Ds. D. Rietdijk - Zondag 46

De aanspraak van het gebed

Het doel van Christus
De grond van het gebed
De heerlijkheid van de Vader
De verwachting van de kinderen
Deze preek is eerder gepubliceerd in ‘De Heidelbergse Catechismus’ van ds. D. Rietdijk en ds. C.G. Vreugdenhil (Uitg. Groen, 1998).

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 33: 11
Lezen : Lukas 11: 1-13
Zingen : Psalm 103: 7, 10, 11
Zingen : Psalm 146: 3
Zingen : Geb. des Heeren: 1

Gemeente, wij willen met u overdenken Zondag 46 van onze Heidelbergse Catechismus. Daar lezen wij:

 

Vraag 120: Waarom heeft ons Christus geboden God alzo aan te spreken: Onze Vader?

Antwoord: Opdat Hij van stonde aan, in het begin onzes gebeds, in ons de kinderlijke vrees en toevoorzicht tot God verwekke, welke beide de grond onzes gebeds zijn, namelijk dat God onze Vader door Christus geworden is, en dat Hij ons veel minder afslaan zal hetgeen dat wij Hem met een recht geloof bid­den, dan onze vaders ons aardse dingen ontzeggen.

 

Vraag 121: Waarom wordt hier bijgevoegd: Die in de hemelen zijt?

Antwoord: Opdat wij van de hemelse majesteit Gods niet aardselijk denken, en van Zijn almachtigheid alle nooddruft des lichaams en der ziel verwachten.

 

Gemeente, wij gaan luisteren naar: De aanspraak van het gebed, zoals de Heere Jezus ons die geleerd heeft.

 

Wij letten op vier dingen:

1. Het doel van Christus

2. De grond van het gebed

3. De heerlijkheid van de Vader

4. De verwachting van de kinderen

 

1. Het doel van Christus

 

Wij gaan spreken over de aanspraak van het gebed. Die is gegeven in de woorden: Onze Vader, Die in de hemelen zijt. Dat heeft de Heere Jezus aan Zijn discipelen geboden. Het is bevolen door Hem, om God zo aan te spreken. De discipelen hadden gevraagd: Heere, leer ons bidden. Zij waren aanwezig geweest bij het bidden van de Heere Jezus. Toen hadden zij natuurlijk bidden gehoord, zoals zij dat nog nooit gehoord hadden. Toen de Heere Jezus opstond van dat gebed, hebben ze Hem gevraagd: Heere leer ons bidden, gelijk ook Johannes zijn discipelen geleerd heeft (Luk.11:1).

Johannes de Doper had zijn discipelen dus ook leren bidden. Toen heeft de Heere hun het volmaakte gebed gegeven. En in dat gebed heeft Hij gebo­den om God aan te spreken met ‘Onze Vader’.

 

Het is geen geringe zaak waarover wij te handelen hebben. Want bidden is God aanspreken, je stellen in de tegenwoordigheid van God. Het is geen onverschillige zaak hoe wij God benoemen en hoe wij God aanspreken. Als u naar de koning gaat en u zou met hem moeten spreken, dan zou u zich ook laten onderrichten hoe u de koning moet aanspreken. En nu gaat het niet om een mens, ook niet om een hooggeplaatst mens, maar het gaat om de Levende, om de enige, eeuwige God. We stellen ons in de tegenwoor­digheid van de heilige God. En dan gaan we die heilige God aanspreken.

Gemeente, wat hebben wij dat telkens te bedenken als wij onze handen vou­wen en de ogen sluiten, dat wij ons stellen in de tegenwoordigheid van God. Dat eist eerbied in het woord dat wij gaan spreken. We moeten beseffen dat wij tot de Alwetende spreken, Die alle dingen reeds weet. Wij hoeven niet zoals de heidenen een lang verhaal van woorden uit te spreken. Nee, wij spreken tot die God, Die alle dingen ziet. We moeten dus met diepe eerbied tot Hem naderen. Dat stelt eisen aan onze woorden en aan onze lichaams­houding.

 

De heiligen in de Bijbel hebben zich in het stof gebogen, die hebben geknield voor de levende God. Denk maar aan Abraham en Elia. Dan is het ook voor ons zaak, ook in het samenzijn van de gemeente, wanneer we samen God aanroepen en ons in het gebed tot Hem richten, dat wij in onze lichaamshouding die eerbied laten zien die God waard is. Wij moeten het besef van Zijn hoogheid en majesteit in ons hart omdragen.

