Ds. J. IJsselstein - Handelingen 9 : 11b

Onderwerp

Een tollenaarsgebed uit het hart van een farizeeër
Wie is het die bidt?
Wat wil het zeggen dat hij bidt?
Wie merken het op dat hij bidt?

Handelingen 9 : 11b

Want zie, hij bidt.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 81: 12
Lezen : Handelingen 9: 1-19
Zingen : Psalm 116: 1, 2, 3
Zingen : Psalm 51: 9
Zingen : Psalm 3: 2

Gemeente, de tekst voor de preek kunt u vinden in het gedeelte dat u werd voorgelezen. Handelingen 9 vers 11, alleen deze vier woorden: 

 

Want zie, hij bidt.

 

Het thema is: Een tollenaarsgebed uit het hart van een farizeeër.

 

Ik wil graag drie vragen stellen:

1. Wie is het die bidt?

2. Wat wil het zeggen dat hij bidt?

3. Wie merken het op dat hij bidt?

 

1. Wie is het die bidt?

 

Jongens en meisjes, toen de Heere Jezus op de aarde rondging heeft hij verschillende gelijkenissen verteld. Eén daarvan wil ik jullie voorlezen. Luister goed.

 

En Hij zei ook tot sommigen, die bij zichzelf vertrouwden dat zij rechtvaardig waren – met andere woorden: ze vonden zichzelf heel erg goed – en de anderen niets achtten, deze gelijkenis:

Twee mensen gingen op in de tempel om te bidden, de een was een farizeeër, en de ander een tollenaar. De farizeeër, staande, bad dit bij zichzelf: O God, ik dank U, dat ik niet ben gelijk de andere mensen, rovers, onrechtvaardigen, overspelers; of ook gelijk deze tollenaar. Ik vast tweemaal per week; ik geef tienden van alles wat ik bezit.

En de tollenaar, van verre staande, wilde ook zelfs de ogen niet opheffen naar de hemel, maar sloeg op zijn borst, zeggende: O God, wees mij zondaar genadig! Ik – de Heere Jezus – zeg ulieden: Deze – de tollenaar – ging af gerechtvaardigd in zijn huis, meer dan die; want een ieder die zichzelf verhoogt, zal vernederd worden, en die zichzelf vernedert, zal verhoogd worden (Luk.18:9-14).

 

Twee mensen gingen op naar de tempel. Wij zouden zeggen: twee mensen gingen op zondag naar de kerk. Zoals wij vandaag naar de kerk zijn gekomen.

Twee mensen. Dat betekent dat er ten diepste twee soorten mensen zijn. Er zijn mensen met een geestelijk dood hart en er zijn mensen die levend gemaakt zijn; die een geestelijk levend en vernieuwd hart hebben.

Gemeente, hoe is het met uw hart? Hoe is dat met jullie hart, jongens en meisjes? Heb je een oud hart of heb je een nieuw hart? Misschien zeg je bij jezelf: ‘Ja maar, hoe kan ik dat weten?’ Kijk dan eens goed naar deze twee soorten van mensen. Naar die farizeeër en die tollenaar. Laten we ze eens met elkaar vergelijken.

 

De farizeeër, staande, bad dit bij zichzelf: O God, ik dank U, dat ik niet ben zoals de andere mensen.

De farizeeër staat. Hij staat rechtop, dichtbij het heiligdom van de tempel, terwijl de tollenaar helemaal achterin staat. Misschien is dat wel het eerste en het meest duidelijke bewijs van zijn geestelijke blindheid, van het feit dat hij een oud en dood hart heeft. Dat hij – terwijl hij rechtop blijft staan – durfde te naderen tot het heiligdom van de heilige God. Waarom heeft hij zoveel durf, zoveel lef?

Omdat hij God niet kent. Omdat hij niet weet – ja, wel met zijn verstand, maar niet met zijn hart – dat God heilig is en dat hij als zondaar voor God niet kan bestaan. Omdat hij nooit zijn hoofd en zijn hart gebogen heeft voor God. ‘Heere, U bent heilig en ik ben door en door slecht.’

Hij staat rechtop, dicht bij het heiligdom en bidt bij zichzelf: O God, ik dank U, dat ik niet ben zoals de andere mensen.

Letterlijk staat er in het Grieks, de taal van het Nieuwe Testament: ‘Hij bidt tot zichzelf.’ Met zijn lippen zegt hij: ‘O God, ik dank U’, maar in zijn hart bidt hij tot zichzelf en geeft zichzelf als het ware de hand en zegt: ‘Van harte gefeliciteerd dat je niet zo slecht bent als die andere mensen hier bij de tempel en verder weg.’

 

O God, ik dank U. Er komt alleen maar dank uit de mond van de farizeeër. Hij heeft helemaal niets te vragen. Hij doet geen belijdenis van zonde en van schuld. Hij heeft geen gevoel van schaamte.

Ik dank U, dat ik niet ben gelijk de andere mensen, rovers, onrechtvaardigen – slechte mensen – overspelers – mannen die weglopen naar een andere vrouw – of… of als die man daar achterin. Die tollenaar.

 

Maar kijk nu eens in gedachten mee, jongens en meisjes. Daar achterin de tempel staat een tollenaar.

En de tollenaar, van verre staande – heel ver weg – wilde ook zelfs de ogen niet opheffen naar de hemel, maar sloeg op zijn borst, zeggende: O God, wees mij zondaar genadig!

