Ds. D. Rietdijk - Zondag 47

Uw Naam worde geheiligd

De kennis van die Naam
De roem in die Naam
Het leven naar die Naam
Deze preek is eerder gepubliceerd in ‘De Heidelbergse Catechismus’ van ds. D. Rietdijk en ds. C.G. Vreugdenhil (Uitg. Groen, 1998).

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 8: 1, 2
Lezen : Psalm 8
Zingen : Psalm 9: 1, 2, 11
Zingen : Psalm 145: 4
Zingen : Geb. des Heeren: 2

Gemeente, wij willen overdenken Zondag 47 van onze Heidelbergse Cate­chismus.

 

Vraag 122: Welke is de eerste bede?

Antwoord: Uw Naam worde geheiligd. Dat is: Geef ons eerstelijk dat wij U recht kennen, en U in al Uw werken, in welke Uw almachtigheid, wijsheid, goedheid, gerechtigheid, barmhartigheid en waarheid klaarlijk schijnt, heili­gen, roemen en prijzen; daarna ook dat wij al ons leven, gedachten, woorden en werken, alzo schikken en richten, dat Uw Naam om onzentwil niet gelasterd, maar geëerd en geprezen worde.

 

Gemeente, Zondag 47 gaat over de eerste bede: Uw Naam worde geheiligd.

 

Wij letten op drie dingen:

1. De kennis van die Naam

2. De roem in die Naam

3. Het leven naar die Naam

 

1. De kennis van die Naam

 

Gemeente, wij zijn bezig met het gedeelte dat handelt over het gebed. Na die Gode verheerlijkende aanspraak van de vorige Zondag: Onze Vader, Die in de hemelen zijt, gaan wij nu de beden van het Onze Vader behandelen.

Daarmee zijn wij midden in de praktijk der godzaligheid terechtgekomen. Misschien is dat een wat verouderde uitdrukking geworden, maar het is wel een bijbelse. Misschien weten wij deze uitdrukking niet goed plaats te geven, maar het is een woord dat wel in de Bijbel voorkomt. Het wordt ons aange­prezen als een leven dat de belofte heeft voor dit en voor het toekomende leven.

U kunt het in al de psalmen nalezen, dat de man die de Heere vreest wel­gelukzalig genoemd wordt. Dat is de man die godzalig leeft, dat wil zeggen: iemand die naar het Woord van God leeft. Zo’n mens is vervuld van God, van de drie-enige God, van de dienst van God en van de Naam van God. Die heeft de belofte voor dit leven, maar ook voor het toekomende leven. Straks zullen zij ingaan in het nieuwe Jeruzalem, die geschreven zijn in het boek des levens en des Lams. Dat zijn al die mensen die hier op aarde heb­ben geleefd vanuit de Levensbron Christus. Zij hebben geleefd onder de lei­ding, onder het bestuur van de Heilige Geest en zij hebben de Naam van de Vader verhoogd en verheerlijkt. En in haar zal niet inkomen iets dat ontreinigt en gruwelijkheid doet en leugen spreekt (Openb.21:27).

 

De praktijk der godzaligheid is een zaak die zeer zeker in deze tijd wel onze aandacht hebben mag. Deze wordt nog slechts schaars gevonden. Het leven dicht bij de Heere, het leven met God en Zijn Woord, wordt nog maar wei­nig beoefend. U hoeft daar niet ver voor te gaan. Kijk maar dichtbij, kijk maar in uw eigen huis, kijk maar in uw eigen hart en leven.

 

Gemeente, na die heerlijke aanspraak komen wij bij de eerste bede terecht. Er zijn zes beden in het Onze Vader. De Heere Jezus heeft een vol­maakt gebed gegeven aan Zijn kerk.

Toen de discipelen aan Jezus vroegen: Heere, leer ons bidden (Luk.11:1), heeft Hij ze niet alleen een gebed gegeven. De Heere heeft niet gezegd: ‘Nu moet je altijd zo bidden en met deze woorden bidden, want anders is het niet goed.’ Nee, Hij heeft ze niet alleen een gebed gegeven, maar Hij heeft ze leren bid­den. Op de school van de Heere Jezus leren wij door de Heilige Geest bid­den. Voor dat onderwijs, dat gebedsonderwijs van Christus, daarvoor gebruikt de Heere Jezus het model van het Onze Vader.

 

Dat gebed heeft, niet meegerekend de aanspraak en de lofver­heffing aan het einde, zes beden. Deze omvatten alles wat er maar te bidden is voor ons licha­melijk leven, voor ons tijdelijk leven, voor ons geestelijk leven en voor ons eeuwi­ge leven. Die zes beden hebben een volkomenheid in zich. Buiten deze beden is er niets te bedenken wat u nog zou moeten bidden.

