar genadig, want mijn hart is een vuile bron van zonden tegen U.’

 

Jongens en meisjes, weet je, dan wordt hoofdstuk 2 van dat boek ineens zo mooi. Dan ga je met heel andere ogen doorlezen in dat boek. Dat tweede hoofdstuk gaat over de Heere Jezus en Zijn werk. Dan ga je ineens lezen dat de Heere Jezus de wet nooit heeft overtreden.

Ik heb alles fout gedaan, alle geboden overtreden, maar de Heere Jezus heeft nog nooit één gebod overtreden. Hij kon echt zingen: ‘Ik draag Uw heilige wet, die U de sterv’ling zet, in het binnenste van Mijn hart.’

Wat zie ik dan ineens nog meer?

De diepte van mijn schuld!

Als je ziet dat de toorn van God juist Hem, de Heere Jezus Christus, getroffen heeft. In Gethsémané en op Golgotha, waar Hij gekruisigd is. Als je oog krijgt voor de zwaarte, de ernst en de geestelijkheid van de wet, als je leest dat in het gericht van God het volle gewicht van Zijn toorn losgebrand is op Zijn enig geliefde Zoon, dan besef je steeds dieper dat die toorn op u, en op mij, had moeten losbarsten.

 

Nu dat moeilijke woord ‘uitdrijven.’ Dat is het doel van de wet. Als ik door de wet ontdekt wordt aan mijn zonden, ga ik wanhopen aan mijzelf, aan mijn inspanningen, zodat ik de redding van mijn hart en mijn leven ga zoeken in de Heere Jezus Christus.

Wat bedoelen we nu met ‘uitdrijven’? Dat woordje wil zeggen: wegduwen van je plek. Mijn plek is dat ik mijn best probeer te doen om mij te verbeteren. Maar de wet zegt: ‘Nee, weg daar! Je kunt jezelf niet verbeteren. Het wordt nooit wat met je.’ Zo drijft de wet je uit. Zij duwt je naar de Heere Jezus Christus toe.

Maar dat wil ik niet. Ik wil het zelf doen. De wet echter, die spiegel, die foto van mijn binnenste hart, gaat er voor zorgen dat ik het niet meer bij mezelf zoek, maar bij Hem, de Heere Jezus Christus.

 

We zijn inmiddels aangekomen bij vraag 5: ‘Kunt u dit alles volkomen houden?’ Kun je gebod 1 tot en met gebod 10 volbrengen?

Het antwoord staat in Psalm 53, het tweede en derde vers. We gaan ze samen zingen:

 

God, die het recht met kracht verdedigt, sloeg

Van ‘s hemels troon Zijn ogen naar beneden

Op Adams kroost, doorzocht hun hart en zeden;

Hij zag, of zich geen mens verstandig droeg,

En naar Hem vroeg.

 

Hij zocht alom, maar ach; Hij vond er geen;

Want alle vlees is trouw’loos afgeweken;

Het land is vol van stinkende gebreken;

Geen sterveling wil ‘t pad der deugd betreên,

Ja, zelfs niet één.

 

Kunt u, kun jij, dit alles, al die geboden, volkomen houden, eraan gehoorzaam zijn?

Het antwoord is kortweg: ‘Neen ik; want ik ben van nature geneigd om God en mijn naaste te haten.’

Een heel persoonlijk antwoord: ‘Ik ben van nature geneigd.’ Dat wil niet zeggen: ik heb een beetje de neiging, zoals je de neiging kunt hebben om te veel te eten of zo. Maar ‘geneigd’ wil zeggen: het is mijn hartstocht, mijn ware aard, mijn natuur. Mijn aard is zodanig, dat ik God haat.

U hoort het goed! Ik ben zo, dat ik van nature – dat is mijn aard – God haat en mijn naaste ook! Ik lijk misschien wel aardig, maar dat komt, zou je kunnen zeggen, omdat God mijn hart een beetje in bedwang houdt. Hij zorgt dat het verkeerde van mijn hart er niet uitkomt. God zet er als het ware een hek omheen.

Ik kan mijn naaste wel haten. Maar gelukkig, zorgt God ervoor – door dat hek eromheen, door die tralies – dat ik hem niet vermoord. God houdt me tegen. We noemen dit de algemene goedheid of genade van God.

 

Jongens en meisjes, dat je aan de buitenkant netjes en aardig lijkt, wil niet zeggen dat ook je hart zo goed en netjes is.

Stel je voor, je loopt in de dierentuin. Je kijkt om je heen. En ineens zie je een heel groot hok, met hele dikke tralies ervoor. In dat hok lopen twee hele mooie poezen. Grote poezen. Ze hebben een mooie vacht, lichtbruin van kleur. Prachtig! Er staat wel een bordje bij de tralies: ‘Pas op!’ Maar je denkt bij jezelf: ‘Ach, schattige poesjes, ik zal ze eens proberen te aaien.’

Je steekt je hand voorzichtig door de tralies en ineens: ‘Hap!’ Je schrikt. Ja, aan de buitenkant leek het een lieve poes, maar die poes heeft het hart, de neiging, de natuur van een leeuw. Gelukkig maar, dat er tralies om gezet zijn!

Het is gelukkig dat God ook tralies om ons hart gezet heeft. Maar je hart is wel onveranderd gebleven, ook al staan er hekken omheen. Het is boos, vijandig en slecht!