Hij durft niet dichterbij te komen, want hij voelt in zijn hart: ‘God is heilig en rechtvaardig en ik ben zo’n groot zondaar...’

Maar hij is wel naar de tempel gekomen, hij is niet thuisgebleven. Hij kan voor God niet bestaan, maar tegelijkertijd kan hij niet zonder God. Hij mist God en kan Hem niet missen. Hij voelt het in zijn hart: ik ben door en door slecht, maar wat zou ik graag als een musje, als een zwaluw wonen bij het altaar – zo dicht bij de Heere God. Maar… maar mijn hart is zo slecht.

Hij schaamt zich. Hij slaat de ogen neer. Zoals jullie ook wel eens doen, jongens en meisjes. Je hebt iets gedaan tegenover je meester of je juf of je ouders, en je weet dat het fout en helemaal verkeerd was, en je schaamt je, je buigt je hoofd…

De tollenaar schaamt zich voor God. Hij durft zijn ogen niet omhoog te slaan, maar slaat ze neer. En tegelijkertijd doet hij maar één ding. Hij klemt zich aan God vast. Hij rent niet weg van de tempel; hij is eigenlijk als een klein jongetje of meisje dat heel erg stout geweest is en straf verdiend heeft, en dan plotseling huilend de benen van papa of mama vastgrijpt en zegt: ‘Papa, mama, vergeef me toch!’

Zo grijpt de tollenaar als het ware God vast en zegt: O God, wees mij zondaar genadig!

 

Er zijn dus ook twee soorten van gebed. En als u, als jij je nu afvraagt: ‘Heb ik een nieuw hart? Ben ik bekeerd? Ken ik de Heere?’, dan is dat eigenlijk dezelfde vraag als: ‘Ben ik in mijn leven anders gaan bidden? Heb ik leren bidden als een tollenaar: O God, wees mij zondaar genadig’?

Dat is wel gebeurd in het leven van Saulus van Tarsen. Eerst bad hij, staande, als een vrome farizeeër. Maar toen ging hij door de knieën en ging hij bidden als een tollenaar.

 

Jongelui, zie je Saulus van Tarsen staan in gedachten? Hij staat op het punt om te vertrekken naar Damascus. Samen met nog wat andere mannen. Het doel van de reis is om discipelen, volgelingen van de Heere Jezus Christus, te vangen, te binden en naar Jeruzalem te brengen.

Saulus van Tarsen is op het eerste gezicht een hele nette man. Een voorbeeldig kerkmens. We zouden zeggen: hij is één van de netste en meest voorbeeldige kerkgangers die er bestaan. Hij bestudeert de Bijbel, hij bidt, hij vast, hij probeert met al zijn kracht – zijn eigen kracht – heel zijn leven aan God te geven. En nu probeert hij ook met heel zijn kracht de volgelingen van Jezus van Nazareth uit te roeien.

 

De reis gaat beginnen. Op weg naar Damascus. Een reis die een kleine week zal duren. 

Maar, wacht even. U begrijpt het al: zo’n reis begint niet zomaar. Natuurlijk niet, voor zo’n reis moet gebeden worden. Saulus heeft dat ongetwijfeld voor zijn nieuwe missie gedaan. Bidden… maar wat eigenlijk? Waar eigenlijk? En tot wie eigenlijk?

 

Trouwens, heeft u vandaag gebeden voordat u naar de kerk ging? Jongens en meisjes, heb je gebeden voordat je naar de kerk ging? Heb je in je slaapkamer, met de deur dicht, je knieën gebogen? ‘Heere, alstublieft, ik ga naar de kerk, dat is de plaats waar U nieuwe harten geeft, wilt U mij vandaag zo’n nieuw hart geven?’

Heb je gebeden als een tollenaar? ‘Heere, ik ben zo slecht. Wees me, vandaag in de kerk, genadig!’

Of hebt u gebeden als een farizeeër?

 

Saulus heeft ongetwijfeld gebeden. Maar het was het gebed van een farizeeër. Zo’n gebed als we samen gelezen hebben: ‘Dank u wel, Heere, dat ik niet zo slecht ben als al die anderen, dat ik niet ben als al die mensen die vandaag uitslapen en niet naar de kerk gaan.’

Dat bidden is ten diepste jezelf feliciteren. ‘O God, ik dank U, dat ik zo slecht niet ben.’

Ja, wij kunnen dat nog wel mooier zeggen: ‘Dank U wel, Heere, wat bent U goed voor me dat ik zo slecht niet ben.’

Is dat uw gedachte? Dan moet ik eerlijk tegen u zeggen dat u blind bent, en dat u daarom niet ziet dat u slecht bent. Door en door slecht, zoals wij allemaal van nature zijn. Dan bent u – hoe hard het misschien ook klinkt, maar het is waar – een farizeeër en geen tollenaar.

 

Saulus bidt voor zijn reis. Wat bidt hij? Een farizeeërsgebed. Waar? Misschien in de synagoge, op de hoek van de straat, in de voorhof van de tempel. Iedereen mag het zien – graag zelfs. Want wie Gods heiligheid niet kent, wie zich niet weg schaamt voor God, die maakt zich niet klein, die bidt niet in het verborgen, maar die wil en mag graag gezien worden.