Toch, wanneer de Heere Jezus gaat spreken over het aanspreken van God in het gebed, dan gebiedt Hij om te zeggen: Onze Vader. Daarmee beoog­de de Heere een doel, namelijk om aanstonds in het begin van ons gebed, in ons een kinderlijke vrees en toevoorzicht tot God te verwekken. Daartoe legt Hij de Vadernaam op de lippen.

 

Bedenk wel, dat die Vadernaam niet in de allereerste plaats de Naam van de Vader als de eerste Persoon is.

Als wij tot God bidden, dan bidden wij tot de drie-enige God. En dan moe­ten wij zeggen dat die Vadernaam op God Zelf past, op het vaderlijke in de drie-enige God. God, de Drie-enige, is als een Vader. De Zoon wordt Vader der eeuwigheid genoemd in die bekende tekst uit Jesaja 9. En de Heilige Geest, de Geest der aanneming tot kinderen (Rom.8:15). Die is als een Vader. Het vader­lijke van God is in de drie-eenheid Vader, Zoon en Heilige Geest te vinden. Wanneer wij God gaan aanroepen, dan roepen wij de drie-enige God aan. Onze Vader.

Zo heeft de Heere dat bedoeld en daar hoort nog iets bij gezegd te worden. Die Vader roepen wij aan in de Naam van de Heere Jezus Christus, want zonder de Naam van Christus en zonder de Persoon van de Heere Jezus kunnen wij tot God niet naderen. Alleen in de weg van Zijn bloed is dat mogelijk. En wij roepen Hem aan door de Heilige Geest, want Die is ook de Geest van de gebeden. Hij werkt en legt het gebed in het hart.

God aanroepen als Vader. Dat is het vaderlijke van God in de drie-eenheid. Dat is het eerste wat wij daarvan moeten zeggen.

 

Bovendien, als wij over de Vadernaam spreken, dan moeten wij bedenken dat God Vader is krachtens de schepping. God heeft alle dingen geschapen. De hemel en de aarde met alles wat daarin is, ook de mens. In de schepping in het paradijs was de mens, die uit de hand van God was voortgekomen, bedeeld met het beeld van God. De mens stond in de onmiddellijke verhouding met God, zoals een Vader omgaat met Zijn kind.

En nu heeft de mens die Vader verlaten en is een verloren zoon geworden. Nu heeft de Vader wel Zijn vaderrechten behouden. Die Vader is Vader gebleven, maar wij hebben onze kinderrechten verloren. Wij hebben die helemaal prijsgegeven toen wij het Vaderhuis zijn uitgelopen en van Vader zijn weggelopen. De Vader handhaaft Zijn vaderrechten en zegt: Ben Ik een Vader, waar is Mijn eer? Ben ik een Heere, waar is Mijn vreze? (Mal.1:6)

De Heere is ons aller Vader omdat u mens bent, Hij is uw Vader krachtens de schepping. Wij zijn de kinderrechten kwijt en wij zijn verloren zonen, maar God handhaaft Zijn recht.

 

Er is ook een vaderschap in Christus. Want die God, Die wij verlaten heb­ben met het vaste voornemen om nooit meer naar Hem terug te keren, neemt in Christus weer verloren zonen en dochteren aan tot Zijn kinderen en erfgenamen. Hij neemt bastaarden weer aan tot Zijn eigen lieve kinderen. Dat doet Hij in Christus, Die verstoten is geweest aan het kruis van Golgo­tha. In die verstoting ligt nu de grond voor de aanneming tot kinderen.

Vader, onze Vader! U begrijpt wel, dat daar diepten in zitten. Hoe roepen wij die God aan? Als de Vader krachtens onze schepping? Roepen wij Hem aan als de Vader van de Heere Jezus Christus, Die door de Geest der aanne­ming tot kinderen onze God en Vader is?

Want die Geest doet ons inderdaad zeggen, zo schrijft Paulus in Romeinen 8: Abba, Vader. Hij leert ons die Vadernaam spellen. En wat die Geest doet, dat is in uw hart die kinderlijke vreze en dat toevoorzicht tot God ver­wekken, waarover onze catechismus ons spreekt. Al is het dat u die Vader­naam misschien niet zo letterlijk uitspreekt, toch gaat het om die kinderlijke vreze en om dat toevoorzicht als een kind op God.

 

Gemeente, nu gebruiken de kinderen van God die Naam te weinig. Er is een schuchtere vrees om die Naam te noemen. Maar de Zijnen moeten wel bedenken dat God juist door die Vadernaam verheerlijkt wordt. Ben Ik een Vader, waar is dan Mijn eer? Hij wil als Vader worden aangesproken. Daar­om heeft de Heere Jezus ook aan Zijn kerk dit gebed gegeven. Onze Vader, Die in de hemelen zijt. Dat is de Vader in Christus. Hij wordt vereerd en verheerlijkt als Zijn kinderen Hem ‘Vader’ noemen.

