Ds. H. Paul - Jesaja 51 : 6

Het blijvende, dat het tijdelijke te boven gaat

Jesaja 51
De vergankelijkheid van de schepping
De broosheid van de mens
De duurzaamheid van Gods genade

Jesaja 51 : 6

Jesaja 51
6
Heft ulieder ogen op naar den hemel, en aanschouwt de aarde beneden; want de hemel zal als een rook verdwijnen, en de aarde zal als een kleed verouden, en haar inwoners zullen van gelijken sterven; maar Mijn heil zal in eeuwigheid zijn, Mijn gerechtigheid zal niet verbroken worden.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 90: 1, 2
Lezen : NGB art. 37
Lezen : Jesaja 51: 1-16
Zingen : Psalm 102: 14, 15, 16
Zingen : Psalm 71: 1, 11
Zingen : Psalm 103: 8, 9

Gemeente, de tekst voor deze avond vindt u in het gedeelte van Gods Woord, dat u is voorgelezen, Jesaja 51 en daarvan het zesde vers, waar we Gods Woord en onze tekst lezen:

 

Heft ulieder ogen op naar de hemel en aanschouwt de aarde beneden; want de hemel zal als een rook verdwijnen, en de aarde zal als een kleed verouden, en haar inwoners zullen desgelijks sterven; maar Mijn heil zal in eeuwigheid zijn, Mijn gerechtigheid zal niet verbroken worden.

 

De tekst spreekt ons van: Het blijvende, dat het tijdelijke te boven gaat.

 

Wij staan stil bij:

1. De vergankelijkheid van de schepping

2. De broosheid van de mens

3. De duurzaamheid van Gods genade

 

1. De vergankelijkheid van de schepping

 

Gemeente, opnieuw ligt bijna een jaar achter ons. Ook dit jaar is, op enkele uren na, weer bijgezet in het graf der eeuwen; is verleden tijd geworden. Toch, wat de Heere aan ons ten koste legt, waarin Hij ons tot Zich roept, blijft ons toegerekend.

Ook in dit jaar hebben aangrijpende gebeurtenissen plaatsgehad. Door sommigen moest een smartelijk verlies en gemis worden ingeleefd. De lege plaatsen worden gevoeld, daar waar men bij het begin van het jaar nog samen was. Anderen hebben in het afgelopen jaar hun ouders of andere verwanten moeten afstaan.

Diepe smart vervult het hart, waarbij we bij alles mogen weten dat de Heere gebleven is. Het is mijn hartelijke wens en bede, dat het mag worden ondervonden dat Hij Die blijft en gebleven is, méér is dan die zijn heengegaan. Dan houden we toch over wat blijvende waarde heeft; dan houden we Hem over, Die helpen kan in de grootste nood.

 

Gemeente, daar wijst onze tekst op, uit Jesaja 51. Het is een tekst uit een hoofdstuk dat behoort tot het tweede deel van de profetie van Jesaja. In het eerste deel heeft Jesaja vooral gewezen op de ernst van de zonde en geprofeteerd van de zekerheid van de gerichten Gods, van de wegvoering naar Babel. Het volk werd gewaarschuwd zich tot God te bekeren.

Maar het volk ging door in eigen gekozen wegen. Oók heeft Jesaja mogen profeteren dat het volk op Gods tijd zou terugkeren uit Babel. Dat begint bij Jesaja 40 vers 1 en 2: Troost, troost Mijn volk, zal ulieder God zeggen. Spreekt naar het hart van Jeruzalem, en roept haar toe dat haar strijd vervuld is, dat haar ongerechtigheid verzoend is, dat zij van de hand des Heeren dubbel ontvangen heeft voor al haar zonden.

Dan zou er een tijd aanbreken dat het volk uit Babel zou worden verlost, zoals het eertijds uit Egypte verlost was. Dan zou de Heere het met een krachtige hand uit het land van Babel bevrijden. Dat leek onmogelijk; het leek, gezien de omstandigheden, niet te kunnen. Maar dan mag de profeet het volk er in dit hoofdstuk op wijzen dat God almachtig is, dat geen ding voor Hem onmogelijk is. Zo luidt het eerste vers in dit hoofdstuk: Hoort naar Mij, gij die de gerechtigheid najaagt, gij die de Heere zoekt.

 

Als we de aanspraak van deze tekst lezen, dan klinkt het heel anders dan in het verleden. In het verleden moest het volk toegesproken worden als een volk dat de nek verhardde; dat op God en Zijn Woord geen acht af, welks hart vet was, hun voorhoofd koper en hun nek een ijzeren zenuw.

Maar nu mag Jesaja het volk toespreken als een volk waarvan hij mag zeggen: Gij die de gerechtigheid najaagt en gij die de Heere zoekt! Er was een kentering gekomen, een wending in het leven van het volk, daar in Babel, Er was een kern, die de Heere ging zoeken; een volk dat het niet uit kon houden in het land van Babel; dat de harp aan de wilgen had gehangen.

Een volk dat daar geen lied des Heeren kon zingen, vanwege het heimwee naar de dienst van de Heere, heimwee naar de tempel. Opdat ze dáár mochten zijn, waar eenmaal de tempel stond. Het was hun innig verlangen dat die herbouwd zou mogen worden en de dienst van de Heere zou worden hersteld.

