Ds. J. IJsselstein - Lukas 1 : 39 - 45

In verwachting

Lukas 1
Maria gaat op weg naar Elisabet
Maria komt bij Elisabet
Maria is samen met Elisabet

Lukas 1 : 39 - 45

Lukas 1
39
En Maria, opgestaan zijnde in diezelfde dagen, reisde met haast naar het gebergte, in een stad van Juda;
40
En kwam in het huis van Zacharias, en groette Elizabet.
41
En het geschiedde, als Elizabet de groetenis van Maria hoorde, zo sprong het kindeken op in haar buik; en Elizabet werd vervuld met den Heiligen Geest;
42
En riep uit met een grote stem, en zeide: Gezegend zijt gij onder de vrouwen, en gezegend is de vrucht uws buiks!
43
En van waar komt mij dit, dat de moeder mijns Heeren tot mij komt?
44
Want zie, als de stem uwer groetenis in mijn oren geschiedde, zo sprong het kindeken van vreugde op in mijn buik.
45
En zalig is zij, die geloofd heeft; want de dingen, die haar van den Heere gezegd zijn, zullen volbracht worden.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 147: 6
Lezen : Lukas 1: 26-45
Zingen : Psalm 139: 7, 8, 9
Zingen : Psalm 56: 5
Zingen : Psalm 130: 2, 3

Gemeente, het Woord van God komt in deze dienst tot ons uit Lukas 1, een gedeelte van wat u voorgelezen is: Lukas 1 vers 39 tot en met 45. Ik lees u nu alleen vers 43, waar Elisabet zegt:

 

En vanwaar komt mij dit, dat de moeder mijns Heeren tot mij komt?

 

Het thema van de preek luidt: In verwachting.

 

Er zijn drie aandachtspunten:

1. Maria gaat op weg naar Elisabet

2. Maria komt bij Elisabet

3. Maria is samen met Elisabet

 

1.   Maria gaat op weg naar Elisabet

 

Gemeente, op de kruispunten van de heilsweg zien we weinig mannen, maar wel vaak vrouwen. Dat hebben we eerder gezien: Ik zal vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw (Gen.3:15). Hoe vaak wordt het Koninkrijk der hemelen niet gebouwd door moeders? Moeders, die in het verborgen bidden en worstelen voor hun kinderen? Had Monica, de moeder van Augustinus, niet zó gebeden, wat zou er van de jongen terechtgekomen zijn? En wat denkt u van de moeder en de oma van Timótheüs, en de moeder van Mozes?

Moeders, u die zo bidt voor uw kinderen, ga maar door! Want er is loon voor uw arbeid! Genadeloon!

We lezen van een biddende Hanna, de moeder van Samuël. Ook zij staat aan het begin van een nieuwe periode: de tijd van de vroege profetie, een nieuwe periode in de heilsgeschiedenis.

 

En hier, in Lukas 1, staan we op de scheiding van het Oude en Nieuwe Testament en wéér zien we twee vrouwen. Geen machtige koningen! Jozef treedt niet op de voorgrond. Zacharias blijft ook een beetje op de achtergrond. Het gaat om de moeders, om de móederbelofte. Het gaat ten diepste om het Kind van de moeder.

 

Twee moeders spelen een hoofdrol in Lukas 1. De eerste is Elisabet, de vrouw van Zacharias. Zacharias was een priester uit de stam van Levi die woonde in Hebron, een priesterstad in het gebergte van Judea. Elisabet komt uit een andere stam, waarschijnlijk uit de stam van Juda. Ze is namelijk verwant aan Maria, die uit de stam van Juda komt. Hoe oud ze beiden waren, weten we eigenlijk niet zo goed. Waarschijnlijk zo rond de vijftig jaar. Immers, Zacharias dient nog als priester en dat kon uiterlijk tot je vijftigste levensjaar. Wat we in ieder geval wel van dit echtpaar weten, is dat Zacharias en Elisabet onvruchtbaar zijn; ze hebben geen kinderen.

Kort geleden is de engel Gabriël verschenen aan Zacharias in de tempel. Gabriël heeft hem gezegd: Vrees niet Zacharias, want uw gebed is verhoord. (Zacharias is dus een biddende man!) Elisabet, uw vrouw, zal een zoon baren en u zult zijn naam Johannes heten (Luk.1:13). Hij zal de wegbereider zijn voor de komende Messias. Om de Heere te bereiden een toegerust volk (Luk.1:17). Elisabet zal een zoon baren en die zoon zal de wegbereider zijn voor de komende Christus.