 

De catechismus zegt: je bent vol van haat. De wet laat zien dat we precies het tegenovergestelde zijn van wat wij moesten zijn. We zijn geschapen om God te eren en groot te maken. Maar hoe zijn we? Paulus zegt: ‘We zijn vervuld, we zijn vol van alle ongerechtigheid. Vol van hoererij, boosheid, gierigheid, kwaadheid, nijdigheid, moord, twist, bedrog, kwaadaardigheid.’

Dat is mijn hart en uw hart. Door onze zonden zijn we goddeloze vijanden van God geworden. Of we nu in de kerk zitten, of niet.

 

Misschien denk je bij jezelf: ‘Maar waarom zegt de Heere dat nu steeds weer tegen me? Ik word er een beetje moe van. Iedere zondag hoor ik het. Ik weet het nu wel een keer.’

Weet je waarom de Heere dat steeds weer zegt? Opdat – zegt Paulus – alle mond gestopt zou worden en de gehele wereld voor God verdoemelijk zij (Rom.3:19). Om er voor te zorgen dat we onze mond zouden houden en nooit meer zouden zeggen: ‘Ja, Heere, dat zegt u wel, maar…’ En dan volgt iets waarmee we stiekem God de schuld geven. Nee, het gaat erom dat we zouden zeggen: ‘Ja Heere, het is waar. Ik heb niets terug te zeggen. Ik heb de dood verdiend. Is er nog een weg?’

Als het in je leven zo ver komt, dan blijkt dat de wet er niet alleen maar is om ons te veroordelen, er niet is opdat we ons zouden verbeteren, maar juist om te laten zien dat het een doodlopende en onmogelijke weg is.

Er wordt je een spiegel voorgehouden en je kijkt erin. Maar je ziet niet Wie erachter staat. Wie is dat dan?

De Heere Jezus Christus!

Het doel van de scherpe woorden van Mozes, het doel van die scherpe woorden van de Heere Jezus, als Hij de wet voorhoudt, is dat we Hem zouden nodig krijgen.

Verborgen achter de spiegel staat de Heere Jezus. Hij heeft de wet volkomen, helemaal, gehouden. Altijd heeft Hij God de Vader in de hemel bedoeld en Zijn eer op het oog gehad. En toch moest Hij lijden en sterven. Dat had maar één doel: vijanden van God, wetsovertreders, zulke slechte mensen als wij zijn, mensen vol van haat tegen God, met Hem te verzoenen. Hij heeft de schuld betaald om slechte mensen en kinderen, een nieuw hart te geven.

Het gehele werk van Christus, ook Zijn scherpe woorden, hebben maar één doel: ons harde hart en verzet te breken. Om ons uiteindelijk van vijanden en haters van God, kinderen en liefhebbers van God te maken.

 

U zegt wellicht: ‘Hoe moet het nou verder met mijn leven? De wet veroordeelt me. Als ik in de spiegel van de wet kijk die de Heere me steeds voorhoudt, dan weet ik en dan roep ik tot God en zeg ik: ‘O God, ik heb tegen U gezondigd!’ Dan zie ik het en dan echoot het als het ware in mijn geweten: ‘Vervloekt bent u.’ Alles van mij is tekort. Ik heb helemaal niets om te betalen. Ik wil vluchten, zoals Adam vluchtte, maar ik kan nergens meer heen. Wat moet ik doen?’

Als het zo met u is, kunt u alleen maar roepen. Roepen tot God, Die u uw leven lang al op het hart getrapt hebt: ‘Genâ, o God, genâ, hoor mijn gebed. Hoor hoe een boeteling pleit, en reinig mij van al mijn vuile zonden.’

Zeg het dan maar eerlijk: ‘Heere, ik heb U nooit bedoeld. Ik heb altijd mezelf op het oog gehad. Ik ben diep in mijn hart een hater van U en van mijn naaste.’

 

Roepende zondaars, verbroken door de wet, weet en geloof dat God geen vrienden zoekt, geen brave mensen. God zoekt, ook vandaag, vijanden, verloren mensen. Haters van God. Vijanden van God en vijanden van Christus.

Hij roept het u persoonlijk toe: ‘Wie is slecht?’

Wat zegt u? ‘Ja Heere, ik ben door en door slecht.’

Dan is dit woord tot u gericht: Wie is slecht, hij kere zich herwaarts (Spr.9:16). Draai u om. Kom tot Mij.  Al ware uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw. Al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol (Jes.1:18).

De goddeloze – ja, Heere, dat ben ik – verlate zijn weg, en de ongerechtige man – die man of vrouw ben ik – zijn gedachten; en hij bekere zich tot de Heere, zo zal Hij – Die u op het hart getrapt hebt – Zich zijner ontfermen, en tot onze God, want Hij vergeeft menigvuldig (Jes.55:7).

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 38: 9, 21, 22

 

Maar wat klaag ik, Heer’ der heren?

Mijn begeren

Is voor U, in al mijn leed,

Met mijn zuchten en mijn zorgen,

Niet verborgen;

Daar Gij alles ziet en weet.

 

Zie mij, Heer’, wien elk moet duchten,

Tot U vluchten.

O mijn God, verlaat mij niet;

Blijf niet, wegens mijn gebreken,

Ver geweken;

Toon dat Gij mijn rampen ziet.

 

Heer’, ik voel mijn krachten wijken

En bezwijken;

Haast U tot mijn hulp, en red,

Red mij, Schutsheer, God der goden,

Troost in noden,

Grote Hoorder van ‘t gebed.