Ds. A.B. van der Heiden - Lukas 1 : 16 - 23

De aankondiging van de geboorte van Johannes

Lukas 1
De wonderlijke boodschap die hij ontvangt
De zondige verdenking waarvan hij blijk geeft
Het bestraffende teken dat de Heere geeft

Lukas 1 : 16 - 23

Lukas 1
16
En hij zal velen der kinderen Israels bekeren tot den Heere, hun God.
17
En hij zal voor Hem heengaan, in den geest en de kracht van Elias, om te bekeren de harten der vaderen tot de kinderen, en de ongehoorzamen tot de voorzichtigheid der rechtvaardigen, om den Heere te bereiden een toegerust volk.
18
En Zacharias zeide tot den engel: Waarbij zal ik dat weten? Want ik ben oud, en mijn vrouw is verre op haar dagen gekomen.
19
En de engel antwoordde en zeide tot hem: Ik ben Gabriel, die voor God sta, en ben uitgezonden, om tot u te spreken, en u deze dingen te verkondigen.
20
En zie, gij zult zwijgen, en niet kunnen spreken, tot op den dag, dat deze dingen geschied zullen zijn; om dies wil, dat gij mijn woorden niet geloofd hebt, welke vervuld zullen worden op hun tijd.
21
En het volk was wachtende op Zacharias, en zij waren verwonderd, dat hij zo lang vertoefde in den tempel.
22
En als hij uitkwam, kon hij tot hen niet spreken; en zij bekenden, dat hij een gezicht in den tempel gezien had. En hij wenkte hun toe, en bleef stom.
23
En het geschiedde, als de dagen zijner bediening vervuld waren, dat hij naar zijn huis ging.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 84: 5
Lezen : Lukas 1: 5-25
Zingen : Lofz. v. Zacharias: 2, 3
Zingen : Psalm 89: 14
Zingen : Psalm 126: 2

Gemeente, het schriftwoord dat wij met de hulp van de Heere willen overdenken kunt u vinden in het evangelie naar de beschrijving van Lukas, het eerste hoofdstuk, en daaruit de verzen 16 tot en met 23. Het schriftgedeelte is u zojuist voorgelezen. Ik wil u nu alleen het achttiende vers lezen:

 

En Zacharias zeide tot de engel: Waarbij zal ik dat weten? Want ik ben oud, en mijn vrouw is ver op haar dagen gekomen.

 

Deze woorden bepalen ons bij: De aankondiging van de geboorte van Johannes, de voorloper van Christus, de vriend van de Bruidegom.

 

We letten op drie gedachten:

1. De wonderlijke boodschap die hij ontvangt

2. De zondige verdenking waarvan hij blijk geeft

3. Het bestraffende teken dat de Heere geeft

 

Eerst overdenken we dus:

 

1. De wonderlijke boodschap die hij ontvangt

 

Gemeente, het is voor Zacharias, over wie we in de adventsgeschiedenis zo uitvoerig lezen, een bijzondere verwaardiging geweest om het reukofferaltaar te mogen bedienen. Want dat viel lang niet elke priester ten deel.

Er waren in die tijd ongeveer twintigduizend priesters. In het licht van de vele nakomelingen uit het geslacht van Aäron gebeurde het maar sporadisch dat iemand geroepen werd om één keer in zijn leven het reukofferaltaar te mogen bedienen. Daarom was die dienst zo geregeld dat hiervoor het lot geworpen werd. Het was dus een bijzondere verwaardiging.

De Heere wees door middel van het lot de priester aan die het heilige mocht binnengaan. De priester moest in het heilige het reukoffer voor het aangezicht van de Heere ontsteken. Dit zag in het bijzonder op de dienst der gebeden. We denken hierbij aan de woorden van de dichter van Psalm 142:

 

Mijn beê, met opgeheven handen,
Klimm’ voor Uw heilig aangezicht,
Als reukwerk, voor U toegericht,
Als offers, die des avonds branden.

 

Direct na het offer ging de priester naar het volk dat buiten in het voorhof wachtte. Dan breidde hij zijn handen over het volk uit en sprak de oudtestamentische zegen uit, zoals we die kunnen lezen in Numeri 6 vers 24 tot en met 26:

 

De Heere zegene u, en behoede u!

De Heere doe Zijn aangezicht over u lichten, en zij u genadig!

De Heere verheffe Zijn aangezicht over u, en geve u vrede!

 

Gemeente, Zacharias is oud geworden en in zijn hoge ouderdom valt hem deze bijzondere genade ten deel: hij mag voor het aangezicht van God dienstwerk verrichten in het heilige. Hij mag daar het reukwerk aansteken met het vuur van het brandofferaltaar, zoals de Heere dit voorgeschreven had.

 

Als Zacharias is ingegaan in het heilige en bij het reukofferaltaar staat, verschijnt er plotseling een hemelse bode, een engel van God. We kennen allemaal de geschiedenis. De kinderen in de kerk kunnen wel vertellen wat er toen in de tempel gebeurd is.

Plotseling verscheen er aan de zijde van het reukofferaltaar een engel met zijn hemelse heerlijkheid.