En nu ís Elisabet in verwachting. Zes maanden zwanger! Dat is de eerste vrouw, de eerste aanstaande moeder.

 

De tweede heet Maria. Waarschijnlijk een meisje van een jaar of vijftien, zestien, zeventien. Ze is verloofd met Jozef. Beiden stammen af van het vervallen koningshuis van David. Ook aan haar is onverwachts diezelfde engel Gabriël verschenen. U leest dat vanaf vers 30 van hetzelfde hoofdstuk. Daar zegt Gabriël: Vrees niet, Maria, want u hebt genade bij God gevonden en zie, u zult bevrucht worden en een Zoon baren en zult Zijn naam heten Jezus. Deze zal groot zijn en de Zoon van de Allerhoogste genoemd worden. En God de Heere zal Hem de troon van Zijn vader David geven. En Hij zal over het huis van David Koning zijn in der eeuwigheid, en Zijns koninkrijks zal geen einde zijn.

Verlegen heeft ze gevraagd: ‘Hoe zal dat dan zijn? Hoe moet dat? Ik ben helemaal niet getrouwd. Ik heb geen gemeenschap met een man gehad.’

Meisjes van vijftien, zestien, zeventien, je kunt je wel voorstellen dat Maria dat vroeg; dat zou je zelf ook vragen. Dan zegt de engel in vers 35: De Heilige Geest zal over u komen en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen Daarom ook, dat Heilige Dat uit u geboren zal worden, zal Gods Zoon genaamd worden. En, Maria, dit is een teken: je tante Elisabet is ook in verwachting en deze maand is haar, die onvruchtbaar genaamd was, de zesde (Luk.1:36). Tante Elisabet is in de zesde maand van haar zwangerschap.

Want geen ding zal bij God onmogelijk zijn (Luk.1:37). Letterlijk staat er: geen woord, geen gesproken woord, zal bij God onmogelijk zijn. Er is nooit een woord uit de mond van de almachtige God gegaan dat niet waar is geworden.

Hier spreekt de onveranderlijke God, bij monde van de engel Gabriël! De God Die zegt: ‘Zou Ik het zeggen en niet doen, spreken en niet bestendig maken? Hetgeen uit Mijn lippen ging, blijft vast en onverbroken.’

 

En dan? Wat zegt Maria dan? Kijk maar in vers 38: Zie, de dienstmaagd des Heeren, mij geschiede naar uw woord. Met andere woorden: ‘Zie, hier ben ik.’ Een totále overgave van een meisje van vijftien, zestien, zeventien jaar: ‘Heere, hier ben ik! Ik volg U.’ Ze zegt niet: ‘Wat zullen de mensen wel zeggen, engel Gabriël?’ Of: ‘Wat moet ik toch doen? Straks ga ik trouwen en dan blijkt dat ik geen maagd meer ben. Hoe moet het toch, Gabriël?’

Nee! Niets van dit alles! Zie, de dienstmaagd des Heeren, mij geschiede naar uw woord. (Luk.1:38).

 

Trouwens, het lijkt in onze tijd soms helemaal geen punt meer te zijn om geen maagd meer te zijn als je trouwt. Je zou je bijna ouderwets voelen als je daar iets over zou zeggen, terwijl het wel de Bijbelse opdracht is om geen seksuele gemeenschap met elkaar te hebben vóór het huwelijk of buiten het huwelijk (wat trouwens niet hetzelfde is als ‘niet zwanger worden voor je trouwdag’!).

Het is moeilijk voor een stelletje als dat wel gebeurt. Het is oprecht en moedig als ze schuldbelijdenis doen voor de Heere en de gemeente. Laten we als gemeente om zulke stellen heen staan. We praten niet over hen en we praten niet over hun ouders, want beléden zonden zijn weg. Die zijn er niet meer. Maar de eerlijkheid gebiedt wel te zeggen dat er meer verborgen zonden dan beleden zonden zijn.

 

Jongens, ja, je denkt dat ik het nu tegen de meisjes heb, maar ik zeg het vooral ook tegen jullie: God vraagt van je om de maagdelijkheid van je vriendin, je verloofde, te bewaren voor de grote en mooie dag van je huwelijk. Ik zeg dat niet op grond van oude tradities, maar op grond van Gods Woord. De Heere heeft daar een wijze, belangrijke bedoeling mee.

De voorbereidingstijd voor je huwelijk is een kostbare tijd. Tijd om elkaar hartelijk te leren kennen, elkaar lief te hebben en van hart tot hart met elkaar te spreken. Tijd om alles met elkaar te delen. En tegelijk vraagt God van jou als man om de meest intieme gemeenschap met elkaar te bewaren tot je huwelijk.

