Ds. A.A. Brugge - 2 Kronieken 34 : 1 - 7

Genade in het leven van Josía verheerlijkt

Ondanks de mens
Om Jezus' wil
Tot Gods eer

2 Kronieken 34 : 1 - 7

2 Kronieken 34
1
Josia was acht jaren oud, toen hij koning werd, en regeerde een en dertig jaren te Jeruzalem.
2
En hij deed dat recht was in de ogen des HEEREN, en wandelde in de wegen van zijn vader David, en week niet af ter rechter hand, noch ter linkerhand.
3
Want in het achtste jaar zijner regering, toen hij nog een jongeling was, begon hij den God zijns vaders Davids te zoeken; en in het twaalfde jaar begon hij Juda en Jeruzalem van de hoogten en de bossen, en de gesneden en de gegoten beelden te reinigen.
4
En men brak voor zijn aangezicht af de altaren der Baals; en de zonnebeelden, die omhoog boven dezelve waren, hieuw hij af; de bossen ook, en de gesneden en gegoten beelden verbrak, en vergruisde, en strooide hij op de graven dergenen, die hun geofferd hadden.
5
En de beenderen der priesteren verbrandde hij op hun altaren; en hij reinigde Juda en Jeruzalem.
6
Daartoe in de steden van Manasse, en Efraim, en Simeon, ja, tot Nafthali toe, in haar woeste plaatsen rondom,
7
Brak hij ook de altaren af en de bossen, en de gesneden beelden stampte hij, die vergruizende, en al de zonnebeelden hieuw hij af in het ganse land van Israel; daarna keerde hij weder naar Jeruzalem.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 24: 2, 3
Lezen : 2 Kronieken 34: 1-13
Zingen : Psalm 25: 2, 3, 6
Zingen : Psalm 105: 5
Zingen : Psalm 146: 3

De tekst voor de preek is 2 Kronieken 34 vers 1 tot en met 7:

 

1 Josía was acht jaren oud, toen hij koning werd, en regeerde een en dertig jaren te Jeruzalem.

2 En hij deed dat recht was in de ogen des Heeren, en wandelde in de wegen van zijn vader David, en week niet af ter rechter-, noch ter linkerhand.

3 Want in het achtste jaar zijner regering, toen hij nog een jongeling was, begon hij de God zijns vaders Davids te zoeken; en in het twaalfde jaar begon hij Juda en Jeruzalem van de hoogten en de bossen, en de gesneden en de gegoten beelden te reinigen.

4 En men brak voor zijn aangezicht af de altaren der Baäls; en de zonnebeelden, die omhoog boven dezelve waren, hieuw hij af; de bossen ook, en de gesneden en gegoten beelden verbrak, en vergruisde, en strooide hij op de graven dergenen die hun geofferd hadden.

5 En de beenderen der priesteren verbrandde hij op hun altaren; en hij reinigde Juda en Jeruzalem.

6 Daartoe in de steden van Manasse, en Efraïm, en Simeon, ja, tot Nafthali toe, in haar woeste plaatsen rondom,

7 Brak hij ook de altaren af en de bossen, en de gesneden beelden stampte hij, die vergruizende, en al de zonnebeelden hieuw hij af in het ganse land van Israël; daarna keerde hij weder naar Jeruzalem.

 

Het thema van de preek is: Genade in het leven van Josía verheerlijkt.

 

1. Ondanks de mens

2. Om Jezus’ wil

3. Tot Gods eer

 

1. Ondanks de mens

 

Zevenenvijftig jaar lang was het duister in Israël. Of moet ik zeggen: men vergaapte zich aan het kunstlicht? Vijfenvijftig jaar heeft koning  Manasse geregeerd. Manasse had een godvrezende vader, Hizkia. Maar genade is geen erfgoed. Een godsdienstige opvoeding, ouders, is geen garantie dat uw kinderen in uw voetstappen doorgaan! Bij Manasse was dat in ieder geval niet het geval. Hij ging niet verder in het voetspoor van zijn vader Hizkia. Manasse had wél oog voor het mooie in de wereld. Hij had wél oor voor de vruchtbaarheidscultus van Baäl en Astarte en de cultuur van het heidendom. Het geweten van Manasse is gevormd door zijn godvrezende vader Hizkia. Zou zijn geweten nooit geknaagd hebben, vraag je je misschien af. Manasse verdrong de enig ware levende God en verving die dienst door werelddienst. Doet u dat misschien ook? Verdringen en vervangen? Weet u wat het gevolg is?