Bastaarden gebruiken de Vadernaam te veel. Want er is ook een ongod­vruchtig en oppervlakkig noemen van die Vadernaam. En nu ligt daartussen de weg die de Geest des Heeren en het gebod van de Heere Christus bedoe­len. Onze Vader, Die in de hemelen zijt. Vader in de Heere Jezus Christus. Zo heeft de Heere Jezus ons deze aanspraak in het gebed gegeven om in ons die kinderlijke vreze en dat toevoorzicht tot God te verwekken.

 

Nu moet u bedenken dat die kinderlijke vreze niet betekent: bang zijn voor God of bang zijn voor de straf. Integendeel, die kinderlijke vreze heeft veel­eer te maken met eerbied, met liefde, met gehoorzaamheid en met ootmoe­dig opzien tot God. En die kinderlijke vreze wordt in het hart verwekt door het noemen van die Naam: Onze Vader. De Geest der aanneming tot kin­deren liet zeggen: Abba, Vader. En dan is er in het hart de kinderlijke vreze van God en dan komt het ook uit de mond, dan wordt het gezegd in godsvrucht: Abba, Vader.

Gemeente, die kinderlijke vreze en dat toevoorzicht tot God zijn geen vruchten van het natuurlijke hart. Die kinderlijke vreze is een tere zaak. Dat is een vrucht van de liefde van God, uitgestort door de Heilige Geest in ons hart. Die kinderlijke vreze denkt groot van God, die denkt met liefde aan God en die heeft hoogachting voor God. Dan denk je tegelijkertijd klein van jezelf. Dan worden we kleine mensen, die in zichzelf niets zijn en die telkens opnieuw meer moeten verliezen van zichzelf. Maar dan gaan we ook groot van God en onze Vader denken.

En, gemeente, dan is er niet alleen die kinderlijke vreze, maar ook een toe­voorzicht. Gods kinderen gaan met hun noden en zorgen, met hun behoef­ten en vragen, met het leed dat hen dreigt, naar God toe. Zoals een kind aan zijn vader vraagt om bepaalde problemen op te lossen, om bepaalde dingen van hem te verkrijgen, zo gaat het kind van God, als het wel is, met die kin­derlijke gestalte naar de Heere toe, om Hem raad te vragen, om in tere afhankelijkheid van Hem te leven.

 

Zo hebben ook de bijbelheiligen geleefd. Zij hebben in hun grootste noden de knieën gebogen voor de Heere. Elia geeft daarin een voorbeeld, als hij op de berg Karmel zijn knieën buigt voor de God des levens en om regen vraagt. Dan heeft Elia die kinderlijke vreze, dat hij diep buigt voor de Heere. Dan heeft Elia ook dat toevoorzicht op God, dat hij zijn jongen er telkens op uitstuurt om te kijken of er al een wolk te zien is. Een- en andermaal wordt die jongen gestuurd, totdat hij terugkomt en de komst meldt van een wolkje als eens mans hand. En dat is niet veel, dat is heel klein, maar dan heeft Elia zo’n toevoorzicht tot God, dat hij tot Achab zegt: ‘Kom, span de paarden aan en zet de wagens gereed, want daar komt regen, daar komt zo’n bui, dat u straks zult moeten vluchten vanwege het geweld van het water.’ Het was naar aanleiding van dat wolkje als eens mans hand. Dat is een kin­derlijke vreze en een toevoorzicht op God.

En dat kinderlijke toegaan, met dat toevoorzicht tot God, dat is het natuurlijke hart vreemd. Daar zijn harde gedachten van God, daar is die slaafse vrees voor God. Men is bang voor de straf en men doet nooit iets uit liefde. Nooit is er dat waarachtige buigen voor de Heere in de erkenning van onze rechteloosheid. Nooit is er dat komen tot Christus als een rechteloze, die steunt op Zijn ver­diensten alleen. Nooit is er dat vragen aan de Vader om wat wij nodig hebben.

 

Gemeente, wat zou het benauwd worden, wanneer we zouden zien dat juist die toevlucht naar God in ons leven ontbreekt. We moeten in die kinderlijke vreze met toevoorzicht vluchten naar God toe. Wat zou de angst ons om het hart moeten slaan als wij geen plaats hebben waar we in angst, benauwdheid en zorg naar toe kunnen vluchten. Dat betekent dat we zonder de beoefe­ning van dat waarachtige geloof zijn. Want het waarachtige geloof gaat altijd gepaard met die kinderlijke vreze, maar ook met dat toevoorzicht. Want dat waarachtige geloof weet dat God er is, dat Hij leeft en dat Hij een Beloner is dergenen die Hem zoeken. Zonder dat geloof is het onmo­gelijk Gode te behagen.