Misschien zeg je: ‘Dat is ook jammer.’ Ja, dat snap ik. Zeker als je veel van elkaar houdt. Maar je huwelijk is straks zoveel beter, zoveel hechter, en je liefde voor elkaar zoveel intenser, als je Gods weg gaat. Bewaar de schat van je huwelijk. Trouw op tijd. Beter wat minder luxe, een soberder uitrusting en minder geld, dan zonder God.

 

We begrijpen de schrik van Maria echter wel. Enerzijds haar hartelijke keuze: ‘Hier ben ik voor U.’ Maar anderzijds, wat een beproeving voor deze jonge vrouw. En tóch zegt ze: Zie, de dienstmaagd des Heeren (letterlijk staat er: uw slavin). ‘Ik zal U volgen! Ik zal alles voor U doen, ook als straks de verhalen gaan en de roddels komen. Heere, hier ben ik voor U.’

 

Dat is trouwens een leerzame les. In deze tijd lijkt het zo vaak alsof je een christen, een kind van God kunt zijn en dat je intussen toch gewoon door kunt gaan met van alles en nog wat. ‘Mijn hart is veranderd, mijn tong is veranderd!’ Ja! Maar je leven is nog precies als vroeger. Waar de buren van houden, daar houd ik ook zo van. Dat is nog steeds niet veranderd. Tv-programma’s waar de buren van houden, die wil ik ook bekijken.

Je ging in door de enge poort, maar daarna was er toch een brede weg… Dat kan dus niet! Bij die enge poort hoort een smálle weg van een nauw leven van haten en vluchten van de zonde. Daar hoort een leven met de Heere in het verborgene bij, ver weg van de zonde.

Maria is bereid. Ze aanvaardt het Woord met heel haar hart: ‘Zie, Uw slavin. Ook Uw kruis, Heere, zal ik geduldig dragen.’

‘Wat een bijzondere vrouw!’, zult u zeggen. Maar wacht even, niet te rooms. Zei ze dat in eigen kracht? Was dit haar eigen keus? Nee!

Weet u wat er aan de hand was? Het Woord van de Heere was waar geworden: De Heilige Geest zal over u komen en de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen (Luk.1:35). Daarom mag ze door het werk van de Heilige Geest in haar hart zeggen:  ‘Heere, hier ben ik voor U!’

 

Jongelui, wat is het toch goed om vroeg de Heere te dienen! Wat ben je toch nameloos gelukkig als je zes jaar bent, of acht jaar, zeventien of achttien jaar, en als dit de taal van je hart mag zijn: ‘Heere, hier ben ik voor U!’

Kinderen, zeg je het wel eens tegen de Heere: ‘Heere, hier is mijn kleine hartje. Het is voor U. Mag ik U dienen?’

Jongelui, zeg je wel eens tegen de Heere (nee, ik vraag niet of je het tegen je vrienden zegt, maar tegen God): ‘Heere, leer mij mijn leven in Uw dienst te besteden’? Je bent zo bruikbaar in de dienst van de Heere!

 

In Nederland weet je, als je zestig jaar bent en je gaat solliciteren voor een baan… die baas ziet je al aankomen. Dat is niet gemakkelijk. Je bent veel te oud en veel te duur. In ons land zijn er niet veel bedrijven die je nog willen hebben als je zestig jaar bent.

Ouderen onder ons, al bent u zeventig, al bent u tachtig of negentig jaar, als u solliciteert naar de dienst van de Heere: u bent van harte welkom! U zult zonder twijfel in genade worden aangenomen!

 

Maar, jongelui, wat hebben oudere mensen nog maar weinig tijd om de Heere te dienen in hun leven. Jij hebt nog een leven voor je, als de Heere het geeft.

O, kom dan tot Hem terwijl je nog jong bent! Zeg het met heel je hart: ‘Heere, hier is mijn leven, mijn hart!’, net zoals Maria het mocht zeggen: ‘Hier ben ik! Mij geschiede naar Uw woord.’

 

En toen? Toen was de engel weg. Maria is weer alleen. Moederziel alleen in Nazareth. Maar met een wonderlijke belofte. Ja, dat wel, maar wat een zorg! Want spoedig daarna is ze zwanger. Een meisje van vijftien, zestien, zeventien jaar. Zwanger!

 

Meisjes, je heet wel geen Maria, maar als je ooit zwanger bent, terwijl je niet getrouwd bent, dan begrijp je wel dat je niet weet wat je moet doen en voel je dat je klem zit en denkt: ‘Hoe moet het verder? Hoe moet ik het zeggen tegen de mensen? Wat zullen de mensen van mij denken?’

