Ds. A.T. Vergunst - Johannes 13 : 1 - 20

Onderwerp

De heerlijkheid van het priesterlijke werk van de Heere Jezus Christus
Uitgebeeld door wat Hij deed
Bevestigd in wat Hij zei

Johannes 13 : 1 - 20

Johannes 13
1
En voor het feest van het pascha, Jezus wetende, dat Zijn ure gekomen was, dat Hij uit deze wereld zou overgaan tot den Vader, alzo Hij de Zijnen, die in de wereld waren, liefgehad had, zo heeft Hij hen liefgehad tot het einde.
2
En als het avondmaal gedaan was, toen nu de duivel in het hart van Judas, Simons zoon, Iskariot, gegeven had, dat hij Hem verraden zou),
3
Jezus, wetende, dat de Vader Hem alle dingen in de handen gegeven had, en dat Hij van God uitgegaan was, en tot God heenging,
4
Stond op van het avondmaal, en legde Zijn klederen af, en nemende een linnen doek, omgordde Zichzelven.
5
Daarna goot Hij water in het bekken, en begon de voeten der discipelen te wassen, en af te drogen met den linnen doek, waarmede Hij omgord was.
6
Hij dan kwam tot Simon Petrus; en die zeide tot Hem: Heere, zult Gij mij de voeten wassen?
7
Jezus antwoordde en zeide tot hem: Wat Ik doe, weet gij nu niet, maar gij zult het na dezen verstaan.
8
Petrus zeide tot Hem: Gij zult mijn voeten niet wassen in der eeuwigheid! Jezus antwoordde hem: Indien Ik u niet wasse, gij hebt geen deel met Mij.
9
Simon Petrus zeide tot Hem: Heere, niet alleen mijn voeten, maar ook de handen en het hoofd.
10
Jezus zeide tot hem: Die gewassen is, heeft niet van node, dan de voeten te wassen, maar is geheel rein. En gijlieden zijt rein, doch niet allen.
11
Want Hij wist, wie Hem verraden zou; daarom zeide Hij: Gij zijt niet allen rein.
12
Als Hij dan hun voeten gewassen, en Zijn klederen genomen had, zat Hij wederom aan, en zeide tot hen: Verstaat gij, wat Ik ulieden gedaan heb?
13
Gij heet Mij Meester en Heere; en gij zegt wel, want Ik ben het.
14
Indien dan Ik, de Heere en de Meester, uw voeten gewassen heb, zo zijt gij ook schuldig, elkanders voeten te wassen.
15
Want Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat, gelijkerwijs Ik u gedaan heb, gijlieden ook doet.
16
Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Een dienstknecht is niet meerder dan zijn heer, noch een gezant meerder, dan die hem gezonden heeft.
17
Indien gij deze dingen weet, zalig zijt gij, zo gij dezelve doet.
18
Ik zeg niet van u allen: Ik weet, welke Ik uitverkoren heb; maar dit geschiedt, opdat de Schrift vervuld worde: Die met Mij het brood eet, heeft tegen Mij zijn verzenen opgeheven.
19
Van nu zeg Ik het ulieden, eer het geschied is, opdat, wanneer het geschied zal zijn, gij geloven moogt, dat Ik het ben.
20
Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Zo Ik iemand zende, wie dien ontvangt, die ontvangt Mij, en wie Mij ontvangt, die ontvangt Hem, Die Mij gezonden heeft.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 8: 1, 2, 3, 4, 9
Lezen : Johannes 13: 1-20
Zingen : Psalm 45: 1, 2, 4
Zingen : Psalm 65: 2, 3
Zingen : Psalm 32: 1, 6

Johannes was al oud toen hij dit boek Johannes geschreven heeft. Maar hoe ouder hij geworden is, hoe meer hij heeft begrepen wat hij toen niet begreep. Hoe meer hij heeft begrepen van wat daar gebeurde in die opperzaal, waar hij in Johannes 13 over spreekt. Johannes heeft veel van de Heere Jezus gezien. Hij is er vol van.

Ik hoop dat we ook mogen ervaren wat we zongen: de schoonheid van de Koning. Samen zien en samen zingen. Johannes heeft veel van de Heere Jezus gezien. Hij is nooit vergeten wat Hij eerst in Hem begon te zien, zoals hij in het eerste boek van Johannes schreef: ‘Wij hebben Hem gezien, Zijn heerlijkheid aanschouwd, als de Eniggebore van de Vader, vol van genade en vol van waarheid.’

 

Kinderen, als wij nu denken over de heerlijkheid van de Heere Jezus, aan welk gedeelte van het leven van de Heere Jezus zou jij dan denken? Heerlijkheid… Dan ga ik in mijn gedachten naar die keer toen Hij op de berg was, waar Mozes en Elia kwamen. Je moet vanavond aan je vader of moeder maar eens vragen of zij dat hoofdstuk nog eens willen lezen. Dan gaat de Heere Jezus helemaal glimmen. Hij schittert! Zijn kleren en gehele gezicht gaan schijnen vol heerlijkheid.