Als je zo met dat ware geloof tot Hem mag naderen, dan geeft dat een toe­voorzicht, een uitzicht op God, op de troon der genade.

Als we zouden zien dat we dat misten, gemeente, wat zou het dan benauwd worden in ons leven. Dan zouden we geen toevlucht hebben. Dan zouden we die kinderlijke vreze en dat toevoorzicht in de Vader van Christus moeten missen Als u dat toe­vlucht nemen tot Hem niet kent, o, wat zou dat een benauwdheid in uw leven verwekken! Dan zou u geen rust meer hebben.

 

Gemeente, wat hebben we dan dat onderwijs van de Heere Zelf toch nodig. We moeten alles wat we buiten God hebben en waarop we steunen en leu­nen in dit leven, verliezen. Het moet zijn als bij David te Ziklag. Daar hield hij niets meer over. Al zijn getrouwen die nog bij hem waren, kwamen ook tegen hem in opstand omdat de kudden weg waren, de vrouwen weggevoerd en de stad verbrand was. David hield niets meer over. Hij stond alleen. Zijn vrienden keerden zich tegen hem. Zij pakten stenen om hem te doden. En dan leest u van David, dat hij God overhield en dat hij op de God van zijn leven steunde. Toen David niets meer overhield, toen had hij een toevlucht in God en toen steunde hij op die God alleen.

Zo was het ook bij Jakob. De Heere ontnam hem alle middelen en toen hij alles kwijt was en in het open veld met een steen onder zijn hoofd lag te sla­pen, toen heeft God hem laten zien dat er in Christus bij God een toevlucht is. Jakob zag in een droom de engelen Gods opklimmende en nederdalende op een ladder, die op de aarde stond en op wiens opperste de Heere stond. Toen zag Jakob dat de Heere met Zijn engelenschaar bij hem was en dat hij hem nooit zou begeven. Jakob ontving een kinderlijke vrees, een toevoor­zicht tot God.

Wat moeten wij het leren in ons leven om, in het verlies van het onze, de Heere alleen als ons enig en eeuwig Goed over te houden!

 

Het tweede punt was:

 

2. De grond van het gebed

 

Er staat in onze catechismus dat die kinderlijke vrees en dat toevoorzicht beide de grond van ons gebed zijn, namelijk dat God onze Vader door Christus geworden is, en dat Hij ons veel minder afslaan zal hetgeen wij Hem met een recht geloof bidden, dan onze vaders ons aardse dingen ontzeggen.

Dat kinderlijke vrezen en dat toevoorzicht zijn dus beide de grond van het gebed. Nu moet u goed begrijpen dat het hier niet gaat om de verhoringsgrond. Want die ligt nooit in u. Die ligt ook niet in de gestalte van uw hart, niet in die kinderlijke vreze, ook niet in dat toevoorzicht. Daar is totaal geen verhoringsgrond in te vinden. De verhoringsgrond ligt alleen in de Heere Jezus Christus.

Die kinderlijke vreze en dat toevoorzicht, die beoefend worden in het hart, wijzen dan ook niet naar binnen, maar naar buiten. Die wijzen erop dat die God onze Vader door Christus geworden is. Die kinderlijke vreze wijst op de vaderlijke betrekking die er gekomen is. Dat was liefde, eerbied en hoogach­ting. Dat toevoorzicht ziet op de vaderlijke gezindheid.

 

Daar zijn twee dingen: een vaderlijke betrekking, dat wil zeggen dat God inderdaad uw Vader is en Zich tegenover u verhoudt als uw Vader. Een vaderlijke betrekking werkt kinderlijke vreze en dan is er liefde tot die Vader.

Maar er is ook een vaderlijke gezindheid. En die gezindheid is dat die Vader wil en zal geven wat Zijn kinderen van Hem vragen. Het gaat dus om dat kindschap. En kinderen mogen toegaan tot de Vader. Natuurlijk, als je een kind bent, en je hebt een vader, dan mag je zomaar naar hem toegaan. Je vader zal nooit zeggen dat je niet welkom bent of dat hij je niet horen wil. Die vaderlijke betrekking houdt in dat God om Christus’ wil mijn God en mijn Vader geworden is. En dat is geen geringe zaak.

In de schepping was er die wederkerige liefde van Schepper en schepsel, van Vader en kind. En die relatie is verbroken door onze zonde. We zijn gevallen en verloren mensen geworden.