Vergeet niet dat ieder beginnend leven een geschenk is van de Heere God. Dat is een bemoediging. Ik zeg dat omdat er troost in ligt. God de Heere heeft dat kleine leven, in zondige omstandigheden ontstaan, geschapen! Laten we als gemeente ook zulke jonge moeders helpen en steunen. Niet de zonde goedpraten, maar wel om zulke jonge moeders heen staan.

 

Maria was een meisje dat de Heere vreesde. Zonder twijfel. Ze heeft opnieuw haar leven gegeven voor de Heere: ‘Heere, Uw slavin! Hier ben ik voor U.’

Spoedig daarna is ze zwanger. De zegen van God de Heilige Geest is neergedaald. Het is niet zo, dat de Heilige Geest het Kind verwekt heeft bij Maria. Dat zegt onze belijdenis ook niet. Ze heeft haar kindje van God de Heilige Geest ontvangen als een goddelijk geschenk. Maar wat een zorg! Daar kon Maria – en daar kun je nog steeds – fikse problemen mee krijgen. Hier in het westen, maar zeker in het Midden-Oosten. Hoe moet dat? Straks trouwen, de bruidsprijs is betaald, en dan wordt er gezegd: ‘Maria is geen maagd meer!’

 

Gemeente, wat hier staat in Lukas 1 laat zien dat de dienst van de Heere niet altijd een gemakkelijke dienst is. De hoop op de Heere en zorg van de Heere én tegenspoed horen zo vaak bij elkaar. Bij je baan, misschien wel in je familie, in je studie of opleiding, op je werk, in de kerk. Het dienen van de Heere betekent het drukken van de voetstappen van de Meester. Van de lijdende Meester en Borg Die gezegd heeft: ‘Ze hebben Mij vervolgd, ze zullen ook u vervolgen en liegende alle kwaad tegen u spreken om Mijnentwil…’

Maar: verblijdt en verheugt u! Niet alleen dienen en lijden horen bij elkaar, maar daar hoort ook de goede en dagelijkse zorg van de Heere bij!

 

Wat zegt de Heere tegen Maria? Zegt de Heere: ‘Je zult zwanger worden en blijf dan maar gewoon negen maanden in Nazareth afwachten wat er gebeurt’? Nee! Zo is de Heere niet. De Heere wijst dat jonge meisje gelijk op tante Elisabet die ook in verwachting is. Het is alsof de Heere zegt: ‘Maria, Mijn woord is waar en Ik heb alle macht! Dít is het teken, het bewijs dat Mijn woord waar is: tante Elisabet, de vrouw van wie iedereen dacht dat ze nooit meer kinderen zou krijgen, is in verwachting. Ga maar kijken!’

Het is de goede zorg van de Heere voor Maria. Het klinkt als een uitnodiging van de Heere: ‘Ga maar een poosje naar tante Elisabet. Die zal wel voor je zorgen!’

Het kan wel eens zijn dat een vader en moeder hun best doen om van harte voor je te zorgen, maar daar toch niet toe in staat zijn. Dan kan het zijn dat iemand zegt: ‘Ga maar een poosje naar tante, of oom, of een ander gezin.’ Dat kan een zegen zijn, goede zorg van de Heere, zeker als zo iemand waar je mag wonen de Heere dient.

En dan? Wat doet Maria dan? Wacht ze een poosje? Eerst maar eens een paar maanden aankijken? Eerst maar eens kijken of het waar is of ik echt zwanger ben?

Nee, ze staat op en reist met haast!

 

Sommigen zeggen: Maria is op de vlucht geslagen. Ze zag de problemen in Nazareth al aankomen en is er vandoor gegaan, op de vlucht naar tante Elisabet. Maar dat is niet waar.

Waarom heeft ze dan haast? Ze heeft haast vanwege het woord van God. Vanwege het teken dat haar toegezegd is, dat haar beloofd is: Mij geschiede naar Uw woord.

 

Het Woord van God zet mensen in beweging, precies hetzelfde als later de herders. Je weet wel, jongens, meisjes, dat de engelen tegen de herders zeiden dat de Christus was geboren. En wat zeggen de herders dan? ‘Laat ons dan heengaan naar Bethlehem om te kijken of het waar is’? Nee! Laat ons dan heengaan naar Bethlehem en laat ons zien het woord dat er geschied is (Luk.2:15), het woord dat gebeurd is. Ook zij gingen met haast naar Bethlehem!