Toch heeft Johannes daar nooit over geschreven. Hij was daar bij, maar Johannes heeft als enige een ándere heerlijkheid beschreven. Een heerlijkheid die hij nooit heeft kunnen vergeten. Wat was dat dan? Dat de Koning zijn voeten waste. Dat die grote God (want dat was Hij toch), de Eniggeborene van de Vader, ja, God Zelf, zijn vuile voeten gewassen heeft. Johannes kon dat maar niet vergeten. Vooral niet omdat Johannes wel wist wat er aan vooraf ging en ook wat het Hem gekost heeft om dat werk van ‘zondige mensen te wassen’ te doen.

 

We lezen in het gedeelte van Johannes 13 dat er een paasmaaltijd was gemaakt.

Als we Schrift met Schrift vergelijken, komen we in Lukas 22. Daar lees je dat precies voor deze maaltijd een heel vervelend moment plaatsvond. Vervelend is nog een beetje zwak. Het is eigenlijk een heel onwáárdig iets.

Er zitten twaalf discipelen met de Heere Jezus in die kamer. Die twaalf discipelen zitten op te scheppen wie van hen de beste en meest belangrijkste is. Het waren elf bekeerde mensen (want Judas had geen nieuw hart), maar ze zitten uitvoerig met elkaar te praten wie van hen de meeste is!

Waarom? Omdat iemand uit deze groep de voeten moet gaan wassen. Petrus zegt: ‘Dat doe ik niet hoor, want…’ en dan zal hij een goede reden gehad hebben. En Johannes zegt: ‘Dat doe ik ook niet, want…’ En Judas zegt: ‘Ik doe dat ook niet!’

Ineens stond Jezus op. Hij legde zijn overjas af en deed een schort om. U weet de rest. Het zal wel heel erg stil geworden zijn in die kamer, toen daar ineens de Meester, de Heere opstond. Want Hij zegt het later: Gij heet Mij Meester en Heere en gij zegt wel, want Ik ben het.

 

Johannes beschrijft de heerlijkheid van de Heere Jezus in dit prachtige evangelie. En hij neemt juist dít gedeelte uit alle prachtige taferelen die hij van zijn Meester gezien heeft. Hij heeft hier iets uitgebeeld wat eigenlijk alles uitbeeldt wat God door Zijn Zoon heeft gedaan. Johannes begreep het toen niet, later wel. Leest u maar in vers 7. Daar zegt Jezus tot Petrus, maar natuurlijk ook tot Zijn andere discipelen: Wat Ik doe, weet gij nu niet, maar gij zult het na dezen verstaan. Eigenlijk staat er in het Grieks zoiets als: ‘Wat Ik nu doe begrijpen jullie nog niet helemaal, maar straks gaan jullie het helemaal begrijpen.’

Het zijn twee verschillende woorden die daar gebruikt worden. Jullie gaan groeien in het begrip en in het begrijpen van wat Ik hier nu voor jullie gedaan heb. Dat heeft Johannes later ook heel goed begrepen.

 

Nu, ik wil in deze dienst vanuit dit gedeelte met u nadenken over: De heerlijkheid van het priesterlijke werk van de Heere Jezus Christus.

 

Twee gedachten:

1. Uitgebeeld door wat Hij deed (de voetwassing)

2. Bevestigd in wat Hij zei (in Zijn woord)

 

Dus we gaan samen nadenken over de heerlijkheid van het priesterlijke werk van de Heere Jezus Christus. Ten eerste uitgebeeld in de daden van de voetwassing en ten tweede bevestigd in de rijke boodschap die de Heere Jezus hier Zelf geeft.

 

1. Uitgebeeld door wat Hij deed

 

We kunnen allemaal wel een beetje voorstellen wat hier gebeurt. In het Joodse leven liep men op halfblote voeten, zullen we maar zeggen. Ze liepen op sandalen zonder sokken aan. De voeten werden natuurlijk altijd wat vies, wat zweterig door de stoffige wegen. We begrijpen wel hoe zulke voeter er uit zien.

De tafel waar zij aan zaten was niet zoals bij ons. Wij hebben de voeten netjes onder de bank en onder de tafel, maar daar lagen de voeten zomaar voor iedereen zichtbaar.  Ze lagen ook half op deze banken. U begrijpt dat voeten wassen in de Joodse cultuur iets heel belangrijks was. Dat deed je dan ook voor het eten.

Ik heb er al wat van gezegd dat de Heere Jezus dat gaat doen. Hij giet het water in het bekken, wast de voeten van de discipelen en droogt ze af met de linnen doek waarmee Hij omgord is.