 

Dat was een volk dat tot bekering was gekomen, gemeente. Als u dan wilt weten waarin dat openbaar komt, de waarachtige bekering tot God, dan zegt vers 1: Gij die de gerechtigheid najaagt, gij die de Heere zoekt. Dat is het kenmerkende: het volk jaagt gerechtigheid na; het verlangt met ijver te betrachten wat God van hen vraagt. Niet als een farizeeër, niet als een man die met zijn gerechtigheid meent voor God te kunnen bestaan, maar uit liefde. Die hebben de zonde leren zien als zonde tegen God; die verlangen van harte te betrachten hetgeen de Heere vraagt.

Dat is geen volk dat iets wórdt met het jagen naar gerechtigheid, want dat is een volk dat de Heere zoekt. Dat is er onverbrekelijk mee verbonden; dat zoekt God.

Een godzoekend volk is een volk dat iets kent van een ommekeer in hun leven; van een keus in hun leven om de Heere te zoeken. Want u en ik, wij zetten van onszelf geen voet op de weg naar God. Maar hier is een volk dat God zoekt, dat Zijn gemeenschap zoekt. Dat volk kan zonder God en buiten Zijn dienst niet leven.

De vraag is: is dat ook op u van toepassing? Geldt dat ook u en mij en jullie, jongens en meisjes? Najagen, niet van het aardse goed, niet van hetgeen vergankelijk is, wat voorbijgaat, maar van gerechtigheid.

Dat woord betekent: hetgeen overeenkomt met de geboden van God. Dit woord heeft hier deze betekenis: dat naar God zoekt, naar de Heere zoekt, dat Hem niet kan missen.

Dat volk verlangde terug te keren uit Babel. Maar het scheen onmogelijk. Babel was immers een machtig volk; wie zou hen ooit uit die hand kunnen verlossen? Doch alzo zegt de Heere: Ja, de gevangenen des machtigen zullen hem ontnomen worden, en de vang des tirans zal ontkomen; want met uw twisters zal Ik twisten en uw kinderen zal Ik verlossen (Jes.49:25).

 

Dus geeft de Heere hier de belofte van de verlossing. Dat volk zal verlost worden uit Babel. Bij Hem is niets onmogelijk.

Dat bewijst de Heere met het voorbeeld van Abraham en Sara. Abraham en Sara waren op hoge leeftijd gekomen. Naar de mens gesproken kon uit hen geen nageslacht voortkomen. Maar we weten: Israël was een volk, talrijk als de sterren aan de hemel, als het zand aan de oever van de zee. Dat is voortgekomen uit een echtpaar dat, naar de mens gesproken, geen kinderen meer zou kunnen krijgen. Abraham was 99 jaar, bijna honderd, toen de Heere die belofte aan hem herhaalde, en aan Sara, hoewel de moeder in haar was gestorven.

Wanneer Abraham honderd jaar en Sara negentig jaar is, wordt Izak geboren. Dat vergelijkt de Heere met het uithouwen van een volk uit een rotssteen, het uitgraven van een volk uit de verdroogde put, waar de holligheid, de bodem, nog te zien is. Uit dat totaal onvruchtbare echtpaar is een volk voortgekomen, zo talrijk als Israëls zaad zijn zal. Daarom is geen ding onmogelijk voor God. De Heere zal dat volk verlossen. Hij zal ze in Jeruzalem brengen. Daarom zal Hij voor hen uitgaan.

Maar de Heere geeft nog een belofte aan het volk, waarvan Hij zegt: Luistert naar Mij, Mijn volk, en Mijn lieden, neigt naar Mij het oor; want een wet zal van Mij uitgaan, en Ik zal Mijn recht doen rusten tot een licht der volken (vers 4). Daar belooft de Heere ook de komst van de Messias.

Niet alleen de terugkeer uit Babel, maar ook de komst van de Zaligmaker wordt beloofd. Dat zal langs een afgesneden weg gaan. Dan zal de boom van het geslacht van David tot een wortelstomp worden. Maar uit dat geslacht zal toch de Christus voortkomen.

 

Daarom wordt Israël hier verblijd met toezeggingen in maatschappelijk opzicht, bevrijding van het volk en ook met de belofte van de komst van de Zaligmaker: Mijn gerechtigheid is nabij, Mijn heil trekt uit (vers 5). Onze kanttekenaren wijzen er op dat het hier gaat om de genadige verlossing die de Heere Zijn volk Israël, door de Zaligmaker Jezus Christus bereiden zal, naar Zijn belofte, en dat Hij de zaligheid aan de heidenen zal geven. Dat staat vast; niets ter wereld, noch in de hel, zal kunnen verhinderen hetgeen God schenken zal. Dat staat vaster dan de aarde en het is zekerder dan de hemel. Dat zegt onze tekst.

Want dan wekt Jesaja het volk op: Heft ulieder ogen op naar de hemel en aanschouwt de aarde beneden.

Dat zijn voor onze ogen vastigheden. De natuur op deze aarde, het ruime hemelrond vertelt met blijde mond, Gods eer en heerlijkheid. De hemel en de sterrenhemel, wat is naar onze gedachten vaster dan dat. Heft uw ogen op naar de hemel en aanschouw de aarde beneden, door God geschapen, door Hem in stand gehouden, maar... voor een tijd, tot de tijd die God daartoe bepaalt.