 

Zó gaat Maria met haast naar Hebron, naar de stad van Zacharias en Elisabet. Dat is een reis van ongeveer honderd kilometer. Misschien had ze een ezeltje. Misschien moest ze gewoon lopen. Maar die reis heeft zeker een paar dagen of misschien wel een week geduurd. Wat zal er in Maria zijn omgegaan? Geloof, strijd, zorg, hoop, bemoediging… Wat zal dat op die reis dicht bij elkaar gelegen hebben. Wat ligt het in het leven van Gods kinderen ook vaak dicht bij elkaar. Wat ligt het soms dwars door elkaar heen.

Kijk, daar gaat ze: op reis vanuit Nazareth in de richting van Hebron. Hebron ligt wat hoger in het gebergte.

 

Je ziet haar denken: ‘Straks kom ik bij tante en moet ik gaan uitleggen dat ik zwanger ben. Dan moet ik vertellen: Tante, ik heb een engel gezien. Ik ben in verwachting en dat heb ik gekregen van God de Heilige Geest.’ Je kunt je haar zorg wel voorstellen.

En toch, wat is het wonderlijk! Deze jonge Maria gaat. Waarom gaat ze zo rustig? Waarom gaat ze met grote haast? Omdat ze zich vastklemt aan het Woord van God! Mij geschiede naar Uw woord.

 

We gaan eerst over dat vastklemmen aan het Woord van God, het roemen in Gods Woord zingen. Psalm 56 vers 5:

 

Ik roem in God; ik prijs ’t onfeilbaar woord;

Ik heb het zelf uit Zijne mond gehoord;

‘k Vertrouw op God, door gene vrees gestoord;

Wat sterv’ling zou mij schenden?

Ik heb beloofd, wanneer G’ in mijn ellenden

               Mij bijstand bood en ’t onheil af zoudt wenden,

Tot U, o God, mijn lofzang op te zenden,

Door ijver aangespoord.

 

2.   Maria komt bij Elisabet

 

Het heeft een paar dagen geduurd. Het laatste stukje is wat moeilijker, want dan moet je door het gebergte van Judea waar de weg omhoog loopt. Maar nu is ze er! Daar is het huisje van oom Zacharias en tante Elisabet! Ze loopt naar binnen en ze groet Elisabet: ‘Sjaloom, tante!’

En dan? Kijk eens! Ja, je kunt het goed zien. Kinderen, als mama zes maanden in verwachting is, dan kun je dat zien aan haar buik. Maria ziet het ook! Het Woord is waar; het teken is waar! Ze heeft niet tevergeefs gelopen. Ze heeft niet tevergeefs op het Woord vertrouwd. In de moeilijkste omstandigheden heeft dit meisje zich verlaten op het Woord van God en nu ziet ze dat het teken dat de Heere haar gegeven heeft wáár is. Ze heeft gehoopt op het Woord. ‘Die, hoe het ook moog’ tegenlopen, gestadig op Zijn goedheid hopen.’

Daarom: wees niet bevreesd, u die in al uw donkerheid, strijd en worsteling hoopt op het Woord van God! Vroeg of laat zal blijken dat het woord waar is. Die zekerheid ligt niet in ons, maar die ligt in God. Er is nog nooit een woord van de lippen van de Heere gekomen dat niet is vervuld. Wat uit Zijn mond gegaan is, blijft vast en onverbroken!

 

Tante Elisabet is zes maanden zwanger. Vijf maanden heeft ze zich verstopt en stil gehouden. Dat kun je je wel voorstellen. Wie wordt er nu op haar vijftigste voor het eerst zwanger? En dan nog dat ongeloof en die sprakeloosheid van haar man Zacharias.

En nu ineens staat daar haar nichtje Maria voor haar. Hun ogen ontmoeten elkaar. En terwijl ze elkaar omhelzen, springt haar kindje van vreugde op in haar buik.

Jongens en meisjes, dit is niet zomaar het bewegen van een kindje in de buik van een moeder. Dit is veel bijzonderder! De kleine Johannes springt op met kracht. Het Griekse woord dat hier vermeld staat, wordt ook gebruikt in het Oude Testament, waar in Psalm 113 gesproken wordt over bergen die opspringen als rammen en heuvelen als lammeren.

 

De kleine Johannes springt op van zielenvreugde. Als je maar moeilijk kunt geloven dat kleine kinderen, tot ongeboren kinderen toe, de Heere innig kunnen liefhebben en vrezen, dan hebt u hier het bewijs. Dan is hier ook het bewijs dat ongeboren kinderen een ziel hebben voor de eeuwigheid. Ze kunnen dus ook zalig worden! Hier is het Schriftuurlijke bewijs, met andere plaatsen, dat er onder de vroeg gestorven kinderen zijn die in de eeuwige zaligheid gekomen zijn.