 

In de eerste jaren van zijn regering bracht Manasse misschien nog wel eens een bezoek aan de kerk. Toentertijd de tempel, dat begrijpt u. Dat was hij gewend. Misschien heeft hij ook nog wel eens het Woord gehoord. Misschien heeft hij nog wel eens in de Bijbel gelezen.

Het blijkt dat in onze gezindte maar liefst de helft van de kerkmensen niet meer voor zichzelf in de Bijbel leest. Zijn er hier, in onze tijd en cultuur, meer van die beginnende Manasses? Jongens, meisjes? Drukte, teleurstelling, het voortgejaagd worden… ‘Hier en nu’ weegt zwaarder vandaag de dag. ‘Pluk de dag’ is het devies, in plaats van ‘Gedenk de dag’. 

Op den duur heeft Manasse geen kerk meer van binnen gezien. Manasse, denk je dan nooit dat je moet sterven, man?

Maar ook vandaag gaat de mens op in het hier en nu. Dat geldt buiten de muren van dit kerkgebouw, maar het zou ook wel eens zo kunnen zijn binnen de muren van dit kerkgebouw.

 

Er groeide een kind op. Amon, de zoon van Manasse. U weet, op het laatst van zijn leven, in de gevangenis in Babel, is Manasse tot inkeer gebracht. Een wonder! Dat is nu goddelijk welbehagen! Hij zal verdriet gehad hebben om de zonden die hij gedaan heeft. Wat zullen dat bittere tranen zijn geweest, die Manasse heeft geschreid. Geloof dat maar.

En dan Amon, zijn opvolger. Hij heeft slechts twee jaar geregeerd en is maar kort koning geweest.

Maar ja, gemeente, u weet waarschijnlijk wel: een halve christen brengt kinderen op die ‘kwart-christen’ zijn en een ‘kwart-christen’ brengt kinderen op voor de wereld. Het gaat alleen maar bergafwaarts.

Zo ging het ook met Amon. Hij ging gewoon in het voetspoor van zijn vader Manasse. We lezen in de parallelle geschiedenis in 2 Koningen 23 vers 5 dat hij offerde, naar Assyrisch voorbeeld, aan de sterren. Nog sterker, de tempel van de God van David staat in de tijd van Amon vol met afgodsbeelden. Afgodsbeelden? Zo weinig beslag? Amon lijkt hier bewust te breken met de dienst van de Heere. Maar Amon, weet je dan niet dat wie God verlaten heeft, smart op smart te vrezen heeft? Wat er blijft er over?

Zouden er nog zevenduizend zijn, zoals in de tijd van Elia, die hun knie voor de Baäl niet hebben gebogen? Zijn zulke mensen er ook vandaag nog? Die de knie voor Baäl niet buigen? Die niet buigen voor geld en goed, de grootheid des levens, begeerlijkheid der ogen? Zijn ze er, ook hier?

Ook vandaag is het een bange tijd. Of hobbelt u zomaar mee, om dat zo eens uit te drukken? U gaat de kerk uit, u gaat de kerk in, u heeft uw taak, u heeft uw vermaak. Even dit en even dat… Maar na dit ’even’ komt de eeuwigheid. Is uw ziel daarop voorbereid? We leven in een bange tijd. U zegt: ‘Nou, het is ook een tijd van uitdaging.’ Vergeet niet: secularisatie is nooit toe te juichen, want het maakt de structuren los.    

Heeft u ooit wel eens een kind van God ontmoet en horen spreken over genadeleven? In het voorgeslacht misschien nog wel. Maar hoe zit dat vandaag? De Heere werkt nog hoor! Maar als er geen voorbeelden meer zijn, dan week je ook vanzelf los. Zo gaat het toch? Het is daarom heel belangrijk dat kinderen van God met anderen spreken!