 

Want dan zegt onze tekst: Want de hemel zal als een rook verdwijnen en de aarde zal als een kleed verouden. Het houdt allemaal geen stand; de aarde, zoals hij nu is, houdt geen stand. De hemel, zoals hij nu is, zal als een rook verdwijnen. U weet wat rook is. Rook ontstaat waar iets door het vuur verteerd wordt. De rook verheft zich en een ogenblik later zie je daar niets meer van. De rook is als het ware opgelost in de lucht. Dat zal met de hemel geschieden.

De aarde zal als een kleed verouden. Als een kleed, als een mantel of een jas, oud, afgedragen, totaal tot op de draad versleten, tot lompen geworpen, te lang gedragen. Dat wordt als waardeloos terzijde gelegd; het heeft geen enkele waarde, er is geen sierlijkheid meer aan, geen kleur wordt herkend. Er blijft niets van over en tenslotte wordt het bij de lompen geworpen. En zó gaat het, zegt Gods Woord, met de hemel en met de aarde.

We hebben er zo-even van gezongen uit Psalm 102: Gij hebt voormaals de aarde gegrond, en de hemelen zijn het werk Uwer handen. Die zullen vergaan, maar Gij zult staande blijven, en zij alle zullen als een kleed verouden, Gij zult ze veranderen als een gewaad, en zij zullen veranderd zijn. Maar Gij zijt Dezelfde, en Uw jaren zullen niet geëindigd worden (Ps.102:26-28).

We lezen in Openbaring 6, bij de opening van het zesde zegel: En ik zag, toen Het het zesde zegel geopend had, en zie, er werd een grote aardbeving; en de zon werd zwart als een haren zak, en de maan werd als bloed (Openb.6:12).

 

Gemeente, wij zijn op reis naar de eeuwigheid, naar die geduchte dag der dagen, die komen zal. Dat is ons uit onze belijdenis voorgelezen. Daarom, laten we ons hart niet zetten op het aardse; laten we niet leven, jongens en meisjes, voor het tijdelijke. Laat je ogen niet verblind zijn door datgene wat voorbijgaat, wat geen stand­houdt. Al het aardse ontvalt ons, het kan ons hart nooit vrede of echte vreugde geven; we kunnen daar nooit echt bevrediging in vinden. Alles roept ons toe: ‘Bij mij is het niet!’ Altijd blijft er een leegte, altijd een tekort.

Denk aan de rijke dwaas. Wat was de man dwaas. Hij dacht dat hij altijd hier zou blijven, althans vele jaren. Hij zette zijn hart op het aardse, op het tijdelijke, het was zíjn goed, het was zíjn bezit, het waren zíjn schuren, het was zíjn oogst en zijn ziel moest rust hebben en vrolijk zijn en vele jaren daarvan leven. Maar God zei tot hem: Gij dwaas, in deze nacht zal men uw ziel van u afeisen; en hetgeen gij bereid hebt, wiens zal het zijn? (Luk.12:20)

Laten wij ons hart niet zetten op hetgeen voorbijgaat. De Heere heeft alles in stand gehouden, maar tot de tijd die Hij bepaalt. Wat voorbijgaat heeft geen eeuwigheidswaarde, en elk ogenblik kunnen we door God worden opgeroepen om voor Zijn rechterstoel te moeten verschijnen. Elk ogenblik kan het laatste zijn. In het afgelopen jaar zijn er u ontvallen en niet alleen hier, maar ook elders, ook jongeren.

Je hebt in de kranten gelezen van jongens en meisjes, die in de jonge bloei van het leven door de dood zijn weggenomen. Ze werden plotseling, of na ziekte, uit het leven weggenomen. Er bestaat, gemeente, voor de dood geen grens. In een bepaald opzicht zijn we allemaal even oud. Wie weet wat we in ons lichaam omdragen.

We kunnen ieder ogenblik worden opgeroepen om voor God te verschijnen. Daarom, laten we ons hart niet zetten op het tijdelijke, op het vergankelijke, op hetgeen voorbijgaat, maar laten we, door genade, zoeken wat blijft. De Heere Jezus heeft Zelf gezegd: Maar zoekt het Koninkrijk Gods, en al deze dingen zullen u toegeworpen worden (Luk.12:31).

 

2. De broosheid van de mens

 

Onze tekst spreekt van de broosheid van de mens en het noodzakelijk zoeken van wat blijft. Want de aarde die we zien, en de hemel die aanschouwd wordt in zijn grootheid en heerlijkheid, álles ontvalt ons. Wij moeten het allemaal verlaten. Wij kunnen in dit opzicht niets meenemen en het zal eenmaal verdwij­nen. Gods Woord zegt in onze tekst: En haar inwoners zullen desgelijks sterven. Dat betekent: op een soortgelijke wijze zal het ook ons vergaan. Zo zal het u en mij vergaan met al de inwoners van de aarde: ze zullen als gelijken sterven.

Niet gelijk de aarde, maar áls gelijk, staat er in de grondtaal. Er is natuurlijk een verschil; de schepping heeft niet gezondigd. De aarde, als schepsel van God, heeft niet gezondigd. Wij wel. Wij dragen onze erfzonde, wij dragen onze schuld, de zonde van nalatigheid, van bedrijf, erfschuld en dadelijke schuld. Wij hebben allen gezondigd; wij zullen van gelijken sterven, maar ook rekenschap afleggen, rekenschap geven van ons rentmeesterschap.