En nu gaat God in Christus vijanden, verloren mensen, bastaarden, aanne­men tot Zijn lieve kinderen en erfgenamen, staat er in een van onze formu­lieren. In Christus. Want, gemeente, buiten Christus kan God een vijand, een verloren mens, een bastaard niet aannemen. Maar in Christus kan en wil Hij dat, want in Christus zijn al Zijn deugden verheerlijkt. In Christus is al de schuld weggenomen. Hij heeft alles betaald wat betaald moest worden. In Christus heeft God een welgevallen in verloren zonen. Hij omhelst en kust hen als ze tot Hem komen.

 

En, gemeente, die aanneming tot kinderen gaat voor alle dingen. God neemt kinderen aan en die aangenomen kinderen krijgen de Geest der aanneming. Paulus schrijft dat in de Galatenbrief: En overmits gij kinderen zijt, zo heeft God de Geest Zijns Zoons uitgezonden in uw harten (Gal.4:6). Dus omdat je een kind bent, heb je de Geest van de Zoon gekregen. Waar die Geest gaat wonen, daar is een kind. Anders komt die Geest niet. Zovelen als er door de Geest Gods geleid wor­den, die dus door die Geest bestuurd worden, zijn kinderen van God (Rom.8:14).

Dat kindschap hangt niet af van het feit of ik me dat nu al of niet bewust ben, maar het gaat er in de eerste plaats om dat die Geest van Christus in mij woont. Dat is het allereerste wat nodig is. God wordt daarin verheerlijkt, als ik mag weten dat ik in Christus zo’n kind ben en dat God mijn Vader door Christus geworden is. En dat geeft veel vrijmoedigheid in ons hart om toe te gaan tot de troon der genade. En de Heilige Geest wil die zekerheid geven, dat Hij met onze geest getuigt dat wij kinderen van God zijn.

 

Die geloofsverzekering, die de Geest des Heeren ons wil schenken, is een groot goed. Een ieder die op de weg des levens gebracht wordt, moet naar die verzekering staan, want dat is tot verheerlijking van God, dat is tot groot­making van Zijn vaderlijke zorg, van Zijn liefde en trouw. Dan mag je het weten dat er een Vader is. En dan mag u het zeggen vanuit de volheid van uw hart, dat Hij om Christus’ wil uw God en uw Vader is.

En dat wordt Hij alleen in Christus. Want, gemeente, u kunt nooit God als Vader kennen, als úw Vader, dan alleen in Christus. Eerst is er de geloofs­kennis in Christus, de toe-eigening van Hem en dat omhelzen van Hem als mijn God en mijn Heere. En dan vinden we in Hem het hart van de Vader, Die van eeuwigheid af bewogen was over een verloren adamskind. Dan bent u in uzelf arm, nameloos arm, dan bent u in uzelf hele­maal niets. Maar dan wordt u uit de volheid Christus bediend door Zijn Hei­lige Geest, en dan mag u weten dat die Vader in Christus met vaderlijke trouw, met vaderlijke liefde en zorg bewogen is. Dan mag u ervaren dat God uw Vader door Christus geworden is en dat Hij ons veel minder afslaan zal hetgeen wij Hem met een recht geloof bidden.

Daar hebt u dat toevoorzicht. Daar hebt u die vaderlijke gezindheid. Daar hebt u dat geneigd zijn van de Vader om Zijn kinderen te geven wat zij nodig hebben in leven en in sterven, naar lichaam en ziel.

 

Aardse vaders zijn maar een zwakke weerspiegeling van de hemelse Vader. U moet het niet zo zien dat God Vader genoemd wordt in de relatie tot aard­se vaders, want dat is niet waar. Hij is Vader van eeuwigheid. En in Hem is alle vaderschap op aarde begrepen. Daar is alle vaderschap op de aarde naar genoemd. En dan zegt de Heere Jezus: ‘Kijk, als je nu een aardse vader hebt en zijn zoon komt en vraagt hem om een ei, dan geeft hij hem geen slang. En als hij om brood vraagt, dan geeft hij hem geen steen.’ En dan vervolgt de Heere Jezus: ‘U bent boos, maar toch weet u uw kin­deren goede gaven te geven. Hoeveel te meer dan zal Mijn hemelse Vader de Geest geven aan een ieder’ en dan zegt men altijd: ‘die Hem daarom bidt. Maar dat staat er helemaal niet. Daar staat: Die Hem bidt.