Een engel! Dat is wat geweest wat Zacharias toen ervaren heeft! We lezen in vers 12: En Zacharias, hem ziende, werd ontroerd, en vreze is op hem gevallen.

U zegt: ‘Waarom is hij zo bevreesd? Er staat toch van deze priester geschreven dat hij rechtvaardig voor God was, wandelende in al de geboden en rechten des Heeren, onberispelijk (Luk.1:6)?’

Wel, gemeente, omdat Zacharias een mensenkind was die twee dingen in zijn leven geleerd had: Godskennis en zelfkennis. Calvijn zegt dat deze twee zaken eigenlijk de hele christelijke religie inhouden. Hij kende iets van de majesteit en heiligheid van God en ook iets van zijn eigen zondigheid en onreinheid.

Als de Heere verschijnt door middel van deze engel, straalt deze hemelse bode ook iets af van de heiligheid en de majesteit van God. Welk mens met enige zelfkennis zal dan niet vrezen voor de heiligheid en de majesteit van God? Daarom lezen we ook: En Zacharias, hem ziende, werd ontroerd, en vreze is op hem gevallen.

 

Maar wat een verrassende boodschap mag hij horen! De Heere gaat Zijn vrezend kind geruststellen. We lezen dat Hij door de mond van de engel tot hem zegt: Vrees niet, Zacharias, want uw gebed is verhoord (Luk.1:13).

Wat een wonderlijk woord: Uw gebed is verhoord! Daar bij het reukofferaltaar, dat op de dienst der gebeden wijst, mag hij deze boodschap horen. Juist op de plaats waar ons de dienst van de komende Hogepriester wordt aangewezen, Die voor Zijn Kerk een Voorbidder zal zijn voor de troon van God.

Gemeente, wat kunnen er in ons leven veel gebeden zijn waarop als het ware geen verhoring volgt. Zo is het ook gegaan bij Zacharias en Elisabet. Ze hebben beiden zo ontzettend verlangd naar de huwelijkszegen; dat hun huwelijk bekroond mocht worden met de kinderzegen. Keer op keer, jaar in jaar uit, zijn ze teleurgesteld. Al die jaren door is de verhoring van hun gebed hun niet gegeven. Totdat er uiteindelijk geen hoop meer is, omdat naar de ordening die God in de schepping van de mens gelegd heeft, er een leeftijd aanbreekt waarop Elisabet geen moeder meer kan worden. 

 

Wat kan het een zwaar kruis zijn, als ons onthouden wordt waar we als echtpaar zo lang en innig naar verlangd hebben. Een stil kruis waarover we, over het algemeen genomen, niet met anderen kunnen spreken, omdat degenen die de huwelijkszegen wel ontvangen hebben dit eigenlijk niet zo kunnen begrijpen.

Het huwelijk van Zacharias en Elisabet is kinderloos gebleven. Het kruis dat God hun had opgelegd was een zwaar kruis. Maar, gemeente, als iemand in zijn leven zo’n kruis krijgt opgelegd, dan is er maar één weg: ermee vluchten tot de gekruisigde Christus. Want ook dit verdriet en dit leed heeft Christus borgtochtelijk en plaatsbekledend voor al de Zijnen gedragen. Want Hij is in al de smart en al de zorgen van Zijn kinderen mede benauwd geweest.

Wat is het een rijke genade als we mogen buigen onder dat kruis. Als we niet opstandig zijn, maar mogen zeggen: De Heere is rechtvaardig in al Zijn wegen, en goedertieren in al Zijn werken (Ps.145:17). Want de Heere regeert ook over het huwelijksleven. In het gezegend worden met kinderen of in de onthouding van die zegen. Het kan een ontzettend verborgen leed inhouden als we die zegen, waarnaar we jarenlang uitgezien hebben, niet ontvangen.

De kinderzegen. Helaas leven we in een tijd dat er in Nederland per jaar duizenden kinderen in de moederschoot vermoord worden. Wat een ontzettende zaak is dat. We moeten dat altijd – al zijn er duizend wetten die het legaliseren – moord blijven noemen. Omdat Gods Woord ons dat zegt!

 

Kinderloosheid was juist ook voor een Israëliet een ontzettend zwaar kruis. Als Israëliet werd je dan niet geroepen om mee te mogen werken aan de vervulling van de belofte die de Heere aan Zijn volk gegeven had: Voorzeker zal Ik u grotelijks zegenen, en uw zaad zeer vermenigvuldigen, als de sterren des hemels, en als het zand, dat aan de oever der zee is (Gen.22:17).

Ongetwijfeld hebben Zacharias en Elisabeth dit verlangen dikwijls in het gebed neer mogen leggen voor de Heere. Ze hebben Hem gesmeekt, Die zo almachtig is en Die zo dikwijls betoond heeft een God van wonderen te zijn. Want Hij spreekt, en het is er; Hij gebiedt, en het staat er (Ps.33:9).