Wat bidt hij? Een farizeeërsgebed. In het openbaar.

En tot Wie eigenlijk? Tot een onbekende God.

Saulus dankt eindeloos vaak, iedere dag, maar… hij kent God niet. Sterker nog: hij is een vijand van God. Dood en vol van verzet tegen God. Jongens en meisjes, zegt hij aan het einde van zijn gebed dan, zoals jullie dat ook zeggen: ‘Om Jezus’ wil. Amen’?

Nee. Dat zegt hij niet. Hij gelooft niet in de Heere Jezus. Hij is een vijand en vervolger van Hem.  

 

Zie, hij bidt. Saulus bidt het gebed van een vrome farizeeër.

Leg uw eigen gebeden daar eens naast. Of bidt u helemaal niet? Jongelui, ben je opgehouden met bidden? Dat kan. Het kan zijn dat je in de kerk zit en nooit meer bidt. Dan ben je zonder enige twijfel nog erger dan Saulus van Tarsen. Want die bad tenminste nog. En vaak ook; iedere dag!

Als jij nooit meer bidt, als u nooit meer bidt, dan is dat een stellig bewijs van het feit dat u, dat jij, geen nieuw hart hebt. Dat u geestelijk dood bent en vol van vijandschap tegen God.

Maar niets weerhoudt u, niets houdt u tegen om uw knieën te buigen voor God in het verborgene en – al geloof je er helemaal niets van – te zeggen: ‘O God, wees mij zondaar genadig. U ziet het: ik wil niet, ik kan niet, ik ben vol van verzet en vijandschap, maar alstublieft, leer me toch oprecht te bidden!’   

Jongelui, waarom worstel je niet zo, iedere dag voor de Heere aan Zijn genadetroon? In de wetenschap dat God zegt:

 

Wie Mij need’rig valt te voet,

zal van Mij Mijn wegen leren.

 

Wie mij aanroept in de nood

vindt Mijn gunst oneindig groot.

 

Misschien zegt u: ‘Ik bid wel.’ Misschien zijn uw gebeden mooi, lang en veel. Misschien klinken onze openbare gebeden wel als muziek in de oren van anderen. Maar is het niet zo – als we eerlijk zijn – dat het vaak is als bij menig musicus: de vingers tokkelen aan de harp of bespelen het instrument, maar de gedachten zwerven heel de wereld rond. Bidden we niet vaak zo? Als we heel eerlijk zijn, moeten we dan niet zeggen dat onze gebeden vaak zelffelicitaties zijn? ‘Gelukkig, Heere, dank U wel dat ik zo slecht niet ben als de buren, als de mensen in de buurt…’

Bid je vaak niet zo: ‘Dank U wel, Heere, dat ik niet zo slecht ben als de andere kinderen in de klas’?

Ja, we kunnen het netter inkleden en zeggen: ‘Dank U, Heere, dat U me bewaart voor zoveel zonden die andere mensen wel doen.’

Ja, dat zal waar zijn. Maar kijk vandaag eens in uw hart. Jongens en meisjes, kijk eens in je eigen hart. De Heere Jezus zegt daarover: Uit het hart komen voort boze bedenkingen – gedachten – doodslagen, overspelen, hoererijen, dieverijen, valse getuigenissen, lasteringen (Matth.15:19).

 

De zonde is vaak niet te zien aan de buitenkant, maar zit diep in ons hart. Maar God kijkt dwars door die buitenkant heen naar het binnenste van ons hart. Hoe vaak we ook bidden, hoe prachtig we ook bidden, hoe veel stille tijd we ook nemen… De farizeeën konden en deden het destijds allemaal. Nog veel beter en veel langer.

De Heere Jezus zegt echter: Tenzij uw gerechtigheid – tenzij uw goede werken en goede inzet – overvloediger zij dan der Schriftgeleerden en der farizeeën, u zult het koninkrijk van God geenszins ingaan (Matth. 5:20). Uw hart en mijn hart leeft van nature in diepe vijandschap tegen God. Dood door onze eigen zonden en misdaden.

Hebt u dat, gemeente, ooit zo voor uzelf gezien, dat u voor God niet kunt bestaan, voor de heilige God? Dan blijft er geen enkele reden over om uzelf te feliciteren.


Saulus gaat op reis naar Damascus. Samen met die andere mannen. Een dag of vijf, zes gaat de reis duren. Kijk, jongens en meisjes, daar in de verte zie je de stad al opdoemen. Een hele grote stad. Een hele brede weg waarop ze reizen. Het is een drukte van belang, karavanen die komen en gaan.

Maar dan… plotseling… midden op de dag… terwijl de zon schijnt, is daar opeens een helder licht van de hemel. Een oogverblindend licht dat Saulus van Tarsen van alle kanten omschijnt. Het is geen zaklantaarn die aan één kant schijnt en aan de andere kant is er schaduw… Nee, het is een licht dat aan alle kanten om hem heen schijnt. Een oogverblindend licht van de hemel. En het werpt hem tegen de grond.

 

Daar ligt Saulus van Tarsen. En uit de hemel klinkt een stem: Saul, Saul, wat vervolgt gij Mij? (…) Ik ben Jezus. Saulus, je kunt het wel niet begrijpen, Saulus, je kunt wel denken dat Ik niet meer leef, maar Ik ben het werkelijk. Diezelfde Jezus Die Stefanus zag, je was erbij toen hij gestenigd werd. Hij zei toen: Ik zie die hemelen geopend en de Zoon des mensen staande ter rechterhand Gods (Hand.7:56). Saul, Saul! (…) Ik ben Jezus. (…) Het is u hard de verzenen tegen de prikkels te slaan.