Deze beden zijn ver­bonden, ze zijn opgebouwd in de geest van de wet des Heeren. Want u weet, de tien geboden waren geschreven op twee tafelen. Vier geboden staan op de eerste en zes geboden staan op de tweede tafel van de wet. Die eerste tafel ging over onze relatie tot God. De zes geboden van de tweede tafel gingen over onze verhouding tot de naaste. En zo heeft de Heere nu ook die beden ingedeeld. De eerste drie beden gaan over God, over Zijn Naam, Zijn koninkrijk en Zijn wil. De laatste drie beden gaan over onze lichamelijke en geestelijke nooddruft, die gaan over ons en onze naaste. Zo heeft de Heere dat gebed ingedeeld.

Luther zei: ‘De eerste bede, Uw Naam worde geheiligd, hangt samen met het eerste gebod.’ En dat is ook zo. U kunt ook zeggen met het derde gebod. Want in het derde gebod wordt bevolen: Gij zult de Naam des Heeren uws Gods niet ijdellijk gebruiken. En hier wordt gevraagd: Uw Naam worde geheiligd. U ziet hierin dus de eerste tafel van de wet. De eerste bede sluit daar dus heel nauw bij aan.

 

Als de Heere ons bidden gaat leren, dan ziet u dat Hij erop wijst dat niet wij op de voorgrond staan met onze noden en behoeften, maar dat de Heere in de allereerste plaats op de voorgrond staat. Wat het zwaarst is, moet ook het zwaarst wegen. Wel, dat is God en Zijn eer en niet onze menselijke behoeften.

Die eer van God is eigenlijk het doel van ons leven. Ons leven is mislukt als dat doel, de verheerlijking van God, niet bereikt wordt. Daarom moet het de allereerste en allergrootste behoefte in ons leven zijn, om te vragen of God in ons leven verheerlijkt wordt. Want dan hebben we het doel van ons leven bereikt. God schiep ons om Hem te verheerlijken, met ons verstand, met ons hart, met onze daden, met onze woorden, kortom: in al onze levensuitingen. En daarin zijn we veel tekortgeschoten. Wij zijn gevallen mensen. Maar wat er nu hersteld wordt door God en door de gena­de van de Heere Jezus Christus in het leven, dat is dat God weer verheerlijkt gaat worden in mensenkinderen. Hij verheerlijkt Zichzelf in het zaligen van verloren zondaren.

 

Dat is Gods weg om Zichzelf te verheerlijken. Daar begint God. Hij laat bid­den: Uw Naam worde geheiligd. Die Naam van God is een belangrijke zaak. Want de Naam van de Heere is de openbaring van Hem. Daarin open­baart God Zich. God draagt geen namen om Zich van andere goden te hoe­ven onderscheiden, want er is geen andere God dan de levende God, dan de eeuwige God. Hij is de enige God. Maar Hij draagt een Naam en Hij wil die dragen om Zichzelf te openbaren aan mensen.

In die Naam laat Hij horen Wie Hij is en wat Hij doet, wat Hij gedaan heeft, wat Hij doet en wat Hij doen zal. Daarin openbaart God Zichzelf, Zijn wezen zou u kunnen zeggen, en al Zijn werken. Dat doet Hij reeds vanaf het begin van de schepping aan tot nu toe. Als u de Bijbel doorzoekt, dan zult u zien dat God die namen aan Zichzelf gegeven heeft. Hij heeft dat gedaan opdat Hij Zich daardoor zou openbaren. Wel, die namen kunt u alleen maar lezen en vinden in het Woord van God. Want dat is de zelfopenbaring van God. Daarin laat de Heere horen Wie Hij is, Wie Hij wil zijn en wat Hij doet.

 

En dan heeft Hij Zichzelf in veel namen geopenbaard.

De grootste Naam van de Heere is Jehova of Jahweh, de ‘Ik zal zijn Die Ik zijn zal’. Dat is die won­derlijke Naam die de Heere openbaarde aan Mozes bij het brandende braam­bos in de woestijn bij de berg Horeb. ‘Ik zal zijn Die Ik zijn zal’, dat wil zeg­gen dat Hij altijd Dezelfde is. Dat Hij de Getrouwe is, dat Hij die almachtige God is, Die kan schenken wat Hij beloofd heeft, maar Die ook zo getrouw is dat Hij zal schenken wat Hij beloofd heeft. Jahweh, Jehova, de God van het verbond, dat is Zijn allergrootste Naam. Dat is ook de Naam die de Heere Jezus draagt. En dit zal Zijn Naam zijn, waarmee men Hem noemen zal: De Heere (Jahweh) onze Gerechtigheid (Jer.23:6).