Wat heeft de Heere dit in de geschiedenis van Zijn volk Israël wonderlijk waar willen maken. Bijvoorbeeld bij Hanna, toen de Heere haar tranen heeft aangezien. Heeft de Heere ook niet aan vele anderen waar willen maken wat de dichter gezongen heeft: Die de onvruchtbare doet wonen met een huisgezin, een blijde moeder van kinderen. Halleluja! (Ps.113:9)?

En nu komt deze boodschap tot Zacharias: Uw gebed is verhoord: u zult een zoon hebben! De engel zegt in vers 13: Uw vrouw Elisabet zal u een zoon baren, en gij zult zijn naam heten Johannes.

 

De Heere Zelf geeft door de dienst van de engel een naam aan dit kind. Want die naam heeft de engel niet zelf verzonnen. Die naam is door God Zelf aan de voorloper van de Heere Jezus, aan Zijn heraut, aan Zijn vriend, de vriend van de Bruidegom gegeven.

Johannes is zijn naam (Joh.1:63). Die naam heeft een rijke en diepe betekenis; in de naam Johannes zegt God Wie Hij is. Want die naam Johannes betekent: God geeft genade. Een hele bijzondere betekenis! Want, Zacharias, de zoon die u ontvangt, zal het teken zijn van Gods genade en gunst. Van Gods eeuwige, onbevattelijke liefde dat Hij wil omzien naar een wereld verloren in zonde en schuld. Heel het leven van dit kind zal een prediking zijn dat God, Jehova, genade geeft.

 

Gemeente, wat een rijke boodschap: Jehova geeft genade. Want in dit kind zal God vervullen wat Hij van oude tijden beloofd heeft; door deze zoon zal het eerste licht  doorbreken. De Zon der gerechtigheid zal opgaan en de nacht van duisternis en van zonde zal voorbijgaan. Zoals Simeon in zijn lofzang zingt:

 

Een licht, zo groot, zo schoon,

Gedaald van ‘s hemels troon,

Straalt volk bij volk in d’ ogen;

Terwijl ‘t het blind gezicht

Van ‘t heidendom verlicht,

En Isrel zal verhogen.

 

Zijn naam zal een prediking zijn dat God genade geeft. Want we lezen het in vers 16: Hij zal velen van de kinderen van Israël bekeren tot de Heere hun God.

Wat een gezegend werk zal deze zoon van Zacharias en Elisabeth mogen verrichten! Hij zal velen van de kinderen van Israël bekeren tot de Heere hun God. Zijn arbeid zal dus rijk gezegend worden. Hij zal als een middel in de hand van God gebruikt worden om vele zondaren te behouden van het eeuwige verderf. Wat een gezegend werk!

En dan staat er in het vijftiende vers: Hij zal groot zijn voor de Heere.

 

Wat is dat een wonderlijke belofte die Zacharias ontvangt! Denkt u zich eens in: daar staat die oude man en thuis is een oude vrouw. Naar de ordening van de schepping is het onmogelijk dat er ooit nog een kind geboren zal worden. De moeder was immers in haar gestorven. En nu deze boodschap: Uw vrouw Elisabet zal u een zoon baren.

Nooit had Zacharias kunnen denken dat hun gebeden na zo veel jaren verhoord zouden worden. Dat de Heere terug zou komen op hetgeen hij samen met zijn vrouw gebedeld en gesmeekt heeft. Dat de Heere gaat waarmaken dat Hij een God is Die het gebed hoort en verhoort. Nooit meer hadden Zacharias en Elisabeth dat kunnen denken. Hun hoop was als het ware tenietgegaan. Maar wat een wonderlijke en rijke boodschap als de Heere op het alleronverwachtst komt.

We lezen in de Bijbel: Want de Heere zal een afgesneden zaak doen op de aarde (Rom.9:27). Dat was ook in het leven van deze twee mensen zo. Het was helemaal afgesneden. Maar wat een wonderlijke en rijke boodschap komt er dan tot hen. Wat een vreugde moet dat zijn geweest voor Zacharias en Elisabet!

 

Gemeente, als ouders een kind mogen ontvangen is dat een grote zegen. Maar wat een buitengewone zegen is het als God ons als ouders een kind wil geven waarvan Hij zegt: Deze zal groot zijn voor de Heere. Want dat is toch het allergrootste, vaders en moeders, als uw kinderen groot mogen zijn voor de Heere?

We kunnen soms zo veel energie steken in onze kinderen, om ze groot in de wereld te laten zijn. Als onze kinderen maar hoog op de ladder van het maatschappelijke leven mogen klimmen, dan vinden we als ouders geen moeite te veel. En zeker, als onze kinderen talenten mogen hebben is dat voor ouders een verblijdende zaak. Als ze met hun talenten mogen woekeren, en als ze ook in het maatschappelijk leven een positie mogen ontvangen, mogen we daar dankbaar voor zijn.

Maar laat dat toch niet het belangrijkste voor ons zijn! Het allerbelangrijkste moet zijn dat er van onze kinderen gezegd mag worden: Deze zal groot zijn voor de Heere. Want er is zoveel grootheid in deze wereld die mensen alleen maar najagen voor hun eigen eer en eigen ego. Maar wat een wonder als de Heere van ons kind zegt: Deze zal groot zijn voor de Heere. Al acht de wereld dat helemaal niet groot. Al is het dat de wereld met verachting op dergelijke mensen neerkijkt. De wereld gaat echter voorbij met al haar schijnschoonheid. Maar de mens die God vreest ontvangt een eeuwige en schone erfenis. 