 

Dan wordt Amon vermoord. Er breekt een nog bangere tijd aan in Israël! Er komt een kind op de troon. Josía, een kind van nog maar acht jaar oud. Misschien ben jij ook acht jaar. Acht jaar, dan ben je nog klein! Dan denk je na over speelgoed en over wat er in de klas is gezegd. Dan speel je met vriendjes, dan maak je afspraakjes voor woensdagmiddag. Zo’n klein kind wordt koning over Israël! Iedereen begrijpt wel dat dat kind het niet voor het zeggen heeft. Hoe zou nu een jongetje van acht, van wie de vader is vermoord, wijze beslissingen kunnen nemen? Dat kind heeft raadgevers, die het voor het zeggen hebben. Wie zijn die raadgevers? Wie zijn regent? Wie gaan nu het land besturen? Dat zijn wel belangrijke vragen!

Waren er nog godvrezende mensen in die dagen? Die zevenduizend! Ze zijn er geweest. Hilkia, de godvrezende priester. Safan, de schrijver. En er zijn nog meer mensen te noemen bij wie godsvreze blijkt.

Een kind van acht jaar oud, waar maakt hij zich druk om? Verlanglijstjes van speelgoed. Nou, dit kind hoeft maar te knippen met z’n vingers en hij krijgt het! Dat lijkt je wel wat zeker? Als ik maar wat meer speelgoed zou hebben, dan zou ik wel gelukkig zijn. Denk je? Ouders, zou u gelukkig zijn met meer inkomsten? Vergeet het niet: je moet het allemaal een keertje teruggeven en achterlaten. Het is allemaal zo leeg.

 

En zie, Josía… Hij is ook een mens. Hij is niet opgegroeid in een godvrezend gezin. Hij had geen voorbeeld. Een kindergebedje, zoals ‘Ik ga slapen, ik ben moe’ heeft hij niet geleerd. Familieleden staan om hem heen. Hij is op jonge leeftijd zijn vader kwijtgeraakt. Dat is ook een verdriet! Wat moet er van hem terechtkomen? Hij heeft zo weinig meegekregen. Manasse, Amon, Josía…

 

Voorouders, grootouders, ouders, hoe leven jullie? Wat krijgt uw kind mee? Praten we nog wel over de dienst van de Heere? Nee, dat moet je niet pas gaan doen als je de Heere vreest. Van satan mag je altijd je mond houden. Spreek toch goed over de dienst van God. Als je het zelf mist is dat des te meer een reden om je knieën te buigen en Hem erom te vragen.

 

Maar nu het wonder! God blijft God. Hij weet dat een mens altijd mens blijft, tenzij er een wonder gebeurt! ‘Gij hebt Uw knecht een heldere lampe toegericht.’ Het Woord van God blijft vast en onverbroken. David was er verbroken onder. Bathseba, een volkstelling, ja, een groot zondaar… Wat is mijn huis, dat Gij mij tot hiertoe gebracht hebt? (1 Kron.17:16) ‘Er zal altijd iemand zitten op uw troon!’ Ja, het koningshuis van David bestaat nog. Maar de genade van het koningshuis is weg.

Josía is acht jaar, wordt koning en verdwijnt naar de achtergrond. De regenten in Israël nemen voor hem waar. Maar wat gebeurt daar op de slaapkamer van het paleis? Daar ligt een jongen. Hij heet Josía. In een kamer in het paleis in Jeruzalem. Hij ligt op zijn knieën en hij bidt.

Leeft u dat als vader en moeder ook uw kinderen voor? Biddende ouders… wat maakt dat een indruk! Als je voelt: het is geen buitenkant, maar dat menen ze.

Heel lang geleden waren er twee jongens van twaalf of dertien jaar oud. Ze hadden kattenkwaad uitgehaald en hadden een portie straf verdiend. Ze kwamen thuis en stilletjes slopen ze naar binnen, in de hoop dat niemand hen zou opmerken. Maar wat schetst hun verbazing: papa en mama waren er niet. Althans, dat leek zo. Papa en mama lagen beiden boven op hun slaapkamer geknield om te bidden voor die twee kinderen. Doet u dat ook? ‘Heere, werk nog naar het vrije van Uw welbehagen!’ 

Wij als ouders zeggen wel eens: ‘Eerst zien, dan geloven. Als de Heere wil werken, dan doet Hij dat wanneer Hij het wil. Moet ik het dan zoeken?’ Ik zou het wel denken, ja. Je kunt beter dicht in Zijn paden en wegen blijven dan er ver bij vandaan te blijven. Dat doet u nu omdat Hij God is.