En hij, bevende en zeer verbaasd geworden zijnde, zei: Heere, wat wilt U dat ik doen zal? (

 

Plotseling en onverwacht verschijnt de Heere Jezus Christus in het leven van Saulus met het licht van Zijn ontdekking. Dat licht dat dwars door zijn buitenkant heen schijnt in het binnenste van zijn zondige hart. En dan gaat die trotse farizeeër zomaar op de grond. En het eerste wat dan gebeurt is dat zijn gebed verandert.

Bidt hij nog steeds: ‘Heere, ik dank U dat ik beter ben dan die… ik dank U dat ik, dat ik..’?

Nee, zijn bidden is totaal veranderd: Heere, wat wilt U dat ik doen zal?

 

Saulus doet zijn ogen open, maar ziet niets. Hij is blind geworden van dat oogverblindende licht in zijn ogen. Zijn reisgenoten nemen hem mee naar Damascus en brengen hem in het huis van een zekere Judas.

In een ander huis van de stad komt de Heere dan in een gezicht tot een zekere Ananias. Hij is ook een discipel, een volgeling van de Heere Jezus. En Hij zegt tegen Ananias: Sta op, en ga in de straat, genaamd de Rechte, en vraag in het huis van Judas naar een, met name Saulus, van Tarsen; want zie, hij bidt.

‘Ja, je hoort het goed, Ananias. Hij, Saulus van Tarsen, die kwam om mensen gevangen te nemen en misschien ook wel kwam om jou gevangen te nemen… hij bidt!’

Dat brengt ons bij de tweede vraag:

 

2. Wat wil het zeggen dat hij bidt?

 

Saulus van Tarsen bidt. Het wordt tegen Ananias gezegd als nieuws. We zouden zeggen: ‘Het moet in de krant! Het is nieuws: Saulus van Tarsen bidt!’

Hij, die talloze malen zijn handen naar de hemel geheven heeft om God te danken… hij bidt. Hij bidt voor het eerst zoals hij bidden moet.

 

Misschien zeg je, jongens en meisjes: ‘Maar wat is dan echt bidden? Wat is nu het verschil tussen dit bidden en dat danken van Saulus?’

Wat is bidden?

Dan moet je denken aan het gebed van Hanna, de moeder van de latere Samuël. Over haar bidden staat in de Bijbel: haar ziel – haar hart, haar binnenste – is bitter bedroefd. Ze is heel erg verdrietig. Ze huilt, ze snikt, maar ze blijft bidden.

Niemand hoort iets. Ze bidt eigenlijk zonder woorden. Ze bidt in haar hart. Haar lippen bewegen, maar haar bidden is een gebed met haar hart. Eli dacht dat ze dronken was, maar het was een echt bidden dat God verhoord heeft.

 

Vroeger was er een dominee die Samuël Rutherford heette. Hij heeft dit geschreven over bidden: ‘De woorden van ons gebed zijn het uiterlijk – de kleding of het omhulsel – maar zuchten is het hartenwerk. Een arme bedelaar krijgt aalmoezen – giften – aan de deur van Christus. Zelfs als hij geen tong heeft om te pleiten. Want – schrijft Rutherford – tranen hebben een tong. Tranen hebben een taal die de Vader kent. Baby’s kunnen ook niet vragen om de moederborst, maar zij huilen. En moeder leest in dat huilen hun honger.’

 

Saulus van Tarsen bidt...

Hij eet niet, hij drinkt niet. Drie dagen lang.

Hij bidt als een tollenaar, als een schuldenaar, als een rechteloze.

Hier gaat in vervulling wat Zacharia heeft geprofeteerd: Over het huis van David en over de inwoners van Jeruzalem, zal Ik uitstorten de Geest der genade en der gebeden; en zij zullen Mij – God – aanschouwen, Die zij doorstoken hebben, en zij zullen over Hem – over Christus – rouwklagen, als met de rouwklage over een enige zoon; en zij zullen over Hem bitterlijk kermen – heel hard huilen in hun hart – gelijk men bitterlijk kermt over een eerstgeborene (Zach.12:10).

Hier staat geen farizeeër meer, maar hier ligt een klagende tollenaar.

Jongens en meisjes, Saulus van Tarsen huilt in zijn hart, hij snikt, hij bidt: ‘Ik heb gezondigd. Wees mij, Heere, genadig!’

 

Gemeente, kent u daar iets van? Iets van dat bidden in uw eigen hart en leven? Bent u ooit als een rechteloze tollenaar op uw knieën terechtgekomen? ‘Wees mij zondaar genadig, Heere, want ik heb tegen U gezondigd!’

Nee, het gaat niet om de diepte van onze ellendekennis. Die moet zo diep zijn dat ze ons drijft – in de nood van ons leven, als een arme zondaar – tot Christus. Het gaat niet om het vloeien van zichtbare tranen. Het gaat al helemaal niet om de goedkeuring van mensen. Maar het gaat om het verdriet in het hart. De droefheid in het hart naar God. ‘Heere, ik ben U kwijt. Ik kan U niet missen. Ik heb gezondigd tegen U. Wees mij zondaar genadig!’