Johannes zal straks in een huilende wildernis, in de woestijn, moeten verkeren. Hij zal sprinkhanen en wilde honing eten. Hij zal zich met een kamelenharen mantel kleden. Maar… hij zal groot zijn voor de Heere!

Gemeente, dat is toch het allerbelangrijkste? Dat onze kinderen groot mogen zijn voor de Heere?

 

Johannes zal velen van de kinderen Israëls bekeren tot de Heere hun God. Zoals dat ook staat in vers 17: En hij zal voor Hem heengaan, in de geest en de kracht van Elias, om te bekeren de harten der vaderen tot de kinderen, en de ongehoorzamen tot de voorzichtigheid der rechtvaardigen, om de Heere te bereiden een toegerust volk.

Gemeente, de geboorte van Johannes heeft alles te maken met de komst van Christus naar deze wereld, met het kerstfeest, met het grote wonder waar we over enkele weken bij mogen stilstaan, waarin de moederbelofte vervuld werd in de komst van de Zoon van God naar deze wereld.

Het kerstwonder is altijd weer nieuw als het licht van Gods Geest in ons hart schijnt. Als God de Vader Zijn Woord gaat vervullen: Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe (Joh.3:16).

Dan zal Johannes als een heraut, als een wegbereider, voor het aangezicht van Christus heengaan. Hij zal voor de Heere een toegerust volk bereiden. Dat is zijn opdracht. Dat betekent, gemeente, dat Israël voor de komst van Christus niet toebereid was. We weten dat de meeste Israëlieten een aardse koning verwachtten. Een aards vorst die Israël van de onderdrukking van het Romeinse wereldrijk zou gaan bevrijden.

Zeker, er waren er nog die met Zacharias, met de oude Simeon en met Anna de verlossing hebben mogen verwachten. Maar de meeste Israëlieten verwachtten een aardse koning.

Daarom moest er in het midden van dat volk plaats gemaakt worden voor Christus. Want ze zeiden het immers: Wij zijn Abrahams zaad (Joh.8:33) en op grond daarvan zijn we allemaal erfgenamen van de eeuwige zaligheid.

 

Gemeente, er was dus geen plaats voor de komst van Christus. Dat is nu bij u en mij ook het geval. Want voor het eerst, maar ook telkens opnieuw, moet er plaats gemaakt worden voor Christus. Omdat er bij ons van nature geen plaats voor Hem is.

Onze harten moeten worden toebereid voor de komst van Christus; voor de geboorte van de Heere Jezus in ons hart. Laten we dat in de adventstijd goed beseffen. En mocht het ons gebed zijn: ‘Heere, wilt U ook in onze harten plaats maken voor het Kind van Bethlehem.’

Want al zou de Heere Jezus duizend keren op aarde geboren zijn en Hij zou nooit in uw hart geboren worden, dan zou het voor u geen nut hebben. Dan zou de komst van Christus nog tégen u moeten getuigen.

 

Hoe komt er in het hart van een zondaar plaats voor deze Zaligmaker, voor Hem Die kwam om te zoeken en zalig te maken dat verloren was?

Wel, de Heere stuurde Johannes om door zijn ontdekkende prediking die weg in zondaarsharten te bereiden. Zo stuurt hij ook nu nog Zijn dienaren om Zijn Woord te verkondigen.

Johannes zal de weg van de Heere gaan bereiden. Dit kind zal voor Christus uitgaan om te prediken. Hij, de vriend van de Bruidegom, is immers ook de heraut van de Bruidegom.

Maar Johannes moet tegen het volk verschrikkelijke dingen gaan zeggen, woorden spreken die helemaal niet zo aardig zijn. Hij moet het volk, dat zo verzekerd was van hun zaligheid omdat ze in hun verbondsautomatisme meenden dat ze als kind van Abraham zeker allemaal zalig zouden worden, gaan waarschuwen.

Hij zegt tegen de schare die naar hem toe kwam om gedoopt te worden, wat u kunt lezen in Lukas 3: Gij adderengebroedsels, wie heeft u aangewezen te vlieden van de toekomenden toorn? Brengt dan vruchten voort der bekering waardig; en begint niet te zeggen bij uzelven: Wij hebben Abraham tot een vader; want ik zeg u, dat God zelfs uit deze stenen Abraham kinderen kan verwekken (Luk.3:7-8).

Dat is de inhoud van de boodschap die Johannes predikt! Hij zegt tegen de doopkandidaten: Gij adderengebroedsels.