Daarnaast zijn er nog veel meer namen waarin God iets van Zichzelf open­baart. In de Naam Adonai openbaart de Heere Zich als de Schepper, de Eigenaar van hemel en aarde.

Of denk aan de naam Schaddaï, waarin Hij Zich openbaart als de Heere van het heelal, Die alle macht heeft in hemel en op aarde. Als de God Die de hemelen bestuurt met al de heilige engelen, maar ook alle inwoners van de aarde.

De Heere Zebaoth is de Heere der heer­scharen, Die met Zijn legerschaar van engelen komt om Zijn kerk te bevrijden. Zo zouden wij kunnen doorgaan.

 

En nu gaan we bidden: Uw Naam worde geheiligd. Want, gemeente, die Naam van God, waarin God laat zien Wie Hij is en wat Hij doet, die Naam moet geheiligd worden.

Wat betekent dat, een naam heiligen? Wel, heiligen wil drie dingen zeggen.

In de eerste plaats: iets wat heilig is als heilig erken­nen.

Het tweede is: iets wat onheilig is, heilig maken. Dat woord wordt voor ons gebruikt. Als de Heere zegt: ‘Ik ben de Heere, Die u heiligt’, dan wil Hij zeggen: ‘Ik ga jullie, zondaren, door Mijn Geest vernieuwen. Ik ga je een nieuw hart geven, Ik ga je een nieuw leven geven, Ik heilig je. Ik maak je heilig.’

Het derde is: iets wat heilig is, tot een heilig doel gebruiken.

Het is duidelijk, als er gesproken wordt over ‘de Naam van de Heere heili­gen’, dat het tweede, iets wat onheilig is heilig maken, niet geldt in dit opzicht.

Het gaat dus om twee dingen. In de eerste plaats om die Naam als hei­lig te erkennen en ten tweede die Naam als heilig te gebruiken.

Heilig erken­nen wil zeggen dat ik die Naam afzonder, dat ik die niet een gewoon, plat­vloers gebruik geef in het leven, dat ik die Naam niet ijdel gebruik. In de tweede plaats moet ik die Naam gebruiken waartoe deze mij gegeven is. Want die Naam heeft God natuurlijk in Zijn Woord geopenbaard opdat wij die zouden gebruiken tot een bepaald doel.

U vraagt misschien: ‘Welk doel heeft God gegeven om die Naam te gebruiken?’ Wel, dat is in de allereerste plaats om Hem aan te roepen. God heeft Zijn Naam gegeven in de Bijbel opdat ik die zou aanroepen. Dat is al gebeurd vanaf de dagen van Enos. Toen begon men de Naam des Heeren aan te roepen. Toen begon het gebed tot de God des levens. Toen begon de openbare eredienst; de Naam des Hee­ren aanroepen. En dat is doorgegaan al de eeuwen door.

In Handelingen 2 vers 21, als Petrus zijn pinksterrede houdt, zegt hij van de dagen van het Nieuwe Testament, als de Pinkstergeest op aarde is: Dat een iegelijk die de Naam des Heeren zal aanroepen, zalig zal worden. Want zonder die Geest zou er niemand de Heere aanroepen, dan zou niemand die Naam gebruiken. Maar door de kracht van de Heilige Geest gaan mensen de Heere aanroepen. Ze kunnen het niet meer laten om de handen te vouwen, de knieën te buigen en God aan te roepen. Dan gebruiken ze die Naam voor het doel waartoe deze gegeven is; opdat wij Hem zouden aanroepen.

 

In de tweede plaats mogen wij die Naam ook gebruiken in het geloof. Dat we op die Naam zouden steunen. Want er staat: De Naam des Heeren is een sterke toren; de rechtvaardige zal daarheen lopen en in een hoog vertrek gesteld worden (Spr.18:10). Dus die Naam gebruiken, dat is die Naam gebruiken in het geloof. Door naar Hem de toevlucht te nemen en om schuiling bij Hem te vinden in de Naam des Heeren.

Dat wordt bedoeld met het heiligen van die Naam. Gebruiken tot het doel waartoe die gegeven is. En die Naam als heilig erkennen. Dus zorgvuldig met de Naam des Heeren omgaan.