Tegelijk is hier het bewijs dat kinderen al vanaf hun vroegste jeugd afgezonderd kunnen zijn voor de liefdedienst van de Heere, want dit is eigenlijk de eerste preek van Johannes! Dit is het eerste heenwijzen door Johannes de Doper. Hij zegt als het ware vanuit de buik van zijn moeder: ‘Dit is Hem! Dit is de Christus Die na mij komt!’

 

Jongens, meisjes, vijf, zes of acht jaar misschien, ben jij zo’n kleine Johannes die misschien net als Maria stilletjes zegt: ‘Hier ben ik, mijn leven is voor U. Ik zou zo graag alles wat ik in mijn leven kan doen, besteden in Uw dienst’? Vertrouw maar op de Heere. Wacht op Gods tijd, al moet je lang wachten! Al moet je misschien wel twintig jaar of veertig jaar wachten. Vertrouw erop dat God altijd Zijn Woord waarmaakt! Hij doet altijd wat Hij gezegd heeft. De Heere liegt nooit!

 

De kleine Johannes hoort de stem van Maria en springt van vreugde op in de buik van Elisabet. Ouderen, springt uw hart ook wel eens van vreugde op als de Christus, de Messias, tot u komt, als u Zijn stem hoort, als de Christus wordt gepredikt? Springt uw hart dan ook wel eens op van vreugde? Zegt u het dan: Dat is de stem mijns Liefsten, ziet Hem, Hij komt, springende op de bergen en huppelende over de heuvelen (Hoogl.2:8)? Raakt het uw hart? Wees eens eerlijk. Springt uw hart wel eens op van vreugde, van blijdschap, als u hoort spreken over de kostbaarheid en de beminnelijkheid van het bloed van het Lam voor zulke slechte mensen als wij zijn? Springt uw hart dan op van uitzien en verlangen, als een blijk van geestelijk leven in uw ziel? Of blijft het altijd doodstil in uw binnenste?

 

Elisabet wordt vervuld met de Heilige Geest. Als kind van God had ze de Heilige Geest ontvangen, maar nu wordt ze als het ware volgegoten met de Heilige Geest. Zó vol, dat het overloopt. Ze roept uit met een luide stem (in vers 42): U bent gezegend onder de vrouwen. En zo is het ook! Meestal zijn we veel te rooms, maar soms te weinig. Maria is geen middelares, maar ze is wel, zoals het hier staat de gezegende onder de vrouwen, ‘de begenadigde’. Maria is een vrouw die bijzondere genade bij God gevonden heeft.

 

Een wonderlijke tijd eigenlijk, aan het begin van de evangeliën. Uit alles in deze eerste hoofdstukken blijkt dat de Geest van God met kracht werkt. Dat begint niet pas met de Pinksterdag, in het Handelingenboek. Nee, dat begint hier! Want er zijn niet alleen engelen die verschijnen, er zijn niet alleen dromen vol van Godsspraak, maar er staat ook dat mensen vervuld worden met de Heilige Geest. We lezen dat de Geest der profetie komt over Maria en Elisabet en later over Zacharias en Simeon. Uit alles blijkt dat de tijd is aangebroken dat de Messias komen zal en dat het licht zal opgaan in de duisternis. De tijd is heel dichtbij dat de beloofde Christus zal verschijnen.

 

U bent de gezegende onder de vrouwen, moeder van mijn Zaligmaker! En vanwaar overkomt mij dit dat de moeder van mijn Heere tot mij komt?’ Hoor je de verwondering en de verbazing in haar hart en in haar stem? ‘O, wie ben ik toch, arme zondaar, dat de moeder van mijn Heere tot mij komt?’

Gemeente, hieraan kun je nu de oprechtheid van het roemen in God kennen, zoals we net gezongen hebben: ‘Ik roem in God, ik prijs het onfeilbare Woord…’ Dat is een roemen in diepe verwondering en verbazing. Vanwaar komt mij dit? ‘Wie ben ik toch voor U, dat U tot mij komt? Ik ben het niet waard.’