 

Wie is de Man Die dit deed? Johannes zegt het heel mooi. Hij zegt in vers 1: Jezus wetende dat Zijn ure gekomen was, dat Hij uit deze wereld zou overgaan tot de Vader… Hij wist: ‘Nog even en dan ga Ik weer terug naar de Vader, om de troon van de hemel en de aarde te bestijgen.’

Dat wist Hij toch? Hij wist dat Hij straks tot de Vader zou gaan.

In vers 3 zegt Johannes het nog een keer: Jezus wetende! Hij was Zich er ten volle van bewust dat de Vader Hem alle dingen in de handen gegeven had. Hij wist dat Hij de Koning is! Hij wist dat Hij straks die troon zou bestijgen en over de hele aarde en de hemel Zijn koningschap zou uitoefenen. Toch stond Hij op en nam de gestalte van de slaaf aan. Nee, niet alleen de gestalte. Hij déed het slavenwerk waar al de andere broeders zich te goed voor voelden.

 

Wat is de Heere Jezus toch indrukwekkend! Ik moet zeggen: wat is God indrukwekkend!

Voelt u dat? De Heere Jezus is God. Hij kwam van God en ging tot God. Hij is God Zelf. Hier hebben we de almachtige Schepper, gemeente. Hier hebben we Hem Die het al uit het niets geschapen heeft. Die ons kleine mensenkinderen heeft gemaakt en met Zijn beeld heeft versierd. Wij hebben alles kapotgemaakt, totaal vernield. Hier is die God gekomen op deze aarde om te dienen.

 

Wat is de boodschap die vandaag uit dit gedeelte tot ons komt?

Ik geef u een aantal gedachten door over wat deze voetwassing uitbeeldt.

 

Het beeldt, vind ik, ten eerste uit dat Gods liefde onmeetbaar groot is. Johannes zegt in vers 1: Alzo Hij de Zijnen, die in de wereld waren, liefgehad had, zo heeft Hij hen liefgehad tot het einde. In het Grieks staat er zoiets als: liefgehad tot het uiterste, tot het verste, tot het diepste. Niets was er teveel voor deze God om lief te hebben!

Die liefde sprak al in de eeuwigheid, toen de Vader als het ware het voorstel deed tot de Zoon: ‘Zoon, Ik heb Mijzelf uit de verloren mensheid een Kerk, een kudde, een bruid voor U gekozen.’

Als ik als vader een bruid voor mijn zoon moest uitkiezen, dan zou ik wel een hele mooie bruid zoeken. Een meisje waar je toch wel wat verwachting van zou hebben. Dat zou een goede vrouw zijn voor mijn zoon. Maar de bruid die de Vader voorstelde was vijandig, zondig en gevallen. Van die bruid was geen verwachting. Die bruid heeft Hij daar in de eeuwigheid voorgesteld. ‘Mijn Zoon, dit is de bruid die Ik voor U gekozen heb. Wilt U daarvoor sterven? Om haar te kopen, moet U sterven! Om haar vrij te kopen, moet U sterven!’

Toen heeft Hij het gezegd: ‘Vader, het is Mijn vreugde om Uw wil te doen.’

 

O gemeente, laten we eens denken over deze Koning! Daar in de eeuwigheid is het begonnen. Toen zag Hij als het ware dit stukje uit Johannes 13 al.

Maar toen sprak die liefde ook al: ‘Vader, Ik wil!’ Mijn vermakingen, staat er in Spreuken 8 vers 31, zijn met de mensenkinderen.

Toen heeft Hij de hemel verlaten. Hij is gekomen naar deze aarde.

Laten we Hem eens even volgen. Paulus zegt: ‘Hij Die rijk was, is arm geworden.’ Ja, hij zegt: Want gij weet de genade van onze Heere Jezus Christus, dat Hij om uwentwil is arm geworden, daar Hij rijk was, opdat gij door Zijn armoede zoudt rijk worden (2 Kor.8:9). Hij heeft Zijn hemels paleis, de nabijheid van Zijn Vader verlaten. Hij heeft Zijn heerlijkheid achter een menselijke natuur verborgen. Zo is Hij gekomen, zo heeft Hij geleden en zo heeft Hij gezwoegd door het leven. Hij is de Koning!

Uiteindelijk heeft Hij die beker, die wij hebben gevuld, van Zijn Vader overgenomen. Die beker, die Zijn volk heeft gevuld, gevuld met al het lijden. Hij heeft die beker genomen, en juist nu, precies voordat Hij het laatste van die beker moet gaan drinken, ligt Hij op zijn knieën voeten te wassen. Wat een heerlijke Koning is Koning Jezus!

Weet u, Hij kwam niet om gediend te worden. Een koning wordt toch gediend? Daar is hij toch een koning voor? Die zit op zijn troon en die wordt gediend door allerlei knechten en dienstboden. Maar over de Heere Jezus lezen we: Gelijk de Zoon des mensen niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen (Matt.20:28).