 

Het zijn geen aangename  woorden die Johannes als vriend van de Bruidegom tegen hen spreekt. Maar laten we wel goed beseffen dat Johannes geen hel- en verdoemenisprediker is. Het is oprechte en hartelijke liefde van Johannes om de Heere te bereiden een toegerust volk! Hij mag met Paulus zeggen: De liefde van Christus dringt ons (2 Kor.5:14). Opdat mensen deze Zaligmaker, Die kwam om te zoeken en zalig te maken dat verloren was, zouden nodig krijgen en gaan uitroepen:

 

Geef mij Jezus of ik sterf,

want buiten Jezus is geen leven,

maar een eeuwig zielsbederf.

 

Eén van onze oudvaders zegt: ‘Het fundament van de zaligheid is Christus. Maar er moet in het hart van een mens een fundament gelegd worden, en dat is die noodzakelijke zelfkennis.’ Dan moet de vriend van de Bruidegom heilige huisjes slopen. Hij gaat daartoe alle eigengerechtigheid, waarmee die zondaren zo vervuld waren, afbreken. Hij zegt eerlijk tegen hen: De bijl ligt ook alrede aan de wortel der bomen; alle boom dan, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen, en in het vuur geworpen (Luk.3:9). En: Bekeert u; want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen (Matth.3:2).

 

Gemeente, dit kind zal groot zijn voor de Heere. En ouders, dat moest toch ook ons aller verlangen zijn. Vraagt u het ook aan de Heere of uw kind groot mag zijn voor Hem? Hoewel het zou kunnen zijn dat de weg van onze kinderen net als die van Johannes kan eindigen in verschrikkelijke omstandigheden. Want we weten hoe aangrijpend het einde van het leven van Johannes is geweest. Een verschrikkelijke dood moest hij sterven; hij is onthoofd.

Maar Johannes was groot voor de Heere omdat hij de wegbereider van de Heere Jezus mocht zijn en na zijn dood eeuwig zijn God mocht grootmaken. Dat dit het deel van onze kinderen zal worden moet toch het allergrootste verlangen van ouders zijn.

Zacharias, wat een zegen! U zult een kind van de Heere ontvangen. En de komst van dat kind zal de Zon der gerechtigheid aankondigen.

 

We gaan nu naar onze tweede gedachte:

 

2. De zondige verdenking waarvan hij blijk geeft

 

Gemeente, we hebben stilgestaan bij de wonderlijke boodschap die Zacharias ontvangt. Wat een onuitsprekelijk wonder. Maar… het is voor Zacharias veel te groot. Want in plaats dat hij met verwondering en vreugde uitroept dat de Heere zijn gebed heeft verhoord, is hij helemaal niet blij. Hij gaat redeneren. Laten we het hem maar niet kwalijk nemen. De oude priester zegt tegen de engel in vers 18: Waarbij zal ik dat weten? Want ik ben oud, en mijn vrouw is ver op haar dagen gekomen.

Dat is zonde. Zonde van ongeloof. Een gruwelijke zonde! Hij houdt de boodschap die hij van God krijgt voor verdacht. Naar wie kijkt Zacharias? Naar zichzelf. Hij denkt aan zijn oude vrouw die thuis is. Hij kijkt naar de omstandigheden. En als je op de omstandigheden en op mensen let, ja, dan is het altijd onmogelijk. Ook als je naar jezelf kijkt, naar je onvruchtbare leven, als je bedenkt hoe je eigenlijk zou moeten zijn. Heel je leven zou immers een lofprijzing moeten zijn van onze Schepper. Maar als ik kijk naar mijn onvruchtbare leven, dan kan het niet, dan is het onmogelijk.

 

Ongeloof is een groot kwaad. Een grote zonde. Het is een zonde waardoor we God verdenken in Zijn macht en trouw, een zonde die ons klein van God doet denken alsof de Heere niet boven alles en boven allen staat. Alsof Hij niet de God is Die maar te spreken heeft en het is er, en te gebieden en het staat er. Hij maakt de dingen die bij mensen onmogelijk zijn toch mogelijk.

We kunnen soms een heleboel zonden opnoemen, nietwaar? Sommige mensen kunnen dat eindeloos. Vooral als het over andere mensen gaat. Dit is zonde, en dat is zonde, en dit is verkeerd…

Maar aan één zonde tillen wij over het algemeen niet zo zwaar. Toch is ongeloof de grootste zonde. Want als een mens tot aan het einde van zijn leven in die zonde heeft volhard, dan is dat de oorzaak van zijn eeuwige rampzaligheid! De apostel Paulus schrijft aan de Hebreeën dat de zonde van het ongeloof de oorzaak was dat zovelen van dat bevoorrechte volk van Israël nooit Kanaän zijn binnengegaan: En wij zien, dat zij niet hebben kunnen ingaan vanwege hun ongeloof (Hebr.3:19).

Wij praten de zonde van het ongeloof vaak goed. Dan zeggen we: ‘Ik kan het nog goed begrijpen ook.’ Maar, gemeente, die zonde is een verdenking van God. Als deze hemelbode komt en in de naam van de Heere deze boodschap brengt, dan stelt Zacharias hem onder verdenking: ‘O, het is veel te groot, het kan onmogelijk!’