Het is geen roemen in trots of zelfverzekerdheid over iets van ons. Elisabet zegt niet: ‘Ik had je wel verwacht, want ik draag de voorloper van de Messias. Ik had wel verwacht dat je komen zou. Logisch, vanzelfsprekend.’ Nee! Als de Heere tot je komt is er grote verwondering en verbazing. Vanwaar komt mij dit, arme zondaar, dat de moeder van mijn Heere tot mij komt? En, zegt Elisabet, zalig is zij die geloofd heeft, want de dingen die haar van de Heere gezegd zijn zullen volbracht worden.

 

Zalig… wie? Wie is er zalig? Die zich verlaten heeft op… die gehoopt heeft op… die zich vastgeklampt heeft aan… het Woord! Zalig diegene die zijn hoop en vertrouwen gezet heeft op het Woord van Gods belofte! Zalig die in al zijn nood, strijd en duisternis zich vastgrijpt aan het Woord van God en zegt: ‘Heere, wie ben ik toch? Een verloren zondaar! Mijn hart is zo vol vijandschap tegen U. Ik heb geen rechten, maar Heere, doe het om Uw woord!’

 

Zalig… wie? Die droevig gaat kijken? Die zich vroom gaat aanstellen? Die gaat roemen in zichzelf? Roemen in eigen keus, belijdenis, doop? Nee! Zalig die het Woord, dít Woord, dat voor u staat in de bank en voor mij ligt, gelooft! Voor die mensen zal blijken, hoe overhoop alles ook ligt, dat God een Waarmaker van Zijn Woord is!

De dingen die haar van de Heere gezegd zijn, zullen volbracht worden. Ze zullen afgemaakt worden. De Heere laat nooit varen wat het werk van Zijn goddelijke handen begon. De Heere gaat door, ook bij Maria, totdat het af. Het begin is er. Maanden later zal blijken dat dat kleine Kindje Gods Zoon is. De Zoon van de allerhoogste God! Dan zal Zijn Naam genoemd worden Jezus, omdat Hij Zijn volk zal zalig maken van hun zonden. En jaren later zal die Jezus, in een weg van bitter lijden en sterven, de prijs betalen voor Zijn bruidskerk.

Maria heeft zoveel zorg gehad op reis naar haar tante Elisabet, maar nu blijkt uit alles, uit het teken dat ze ziet en uit de woorden van Elisabet, dat het Woord waar is.

 

Mijn vraag aan u is: herkent u daar in uw hart en leven iets van? Aan de ene zijde dat belijden: ‘Heere, bij mij is het niet! Wie ben ik toch voor U? Ik heb alles zo verzondigd. In mezelf lig ik zo verloren in mijn liefdeloosheid, in mijn vijandschap, in mijn verzet. Ik ben het niet waard.’

En tegelijk uw roep, vanuit uw donkere hart: ‘Maar, Heere, Uw Woord is toch waar. U hebt het toch gezegd, Heere? Ik hoop op Uw onfeilbaar Woord.’ Een vaste hoop, hoe bestreden misschien ook. Deze vastheid ligt nooit in onszelf, maar altijd buiten ons, in het Woord en in Degene Die het gezegd heeft.

 

3.   Maria is samen met Elisabet

 

Maria bleef drie maanden bij Elisabet, waarschijnlijk tot de tijd dat haar tante moest bevallen. Blijkbaar was er veel dat hen samenbond. Als je drie maanden met iemand samen bent, heb je veel te delen. En natuurlijk was er het feit dat ze allebei voor het eerst zwanger waren. Dan heb je als moeders best wat te bepraten. Elisabet heeft ongetwijfeld haar best gedaan om voor de jonge Maria te zorgen.

Dat hebben we ook als gemeente nodig: moeders in Israël, het zorgen voor jongeren in moeite en zorg!

Maar wat hen het meeste samenbond was hun verwachting van de Messias, van hun Zaligmaker. Een biddende vrouw en een biddend meisje. Samen hebben ze gehoopt op het Woord. Het Woord van God.

 

Misschien vraagt u zich af hoe ik dat weet. Nu, dat blijkt uit alles wat er gebeurt.

Wat zou een mens in deze omstandigheden anders nog over hebben dan te hopen op het Woord? Het Woord is het enige houvast van zoekende en roepende zondaars. Hoe donker ooit Gods weg kan wezen, dan zeg je tóch in je hart: ‘Uw Woord kan mij, ofschoon ik alles mis, door zijne smaak én hart én zinnen strelen. Daarin ligt mijn enige houvast!’

 

Jongeren, zoals Maria, jij, jongere die de Heere vreest! Er is in dit leven maar één houvast! De rest mag je kwijtraken. Er ligt geen houvast in de belijdenis van je geloof, geen houvast in je ervaring of je hartelijke keuze voor de Heere en Zijn dienst. De enige houvast ligt in het Woord van God!