Die vaderlijke gezindheid van God gaat aardse vaders ver te boven. Wat is nu de grootste gave van de Vader geweest? Dat is niet het brood dat u eet, dat is niet de kleding die u draagt, dat is niet het huis waarin u woont, dat is niet iets wat u bezit, maar Zijn allergrootste gave is dit: de onuitsprekelijke gave van Zijn eengeboren Zoon. En in die gave kunt u de volheid zien die in God is om te geven, en de gewilligheid die in Hem is om uit te delen, en de lief­de die in Hem is om Zijn kinderen te verzorgen. Het zilver, het goud en het vee op duizend bergen is het Zijne. De aarde is des Heeren, mitsgaders haar volheid, (Ps.24:1) staat er in de psalmen. Zou er ooit iets kunnen zijn wat de Vader niet zou kunnen geven?

 

Gemeente, dan moet de dichter zeggen: ‘Die nimmer mij heeft afgewezen, noch mijn gebed gehoor ontzegd.’ Dan wil die Vader geven wat we Hem met een recht geloof bidden, meer dan aardse vaders dat ooit doen. Dan ga ik buigen voor God, Die in Christus mijn God en mijn Vader is. Dan ga ik hem kinderlijk vertellen wat ik nodig heb, elke dag weer opnieuw. In nood mag ik bij Hem schuilen. Mijn zorg en moeite mag ik Hem vertellen. Dan mag ik bidden, en dan moet u opletten, want dan zegt Jezus niet: ‘Mijn Vader’, maar: Onze Vader. Dan is daar die gemeenschap van de ganse kerk over de hele wereld. Al Zijn kinderen bidden samen: Onze Vader, Die in de hemelen zijt. Niet mijn Vader, maar onze Vader.

Die gemeenschap der heiligen vinden we terug in het gebed. Daar is een zor­gen voor elkaar, daar is een opdragen van elkaar in het gebed. Daar is een gemeenschapsbeoefening: Onze Vader, Die in de hemelen zijt. Dan mag u voor allen bidden, ook voor hen die niet meer bidden kunnen, ook voor hen wier stem verstomd is geworden, die het niet meer kunnen.

Maar boven die kinderschaar, die God aanroept als Vader, is er één stem die daar bovenuit gaat en dat is de stem van onze oudste Broeder, de Heere Jezus Christus, Die in de hemel voor de troon van God staat en Zijn Vader bidt voor al Zijn medebroeders. Hij bidt altijd en zonder ophouden en Hij wordt ook altijd verhoord.

 

Onze Vader. Dat wordt samengevat in het gebed van die oudste Broeder, Die voor Zijn kerk bidt, Die Zijn kerk vertegenwoordigt en deze voor het aangezicht van de Vader brengt. Daarom is die mens zalig, die met deze kin­derlijke gestalte tot God mag naderen. Zo’n mens zal het nooit aan iets ont­breken. Daarom heeft de dichter ook gezongen, en wij gaan het met hem zin­gen uit Psalm 146 het derde vers:

 

Zalig hij die, in dit leven,
Jakobs God ter hulpe heeft!
Hij die, door de nood gedreven,
Zich tot Hem om troost begeeft;
Die zijn hoop in ’t hach’lijkst lot
Vestigt op de Heer’, zijn God.

 

3. De heerlijkheid van de Vader

 

Gemeente, er staat bij: Die in de hemelen zijt. Dat biddende kind heeft een machtige Vader, een heerlijke Vader. En dat wordt beleden in die toevoeging: Die in de hemelen zijt. Wij moeten, zo zegt ons antwoord, van de hemelse majesteit Gods niet aards denken. Want wij zijn uit de aarde aards en wij denken aards. Wat zijn we, als we tot God spreken, ook dan vaak op een aardse wijze bezig!

Wij moeten doordrongen zijn van de grootheid, de hoogheid en de heerlijkheid van God, Die in de hemel gezeten is en daar al Zijn luister vertoont aan de engelen die rondom Zijn troon staan. Wij dienen met diepe eerbied en ootmoed tot Hem te naderen en wij moeten vanuit onze kleinheid en geringheid tot Hem spreken. Dat moeten wij zeker overwegen.

Wanneer de Heere Jezus eraan toevoegt: Die in de hemelen zijt, dan gaat het niet alleen om de eerbied die wij te betonen hebben. Nee, het gaat veeleer om het overdenken van de grootheid van deze Vader, Die de kerk des Heeren heeft. Hij heeft hen in Christus tot Zijn kinderen en erfgenamen aangenomen.

 

Dan moeten we niet aards van Hem denken, in de zin dat er iets zou zijn wat Hij niet zou kunnen. Denk aan Sara. Zij heeft gelachen toen de boodschap kwam dat zij een zoon zou voortbrengen uit Abraham. Toen heeft ze gelachen in ongeloof. Toen heeft ze aards gedacht van die hemelse Majesteit.