De zonde van het ongeloof is een zonde die wijd verbreid is. Een zonde waarvan Paulus zegt dat deze ons zo lichtelijk omringt. Want er is geen zonde die ons zo makkelijk in zijn greep neemt en houdt, als de zonde van het ongeloof. Ons ongeloof gaat altijd weer rekenen en een optelsom maken. En op grond daarvan kan het niet, is het onmogelijk. Daardoor gaan we God in Zijn almacht en liefde en trouw verdacht houden.

 

Gemeente, kunnen we deze zonde begrijpen? Zacharias gelooft hier niet in de almacht van  God, Die de eenzamen doet wonen in een huisgezin, Die zelfs een weg gebaand heeft door de zee. We kunnen dit ongeloof van Zacharias vaak beter begrijpen dan het geloof dat zich biddend aan het Woord van God vastklampt en buigen mag. Ik kan het ongeloof beter begrijpen dan het geloof dat ‘amen’ mag zeggen op het Woord van God. Dat is nooit te begrijpen! Dat is een wonder!

Het ongeloof is geen wonder, dat is mijn en uw werk, dat is onze schuld en schande. Maar het geloof is een wonder. De eis van het geloof stelt God aan alle mensen, maar het is genade van God als we de boodschap mogen omhelzen.

Het is een wonder dat Maria de engel Gabriël gelooft die tot haar kwam met de boodschap: De Heilige Geest zal over u komen, en de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen; daarom ook, dat Heilige, Dat uit u geboren zal worden, zal Gods Zoon genaamd worden (Luk.1:35). Al kan Maria het helemaal niet begrijpen, al is het nog nooit in de wereldgeschiedenis gebeurd, toch mag ze ‘amen’ zeggen. Maria mag buigen voor dat woord en zeggen: Zie, de dienstmaagd des Heeren; mij geschiede naar uw woord (Luk.1:38).

 

Gemeente, ongeloof mogen we nooit goedpraten, al kunnen we het nog zo goed begrijpen.  Zacharias kijkt naar zichzelf, en naar zijn vrouw die oud geworden is, en zegt: ‘Het kan niet meer.’ We denken hierbij ook aan Sara die in ongeloof lachte toen ze ook zo’n blijde boodschap ontving en mocht horen dat ze een zoon zou ontvangen. Toch, hoe begrijpelijk het ook voor ons is, de Heere neemt het ongeloof nooit in bescherming, maar Hij bestraft het.

Waarbij zal ik dat weten? Dit is de vraag die Zacharias in ongeloof stelt. Maar gelukkig kan het ongeloof van Gods kinderen, Gods welbehagen niet blokkeren.

 

Zacharias, uw gebed is verhoord. Gemeente, wat een wonder toch! Misschien zijn er hier in de kerk ook mensen die jaren geleden de Heere hebben mogen aanroepen. Die mochten bidden en smeken. Als je dan bedenkt hoe je gebed was, moet je misschien zeggen: ‘Heere, was het wel een gebed?’ Het was meer een schreeuw, het waren zomaar wat stamelende woorden. Want als je ziet op jezelf, dan ben je zo’n onwaardige bidder. Terugziende kunnen we het soms niet meer voor een gebed houden. Maar Hij doet het altijd om Zijns Zelfs wil, om Zijns groten Naams wil, opdat Die verheerlijkt worde.

 

Helaas, het hart van Zacharias is met ongeloof vervuld. Maar ondanks het ongeloof van Gods kinderen maakt de Heere altijd waar: ‘Doch over hem Mijn gunst en goedheid nooit doen enden, niet feilen in Mijn trouw, noch Mijn verbond ooit schenden.’ Laten we daarover nu gaan zingen uit Psalm 89, het veertiende vers:

 

Dan zal Ik hen, die dwaas en wreev’lig overtreên,

Bezoeken met de roê en bitt’re tegenheên;

Doch over hem Mijn gunst en goedheid nooit doen enden,

Niet feilen in Mijn trouw, noch Mijn verbond ooit schenden;

‘k Zal nooit herroepen ‘t geen Ik eenmaal heb gesproken,

‘t Geen uit Mijn lippen ging, blijft vast en onverbroken.

 

Gemeente, we overdachten in de eerste plaats de wonderlijke boodschap die Zacharias ontving, in de tweede plaats de zondige verdenking waarvan hij blijk geeft, en nu zullen we ten derde stil staan bij:

 

3. Het bestraffende teken dat de Heere geeft

 

Zacharias krijgt een bestraffend teken. Want we lezen in vers 19 en 20: En de engel antwoordde en zeide tot hem: Ik ben Gabriël, die voor God sta, en ben uitgezonden, om tot u te spreken, en u deze dingen te verkondigen. En zie, gij zult zwijgen, en niet kunnen spreken, tot op de dag dat deze dingen geschied zullen zijn; om dies wil, dat gij mijn woorden niet geloofd hebt, welke vervuld zullen worden op hun tijd.

De engel Gabriël zegt: ‘Ik ben als een Godsgezant, als een hemelse ambassadeur, gezonden om u deze boodschap in Gods naam te prediken. Weet, Zacharias, als je de boodschap die God door Zijn dienaar tot u zendt verwerpt, dat je daarmee eigenlijk de woorden van God Zelf verwerpt.’