Het geldt ons allemaal, dat we geopenbaard moeten worden voor de rechterstoel van Christus, opdat een ieder wegdrage hetgeen door het lichaam geschiedt, hetzij goed, hetzij kwaad.

 

Wij moeten ook van het afgelopen jaar weer rekenschap afleggen van wat we gedaan hebben, Overigens, niet alleen van dit jaar, ook van de voorgaande jaren. Toen de boodschap tot u kwam, alle keren dat u het Woord is verkondigd, dat moet allemaal verantwoord worden. Wat hebt u met het Woord gedaan? Wij moeten rekenschap afleggen van ons rentmeesterschap.

Wij zullen, zegt onze tekst, van gelijken sterven. Door de zonde is de dood in de wereld gekomen en de dood gaat door tot alle mensen. We leven hoogstens zeventig jaar of tachtig jaar. Wij horen bij de inwoners. Wij, de inwoners van deze aarde, zullen als van gelijken sterven. En dat betekent: God ontmoeten.

Hoe zal het dan zijn, gemeente? Wanneer we dat zien in het rechte licht, wordt het leven zo anders. Daarom zijn de Bijbelheiligen mensen die gevraagd hebben of de Heere hen wil bepalen bij de kortstondigheid van het leven.

Dat willen wij van nature niet; wij willen er niet aan herinnerd worden. Wij willen niet herinnerd worden aan het feit dat wij vergankelijke mensen zijn. Maar David zegt en bidt tot God: Heere, maak mij bekend mijn einde, en welke de mate mijner dagen zij; dat ik wete hoe vergankelijk ik zij (Ps.39:5).

Hij verlangt bepaald te worden bij de vergankelijkheid van zijn leven. Want dan zet hij zijn hart niet op de dingen van deze tijd. Dan verlangt hij de kortstondigheid van zijn leven voor ogen te hebben. Want dan wordt het kruis zo anders. Dan wordt de wereld met haar glans zo anders. Dan is alles zo beperkt, waar we zo druk mee bezig zijn. Dan wordt alles zo in een ander licht gesteld. En Mozes vraagt in Psalm 90: Leer ons alzo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen (vers 12).

 

Het valt op, gemeente, dat zij spreken van dágen; dagen die God ons geeft in ons leven. Dat ik een wijs hart mag bekomen. Dat had Mozes, met al zijn wijsheid die hij bezat, niet van zichzelf. Hij vraagt om dat te mogen ontvangen. Een wijs hart, een hart dat God zoekt, het hart van een rentmeester; een hart dat beseft en doordrongen is van het feit dat wij voor God niet kunnen bestaan, maar dat wij in afhankelijkheid van de Heere, aan Hem mogen vragen wat tot ons welzijn dient. Dat is een wijs hart. Dat zegt tot de zonde: ‘Henen uit!’ Dat is een hart waar de Godsvreze in gehuisvest is.

Want dan zegt onze tekst: Haar inwoners zullen desgelijks sterven. Gemeente, wat is dat een waarschuwend woord. Het brengt smart aan in ons leven, wanneer we ons hart op de tijdelijke dingen zetten. Wanneer we zo vervuld zijn met wat van deze tijd is. Het is een pijnlijke zaak, wanneer je zo bezig bent met dít te realiseren en dát te bereiken in je zaak, in je goederen, in je gezin, in je huis. Het is een pijnlijke zaak wanneer je leeft voor het tijdelijke, omdat alles maar vergankelijk is.

Dat is een waarschuwende waarheid, als we nog voor eigen rekening voortleven en zodoende nog buiten God leven. Als we geen Borg voor onze schuld en geen God voor ons hart hebben. Een waarschuwend woord: Haast u om uws levens wil, de tijd is voorts kort, het leven gaat zo snel.

 

Haar inwoners – dat bent u en dat ben ik – zullen van gelijke sterven. Het tekent de vergankelijkheid, de kortstondigheid van het aardse leven. En dat betekent dus dat we het blijvende, het onvergankelijke en het eeuwige moeten zoeken.

Gemeente, wat een wonder, er is nog een mogelijkheid om zalig te worden. Waarom wordt uw naam vanavond niet afgelezen? Waarom, jongens en meisjes, wordt jullie naam vanavond niet afgelezen? Waarom niet? Ben je beter? Oftewel, heb je er recht op? Het had ook gekund! Misschien zijn er wel die dicht aan de rand van het graf geweest zijn; misschien bij een ongeval wonderlijk gespaard. God heeft in onze dood geen lust, maar dat we ons zouden bekeren en leven! Want de waarschuwing geldt: ‘Uitstel is geen afstel.’ Daarom hebben we de plaats te zoeken waar nog genade te verkrijgen is. Gemeente, er is nog een Zoar van behoud, opdat wij ons derwaarts heen zouden spoeden, om ons levenswil!

Wanneer op ons hart gebonden is wat het betekent mens te zijn, tegen de Heere te hebben gezondigd, zien we de zaken zo anders.

Bij Christen, in het bekende boek van Bunyan, ‘De christenreis’, weegt het op zijn hart: ‘Ontvlied de toekomende toorn!’ Dan verlangt hij dat blijvend goed te mogen bezitten. Alles wat hem tegenhoudt, alles wat probeert hem er van af te brengen, stelt hij terzijde. Het gaat om het leven, het eeuwige leven.