 

En nu wordt gebeden: Uw Naam worde geheiligd. Dat is een belijdenis: ‘Heere, ik kan dat niet uit mijzelf. Ik ben onmachtig en onbekwaam om Uw Naam te heiligen.’ Maar wat wij nu niet kunnen en waartoe wij onmachtig zijn, dat wil God nu schenken. God wil geven hetgeen wij niet meer hebben en wat we ook nooit meer kunnen. God Zelf wil in ons hart werken, zodat wij die Naam gaan heiligen, erkennen en gebruiken tot het doel waartoe de Heere die Naam gegeven heeft.

 

Uw Naam worde geheiligd. Dan gaan we eigenlijk om drie dingen vragen.

‘Heere, geef dat wij die Naam mogen kennen.

Geef dat wij tot eer van die Naam mogen spreken

en tot eer van die Naam mogen leven.’

Dat zijn de drie zaken waar we eigenlijk om vragen. Heere, Uw Naam worde geheiligd. Zo zegt onze catechismus dat. ‘Geef ons eerstelijk...’ Het eerste is dat wij U recht kennen. En, gemeente, dat moet God ons geven. Je kunt je hele leven met de Bijbel hebben omgegaan, heel je leven daaruit hebben gelezen, op zondagsschool hebben gezeten, de verhalen van de Bij­bel van a tot z kennen, precies weten wie waar wat deed, zelfs de moeilijkste boeken nog kunnen verklaren, maar één ding is nodig: dat wij die Naam van God zelf leren door Zijn Woord. Want God leert altijd door Zijn Woord. Zult u dat onthouden? De Heilige Geest gebruikt altijd het les­materiaal dat Hij Zelf heeft vervaardigd. Hij gebruikt altijd het Woord. En zonder het Woord doet Hij niets.

Daarom is het nodig om ons in dat Woord te oefenen. Wat is het nodig om dat Woord te lezen, om dat Woord open te hebben. Want het is toch wel erg, dat wij in onze westerse wereld zo’n overvloed hebben van het Woord van God en geschriften daarover en dat wij die allemaal zo rustig dicht kunnen laten. Wat hebben we het nodig om in dat Woord van God te lezen. Want de Heilige Geest gebruikt het Woord. U zult misschien zeggen: ‘Ja, maar niet iedereen die in dat Woord leest wordt geholpen door en krijgt onderwijs van de Heilige Geest.’ Als u de Bijbel dicht laat zeker niet. U moet altijd maar onthouden, en laat het met een ijze­ren griffie in uw gedachten gegrift staan: de Heere spreekt niet zomaar in het wilde weg tot mensen. Hij onderwijst door Woord en Geest.

 

En als wij dan vragen: ‘Geef dat wij U recht mogen kennen’, dat wij Hem op de juiste wijze mogen kennen, dan moet u bedenken dat dat een geloofs­kennis is. U weet het wel. In Zondag 7 hebben wij gehoord dat het geloof bestond uit twee dingen, namelijk uit een vaste, zekere kennis van al hetgeen God ons in Zijn Woord geopenbaard heeft, en uit een hartelijk vertrouwen. Het geloof rust op twee pijlers.

Nu is die vaste kennis een geloofskennis. Die krijg je niet door studie, maar door de onderwijzing van de Heilige Geest. Het gaat niet buiten je verstand om. Natuurlijk niet, het verstand is de poort van uw ziel en zonder dat verstand werkt de Heere het niet. Hij gebruikt, heiligt en verlicht dat. U kunt daarover lezen in de geschiedenis van Jezus met de Emmaüsgangers. Hij opende hun verstand, zodat zij de Schriften ver­stonden.

Hij onderwijst altijd door middel van het Woord. Hij gaat het geloof die kennis geven van dat Woord, zoals niemand dat geven kan. Dat is een vaste, een stellige kennis, zegt onze catechismus. Dat is een zekere kennis, waarvan je ontwijfelbaar weet dat het eeuwig waar is, hetgeen de Heere in Zijn Woord gezegd heeft.

 

‘Geef dat wij U recht kennen.’ Daar kom je nooit in uitgebeden en daar kom je ook nooit in uitgeleerd. Denk u zich eens in dat u moet weten Wie de hei­lige God is, de drie-enige God; Vader, Zoon en Heilige Geest. Dacht u dat u daarin ooit uitgeleerd kwam? Dan zou u ook een keer uitgebeden raken. Maar ik lees nergens dat de Heere Jezus tegen Zijn discipelen gezegd heeft: ‘Nu moet je het Onze Vader maar eens bidden gedurende zes weken.’ Nee, Hij heeft dat gebed gegeven voor het hele leven van de kerk.