 

Kinderen van God, wat is uw houvast? Er is en er blijft toch maar één houvast over in uw leven, zoals we dat lezen in Psalm 119 vers 74: Die U vrezen zullen mij aanzien en zich verblijden, omdat ik op Uw woord gehoopt heb. Uitzien! Verwachten! In al de donkerheid en strijd van je hart. Hopen op en je vasthouden aan de woorden van God, die betrouwbaar zijn. Dat is het leven van hen die God vrezen. Dat bindt Gods kinderen ook aan elkaar; een leven van uitzien, van verlangen en hopen op het Woord. Dát smeedt harten samen.

 

Want, denk even met mij mee: wat bindt deze twee moeders nu eigenlijk zo aan elkaar? Wat ze bezitten? Nee toch? Het is hun uitzien, hun verlangen en verwachten, terwijl hun hoop gebaseerd is op het Woord van God. En vanuit die verwachting leven ze. Verwachting van genade voor een onwaardig mens; vanwaar komt mij dit?

Er is verwondering bij Elisabet: ‘Heere, ik heb het niet verdiend dat U met Uw Woord zo tot mij spreekt. Wie ben ik, Heere, dat de moeder van mijn Heere tot mij komt?’

 

Alleen zo, in die verwachting, levend vanuit het Woord, richt God de Heilige Geest onze ogen op de komende Christus, Die ook gekomen is. Zo wordt onze blik gericht op die rijke Christus, Die zo gepast is voor arme zondaren. Voor mensen die niets anders hebben dan: ‘Heere, ik hoop op Uw onfeilbaar Woord.’

 

Maria gaf zich over. Maar Hij, Jezus, heeft Zich nog veel volmaakter en vrijwilliger overgegeven, toen Hij zei: ‘Hier ben Ik, o Mijn God, om Uw welbehagen te doen.’ Hij gaf Zichzelf volkomen, met al de liefde van Zijn hart. Paulus zegt in Efeze 5: ‘Hij heeft Zich overgegeven tot een slachtoffer Gode, tot een welriekende reuk.’

 

Deze twee moeders hebben geleefd in verwachting. In verwachting van hun kindje. Dat mag ook. Als je in verwachting bent, mag je blij zijn. Je mag hopen op de geboorte van je kindje. Begin maar om in je zwangerschap dat ongeboren leventje voor de troon van Gods genade te leggen. Bid maar of het zo’n kleine Johannes mag worden, voor de dienst van de Heere.

Maria en Elisabet hebben bovenal geleefd in de verwachting van hun Zaligmaker. Hun verwachting op grond van… hun ervaring? Hun bekering? Nee! Op grond van het gesproken Woord van God.

 

Mijn vraag aan u, aan jullie is: kent u, kennen jullie dit leven? Een leven van verwachten, van uitzien, misschien wel in al de strijd en donkerheid van uw ziel, terwijl u de weg niet weet? Mag u toch zeggen: ‘Ik hoop op Uw Woord’? Gemeente, alle andere verwachting zal beschaamd worden, maar die de Heere verwachten zullen niet beschaamd worden!

 

Want wat was de hoop van Maria in deze moeilijke tijd? En wat was de verwachting van Elisabet in deze moeilijke maanden? Waarop hebben ze hun hoop gegrond?

Zeggen ze: ‘Ik heb een engel gezien’ of: ‘Ik heb een godsopenbaring gehad’? Nee! Hun houvast was het Woord van God. Maria zegt het: Mij geschiede naar Uw woord. En: ‘Heere, ik heb het niet verdiend! Het tegenovergestelde heb ik verdiend, maar doe, Heere, wat U gesproken hebt.’

Want zo zegt de Heere Heere: ‘De dingen die u van de Heere gezegd zijn, zullen volbracht worden.’ Hoop dan, in al uw klachten, op Zijn onfeilbaar woord!

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 130: 2 en 3

 

Zo Gij in ‘t recht wilt treden,
O Heer’, en gadeslaan
Onz’ ongerechtigheden;
Ach, wie zal dan bestaan?
Maar neen, daar is vergeving
Altijd bij U geweest;
Dies wordt Gij, Heer’, met beving,
Recht kinderlijk gevreesd.

 

Ik blijf de Heer’ verwachten;
Mijn ziel wacht ongestoord;
Ik hoop, in al mijn klachten,
Op Zijn onfeilbaar woord;
Mijn ziel, vol angst en zorgen,
Wacht sterker op de Heer’,
Dan wachters op de morgen;
De morgen, ach, wanneer?