Gemeente, besef toch dat ook de dienaar van God, die u in Gods Naam het Woord predikt, mag zeggen, zoals de engel hier tot Zacharias: ‘Ik sta voor God, en ik ben uitgezonden om u deze dingen te verkondigen.’ Want als het goed is zijn alle dienaren, die God geroepen heeft tot de heilige dienst en in de wijngaard heeft uitgestoten, boodschappers van Hem. Al zullen ze nooit in de schaduw kunnen staan van deze heilige engel Gabriël, toch mogen ze komen in de wetenschap: ‘Ik ben als één die voor Gods aangezicht staat. Ik breng u geen boodschap die ik zelf verzonnen heb, maar één die de Heere mij opgedragen heeft u te verkondigen.’

 

Gemeente, besef toch dat de bediening van het Woord door de mond van een knecht van God, wanneer hij naar het bevel van zijn Zender Gods boodschap in het midden van de gemeente neerlegt, een hoog gezag heeft. Wanneer u onder het Woord dat u opwekt tot bekering, dat u tot geloof maant, tot verootmoediging aanspoort, tot een hartelijk wederkeren tot de Heere nodigt, wanneer u onder dat Woord onbekeerd blijft, als u zich daaronder verhardt, dan zal het tegen u getuigen dat God Zijn knechten tot u zond en u op Zijn roepende stem geen acht geslagen hebt.

Wat is dan de kerkdienst een dienst die onder hoogspanning staat! Want de eeuwige God, de God van de hemel en de aarde, richt door mensen, door dienstknechten, door ambtsdragers, het Woord tot ons. Als we onder dat Woord onbekeerd blijven, als een mens zich daaronder verhardt, als een mens zijn oren toesluit onder die boodschap, zal de Heere tegen u zeggen, zoals we lezen in Spreuken 1 vers 24 tot en met 26: Dewijl Ik geroepen heb, en gijlieden geweigerd hebt; Mijn hand uitgestrekt heb en er niemand was die opmerkte, en gij al Mijn raad verworpen, en Mijn bestraffing niet gewild hebt, zo zal Ik ook in ulieder verderf lachen; Ik zal spotten wanneer uw vreze komt. Gemeente, wat is dat een verschrikkelijk oordeel als dat over u zal moeten worden uitgesproken!

 

Maar misschien zitten er hier in de kerk ook mensen, die als ze het evangeliewoord horen, net als Zacharias toen hij de boodschap van de engel hoorde, bij zichzelf zeggen: ‘Ja maar, als ik op mijzelf zie, dan kan deze boodschap nooit voor mij zijn. Want ik ben zo zondig en onwaardig voor dit evangelie. Ik ben zo leeg, zo onvruchtbaar, zo goddeloos. En als ik zie hoe elke dag opnieuw de dingen van deze wereld zo’n ontzettende greep op mijn leven hebben, is het onmogelijk voor mij deze boodschap te geloven.’

Is dat de beleving van uw hart? Gaat u daaronder gebukt? Is dat de last van uw leven? O, weet dan toch dat het Woord gesproken wordt in de Naam van de Almachtige, van de genadige, van de goedertieren Ontfermer. Wanneer Hij dan tot u komt en zegt dat er zaligheid om niet bij Hem te verkrijgen is, en dat Hij uw smeekbede wil verhoren – ook al is het voor u te groot en te wonderlijk – laat uw ziel zich over de God van het wonder verwonderen. Want Hij is Degene Die wonderen doet op wonderen horen.

 

De Heere geeft Zacharias een bestraffend teken. In het twintigste vers lezen we: En zie, gij zult zwijgen, en niet kunnen spreken, tot op de dag dat deze dingen geschied zullen zijn; om dies wil, dat gij Mijn woorden niet geloofd hebt, welke vervuld zullen worden op hun tijd.  Het volk zal zeer vreemd opgekeken hebben dat de priester maar wegbleef. Want we zeiden u al dat het de gewoonte was dat de priester die het reukofferaltaar bediend had, daarna het volk zegende met de oudtestamentische zegen: De Heere zegene u, en Hij behoede u!

Maar als Zacharias uit het heilige komt, kan hij geen woord uitbrengen. Wat een bestraffing: zwijgen en niet kunnen spreken!  Tot op de dag van de geboorte van Johannes zal Zacharias met een zwijgende mond over de wereld moeten gaan. Zo is hij thuisgekomen.

Maar de Heere zal de belofte vervullen. Elisabet, zijn oude vrouw, wordt zwanger en dan mag Zacharias met eigen ogen zien dat God een Waarmaker van Zijn Woord is. Maar terwijl zijn hart vol van verwondering is, moet zijn mond zwijgen.

 

Gemeente, wat zal dat een zwaar kruis geweest zijn! Dan wordt het ongeloof in het licht van Gods onuitsprekelijke goedheid des te groter schuld en des te groter schaamte. Nu wordt Zacharias bij het zien van de trouw, de goedertierenheid en almacht van God, dagelijks aan zijn ongeloof herinnerd.  Want als een mens zo’n Goddelijk wonder ervaart,  zou zijn mond moeten overlopen om God te loven en te prijzen, zoals de psalmdichter zegt in Psalm 119:

 

Dan vloeit mijn mond steeds over van Uw eer,

Gelijk een bron zich uitstort op de velden.