Zijn hele werk en Zijn hele leven is uitgebeeld in de voetwassing. Daar zegt Hij: ‘Ik ben de Meester, gij hebt het wel gezegd. Ik, Ik ben de Heere, maar Ik heb uw voeten gewassen.’

 

O gemeente, wat is dat toch een heerlijke boodschap! God is gekomen, niet om gediend

te worden, maar om te dienen! Alles wat de Heere Jezus deed in Zijn leven, al Zijn lijden, elke stap, de zielsworsteling en de pijn die Hij in Zijn lichaam heeft ervaren, de eenzaamheid die Hij heeft doorstaan, ja, alles wat er door en in Zijn leven tot Hem kwam, was dienen.

Dat was ten eerste Zijn Vader dienen. Hij kwam niet in de eerste plaats om de mensen te dienen, maar om Zijn Vader te dienen. Om gehoorzaamheid aan Zijn Vader te geven. Door dienen en door de wet te betrachten, was Hij ook Middelaar. Hij diende.

Kijk, wij lijden, wij hebben problemen, wij hebben zorgen en verdriet, wij hebben verlorenheid, en dat is allemaal verdiend. We klagen wel, en we hebben pijn en we hebben allerlei problemen, maar, gemeente, uiteindelijk is dat allemaal het salaris op onze zonde.

Jeremia zegt het in Klaagliederen: Wat klaagt dan een levend mens? Een ieder klage vanwege zijn zonden (Klaagl.3:39).

Maar deze Jezus had niets verdiend. Hij kwam om te dienen, zelfs in Zijn lijden, in Zijn vernedering en uiteindelijk in Zijn dood.

 

Laten we nog eens naar de voetwassing kijken. Dat beeldt nu Zijn hele priesterlijke bediening uit. Alles wat Jezus deed, is uitgebeeld in deze voetwassing. Hij is gekomen om zondaren te wassen en zonden weg te nemen. Dat is het evangelie, toch? Dat is ook in deze dienst de mooie en de goede boodschap die ik aan u mag bekendmaken: Zie, het Lam van God, Dat de zonde der wereld wegneemt! (Joh.1:29)

Hij is gekomen om te dienen. Waarom denkt u dat de Heere Jezus in ons midden is vandaag? Waarom heeft Hij ons hier samengebracht rondom dit gedeelte van het Woord? Om ons er weer aan te herinneren: Gelijk de Zoon des mensen niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en Zijn ziel te geven als een rantsoen (een betaling) voor velen (Matth.20:28).

 

Laten we eens terugkijken naar de afgelopen week. Wij waren toch geschapen om God te dienen? We hebben toch onze talenten, gezondheid en mogelijkheden gekregen om God en onze medemens te dienen? Waar zijn we nu mee bezig geweest in de afgelopen week? Of hebben we onszelf bediend? Dat kunnen we zelfs in godsdienst doen, onszelf bedienen, onszelf bedoelen. Dat kan een dominee doen als hij staat te preken, zichzelf bedienen. Als de mensen maar goed van mij denken…

Maar daar zijn we niet voor geschapen. We waren geschapen om God te dienen en Hem alles te geven als de Schepper Die ons gemaakt heeft. Daar brengen we niets meer van terecht. Voelt u dat? Dan komen we de week weer uit met een pak met schuld.

Misschien bent u met dat gevoel vandaag naar de kerk gekomen: weer totaal gefaald in mijn dagelijkse leven voor God en voor mijn medemens… Misschien ben je zo vermoeid, en zeg je: ‘Ik heb alles weer zo verknoeid. Er is niets in mij dan schuld.’ Wat is het dan wonderlijk dat de Heere Jezus vandaag in ons midden is! Hij zegt: ‘Ik ben hier om te dienen als een Priester, als een Priester-Koning.’

 

Dat is de derde gedachte die ik uit dit gedeelte wil halen. Hij is bereid om de meest onwaardige zondaren te dienen.

Ik heb u al geschetst wat er voor deze maaltijd plaatsvond. Die twaalf discipelen proberen met elkaar te bewijzen wie van hen de meeste is, zodat ze niet die voeten hoeven te wassen.

Misschien zit u vandaag ook wel met die schuld: ‘Ik heb niets dan schuld aan mijn zijde. Hoe kan ik nu ooit geloven dat er voor mij nog hoop is?’ Nu, dat kán, die hoop ís er ook, want u ziet wat de Heere Jezus hier deed. Met welke teerheid heeft Hij hier de voeten van die discipelen genomen om ze één voor één te wassen. Hij is hier in ons midden vandaag, om de meest schuldige voeten die naar Hem uitgestrekt worden, te wassen. Dat kan Hij. Wij kunnen geen zonden afwassen, wij kunnen geen schuld wegdoen. Wij kunnen het alleen maar erger maken en méér zonden doen. Alles wat we doen is voor God onwaardig. Maar Hij is vandaag hier om voeten te wassen.