Daarom wordt ons, ook vanavond, een waarschuwing meegegeven: Haar inwoners zullen van gelijken sterven. Toch, gemeente, wat een wonder. Dat is geen woord dat degenen die God vrezen verschrikt. Al kan het ook met veel twijfel gepaard gaan.

Al kan de vrees ons hart wel bezetten, als je denkt: Hoe zal ík het maken in de verheffing van de Jordaan? Hoe zal het met mij nog gaan? Maar er is toch een volk op aarde dat bij tijden iets kent van de blijdschap, dat wat weggelegd is ook ontvangen zal worden.

 

Dan zijn ze wel eens verblijd dat de tijd geen eeuwigheid is. U ook? Of zou je altijd willen leven op deze aarde? De tijd is geen eeuwigheid, wat is dat een voorrecht. Niet altijd behoeven te zondigen; niet altijd de Heere te moeten bedroeven; niet dat gemis meer kennen van dat missen van de Heere. Dan zegt Jakob op zijn sterfbed: Op Uw zaligheid wacht ik, Heere (Gen.49:18).

Dan mag Paulus weten dat het verre het beste is, om ontbonden te zijn en bij de Heere te zijn. Ja, Simeon heeft er van gesproken: Nu laat Gij, Heere, Uw dienstknecht gaan in vrede, naar Uw woord; want mijn ogen hebben Uw Zaligheid gezien (Luk.2:29-30).

Dan is er een uitzien en verlangen naar die dag. Daarom is het een voorrecht, te weten dat we niet altijd hier hoeven te blijven. Dan zullen we, net als alle inwoners, van gelijken sterven, maar dan is dat sterven ook erven en een doorgang tot het eeuwige leven.

 

Dan verwachten wij, zegt onze belijdenis, die grote dag met een groot verlangen, om ten volle te genieten de beloften Gods in Christus Jezus. Dan zal de Heere eenmaal alle tranen van de ogen afwissen; dan komt er een einde aan dit leven, dat lijden is, dat strijden is, dat sterven is.

Dat is geen opium van het volk, zoals de bekende communist Lenin gezegd heeft. Hij zegt: ‘Men houdt zich maar bezig met het toekomstige, men troost zich met het toekomstige en laat zich maar vertrappen.’ Nee, er is een beter uitzicht, er is een toekomst, er is een verwachting, er is een wetenschap, dat het tijdelijke voorbijgaat, dat er een eeuwig goed is. Een zaligheid, nooit af te meten, door bij de Heere te mogen zijn.

Daar gaat het om, gemeente. Het gaat niet om de hemel te verkrijgen, het gaat niet om de hel te ontgaan, maar het gaat om bij de Heere te zijn. Het gaat om ten volle de gemeenschap met God te genieten. Want het hart blijft onrustig in ons, totdat het rust vindt in de Heere. Dat is het doel van het sterven in de Heere, om bij de Heere te zijn. Maar dan moet Hij ook gekend worden, dan moet Hij ook ons deel zijn; dan moet ook dat goed, dat bij Hem te verkrijgen is, ons zijn toegerekend, door het geloof gekend en omhelsd worden, in de mate dat de Heere daar licht over heeft gegeven. Dat mag geen onbekende zaak zijn.

 

De vraag is: hoe is het nu met ons, aan het eind van het jaar? U weet, er wordt in veel zaken een balans opgemaakt. Credit en debet moeten worden vastgesteld. Hoe is uw balans, hoe is mijn balans? Hoe staat het er bij?

Kennen we die toegerekende gerechtigheid? Want van u en ook van mij geldt: Gewogen, en te licht bevonden. Niemand kan voor God bestaan met ál zijn eigengerechtigheid; te licht bevonden. Alleen als toegerekend is wat van Christus is, zullen we in het gericht van God kunnen bestaan en zullen we deelgenoten kunnen zijn van het goed dat eeuwig blijft. Daarom, wanneer het Woord van God hier zegt: ‘Dan zullen we van gelijken sterven’, is dat een aangrijpend woord, want sterven betekent God ontmoeten. Wat een roepstemmen zijn er tot ons gekomen. Wat een arbeid is aan ons ten koste gelegd.

Wat een bemoeienissen heeft God gemaakt! Is het allemaal tevergeefs, is uw hart niet geroerd, tot in het diepst van uw ziel, dat u bent zoals u van nature voor God bent? Dat u niet anders kunt doen dan Hem bedroeven? Dat u de roepstemmen naast u hebt neergelegd en doorgegaan bent in eigen wegen? Hoe lang nog?

 

We weten niet of we het aanstaande jaar zullen beleven. We weten ook niet of we het ten einde zullen brengen. Maar er is één ding waar: als God ónze God is, dan hebben we een goed dat meegaat. Dan houdt dat niet stil bij de grens van het ene jaar en het andere jaar. Dat houdt ook niet stil bij het verscheiden uit het leven. Dat is een goed dat blijft. Het zal in ons leven gekend moeten worden. Het leven op deze wereld, op deze aarde, bepaalt straks onze toekomst.