 

Zo mag Zacharias dagelijks de trouw, de almacht en de goedheid van God zien. Maar hij moet zwijgen. Wat een zware schuld! Wat moet hij zich schamen.

Maar, gemeente, de Heere kastijdt Zijn kinderen niet uit lust tot plagen, maar tot hun nut. Al heeft dit wel negen maanden geduurd, toch komt er een ogenblik dat Zacharias mag gaan spreken.

We lezen in vers 57: En de tijd van Elisabet werd vervuld, dat zij baren zoude, en zij baarde een zoon. Daarmee breekt de dag aan waarop de tong van Zacharias wordt losgemaakt en hij mag zeggen wat u kunt lezen in het vers 64: En terstond werd zijn mond geopend, en zijn tong losgemaakt; en hij sprak, God lovende.

 

Wat een rijke inhoud heeft de lofzang van Zacharias! Daarin spreekt en zingt hij over dat dierbare Kind. Dan heeft Zacharias als het ware al kerstfeest mogen vieren. Lees maar in vers 68: Geloofd zij de Heere, de God Israëls, want Hij heeft bezocht, en verlossing teweeggebracht Zijn volke. Zacharias mag als het ware door het geloof de komende Verlosser Die in Bethlehem zal geboren worden, reeds omhelzen.

 

O dierbaar kind, o stof van vreugd,

Geschenk van ’t Alvermogen!

Elk noem’ u Gods profeet en geev’ u eer.

 

Dan mag hij God verheerlijken en grootmaken. Nee, dat komt niet bij Zacharias vandaan. Maar het komt alles van het Kind van Bethlehem. Want in Hem geeft God alles wat nodig is voor de tijd en de eeuwigheid. Deze Heere Jezus Christus, zegt de catechismus in Zondag 6, is ons van God tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking, en tot een volkomen verlossing geschonken. De mond van Zacharias mag overvloeien tot Gods eer, zoals een bron zich uitstort op de velden. Wat is dat een gezegende adventstijd voor deze man!

Maar wat is het ook een wonder dat Johannes, de vriend van de Bruidegom, is geboren. Dat geeft stof tot verwondering en aanbidding. En allen die het hoorden, namen het ter harte, zeggende: Wat zal toch dit kindeken wezen? En de hand des Heeren was met hem. En Zacharias, zijn vader, werd vervuld met de Heilige Geest, en profeteerde, zeggende: Geloofd zij de Heere, de God Israëls, want Hij heeft bezocht, en verlossing teweeggebracht Zijn volke (Luk.1:66-68).

 

Gemeente, we gaan eindigen. Zacharias vroeg aan de engel: Waarbij zal ik dat weten? Dat vroeg hij omdat hij aan het Woord van God, door de engel gesproken, niet genoeg had.

Waarbij zullen wij het nu weten? Alleen bij het Woord dat de Heere laat prediken. Er is geen ander middel, en er is ook geen ander middel nodig. God werkt door Zijn Woord en door Zijn Geest.

Wat een wonder als we door dat zaligmakend geloof dat Gods Woord mogen omhelzen. Het woord waarin de Heere de naam van Johannes predikt, namelijk: Jehova geeft genade. Want heel de prediking van de komst van Christus op aarde en alles wat ermee verband houdt, is vol van de inhoud van die naam Johannes. Jehova geeft genade en dat in een wereld verloren in zonde en schuld. God laat nog genade prediken voor schuldigen, genade voor mensen die onder het oordeel liggen omdat ze allen in Adam Gods toorn verdiend hebben.

Dat zal ook Johannes straks gaan prediken. Aan de ene kant zal zijn boodschap diep ontdekkend zijn als hij alle eigengerechtigheid waarop mensen zich beroemen, als zonde voor God zal aanwijzen. Hij zal zeggen dat Gods bijl aan de wortel van de boom van de mens ligt, en dat alle boom die geen goede vrucht voortbrengt wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen. Maar hij zal ook de rijke inhoud van het evangelie verkondigen als hij uitroept: Zie, het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt (Joh.1:29).

 

Gemeente, is de diepe inhoud van de naam Johannes – de Heere geeft genade – u wel eens dierbaar geworden? Heeft u wel eens gestameld: ‘Kan het dan ook nog voor mij?’ De Heere zendt ook nu nog Zijn boodschappers die u het Woord van God  prediken: Dit is een getrouw woord en alle aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is om de zondaren zalig te maken (1 Tim.1:15).

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 126: 2

 

God heeft bij ons wat groots verricht;

Hij zelf heeft onze druk verlicht;

Hij heeft door wond’ren ons bevrijd;

Dies juichen wij, en zijn verblijd.

Breng, Heer’, al Uw gevang’nen weder;

Zie verder op Uw erfvolk neder;

Verkwik het, als de watervloed,

Die ‘t zuiderland herleven doet.