En nu wil de Heere niet dat wij aards van Hem zouden denken, maar dat wij Zijn grootheid, Zijn heerlijkheid zullen zien. Hij is zo’n Vader, van Wie wij alle nooddruft naar lichaam en ziel mogen verwachten.

‘En van Zijn almachtigheid alle nooddruft des lichaams en der ziel verwachten.’ Daar hebt u de verwachting van de kinderen. Alle nooddruft naar lichaam en ziel.

Gemeente, nu zijn wij één en al nooddruft, laten we dat erbij zeggen. Want onze nooddruft naar het lichaam is groot, zeker ook de nooddruft naar de ziel. In nooddruft zit het woordje nood. Dat wil zeggen dat wij allerlei nood naar lichaam en ziel hebben. Maar er is geen nood zo groot of de Vader, Die in de hemelen zit, kan die nood vervullen. ‘Van Zijn almachtigheid alle nooddruft des lichaams en der ziel verwachten.’

 

‘Van Zijn almachtigheid.’ U moet er altijd maar aan denken dat die almacht van God niet betekent dat Hij de Machtigste is. Je hebt op aarde machtige mensen en machtige rijken en machtige koningen, maar boven al die machthebbers staat de machtige God. Hij is het allermachtigst. Maar zo wordt het hier niet bedoeld. De almacht van God wil zeggen dat er geen macht is of hij is van God afkomstig. Er is geen kracht in dit leven of die is van God afkomstig. Alle dingen op aarde zijn van God afkomstig.

 

4. De verwachting van de kinderen

 

‘Dat wij van Zijn almachtigheid alle nooddruft des lichaams en der ziel ver­wachten.’ Denk maar aan Paulus toen hij schipbreuk leed. Hij moest naar Rome, want hij had zich op de keizer beroepen. Paulus wilde daar bij de kei­zer het evangelie van het kruis verkondigen. Ze varen op de Middellandse Zee. Er breekt een geweldige storm los, het vaartuig lijdt schipbreuk en dreigt te pletter te lopen. Dan komt God met Zijn engel. ‘Die God, Die ik dien’, zegt Paulus, ‘heeft Zijn engel in deze nacht tot mij gezonden en gezegd dat u allen behouden aan land zult komen, maar jullie moeten wel allemaal op het schip blijven.’ Er zijn er die met een sloep willen ontkomen, maar Paulus laat ze terugkomen. Hij zegt: ‘Allemaal op het schip blijven, want wij komen allemaal behouden aan land.’ God zorgde. ‘Van Zijn almachtigheid alle nooddruft naar lichaam en ziel verwachten.’

 

Denk ook maar eens aan Hizkia. Hij moest sterven. Dat is wat als je zo’n bericht krijgt! De profeet bracht de boodschap: ‘Hizkia, bereid uw huis, maak alles maar klaar, breng alles maar op orde, want u gaat sterven.’ En wij hebben geen verweer, zegt Salomo, in deze strijd. Hizkia kon niets anders doen dan alleen maar roepen tot God. Niets anders. Maar dat was genoeg, want hij heeft tot God geschreeuwd, hij heeft gepiept als een zwaluw en gekird als een duif. En de Heere heeft Zich laten verbidden. Hij stuurde Zijn profeet voor de tweede maal naar Hizkia en toen kreeg hij er nog vijftien jaar bij. Het ging bij Hizkia om een zoon, opdat de Messias uit het huis van David geboren zou worden. Daarom krijgt hij die vijftien jaar erbij. Manas­se wordt geboren uit Hizkia.

God deed het, Hij is de Almachtige, Die in Zijn liefde en trouw altijd Dezelf­de blijft. Hij kan en wil en zal in nood, zelfs bij het naderen van de dood, volkomen uitkomst geven.

 

Onze Vader, Die in de hemelen zijt. Hij is de machtige God, van Wie alles op deze aarde afhankelijk is. Geen mens kan een vin verroeren zonder de wil van de hemelse Vader. Wat zouden de kinderen Gods dan vrezen? Zou er iets zijn waarvoor zij bang moeten zijn? Ze vrezen dikwijls en kijken vaak naar de golven van aanvechting en bestrijding. Ze zien op tegen de vijanden en ze zijn zo menigmaal wankelmoedig. Wat zijt gij vreesachtig, gij kleingelovi­gen? Dat is niet tot verheerlijking Gods, dat is niet tot verheerlijking van de Vader.