 

Misschien voelt u zich wel als Petrus toen Hij tot hem kwam. In vers 6 lezen we dat Petrus zegt: Heere, zult Gij mij de voeten wassen? U, míj de voeten wassen? Petrus is helemaal verbaasd over die gedachte. Hij is verbijsterd. Misschien kunt u Petrus wel begrijpen. Toen hij daar zijn Meester op zag staan en Zijn overjas uit zag doen, heeft hij het ineens gevoeld en zich gerealiseerd: ‘Nee, ík, ik moet Zíjn voeten wassen!’ Daarom kan hij maar niet aannemen wat de Heere Jezus doet. Hij zegt: Zult Gíj mij de voeten wassen?

Toch krijgt hij een stevige correctie van de Heere Jezus. Petrus, indien Ik u niet was, gij hebt geen deel met Mij. Zo is het vandaag ook nog, gemeente. De Heere begrijpt het wel dat we die vuile voeten liever voor Hem weg willen houden. Dat we die graag zelf oppoetsen en zelf graag iets beter doen en om dan tot Hem te komen. Dat begrijpt Hij wel. Maar Hij zegt ook tegen ons vandaag: ‘Indien Ik u niet was, zult u ook totaal geen deel aan Mij hebben. Ik ben gekomen om te dienen.’

 

Dat brengt mij tot de laatste gedachte over dit eerste gedeelte. Als wij Hem niet toelaten om ons te dienen, dan zullen wij ook geen deel aan Hem hebben. Dat zegt de Heere Jezus toch duidelijk? Petrus zegt tegen Hem: Gij zult mijn voeten niet wassen in der eeuwigheid! Hij zegt: ‘Heere, het zal nooit gebeuren dat U dát zult doen.’ Hij weigert het pertinent. Hij trekt zijn voeten, denk ik, terug en zegt het met veel nadruk: ‘Heere, Gij zult nooit mijn voeten wassen! Dat gaat gewoon niet, dat hoort gewoon niet!’ En heel kalm, maar ook heel dringend zegt de Heere Jezus dan: ‘Petrus, als Ik jouw voeten niet was, dan kunnen jij en Ik niet samen verder.’

Gemeente, daarin ligt voor ons vandaag ook een heel duidelijke les. Als u niet uw handen en uw voeten, uw gedachten en uw gebeden en alles wat u op dit moment in uw hart hebt en al wat zondig is, tot deze Priester brengt en aan deze Priester toevertrouwt, dan zult u ook geen deel aan Hem hebben. Dat is een duidelijke boodschap die de Heere Jezus vandaag hier in ons midden legt.

 

Misschien ervaart u wel veel schaamte over uw zonden en aarzelt u om tot Hem te komen. Misschien worstelt u wel en denkt u: Ja, maar hoe kan ik nu ooit denken dat Hij zo’n persoon als ik zou willen ontvangen?

Dat begrijp ik wel. Misschien kunt u het ook wel niet geloven dat de Heere dat tegen u zegt. U zegt: ‘Ja, dat is voor dat volk en daar hoor ik niet bij.’ Hoe weet u dat? Dat weten we niet, dat is geheim. Dat is Gods geheim. Maar deze Zaligmaker zegt: ‘Allen die tot Mij komen…’ Daar pas ik in, in dat woord allen. Allen! ‘Allen die tot Mij komen, zal Ik geenszins uitwerpen.’ Daarom is Hij Priester in wat Hij hier uitbeeldt in Zijn werk.

Ja maar, denkt u, ik ben toch ook geen Petrus? Nee, misschien bent u wel een Judas. Maar Hij heeft ook Judas zijn voeten gewassen. Ziet u? Die heeft Hij niet overgeslagen. Judas heeft het ook gehoord.

Dus aarzel niet, hoe zondig uw verleden en heden ook is! Johannes riep het uit: Zie, het Lam Gods! (Joh.1:29) Ik mag en moet het tot u allen roepen: Zie, de dienende Hogepriester!

John Gill, een oudvader, zei eens in een preek: ‘De grootste vreugde die wij de Heere Jezus kunnen geven, is om Zijn bediening te aanvaarden.’

 

Geen deel aan Hem... Inderdaad, als wij Hem niet als Priester toelaten om ons te dienen.   Geen deel aan Hem… Niets is erger in dit leven dan geen deel aan Jezus te hebben. Hoe zal de schuld verzwaard worden als we Hem geweigerd hebben! Hoe zult u of jij ontvlieden, ontvluchten, als je op de grote zaligheid geen acht gegeven hebt. 

Ongetwijfeld heeft Judas wel zijn voeten naar Hem uitgestrekt en ze zijn ook wel gewassen. Maar dat was voor hem alleen een uiterlijke onderwerping.  In zijn hart had Hij de Hogepriester helemaal niet nodig.  

 

Dus, mijn vriend, kijk nu maar niet naar jezelf, maar zie eens naar die Koning, Die zo gewillig van alle twaalf de voeten waste.