Denk aan het geweldig gericht dat komen zal, waar de Heere zal vragen: ‘Wat hebt u gedaan? Ik ben hongerig geweest, Ik ben dorstig geweest, Ik was in de gevangenis en naakt, Ik was krank, wat hebt u gedaan?’ Dan zal niemand kunnen zeggen: ‘Heere, ik heb het goed gedaan.’ Maar dan zal Hij toch zeggen: ‘Wat gij aan één van Mijn minsten hebt gedaan, dat hebt gij Mij gedaan.’ Dan is er toch een betrekking op het volk, toch een liefde tot de dienst van God, dat drong tot liefdesuitingen.

Daarom bepaalt ons leven onze toekomst. Verwacht het niet van het laatste moment, al weet ik en al geloof ik dat God die laatste dag nog tot ruimte kan brengen. Maar laat het er niet op aankomen. Het kan zo plotseling afgelopen zijn. Niet iedereen krijgt een ziekbed of sterfbed. Het kan zo plotseling eeuwigheid zijn en dan moet er iets gekend zijn, moet er iets ontvangen zijn en moet genade ons deel zijn.

 

Gemeente, God laat juist nog een tijd der genade om Hem te zoeken, opdat we Hem mogen vinden en daarmee het leven vinden, waar de dood geen macht over heeft. Dan spreekt onze tekst van ‘goed dat blijft’. Bij het aardse, vergankelijke, tijdelijke, is er ook een goed dat blijft. Want dan zegt de Heere in het woord van onze tekst: Maar Mijn heil zal in eeuwigheid zijn, Mijn gerechtigheid zal niet verbroken worden.

Dat is het goed dat blijft, dat geen verandering kent. Dat houdt stand, omdat het Gods werk is. Mijn heil, Mijn gerechtigheid, dat houdt stand. Daar spreekt de Heere van in onze tekst.

 

3. De duurzaamheid van Gods genade

 

Heil, dat begrijpt u, dat is genade; heil is verlossing. Heil heeft te maken met het woord Heiland, met de naam Jezus, Redder, Messias, Zaligmaker. Dat heil dat nooit vergaat, heeft Hij verworven. Zijn naam is Jezus en Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden. Mijn heil, zegt de Heere, zal in eeuwigheid zijn. Dat heil wordt niet aangetast door de tand van de tijd. Dat heil is aan geen verandering onderhevig, dat zal in eeuwigheid zijn. Wat Christus verworven heeft, is én voor de tijd, én voor de eeuwigheid. Dat is een goed dat nooit vergaat. Daar kun je mee leven en daar kun je mee sterven. De enige troost in leven en sterven is: dát te bezitten!

 

Mijn heil, zegt de Heere, zal in eeuwigheid zijn, Mijn gerechtigheid zal niet verbroken worden; die zal nooit bezwijken. Wanneer je het woord ‘gerechtigheid’ hoort, denk je wellicht aan dat strenge van God, dat Hij Zijn gerechtigheid handhaaft en dat Hij Zijn recht handhaaft. Zo heeft Luther het ook opgevat, toen hij las dat Gods gerechtigheid in het evangelie is geopenbaard.

Maar hetzelfde woord gerechtigheid heeft ook de betekenis van verlossing, van zaligheid; van trouw aan Zijn verbond. De betekenis van goed en heil dat nooit vergaat. Gerechtigheid betekent ook dat God aan Zijn verbond gedenkt.

Luther dacht eerst, toen hij het woord gerechtigheid las in Romeinen 1, dat God ook in het evangelie onderhouding van Zijn wet eiste. Toen werd hij als het ware gestriemd door het woord gerechtigheid. Toen had hij angst voor dat woord.

Totdat hij ging verstaan dat ermee bedoeld werd: de gerechtigheid van Christus, door het evangelie verkondigd en aangeboden. Toen verstond hij dat hier niet de eisende gerechtigheid Gods bedoeld werd, maar de verlossende gerechtigheid.

Dat wil zeggen: de redding door Christus, in het Woord gepredikt en aangeboden, zegt ons dat er daardoor zaligheid mogelijk is.

 

Gerechtigheid, zegt een zekere onderzoeker, is een eigenschap van de Heere, waar Hij naar handelt met de Zijnen en met de vijanden van de Zijnen.

Dus gerechtigheid voor de Zijnen betekent: Zijn redding, Zijn trouw, Zijn verlossing en Zijn hulp.

Maar Zijn vijanden ondervinden door Zijn gerechtigheid gericht en oordeel. Je kunt het zien bij Jezus’ dood. Toen Hij stierf op Golgotha eiste Gods gerechtigheid Zijn ondergang, eiste Zijn dood. Naar het recht van God werd Christus’ dood geëist. Maar naar diezelfde gerechtigheid mocht Hij opstaan; eiste Gods rechtvaardigheid Zijn opstanding.

Hij, Die betaald had, werd ontslagen van alle rechtsvervolging. Naar dezelfde gerechtigheid Gods werd Christus opgewekt. Daarom lezen we ook in de psalmen dat juist op Gods gerechtigheid gepleit wordt. Er wordt juist op grond van Zijn gerechtigheid gesmeekt om de genade te mogen ontvangen, die Hij schenkt. De Heere is genadig en rechtvaardig en onze God is ontfermende (Ps.116:5). De Heere doet gerechtigheid en gerichten al degenen die onderdrukt worden (Ps.103:6).

Hij zal hun onderdrukkers straffen, maar de onderdrukten zal Hij redden. Hij zal handelen naar Zijn verbondsverhouding.