Jongens en meisjes, gaat je hart wel eens zo uit naar God? ‘Heere, ik kan niet zonder U leven. Ik ben zo door en door slecht in mijn hart. Geef me de Heere Jezus tot vergeving van al mijn zonden!’

Hoor je Saulus van Tarsen bidden? Jongens en meisjes, leg in gedachten eens je oor tegen de deur van de kamer waar hij zit. Hoor je hem bidden? ‘Heere, ik heb tegen U gezondigd. Ik heb niet geloofd dat U, Heere Jezus, de Messias was. Ik heb Uw kinderen vervolgd. Ik heb ze gedood. Ik heb in alles overtreden. Ik heb tegen al Uw geboden gezondigd. Ik dacht dat ik heel goed was, maar ik ben door en door slecht.’

 

Luister nog eens heel goed.

Zegt hij nu: ‘Kan ik het goedmaken, Heere?’ Nee, dat hoor je niet. Dat heb je fout verstaan. Want Saulus van Tarsen voelt het: ik ben door en door slecht in mijn bestaan, ik kan het nooit meer in eigen kracht goedmaken.

Zo’n klein kind dat heel ondeugend geweest is, kan nog de benen van papa of mama vastgrijpen en zeggen: ‘Papa, mama, vergeef me toch! Want… u houdt zoveel van mij.’

Maar hoe kan zo’n goddeloze Saulus God vastgrijpen? Hoe is dat mogelijk? Kan die man nog wel bidden? Mag hij nog wel bidden? Heeft hij nog wel recht? De Messias veracht en verloochend, christenen, kinderen van God vervolgd… Die man heeft toch alle rechten verspeeld?

Jazeker, allemaal! Hij heeft gezondigd tegen de wet. Gezondigd tegen het evangelie. De genade van Christus veracht en Zijn bloed vertreden. Die man heeft toch alle rechten verspeeld? Ja, allemaal! Hij kan niet zeggen: ‘Heere, vergeef me toch… want U houdt toch zoveel van mij?’

 

Gemeente, wat moet u doen? Wat moet jij doen, die in je hart voelt zo slecht te zijn en zegt: ‘Ik heb geen enkel recht voor God. Ik kan niet zeggen: Heere, vergeef mijn zonden omdat U zoveel van me houdt of omdat ik zo goed ben.’

Wat moet u doen, die geheel rechteloos bent?

U mag zeggen: ‘Doe het niet om mij, maar doe het om U, doe het om Uws Naams wil, doe het om Uw Woord!’

 

Dat Woord kende Saulus als geen ander. Hij was daarin immers onderwezen door Gamaliël, de Schriftgeleerde.

Ook u kent dat Woord, rechteloze zondaar, die zucht en bidt zonder woorden, die buigt onder de last van uw schuld. Ook jullie, jongens en meisjes, als je een snikkend hart hebt dat roept naar God, ook jullie kennen dat Woord.

Nee, ik zeg niet dat u kunt pleiten op eigen rechten. Maar u mag wel roepen!

Ook jullie, jongens en meisjes, mogen roepen. Met in de ene hand je oordeel, je zelfveroordeling. Maar met je vinger bij het Woord van God.

Als u zo God vastgrijpt in uw gebed, met in uw linkerhand uw zelfveroordeling en met uw rechtervinger bij het Woord van God, zult u niet beschaamd worden. God zal u horen.

 

Als uw linkervinger moet wijzen naar uw hart: ‘Mijn zonde, o God, is onnoemelijk groot’, dan mag u uw rechtervinger leggen bij het Woord van Psalm 25: Om Uws Naam wil – niet om mij – om Uws Naams wil, Heere, zo vergeef mijn ongerechtigheid, want die is groot (Ps.25:11).

Als uw linkervinger moet wijzen naar de onmacht, de onwil en de vijandschap van uw eigen hart, dan mag u uw rechterhand leggen bij het woord van Jesaja: Komt dan, en laat ons samen rechten, zegt de Heere; al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol (Jes.1:18).

Als u naar de hemel moet roepen: ‘O God, ik ben zo slecht. Wat ben ik toch een schuldige en een grote zondaar’, dan mag u de vinger biddend en smekend leggen bij het woord van de Spreukendichter, de opperste Wijsheid. Het is het woord van Christus, Zaligmaker van zondaren: Wie is slecht? Hij kere zich herwaarts (Spr.9:16) – en kome tot Mij!

 

Jongens en meisjes, als je hart huilt omdat je niet meer weet hoe je bidden moet, omdat je niet meer weet hoe je bekeerd moet worden, omdat je niet weet of God je wel hoort en of Hij je gebed wel wil verhoren, dan mag je je psalmboek opendoen en je vinger leggen bij het versje dat we samen hebben gezongen:

 

Opent uwen mond,

eist van Mij vrijmoedig

         (niet op jouw rechten, omdat jij goed bent, maar…)

Op Mijn trouwverbond;

Al wat je ontbreekt,

Schenk Ik, zo je ’t smeekt,

         (als je het vraagt met al je kracht)

Mild en overvloedig.