Als die kinderlijke vreze en dat rechte toevoorzicht er zijn, dan mogen ze zeggen: Onze Vader, Die in de hemelen zijt. Dan mogen ze alle nooddruft naar lichaam en ziel van Hem verwachten. En dat is niet lijdelijk, niet zomaar met je handen over elkaar zitten en zeggen: ‘Nu zal het wel komen.’ Nee, gemeente, want de Heere heeft de vervulling van al onze nooddruften ver­bonden aan het gebruik van de middelen. Laten wij dat erbij zeggen. De Heere brengt het niet zomaar bij je op de stoep zonder dat je er een hand naar uitsteekt.

De Heere wil dat wij ijverig zijn. De kinderen van God zijn ijverige mensen. Als ze lui zijn, zijn ze niet op hun plaats. Aan de kinderen van God kun je iets zien van de genade van God. Dat kun je zien aan hun levenswandel. Gods kinderen zijn ijverig als het gaat om de nooddruft van hun lichaam, maar zeker wanneer het gaat om de nooddruft van hun ziel. Dan zullen ze de middelen gebruiken die nodig zijn.

 

Kijk, er zijn veel mensen die zeggen: ‘God moet het doen, je moet bekeerd worden.’ Dat is waar, God moet het doen. En dan steken ze geen vinger uit naar de middelen die God hen daartoe gegeven heeft. Ze buigen nooit hun knieën om de Heere aan te roepen. Ze slaan nooit het Woord van God open om daarin te lezen. Ze vragen zich niet af hoe God een mens bekeert. En dat zijn mensen die zeggen: ‘God moet het doen.’

Maar zo is het toch in de natuur ook niet? U verwacht toch niet dat de Heere u dagelijks brood geeft als u niet werkt of werken wil? Dan kunt u toch ook niet verwachten dat er brood op uw tafel komt en dat alles verder wel terechtkomt? Ook in dat opzicht moet u de middelen waarnemen.

Welnu, zo is het ook in het geestelijke. Als u leeft naar uw eigen zin en uw eigen wil blijft doen, dan gaat u voor eeuwig verloren. Dat moet u aanne­men, dat is zeker. Maar als u onder biddend opzien het Woord van de Heere tot u neemt en zegt: ‘O God, wil mij onderwijzen in de weg der zaligheid, wil mij een zegen geven over Uw Woord, leer mij treden in Uw paden’, dan zal God u dat ook geven. Het is van tweeën één.

 

Gemeente, we kunnen er niet mee spotten. We kunnen wel een heleboel praatjes hebben, rechtzinnige praatjes soms, en veel kritiek op de kerk en weet-ik-wat-allemaal hebben. Maar daarmee gaan we voor eeuwig verloren. Houd dat voor ogen. Als u straks voor God staat, dan kunt u niet zeggen dat u de weg der zaligheid in de Heere Jezus Christus niet gepredikt is. U kunt niet zeggen dat het niet gezegd is wat u moest doen, welke weg u moest inslaan. De weg van het Woord, de weg van het gebed, de weg van de wandel naar het Woord des Heeren, die is u gepredikt. De Naam door Wie u alleen maar zalig kunt worden, is u voorgehouden. Leven en dood zijn u voorgesteld in Jezus Christus.

U moet niet denken dat u zonder dit alles ooit God kunt zien en leven. Dat kan alleen als u in uw leven bekeerd, wedergeboren bent tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden. Alleen door die weg zult u zalig worden en God mogen aanschouwen, als die gezegende God en Vader van onze Heere Jezus Christus, Die door Zijn eeuwige Geest woont in het hart van mensenkinderen.

 

Gemeente, het is van tweeën één. Onze Vader, Die in de hemelen zijt. Daar is een almachtige God, van Wie wij alle nooddruft naar lichaam en ziel mogen verwachten. En verwachten betekent uitzien, verwachten is bezig zijn, uitziende bezig zijn. Dan mag u instemmen met de dichter:

 

Ik blijf de Heer’ verwachten;
Mijn ziel wacht ongestoord;
Ik hoop, in al mijn klachten,
Op Zijn onfeilbaar woord.
Mijn ziel, vol angst en zorgen,
Wacht sterker op de Heer’,
Dan wachters op de morgen;
De morgen, ach, wanneer?

 

O, wat is het nodig om deze God als Vader in Christus te leren kennen!

Het gaat door het verlies van uzelf heen, maar het brengt u een eeuwige winst.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Gebed des Heeren: 1

 

O allerhoogste Majesteit,
Die, in het rijk der heerlijkheid,
De heem’len hebt tot Uwen troon,
Wij roepen U, in Uwen Zoon,
Die voor ons heeft genoeggedaan,
Als onze Vader need’rig aan.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in ‘De Heidelbergse Catechismus’ van ds. D. Rietdijk en ds. C.G. Vreugdenhil (Uitg. Groen, 1998).