Ik vraag me af wie Zíjn voeten gewassen heeft. Er staat er niets over. Zo gewillig is deze Koning om Zichzelf voor anderen te geven.

 

Laten we samen zingen van Psalm 65 vers 2 en 3:

 
Een stroom van ongerechtigheden
Had d’ overhand op mij;
Maar ons weerspannig overtreden
Verzoent en zuivert Gij.
Welzalig, dien Gij hebt verkoren,

Dien G’ uit al ’t aards gedruis
Doet naad’ren, en Uw heilstem horen,

Ja, wonen in Uw huis.

 

Daar zal ons ’t goede van Uw woning
Verzaden, reis op reis,

En ’t heilig deel, o grote Koning,

Van Uw geducht paleis.

Gij, Gij zult vreselijke dingen
Ons, in gerechtigheid,

Doen horen, en ons blij doen zingen
Van ’t heil, voor ons bereid.

 

2. Bevestigd in wat Hij zei

 

We hebben iets gezien van de heerlijkheid van het priesterlijke werk, zoals uitgebeeld in de voetwassing. Maar laten we ten tweede ook nog eens denken over de woorden die de Heere Jezus spreekt rondom deze voetwassing. Deze woorden bevestigen Zijn priesterlijke werk zo glorierijk.

 

Er is een gesprek gaande in deze opperzaal. Petrus is eerst helemaal verbaasd: ‘Heere, Gij zult mijn voeten niet wassen!’ De Heere Jezus zegt: ‘Petrus, je begrijpt het nu niet, maar laat het nu maar toe. Je zult het hierna wel begrijpen.’ Petrus zegt: ‘Nee, Heere, nóóit! Het zal nooit gebeuren. Niet in der eeuwigheid!’ Dan zegt de Heere Jezus weer: ‘Als Ik dat niet doe, Petrus, als je dat niet toelaat, dan zul je geen deel aan Mij hebben.’ Kijk, dan verandert Petrus ineens helemaal: ‘Nou, Heere, dan niet alleen mijn voeten, maar dan ook mijn handen en mijn hoofd!’

Het antwoord van de Heere Jezus: ‘Dan hebt gij geen deel aan Mij’ heeft een dramatisch effect op deze Petrus. Als hij dat hoort en bedenkt dat hij dan niet meer bij Hem hoort, is dat teveel voor Petrus. Hij heeft Hem, deze Meester, zo innig lief. Hij valt later die dag heel diep omdat hij een zwak mens is die zijn eigen zwakheid niet kent. Maar één ding moeten we hem toch wel nageven: hij was toch wel een hartstochtelijk liefhebber van de Heere Jezus. Daarom zegt Hij: ‘O Heere, als dat zo is, dan moet U alles maar wassen van mij! Mijn hoofd, mijn handen, helemaal!’

 

Kijk, en dan kom ik tot het antwoord van de Heere Jezus, dat toch werkelijk een juweel is, gemeente. Het bevestigt ook Zijn priesterlijk werk.

Leest u alstublieft mee in vers 10, want het is misschien moeilijk om dat zo te begrijpen. Ik zal eerst de tekst lezen zoals het hier staat: Die gewassen is, heeft niet nodig dan de voeten te wassen, maar is geheel rein. En dan zegt Hij er wel bij: Gijlieden zijt rein. Je bent al rein, behalve één. Judas zit er ook tussen. En de Heere Jezus weet dat Judas niet rein is. Maar die andere elf zijn dus al rein! Ik denk dat vers 10 ook heel weinig begrepen is vandaag. Dat is wel zo’n rijk woord dat God vandaag ook hier weer aan Zijn gelovige volgelingen wil bevestigen.

In vers 10 worden twee woorden gebruikt die totaal verschillend zijn. Er staat: Die gewassen is. Dat is een Grieks woord wat de betekenis heeft van wat wij gebruiken als je een bad hebt genomen of onder de douche bent geweest. Dan ben je helemaal gewassen. Maar dat tweede woord ‘wassen’ is een ander Grieks woord: Die gewassen is, heeft niet van node dan de voeten te wassen. Dat tweede woordje ‘wassen’, dat gebruiken wij als je je handen even af moet spoelen. Dan ga je niet gelijk onder de douche, maar je spoelt alleen je handen even af onder het water van een kraan.

Let op wat de Heere Jezus zegt tegen Zijn elf discipelen. Hij zegt: ‘Petrus, en de anderen, jullie zijn van je hoofd tot je voeten al gewassen. Jullie moeten alleen nog even je handen opnieuw afspoelen. Of in dit geval jullie voeten.’

 

Gemeente, dat is nu een heel rijk evangelie. Wat de Heere Jezus hier zegt, is dit: ‘Jullie elf, jullie die op Mij je vertrouwen hebben gesteld, jullie zijn al gewassen. Jullie zijn al rein. Jullie die in Mij geloven, zijn al totaal gewassen van al de zonden die achter je liggen.’
 