 

Zo greep de tollenaar ook God vast met in zijn linkerhand de erkenning: ‘Ik ben een zondaar’ en in zijn rechterhand de roep vanuit zijn beschaamde hart: ‘O God, wees mij zondaar genadig! Juist omdat ik zo slecht ben, grijp ik U vast. Om Uw Naams wil, Heere, zo vergeef mijn ongerechtigheid, want die is groot (Ps.25:11). Juist omdat die zo groot, zo onnoemelijk groot is, gaat mijn roep omhoog naar U.’

Als u zo God vastgrijpt met in uw ene hand uw zelfveroordeling en in uw andere hand het van God geschonken Woord, zult u niet beschaamd worden.

 

Jongelui, God wil niet dat je wanhopig bidt. God wijst zondaren de weg en Hij wijst hen op Zijn Woord. Dat geeft zondaren hoop en moed. Als we zien op de zonden in onze linkerhand, dan kan het zo donker, zo duister en zo onmogelijk zijn in ons leven. Maar als God Zelf Zijn licht laat vallen op het Woord, dan geeft dat moed en versterkt dat het verlangen van roepende zondaren. Als we voelen dat het niet meer kan, dat het nooit meer kan om ons, dan wijst God Zelf op het Woord, op Hem in het Woord, om Wie het wel kan: op de Heere Jezus Christus.

Dan stoppen we niet met roepen. Als God wijst op Hem om Wie het wel kan, gaan we nog veel harder roepen, veel harder dan dat we ooit geroepen hebben. 

Om Wie kan het, jongens en meisjes? Dat zeg je toch altijd aan het einde van je gebed? Dan zeg je toch: ‘Doe het, Heere, uit genade, om Jezus’ wil’?

 

Wil je met mij in gedachten nog luisteren naar het bidden van de Heere Jezus? Want Hij heeft ook gebeden: In zware strijd zijnde (in Gethsemané), bad Hij te ernstiger. En Zijn zweet werd gelijk grote druppels bloeds, die op de aarde afliepen (Luk.22:44).

Luister eens naar de inhoud van Zijn gebed: Vader, indien het mogelijk is, laat deze drinkbeker van Mij voorbijgaan! Doch niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt (Matth.26:39).

En Zijn discipelen, Zijn kinderen, baden die mee?

Nee! Die sliepen in de hof van Gethsemané. Ik heb, zegt de Heere Jezus, de pers alleen getreden (Jes.63:3). Deze Christus heeft Zijn leven afgelegd, voor wat voor mensen? Voor mensen die zichzelf iedere dag kunnen feliciteren? Nee. Voor de allerslechtsten, voor misdadigers. Voor moordenaars aan het kruis die moeten zeggen: Maar Deze heeft niets onbehoorlijks gedaan (Luk.23:41).

Hij is gekomen en heeft Zijn leven gegeven voor zondaren, voor vijanden, voor misdadigers, voor verbondsbrekers. Voor mensen die moeten zegen: O God, wees mij zondaar genadig (Luk.18:13).

 

Zitten er zulke mensen in de kerk, die roepen in hun hart: ‘O God, ik heb gezondigd, wees mij genadig’?

Zie hier, een Zaligmaker voor zulke zondaren!

Hij heeft nooit één enkele zonde gedaan. Hij riep ook naar de hemel, maar Hij kreeg geen antwoord. Hij riep het in bittere zielennood: Mij dorst (Joh.19:28). Maar het bleef stil.

Hij riep tot Zijn Vader: Mijn God, Mijn God, waarom hebt U Mij verlaten? (Matth.27:46).

Maar… het bleef doodstil.

Hij had recht om verhoord te worden, maar Hij heeft er vrijwillig afstand van gedaan.

Op Hem, op deze Christus, wijst het Woord. Door deze Christus kunnen mensen, zonder enig recht in zichzelf, bidden: ‘Doe het niet om mij, Heere, maar doe het om Jezus’ wil.’

 

Jongens en meisjes, ik vraag het nog een keer: snikt je hart? Nee, niet zichtbaar voor de mensen. Dat hoeft ook niet. Maar in je hart, omdat je God kwijt bent en niet weet hoe het verder moet? Je kunt God niet missen, maar je weet niet waar je Hem vinden moet?

Hier is de Weg! De enige Weg. De enige Naam die onder de hemel gegeven is waardoor je zalig kunt worden, waardoor je gered kunt worden.

Weet je niet hoe je bidden moet? Bid dan maar in het verborgene, in je kamer, op een stille plek in huis, of waar dan ook, en leg alles van je leven voor de Heere neer. Al je zonden, al je schuld. En zeg het maar heel eenvoudig – want zo moeten wij grote mensen ook bidden: ‘Heere, vergeef het toch om Jezus wil.’

God verhoort zo’n gebed van roepende en missende zondaren altijd. Want Jezus zegt van de tollenaar: Deze ging af gerechtvaardigd in zijn huis (Luk.18:14).

God verhoort een tollenaarsgebed altijd. Ik zeg het met eerbied: de Heere kan het niet aanhoren zonder het te verhoren. Weet u hoe dat komt? Omdat zo’n man, zo’n vrouw, zo’n jongen of meisje – hoe klein het ook is – zonder rechten, het niet kan nalaten om te bukken, te buigen en te roepen tot God. En tegelijkertijd niets anders kan doen dan God vast te grijpen en te zeggen: ‘Doe het, Heere, alstublieft, om Jezus’ wil.’