 

Daarom spreekt de Heere hier ook in onze tekst: Mijn heil zal in eeuwigheid zijn, Mijn gerechtigheid zal niet verbroken worden. Waar Ik Mijn Woord gegeven heb, zal die niet bezwijken. Dan is het de trouw van Zijn verbond dat Hij houdt.

Hetgeen Ik eenmaal heb gesproken, zal Ik doen. Ik zal nooit herroepen hetgeen Ik eenmaal heb gesproken; hetgeen uit Mijn lippen ging blijft vast en onverbroken. Dat betekent ook Zijn gerechtigheid, Zijn trouw.

Gemeente, waar dát doorleefd wordt, waar dat wonder van die reddende gerechtigheid gekend wordt, van de trouw van God en Zijn verbond, daar kunnen we niet anders dan in aanbidding zeggen: ‘Heere, wat een wonder!’ Daar kent ook de dichter van de psalm die wij samen zullen zingen, iets van. Psalm 71 vers 1 en 11:

 

’k Betrouw op U; hoor mijn gebeden;

Dat mij geen schaamt’, o Heer’,

In eeuwigheid verneêr’;

Red mij door Uw gerechtigheden;

Bevrijd mij; neig Uw oren;

Verlos mij; wil mij horen.

 

Ik zal blijmoedig henentreden,

In ’s Heeren mogendheid.

Mijn hart is uitgebreid,

O Heer’, om Uw gerechtigheden,

Ja, die alleen, te prijzen

Op aangename wijzen.

 

Gemeente, het gaat over het blijvende, dat het tijdelijke te boven gaat. Wat het zozeer te boven gaat, dat het ons aller verlangen moet zijn erin te mogen delen en die schatten te ontvangen. Want wat vast lijkt te zijn – en wat is vaster voor onze ogen dan deze aarde, wat is vaster dan de hemel, de sterrenhemel en wat God geschapen heeft? – het zal toch eenmaal vergaan. De aarde wordt door vuur gelouterd en de hemel gaat voorbij.

We weten het, door het Woord van Christus: De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan (Matth.24:35). Petrus spreekt in 2 Petrus 3 vers 10: Maar de dag des Heeren zal komen als een dief in de nacht, in welke de hemelen met een gedruis zullen voorbijgaan, en de elementen branden zullen en vergaan, en de aarde en de werken die daarin zijn, zullen verbranden.

Alles gaat voorbij.  Dat is de toekomst, gemeente. Dat is de toekomst die zeker is. Dit leven is voorbijgaand, ons leven is vergankelijk. De inwoners van de aarde zullen die weg ook moeten gaan, zullen sterven.

 

Maar... er is een ‘maar’ aan Gods kant. Dat is ondanks ons. Dat is een wonder van genade, dat de Heere hier spreekt van het ‘maar’. Tegenover wie wij zijn, wat de zonde teweeggebracht heeft, stelt God Zijn ‘maar’.

In het ‘maar’ wijst Hij iets aan wat blijft. Het is niet het laatste woord, dat alles voorbijgaat. Het is niet het laatste woord dat we allen moeten sterven. Er is namelijk een woord van God, dat getuigt: Mijn heil zal in eeuwigheid zijn, Mijn gerechtigheid zal niet verbroken worden. Maar de vraag is: hoe delen we in dat heil, hoe delen we in die gerechtigheid? Hoe ben ik rechtvaardig voor God?

Wel, gemeente, de catechismus geeft er antwoord op. Een antwoord dat ook zegt langs welke weg, op welke wijze, dat goed verkregen wordt: door het geloof. Dat is niet zomaar een geloof zoals van velen tegenwoordig: ‘Ik geloof en dus ben ik behouden; dan is Jezus mijn Zaligmaker. Ik geloof dat, ik neem dat aan en het is zo.’

Gemeente, geloof dat is: het vluchten van de boetvaardige zondaar tot Gods barmhartigheid in Christus. Dát is geloof. Een boetvaardig zondaar, die uit zichzelf uitgaat en vlucht naar Gods barmhartigheid in Christus, dat is geloof. Anderen zeggen: ‘Geloven? Dat is je hart aan Jezus geven. Geloven? Dat is op de belofte vertrouwen. Dat is genoeg.’ Laten we ons niet laten bedriegen.

‘Geloven’, zegt Owen, ‘dat is het vluchten van een boetvaardig zondaar.’ Dat zegt ook onze catechismus, op het Woord van God gegrond, dat spreekt van ‘hoewel’ en ‘nochtans’. Dat, hoewel ik tegen al Gods geboden heb overtreden en geen ervan heb gehouden – dat is werkelijkheid, dat is doorleefd – nóchtans God – daar hebt u het wonder van Gods kant – zonder enige verdienste mijnerzijds, uit louter genade, de genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus schenkt en toerekent, evenals had ik nooit zonde gehad of gedaan en al had ik alle gehoorzaamheid volbracht die Christus voor mij volbracht heeft, indien ik het althans – daar hebt u het – met een gelovig hart mag aannemen.

Dan deel ik in de gerechtigheid van Christus. Dan is dat heil mijn deel. Dan is dat goed mij geschonken, door het ware geloof, van God mij toegerekend en met een bevende hand van een bedelaar omhelsd. Naar de maat dat die hand sterker is, naar die maat is ook de troost rijker en voller.