Zo leren ze steeds meer van de Heere. Zo worden ze steeds meer door Christus als de hoogste Leraar, door middel van Zijn Geest en Woord, onderwezen. Hij leert ons Wie de Vader is. En dat kan Hij, want: Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, Die in de schoot des Vaders is, Die heeft Hem ons verklaard (Joh.1:18). Dus als u wilt weten Wie God is, dan moet u bij de Heere Jezus zijn. En de Heere Jezus leert dat door Zijn Geest. Die onderwijst u. En dan moet je het Woord lezen en dan moet je bidden: ‘Heere, geef dat ik U recht mag kennen.’

Gemeente, hoe meer u mag leren van God, hoe meer u mag leren Wie Hij is en hoe Zijn Naam is en u de grootheid van Hem gaat zien, hoe klei­ner u in uzelf zult gaan worden. God is groot en wij zijn maar nietige men­sen. Dat onderwijs van de Heilige Geest, de wijsheid die van boven is, maakt ons niet groot, maar klein. De Heilige Geest maakt ons ootmoe­dig. Hij maakt ons tot mensen die het van zichzelf niet hebben, die het niet weten en die het ook niet kunnen grijpen, maar die het allemaal van de Heere moeten krijgen. Dezulken gaan bidden: ‘Heere, geef dat ik U recht mag kennen.’

Die kennis zal pas volkomen zijn wanneer de kerk des Heeren hier op aarde de laatste adem heeft uitgeblazen en wanneer zij opgenomen zal zijn in de eeuwige heerlijkheid. Dan zal al hetgeen ten dele was tenietgedaan zijn, en dan zullen we Hem zien van aangezicht tot aangezicht en dan zullen we aan Hem gelijk zijn. Dan is de kennis volkomen. Maar tot aan die dag wordt gebeden: ‘Dat ik U recht mag kennen.’

 

En niet alleen de Heere kennen, maar ook Zijn werken. Want onze cate­chismus zegt: ‘En in al Uw werken.’ Het werk des Heeren is het werk van de schepping, het werk van de voorzienigheid en het werk van de herschep­ping, van de genade dus. Drie werken: schepping, voorzienigheid, dus de onderhouding, en de herschepping. Dat zijn de machtige werken Gods. Gemeente, wat is dat een geweldige zaak om die werken te leren kennen, want daar staat God nu helemaal achter.

God staat achter het werk van de schepping. Wat is dat majestueus! Als u de stormwind hoort, wat is dat een machtig geluid. Dat is de adem van de Almachtige, zegt de Schrift. Wanneer u de natuur, de schepping ziet door het geloof, dan gaat u verstaan dat al die dingen door het Woord van God zijn toebereid. Dan is de wereld niet zomaar ontstaan door een oerknal. Nee, dan is die wereld door die almachtige Schepper geschapen. Dat zijn dat de wer­ken waarin Zijn almachtigheid, Zijn wijsheid, Zijn gerechtigheid, barmhartigheid en waarheid, klaarlijk schijnen. Dat blijkt uit de hele schepping.

Door het geloof, zegt Hebreeën 11 vers 3, verstaan wij dat de wereld door het woord Gods is toebereid, alzo dat de dingen die men ziet, niet geworden zijn uit dingen die gezien worden. God is groot. En als we door het geloof die werken mogen zien, dan gaan wij ook de deugden van God, die in die werken openbaar komen, opmerken.

En de deugden die in de cate­chismus worden genoemd, zijn ongeveer dezelfde deugden die ook genoemd worden in artikel 1 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis: almachtigheid, wijsheid, goed­heid, gerechtigheid, barmhartigheid en waarheid.

 

Maar dat geldt ook voor de werken van de onderhouding. Door het geloof gaat u de hand van God zien in elke dag van uw leven. Dan gaat u de leiding van God zien in uw leven. Dan gaat u de hand zien van die God Die zorgt, Die uw pad leidt en Die op uw klacht de hemel doet scheuren. Telkens opnieuw betoont Hij dat Hij de hongerigen voedt en de armen met goede­ren wil voorzien. Dan gaat u in het rijk van de genade die wijsheid, die almachtigheid, die goedheid, die gerechtigheid en die waarheid van God aan­bidden.

Die zaken kunt u niet verklaren, die kunt u niet netjes uiteen gaan zetten in een dogmatisch artikel, maar die kunt u alleen maar aanbidden. Dan moet u het gaan zeggen: ‘Heere, U bent groot en wij begrijpen U niet.’ Ik kan niet alles begrijpen in het leven.

Je kunt ook niet alles recht krijgen in je leven. Eén ding kun je wel, dat je achteraf zegt: ‘Al begrijp ik het niet, toch zie ik dat het groot en wonderlijk is.’ Dan hoort u Asaf zingen, de man die zijn gang door het leven heen ook niet begrijpen kon:

 

Wijl Gij mijn rechterhand woudt vatten.
Gij zult mij leiden door Uw raad,
O God, mijn heil, mijn Toeverlaat,
En mij, hiertoe door U bereid,
Opnemen in Uw heerlijkheid.