 

De offeranden voor God zijn een gebroken geest. Een gebroken geest en een verslagen hart zal God nooit verachten. Hij ziet, Hij hoort en verhoort een tollenaarsgebed. Zo ook in het leven van Saulus. Want zie, hij bidt.

 

Wij gaan samen eerst zingen uit Psalm 51 vers 9:

 

Gods offers zijn een gans verbroken geest,

Door schuldbesef getroffen en verslagen.

Dit offer kan Uw heilig oog behagen,

‘t Is nooit, o God, van U veracht geweest.

Doe Sion wel, laat om mijn zware val
Uw goedheid niet van zijne burg’ren wijken;
Bouw Salem op, laat nooit zijn muur en wal,
Door Uwe straf, voor ‘s vijands macht bezwijken.

 

Drie vragen stelden we aan een tekst van vier woorden.

De eerste vraag was: wie is het die bidt?

Saulus, die een farizeeër was.

In de tweede plaats: wat houdt het bidden in?

Roepen als een rechteloze tot God en zeggen: ‘Doe het, Heere, om Jezus’ wil.’

De derde vraag is nu:

 

3. Wie merken het op dat hij bidt?

 

Jongens en meisjes, God zegt tegen Ananias in dat gezicht: Want zie, hij bidt.

Stel je eens voor dat je voor het eerst in deze kerk zou komen en ik zou tegen je zeggen: ‘Kijk eens, wat een mooie ramen.’

Als je hier nooit was geweest en ik zou je daar op wijzen, betekent dat: ik heb ze eerst gezien, ik wijs ernaar, dan zie jij ze ook.

 

Nu zegt God tegen Ananias: ‘Zie, Saulus van Tarsen bidt.’ Dat wil dus zeggen: God heeft het eerst gezien en straks ziet Ananias het ook.

God heeft het eerst gezien. Want hij ziet Saulus van Tarsen. Hij weet trouwens alles van Saulus. Dat staat in vers 11. En de Heere zeide tot hem: Sta op, en ga in de straat, genaamd de Rechte – zijn adres dus – en vraag in het huis van Judas naar een, met name Saulus, van Tarsen; want zie, hij bidt.

God heeft Saulus door de knieën laten gaan en het is in de hemel opgemerkt.

Als u met uw hart vol zonden en schuld bukt voor de Heere, dan is dat niet uw werk. Dan is dat ten diepste Gods werk.

 

Als je bidt, jongens en meisjes, in je kamer, je slaapkamer – het maakt niet uit waar – je knieën buigt, en roept: ‘Heere, wees mij zondaar genadig!’, misschien ben je dan wel eens verdrietig in je hart en denk je: Zou de Heere me wel zien? Er zijn zoveel mensen op deze wereld. Zou Hij wel weten waar ik woon? Zou Hij mijn gebed wel horen? Zou Hij me wel willen verhoren?

Ja! God ziet je.

 

God ziet Saulus van Tarsen en stoot als het ware Ananias aan en zegt: Zie, hij bidt.

En als jij bidt, met een roepend hart, vol zonden voor God, dan stoot God als het ware de engelen in de hemel aan en zegt Hij: ‘Kijk, hij of zij bidt. Dat is Mijn werk.’

Daarom moet je nooit ophouden met bidden. Daarom moet je altijd doorgaan met bidden. Want God ziet het, God hoort het en God zal je verhoren als je zo bidt, op Zijn tijd. Sterker nog: God ziet het niet alleen, de Heere Jezus heeft het Zelf gezegd dat de engelen dan verheugd zullen zijn. Met andere woorden: er is blijdschap bij God over één zondaar die zich bekeert, die bidden gaat zoals hij bidden moet.

Er zijn onzichtbare glimlachen in de hemel en de engelen verdubbelen hun gezang, als een zondaar bidt en buigt voor God. Er is blijdschap in de hemel bij God en de engelen over één zondaar die zich bekeert. En zonder enige twijfel: de gezaligden verdubbelen hun gezang als ze horen dat een zondaar voor het eerst bidt.

 

Jongelui, als je opa of oma in de hemel is – hij of zij is gestorven en het leven van je opa of oma gaf getuigenis van het dienen van God – dan juichen zij voor de troon wanneer je voor het eerst zou bidden. Hun hart snikt niet van droefheid als jij doorgaat op het pad van de zonde. Maar als je voor het eerst in je leven bidt zoals je bidden moet, en je opa of oma hoort in de hemel: ‘Kijk, hij of zij bidt’, ik weet het zeker: hun hart zal overstromen van hemelse blijdschap.

 

God zegt het tegen Ananias: Want zie, hij bidt. Het klinkt ook als een geruststelling: ‘Wees maar gerust, Ananias, wees maar niet bang. Dit is een teken van echte bekering, dit is een teken van een dood hart dat levend geworden is. Hij bidt. Nee, Ananias, Ik zeg niet dat Saulus van Tarsen over Jezus praat, want dat kan een hypocriet ook. Ik zeg niet dat hij over Jezus spreekt, want de dominee op de preekstoel kan een huichelaar zijn. Ik zeg niet dat hij voor Jezus heeft gekozen, want dat kan een list zijn om je te vangen. Ik zeg niet dat hij God dankt, want dat is geen nieuws, dat deed hij zijn hele leven al. Nee, Ananias, zie, hij bidt. Ananias, dit is een zeker teken van levendmaking, van wedergeboorte, van een nieuw hart. Deze Saulus bidt voor het eerst zoals hij bidden moet. Als een arme zondaar bidt hij het tollenaarsgebed: O God, wees mij zondaar genadig.’