Het is wonderlijk rijk. Deze mensen hebben nog totaal geen benul van het kruis. Ze begrijpen van al die grote dingen nog niets. Toch zegt de Heere Jezus: ‘Jullie zijn al gewassen.’ Of om een theologisch woord te gebruiken: ‘Jullie zijn al gerechtvaardigd.’  Hij zegt inderdaad: ‘Als jullie op Mij het vertrouwen hebben gesteld, dan zijn jullie al gewassen en daarom rein.’

Nu, gemeente, vraag het eens aan Petrus: ‘Petrus, voel je je nu zo gewassen?’ Dan zegt Petrus: ‘Nee, ik voel me totaal niet gewassen! Ik voel me een grote zondaar! Daarom vraag ik Hem ook: Heere, was dan maar alles, mijn hoofd, mijn handen, mijn mond, alles wat zondig is!’ Maar de Heere zegt: ‘Dat is niet nodig, want je bént al gewassen.’

Gemeente, wat is dat belangrijk onderwijs in deze dienst. Het evangelie dat de Heere Jezus hier brengt is niet dat U al gewassen bent omdat u dat vóelt. Maar Hij zegt: ‘U bent gewassen omdat Ik het beloofd heb dat een ieder die zijn of haar vertrouwen op Mijn werk, op Mijn persoon heeft gesteld, gewassen is.’

 

Wat vind ik nu zo rijk in dit onderwijs?

De Heere spreekt hier tot de hele kleine baby’tjes in het koninkrijk van de hemelen.

Deze discipelen hebben nog bijna geen benul van het kruis en het offer dat de Heere Jezus straks gaat brengen. Toch, van Gods zijde zijn ze al gewassen. Later die avond herhaalt Hij deze waarheid weer in hoofdstuk 15 vers 3: Gijlieden zijt nu rein om het woord dat Ik tot u gesproken heb.

Deze waarheid is zo moeilijk om te geloven, dat weet ik. Het is ook een worsteling om te geloven, want wij bouwen ons geloof altijd op ons gevoel en dan gaat het fout. Het Wóórd zegt in deze dienst tot allen die hebben geleerd, met deze elf discipelen, om alles in de Heere Jezus te zoeken, en op Hem hun vertrouwen voor alles gezet hebben: ‘Gij zijt al gewassen.’

 

Kom, gemeente, als u vandaag mag nazeggen wat Petrus zei: Heere, gij hebt de woorden des eeuwigen levens (Joh.6:68), als u mag zeggen: ‘Er is geen ander in deze wereld op wie ik mijn hoop wil stellen, daarom wil ik U ook nooit verlaten, Ik wil altijd bij U blijven, ik wil U altijd volgen’, dan is dat al geloof!

Misschien een klein geloof, misschien een bestreden geloof, een geloof met veel haken en ogen, maar het is al oprecht geloof. Als er de kleinste geloofsoefening is die zich richt op de Heere Jezus Christus en op Zijn Naam en Zijn werk, gemeente, dan is het Gods belofte: ‘Gewassen!’

 

Dat is het evangelie! Dat is de boodschap die de Heere Jezus hier voorstelt in deze paasmaaltijdkamer. Die gewassen is, heeft niet van node dan de voeten te wassen, maar is geheel rein. En gijlieden zijt rein. Niet in hun eigen gevoel, niet in hun eigen bewustzijn, niet in hun eigen opmerking, maar in het oog van God de Vader zijn zij rein.

Weet u waarom dat dan is? Ik zei net, voordat we gingen zingen: er werden van twaalf mensen voeten gewassen, maar waarschijnlijk van Eén niet. Die is met die vuile voeten op het kruis gegaan. Met andere woorden: Hij heeft al de zonden van die elf meegenomen en op het kruis weggedragen, voor altijd. ‘Zover het oosten is van het westen, heeft Hij onze zonden van ons weggedaan.’

Begreep Johannes het toen? Waarschijnlijk niet. Jezus zei het al: ‘Wat Ik nu doe, begrijpen jullie niet, maar je zult het na deze verstaan.’ Ik hoop dat u vandaag ook zo in de kerk zit. Misschien begreep je het niet toen je hier binnenkwam, maar misschien ga je het nu wel begrijpen: dat de kleinste geloofsoefening met het oog op de Heere Jezus en Zijn middelaarswerk, reinigt en wast. Deze waarheid zullen de discipelen niet begrepen hebben toen het plaatsvond, maar later werd dit meer en meer duidelijk.