 

Dan is het hem goed nabij God te zijn. Dan hoeft hij ook niet te weten waarom het de goddelozen goed gaat en waarom het hem slecht gaat. Dan zegt hij: ‘Het is mij goed, mijn zaligst lot, nabij te wezen bij mijn God.’ Dan is het hem wel met die hand van God in zijn leven.

 

Gemeente, met de euthanasie zet men die hand van God, die het leven leidt, opzij en die duwt men weg, want met God heeft men afgerekend. Arm Nederland! Weet u dat er niet één Europees land is dat zo’n hoog percen­tage euthanasie heeft als Nederland? Er is in West-Europa een overeen­komst met betrekking tot de beëindiging van het menselijk leven. Veel lan­den doen daar niet aan mee, maar in ons land heeft men een wetgeving waarin deze dingen worden toegelaten. De hand van God ziet men niet meer omdat men de Bijbel heeft dichtgedaan. Daar lezen we toch niet meer in en daar heb je niets aan.

 

En, gemeente, hoe is het nu bij ons? We kunnen ons natuurlijk sieren met allerlei schone namen van ‘gereformeerd’ en ‘reformatorisch’, maar als de Bijbel dichtblijft, als we niet leven naar het Woord van God, dan kunt u wat mij betreft al deze namen in de prullenmand gooien. Dan hebben deze geen enkele waarde meer in onze maatschappij. Laten wij leven naar dat Woord van God, naar de inzettingen des Heeren. Laat in de praktijk van het leven, op elke dag van de week, zien dat het Woord waar­de heeft. Laat zien dat het geloof in het Woord van God, in de God van dat Woord, waarde heeft in ons bestaan.

 

2. De roem in die Naam

 

Als wij bidden: Uw Naam worde geheiligd, dan gaat het over het kennen van God en van Zijn hand in ons leven. In de schepping, in de voorzienig­heid, in het bestuur van ons leven, in het begin en bij het einde van ons leven. Maar dan gaat het ook om het heiligen, het roemen en prijzen van die Naam.

 

Gemeente, als u de grootheid van die Naam gaat zien en de heerlijkheid van de deugden van God in al Zijn werken ziet schijnen, dan gaat u die Naam heiligen. Dan gaat u die Naam op de rechte wijze gebruiken. Dan gaat u die Naam aanroepen, dan gaat u die Naam als een sterke toren zien, waarheen u kunt vluchten. Dan gaat u die Naam eerbiedigen, dan gaat u die Naam gebruiken op een zorgvuldige wijze, dan gaat u die Naam ook roemen. Roe­men is iets wat u doet tegenover uw naaste. U gaat goed spreken van God. U gaat vertellen wat u bij de Heere gevonden hebt. Dan laat u horen Wie God voor u zijn wil en Wie Hij in Zijn Woord voor u is.

Als we gaan roemen, als we God gaan grootmaken, dan gaan we ook zeggen Wie de Vader is. Want de kinderen van God willen ook wel eens vertellen Wie ze als Vader hebben Die voor hen zorgt. Want het is niet gering als je een God hebt Die je leven leidt, Die je draagt en Zijn gena­de in de Zoon van Zijn liefde aan u schenkt. Dan wilt u die Naam roemen, dan wilt u dat vertellen. Kinderen van God mogen vertellen wat voor Vader ze hebben.

Kleine kinderen kunnen opscheppen over hun vader, dat weet u wel. Ze kun­nen vertellen hoe groot en hoe sterk hij is, wat hij allemaal weet en wat hij allemaal kan. En nu kunnen kinderen overdrijven, maar een kind van God kan dat niet. Zo’n mens kan nooit teveel zeggen, want die blijft altijd onder de maat. God is groter dan ons spreken.

 

‘En prijzen.’ Prijzen doet u tegenover God Zelf. Dat doet u in de eenzaam­heid, dat doet u voor de oren van de Heere. Dat is geen vleierij. Met vleierij kun je iemand mooier maken dan hij is, iemand zelfs eigenschappen toeken­nen die hij helemaal niet heeft. Maar bij God kan dat niet. Kinderen van God mogen vrijuit van hun Vader spreken in het verborgene en in het openbaar. En dan kunnen ze nooit overdrijven, maar dan zeggen ze altijd nog te weinig. Dan willen ze het doen met de woorden van  Psalm 145 vers 4, die wij nu samen zullen zingen:

 

Al wat Gij wrocht, zal juichen tot Uw eer;
Uw gunstvolk zal verblijd U zeeg’nen, Heer’,
En roemen van Uw koninkrijk, Uw macht,
Uw heerlijkheid en Goddelijke kracht;
Om, waar zich ‘t hart ooit voelt in leerzucht blaken,
Uw heerlijkheid, Uw macht bekend te maken,
En d’ eer Uws rijks, zo groot, zo hoogverheven,
Voor aller oor, de hoogste roem te geven.