Want zie, hij bidt. Dat klinkt niet alleen als een geruststelling maar ook als een aansporing. ‘Ananias, nu moet je niet zo treuzelen en aarzelen, nu moet je gaan, want hij bidt.’

 

Jongens en meisjes, je moet in dit verband denken aan een klein baby’tje. Misschien bij jullie thuis, of bij een oom of tante of een vriend of vriendinnetje. Zo’n baby’tje kan hartstochtelijk huilen. Soms van buikpijn, soms van honger, soms van dorst.

Maar een moeder zal zo’n baby’tje niet uren laten krijsen. Soms is het even nodig om in een goed ritme te komen van slapen en wakker zijn, maar een moeder zal haar baby nooit eindeloos laten roepen en huilen.

De Heere Jezus heeft dit gezegd: Indien dan u – mensen – die boos zijt, weet uw kinderen – uw baby’s – goede gaven te geven, hoeveel te meer zal uw Vader, Die in de hemelen is, goede gaven geven degenen die ze van Hem bidden (Matth.7:11).

 

Als u roept naar de hemel en God antwoordt niet, wanhoop dan niet. Van de Kananese vrouw staat geschreven: Hij – Jezus – antwoordde haar niet een woord (Matth.15:23). Er staat niet: ‘Hij hóórde niet een woord.’ Nee, Hij hoorde ieder woord, maar Hij ántwoordde met geen woord.

Jongens en meisjes, als je bidt… God ziet je, God hoort je en Hij zal je – als je blijft bidden – op Zijn tijd verhoren.

 

Als u roept en wachten moet, wees er dan wel van verzekerd dat u aan de goede deur staat. Dat u klopt op de goede deur. Maar weet het zeker: uw roep wordt gehoord. Eigenlijk is het niet-antwoorden van de Heere, de tijd dat u wachten moet, ook een antwoord. Het wil eigenlijk zeggen: ‘Roep nu te meer: Gij Zone Davids, ontferm U over mij!’

Maar Hij zál antwoorden.

Op Zijn tijd.

God heeft het Zelf gezegd en Habakuk heeft het opgeschreven: Zo Hij vertoeft – als u wachten moet – verbeid Hem – verwacht Hem – want Hij zal gewis, zeker komen en niet achterblijven.

Godvruchte schaar, houd moed!

 

Kinderen van God, als u niet weet hoe u bidden moet vanwege uw – opnieuw – verzondigde leven, als u niet meer weet hoe u bidden moet, als u geen woorden meer kunt vinden om te bidden, als u niet meer weet hoe u zuchten moet, dan mag dit uw troost zijn dat er Eén is in de hemel Die bidt voor de Zijnen met onuitsprekelijke zuchtingen bij de Vader. En Zijn gebed wordt altijd gehoord.

 

Maar, gemeente, er zijn ook gebeden waarvan ik nergens in de Bijbel lees dat God ze hoort. Ja, Hij hóórt ze wel, maar vérhoort ze niet. Hij ziet ze wel, maar Hij ziet ze niet aan.

Ik denk aan mijn en uw sleurgebeden die we zomaar afraffelen, en aan het eind ervan zeggen we: ‘Om Jezus’ wil. Amen’. Na afloop weten we soms niet eens meer wat we gebeden hebben.

Ik denk aan mijn en uw gebeden die zo gericht zijn op onszelf, die zelffelicitaties: ‘Gefeliciteerd dat je zo goed bent in vergelijking met anderen.’ God hoort dergelijke gebeden wel, maar Hij antwoordt er niet op.

 

Ten slotte is er nog dat late, te late gebed, van onbekeerden die hier nooit hebben geroepen als een tollenaar. Die in de dag van het gericht de euvele moed niet zullen hebben om te roepen tot de Christus, Die verschijnen zal op de wolken des hemels, maar die roepen zullen tot de bergen en de heuvelen: ‘Valt op ons!’

Een laatste gebed. Veel te laat.

Voor eeuwig te laat.

Het zal nooit verhoord worden.

 

Waarom roept u nu niet tot de levende God?

 

Jongens en meisjes, als je je knieën buigt en als een tollenaar bidt… God ziet je, God hoort je, God zal je verhoren op Zijn tijd. Want het komt uit de mond van de Heere Jezus Christus Zelf: Een iegelijk die bidt, die ontvangt; en die zoekt, die vindt; en die klopt, die zal opengedaan worden (Matth.7:8). En Hij heeft ook gezegd: Die Mij vroeg zoeken, zullen Mij – zeker – vinden (Spr.8:17).

 

En dat is en blijft alleen om Jezus’ wil.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 3: 2

 

Maar, trouwe God, Gij zijt

Het schild dat mij bevrijdt,

Mijn eer, mijn vast betrouwen;

Op U vest ik het oog;

Gij heft mijn hoofd omhoog,

En doet m’ Uw gunst aanschouwen.

‘k Riep God niet vrucht’loos aan;

Hij wil mij niet versmaân

In al mijn tegenheden;

Hij zag van Sion neer,

De woonplaats van Zijn eer,

En hoorde mijn gebeden.