 

Maar het gaat langs die weg. Mijn heil staat vast. Mijn gerechtigheid staat vast. Dat is volkomen genoegzaam tot wegneming van onze zonden. Maar er in delen, laten we het nooit vergeten, is door het zaligmakend geloof. Dat wil de Heere ook schenken uit vrije genade. Daarvoor laat Hij, op deze dag en in de toekomst, als de Heere het geeft, de prediking nog aan uw ziel ten koste leggen. Hij wil nog arbeid aan u verrichten: Mijn heil zal in eeuwigheid zijn, Mijn gerechtigheid zal niet verbroken worden.

 

Wat is er vaak een vrees of het wel waar is dat God begonnen is, of: ‘Waar zal ik blijven in de verheffing van de Jordaan?’ Ik denk aan een christin, die heel goed wist wat er in haar leven gebeurd was, die tot mij zei: ‘Als de dorsvloer doorzuiverd zal worden, waar zal ik dan blijven?’

Maar, gemeente, aan de andere kant, als God er in meekomt en Hij eens licht geeft over Zijn werk en Zijn genade rijk openbaart, mag het zeker geweten worden. Dan kan het zo zijn zoals een heel oude man zei, die aan alle kanten afgebroken werd: ‘Dit ligt vast: het goede werk in mij begonnen, zal Hij voleindigen.’

Want Mijn heil zal in eeuwigheid zijn, Mijn gerechtigheid zal niet verbroken worden. Dat is de toekomst, dat is het uitzicht. Dat heil houdt stand door dood en graf heen. Want bergen zullen wijken en heuvelen wankelen, maar Mijn goedertierenheid zal van u niet wijken, en het verbond Mijns vredes zal niet wankelen, zegt de Heere, uw Ontfermer (Jes.54:10).

Mijn heil, wat van God is, gaat het tijdelijke ver te boven. Daarom, jongens en meisjes, kinderen, laat je dan niet zo verblinden door het aardse, door het vergankelijke.

Laat je toch niet meevoeren met de wereld, die leeft voor het tijdelijke, ook op deze oudejaarsdag. Ga toch het nieuwe jaar niet in op een wijze die de wereld zoekt. Dat is ook rook. Een knal, wat rook, en weg is het, zonder enige waarde en zonder enige betekenis.

Arm, nameloos arm, goddeloos, om zo de jaarwisseling te willen vieren. Laat je niet meevoeren. Wat ik je raden mag: zoek datgene wat blijft! Al het aardse gaat voorbij. Laat je niet imponeren door het tijdelijke. De wereld is voor een ogenblik, de hemel gaat met een gedruis voorbij en de inwoners van deze aarde zullen van gelijken sterven. Maar dat heil, dat goed, dat eeuwig standhoudt, is nog om niet te verkrijgen.

Er wordt vanavond niemand uitgesloten van de nodiging tot de zaligheid. Er wordt vanavond niemand uitgesloten tot de nodiging van dat heil. De Heere heeft vanavond gezegd: ‘Bij Mij is gerechtigheid voor ongerechtigen, voor schuldigen en voor zondaren. Haast u dan om uw levens wil!’ Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere Heere, zo Ik lust heb in de dood des goddelozen! Maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve. Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen, want waarom zoudt gij sterven, o huis Israëls? (Ez.33:11)

 

Daarom, die de Heere vrezen en liefhebben, Hij is getrouw. Dat verbond ligt vast. Het werk van Christus ligt vast. De Vader heeft genoegen genomen in het werk van zijn Zoon. Het heil is door Hem verworven. Die gerechtigheid heeft Hij verdiend.

Hij werd als een onheilige, als een ongerechtige behandeld. Maar op die plaats, door Hem als Borg ingenomen, heeft Hij alles volbracht wat tot de zaligheid dient. Het verbond der genade ligt vast, omdat Hij aan het kruis heeft uitgeroepen: Het is volbracht! (Joh.19:30).

Daarom, Gods werk houdt stand, omdat het alles vastligt bij de Heere en niet in onze trouw en niet in onze standvastigheid, niet in onze keus. Als Bunyan mag zien dat zijn gerechtigheid in de hemel is, dan springt hij op van vreugde en zegt: ‘Mijn gerechtigheid is in de hemel, daar ligt het vast. Het goud ligt in de koffers, het ligt voor eeuwig vast, er kan niets bijkomen.’

Mijn gerechtigheid zal niet bezwijken, Mijn gerechtigheid houdt eeuwig stand, zegt de Heere. Een rijke troost om dat te kennen en de vrede, daarin gelegen, te mogen genieten. Dan zal de rijke vrucht zijn: ‘Door U alleen, om het eeuwig welbehagen!’

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 103: 8 en 9

 

Gelijk het gras is ons kortstondig leven,

Gelijk een bloem, die, op het veld verheven,

Wel sierlijk pronkt, maar kracht’loos is en teer;

Wanneer de wind zich over ’t land laat horen,

Dan knakt haar steel, haar schoonheid gaat verloren;

Men kent en vindt haar standplaats zelfs niet meer.

 

Maar ’s Heeren gunst zal, over die Hem vrezen,

In eeuwigheid altoos dezelfde wezen;

Zijn trouw rust zelfs op ’t late nageslacht,

Dat Zijn verbond niet trouweloos wil schenden,

Noch van Zijn wet afkerig d’ oren wenden,

Maar die, naar eis van Gods verbond, betracht.