 

3. Het leven naar die Naam

 

Gemeente, het laatste waar hier om gevraagd wordt, is het leven naar die Naam. Want als je nu aan het roemen en prijzen bent en je leven is daar niet naar, dan zijn je woorden ijdel, dat zijn lege woorden. Dat zijn woorden die niet gedekt worden door uw daden, dan is er een discrepantie tussen woord en daad. Daar kijkt de wereld dwars doorheen. Uw leven moet met dat roe­men in overeenstemming zijn. Daar vragen we ook om: ‘Heere, heilig Uw Naam, geef dat ik U recht ken, geef dat ik U mag heiligen, roemen en prijzen, en dat ik al mijn leven, gedachten, woorden en werken zo schikken en richten mag, dat Uw Naam om mij­nentwil niet gelasterd maar geëerd en geprezen wordt.’

 

Gemeente, ‘al ons leven’. Dat is wat! Jongens, meisjes, als je kind bent, ‘al je leven’, dus ook als je kind bent, die Naam roemen, prijzen en heiligen. Dat je aan de Heere denkt, dat je Hem ziet in alle dingen die je waarneemt bui­ten jezelf in de natuur. Dat je elke dag mag opmerken wat de Heere doet in je leven en wat Hij je geeft. Hij heeft Zijn Woord gegeven en daarin mag je lezen. Je hoort uit dat Woord vertellen. Al je leven. Ook als je al wat groter bent en als je op weg bent naar de volwassenheid. En ook als we op de mid­daghoogte van het leven zijn gekomen.

Heiligen, roemen en prijzen, ons hele leven lang. Dat geldt ook als u in het volle leven staat en een plaats daarin hebt. Dan moet u uw leven richten op de eer van God. En als u oud geworden bent, de krachten het gaan begeven en de gedachten wat teruglopen, bid dan: ‘Heere, wilt U mij geven dat ik al mijn leven alzo schikken en richten mag, dat Uw Naam door mij niet gelas­terd, maar geëerd en geprezen worde.’ Je kunt soms wel eens bang zijn als je denkt: ‘Als ik oud word en mijn gedachten wegraken, als ik dan maar niet tot oneer van God zal gaan leven.’ Daarom is dat gebed zo nodig.

 

Er zijn mensen die zeggen dat gedachten tolvrij zijn. Je kunt denken wat je wilt, want niemand kan je gedachten zien. Je kunt leven zoals je wilt. Nee, zeker niet! Want eens iegelijks wegen zijn voor de ogen des Heeren, en Hij weegt al zijn gangen (Spr.5:21), schrijft de spreukendichter. God ziet alles, elk ding wat je doet, wat je denkt, wat je in het binnenste van je hart voorneemt.

Wat zal dat zijn als je geleefd hebt met de gedachte: Nou, dat weet toch nie­mand, dat ziet toch niemand, ik doe maar… Straks staan we voor God. Als we sterven, komen we voor Zijn troon en dan zullen we zien wat Zijn ogen gezien hebben, hoe wij in Zijn ogen zijn geweest en hoe wij ons leven heb­ben doorgebracht. Dan zal er niets achterblijven, maar dan zal alles ontdekt worden wat verborgen was en dan zal er geen ding zijn wat niet geopenbaard zal worden.

 

Onze gedachten. Je mag bidden dat je gedachten geleid worden door de Heilige Geest. De Heere wil dat geven aan Zijn kinderen. Ook de leiding van je gedachten. Kunnen je gedachten dan geleid worden door God? Jawel! De Heere wil je gedachten soms op een heel wonderlijke wijze leiden naar Zijn Woord. Hij wil je gedachten soms terugleiden in je leven naar wat Hij gedaan heeft, toen en toen en daar en daar. Daar wil Hij licht over geven, dat laat Hij je zien. Hij wil je gedachten zó leiden, dat je in het Woord van God het gedeelte ontdekt waarin precies beschreven staat wat je op dat moment nodig hebt.

 

Gedachten, woorden en werken. Het zijn onze levensuitingen. Wat spreken wij soms gemakkelijk woorden. Laat onze bede zijn:

 

Zet, Heer’, een wacht voor mijne lippen;
Behoed de deuren van mijn mond,
Opdat ik mij, tot genen stond,
Iets onbedachtzaams laat ontglippen.