 

‘Nou’, zegt u, ‘dat is nogal wat! Is dit nu niet wat te eenvoudig? Gaan we hier niet te ver?’ Laat ik in het antwoord op deze vragen wijzen op de bekende gelijkenis van de farizeeër en de tollenaar. Als die tollenaar daar staat in de tempel, staat hij van veraf en durft hij niet dichtbij te komen. Hij kan niet naar God kijken, hij durft de hemel niet aan te zien. Hij weet dat God heilig is en hij is onheilig. Hij roept het uit vanuit zijn door de zonden gebroken ziel: O God, wees mij zondaar genadig! (Luk.18:13)

Gemeente, dan kijkt die man niet naar de grond. Deze tollenaar keek verlangend en gelovig naar het altaar dat daar in het voorhof van de tempel stond te branden. Hij strekte als het ware zijn schuldige, vuile hand en leven uit naar het altaar en zei: ‘Heere, wilt U mij, zondaar, genadig zijn? Op basis van dat offer op het altaar.’

Wat zegt dan de Heere Jezus? Deze ging af gerechtvaardigd in zijn huis (Luk.18:14). Met andere woorden: die tollenaar ging naar huis, geheel rein. Geheel rein! Wist hij dat toen? Dat weet ik niet, maar het was wel waar en hij zal het geleerd hebben.

 

Gemeente, dan is het natuurlijk wel nodig, zelfs als ik dat geloof heb mogen beoefenen, dat ik elke dag tot de Heere Jezus kom. Daarom zegt de Heere Jezus ook: ‘Je hebt het niet nodig dat Ik je helemaal was, maar je hebt wel nodig dat Ik je voeten was. Want jullie hebben vandaag weer door deze wereld heengelopen. Jullie zijn weer vies geworden.’

Zo is het toch elke dag? Elke dag zijn er weer gedachten die niet goed zijn en elke dag zijn er weer woorden die we niet moesten spreken en elke dag zijn daar weer zonden in ons leven, elke dag komen we weer tekort en elke dag… vieze handen, vieze voeten, vieze gedachten, vieze ogen, vieze oren, alles vies… En elke dag is dan de Heere weer gewillig om te dienen. Leeft u zo met de Heere Jezus?

 

McCheyne zegt ergens in zijn dagboek: ‘Op het moment dat ik zonde als zonde zie, waar ik ook maar ben, op het paard of op de preekstoel of thuis, dan weet ik dat ik gelijk naar die troon van de genade moet om het te laten wassen. Maar’, zegt hij, ‘ik voel in mezelf altijd weer tegenwerpingen opkomen. Het is toch niet goed dat je uit het zwijnenhof zo naar die heilige troon van de genade gaat? Dat kan zomaar niet! Maar’, zegt hij, ‘ik weet dat dat allemaal leugens uit de hel zijn, om mij te weerhouden om mijn vieze handen en voeten naar die dienende Hogepriester te brengen.’

Misschien voelt u die spanning ook wel. Daarom, gemeente, zegt de auteur van Hebreeën: Dewijl wij dan, broeders, vrijmoedigheid hebben om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus, zo laat ons toegaan met een waarachtig hart (Hebr.10:19 en 22). Met een eerlijk hart. Niet verbergen wat er in ons omgaat. Je hoeft je echt niet mooier te maken voor Gods aangezicht, dat kan ook niet. Eerlijk zijn!

‘Heere, nu heb ik net die hele verkeerde gedachte gehad over wat ik zag, wast U het weg? Heere, nu heb ik net tegen mijn kind zitten snauwen, wast U het weg? Heere, nu heb ik net onenigheid gehad met mijn man of met mijn vrouw, wast U het weg?’

Leven wij zo? Gebruiken wij deze Hogepriester dagelijks? Kijk, dan gaat het geestelijk leven bloeien, als wij dagelijks, zoals de Heere Jezus zegt, nodig hebben dat Hij ons de voeten wast.

 

Zo, gemeente, laat ik bij u deze vraag achter: wat gaat u nu met deze Priester doen, Die in deze dienst in ons midden was? Wat ga jij met die Priester doen, Die Zich in deze preek weer heeft voorgesteld als Hij Die gekomen is om te dienen? Niet om gediend te worden. Dat is Hij wel waard! Zult u Hem vandaag de handen, de voeten, het heden, het verleden toevertrouwen? Als we dat niet doen, dan is dit Zijn antwoord: ‘Indien Ik u niet was, dan hebt u ook geen deel met Mij.’

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 32: 1, 6

 

Welzalig hij, wiens zonden zijn vergeven;
Die van de straf voor eeuwig is ontheven;
Wiens wanbedrijf, waardoor hij was bevlekt,
Voor ‘t heilig oog des Heeren is bedekt.
Welzalig is de mens, wien ‘t mag gebeuren,
Dat God naar recht hem niet wil schuldig keuren,
En die in ‘t vroom en ongeveinsd gemoed,
Geen snood bedrog, maar blank’ oprechtheid voedt. 

 

Rechtvaardig volk, verheft uw blijde klanken,
Verheugd in God, naar waarde nooit te danken;
Zingt vrolijk, roemt Zijn deugden t’ allen tijd,
Gij, die oprecht van hart en wandel zijt.