 

‘Dat ik mijn gedachten, woorden en werken zo ga schikken en richten, dat God om mijnentwil niet gelasterd worde.’ Want, denk erom, de wereld die van God en van Zijn kerk niet weten wil, ligt op de loer en die ziet onmid­dellijk wanneer iemand die de Naam des Heeren belijdt, een misstap doet, een verkeerd woord zegt of op een of ander wijze iets doet wat tegen het Woord van God in is. Dan zeggen ze: ‘Kijk, dat heb je nu van die kerkmen­sen, dat doen die nu!’

Dat Zijn Naam niet gelasterd worde, maar geëerd en geprezen. Ons gebed moge dagelijks zijn: ‘Heere, geef dat. Sta voor Uw eigen eer in mijn leven in, dat U mijn gedachten leidt, dat U mijn woorden bestuurt, dat U een wacht voor mijn lippen zet, dat U mijn werken zo bestuurt, dat Uw Naam om mijnentwil niet gelasterd worde, maar veeleer geëerd en geprezen.’

 

Gemeente, roemen zonder een leven naar dat Woord van God is gevaarlijk. En wat is het gebed dan nodig! ‘Uw Naam worde geheiligd in mijn leven. Geef, Heere, door Uw Geest die leiding van ogenblik tot ogenblik. Want ik ben aan mijzelf geen seconde toevertrouwd.’ Echt niet! Want wij zondigen ons rustig dood op een stoel in huis. Daar hoef je echt niet veel bijzondere din­gen voor te doen, daar hoef je ook niet voor uit te gaan. Een mens zondigt, zelfs al is hij alleen. Dat is een mens.

 

Wat is dan de bewaring nodig van de almachtige Vader in Chris­tus Jezus, door Zijn Heilige Geest. Hij leidt en bewaart tot het eeuwige leven, tot de eer van Zijn Naam, tot de roem van Zijn Woord. ‘Dat Uw Naam geëerd en geprezen worde’, ook tot lof van God op aarde. Daar gaat het om. Daar wordt om gevraagd. Dat is het allerbelangrijkste, dat is de eerste bede: ‘Heere, dat U in mijn leven verheerlijkt wordt. Als ik dat niet heb, Heere, dan heb ik niets, dan ben ik een verloren mens, dan is mijn leven verloren, dan is mijn werk verloren, dan is alles verloren.’

Maar als ik dat mag hebben, dan ga ik gelijken op Hem, Die aan het einde van Zijn leven mocht zeggen: ‘Vader, Ik heb Uw Naam bekendgemaakt op aarde. Vader, Ik heb Uw Naam verheerlijkt en voleindigd het werk dat Gij Mij gegeven hebt, en nu, Vader, verheerlijk Mij met de heerlijkheid die Ik bij U had eer de wereld was.’

 

‘Ik heb Uw Naam verheerlijkt op de aarde.’ Dat zullen wij nooit kunnen zeg­gen. Maar dat kon Hij wel zeggen. Dat heeft Hij gezegd in de plaats van de Zijnen. Dat heeft Hij gedaan in de plaats van de Zijnen. En Hij is als een godslasteraar aan het kruis gehangen. En daar hebt u de bron waaruit God aan verloren mensen wil geven dat Zijn Naam in uw leven verheerlijkt en geprezen wordt.

 

Dat wij Hem dan recht mogen kennen, dat wij Hem in al Zijn werken mogen roemen, heiligen en prijzen, en dat wij bewaard mogen worden in al onze gedachten, woorden en werken. Dat Zijn Naam om onzentwil niet gelasterd wordt, maar geëerd en geprezen. Dat is om Christus’ wil.

 

Hij heeft het gedaan, Hij is de enige Bron van zaligheid. Door Hem is er verhoring mogelijk, op grond van Zijn bloed. Buiten Hem kan het niet, maar in Hem kan het eeuwig zeker.

Leren bidden, dat is beginnen van uzelf af te bidden en te gaan vragen om de eer van uw Vader, Die in de hemelen is.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Gebed des Heeren: 2

 

Geheiligd word’ Uw Naam; ai, geef,
Dat elk, waar hij op aarde leev’,
Die Vadernaam erkennen moog’;
Uw deugden roeme hemelhoog;
Dat elk, als kind, aan U gelijk’,
En in zijn doen Uw beelt’nis blijk’.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in ‘De Heidelbergse Catechismus’ van ds. D. Rietdijk en ds. C.G. Vreugdenhil (Uitg. Groen, 1998).