 

Hier schittert een parel. Niet Josía hoor! Niet het volk van alle tijden en alle plaatsen. Ze zijn de voorwerpen. Maar weet u wat hier schittert? Mijn raad zal bestaan en Ik zal al Mijn welbehagen doen (Jes.46:10). Hij hééft ze. Hij is ze een eeuwigheid voor geweest en Hij gaat daarmee door.

 

Ouders onder ons, u heeft kinderen gekregen. Ik hoop ook voor anderen hier dat uw kinderwens vervuld zal worden.  Als u nu vijf kinderen zou hebben en u zou weten dat er hoop is voor één van uw kinderen, zou u er dan tevreden mee zijn, met één kind dat bekeerd wordt? Zou u uw vier andere kinderen er voor over hebben om onbekeerd te sterven? Nee toch? U verlangt er naar dat er hoop is voor alle vijf uw kinderen.

Maar waarom leven we dan zo slordig, alsof we ons geen zorgen maken over de zaligheid van onze kinderen? Weet u hoe het komt dat we zo slordig leven? We zien pas onze kinderen in hun ziel en in hun bestaan voor God wanneer we onszelf hebben leren kennen. Pas dan zullen we recht spreken over Wie Hij is en over het genadewerk dat Hij wil verheerlijken door alle tijden heen. Gemeente, daarom is er hoop!

 

Soms maakt de Heere een nieuw begin in een geslacht waar geen gekende van de Heere is geweest. Soms slaat de Heere een geslacht of twee over: Hizkia en nu Josía. En daartussen, als je zoiets als Manasse of Amon er tussen hebt – heb je jezelf ervoor over? Zul je de Heere zoeken, het allerhoogst en eeuwig goed. Het is geen vrome buitenkant, het is geen namaak! Maar de Heere zoeken is een kwestie van liefde. Liefde trekt.

Mag ik u eens vragen, gemeente: waar gaat uw liefde naar toe? Trekt je liefde je naar boven of hier naar beneden? Ik zal het nog duidelijker maken: als je verkering hebt of als je getrouwd of verloofd ben, zou je het dan erg vinden als je je vriendin of je vrouw een jaar of zes niet zou zien? Als je haar een paar maanden niet zou spreken? Als je taal noch teken hoort van je geliefde? Dat zou heel merkwaardig zijn. Liefde zoekt gemeenschap! Al weet ik niet hoe, ik verlang naar gemeenschap, praten, spreken met God. Al ben ik Hem kwijt.

En dan lezen we in onze tekst: Want in het achtste jaar zijner regering, toen hij nog een jongeling was, begon hij de God zijns vaders Davids te zoeken. Hij was toen dus zestien jaar oud.

Is er hier misschien een jongen of een meisje van zestien jaar oud, dat de Heere begint te zoeken? Weet u wat jongens en meiden van zestien dikwijls zeggen? ‘Waarom moet ik het precies zo doen zoals mijn ouders? Waarom zijn die kledingregels? Waarom dit en waarom dat?’ Maar hier niet! Josía begon de Heere te zoeken. Niet alleen met zijn verstand, hoewel het verstand niet uitgeschakeld wordt. Niet omdat hij daar een prettig gevoel bij kreeg. Want het gaat niet om de mens Josía, maar om de God van zijn vader David. Het ging niet om hem elf, maar om de God van zijn voorgeslacht. Het gaat niet om de tíjd van het voorgeslacht. Wat zou u er aan hebben als u vijftig jaar eerder had geleefd? Het ging niet om het zoeken van zichzelf, maar om de God van zijn vader.

 

Josía begint de Heere te zoeken. Hoe komt Josía daaraan? Dat is om Jezus’ wil. Dat is de vrucht van het werk van Gods Zoon. We komen nu bij de tweede gedachte:

 

2. Om Jezus’ wil

 

Wie heeft lust de Heere te vrezen? ‘David’, zegt u. Dat bekende tweede vers van Psalm 25. Weet je wie lust had de Heere te vrezen? Ik neig iedere morgen het oor, gelijk diegenen die geleerd wordt. Hij had lust, opdat er lust zou komen in lusteloze mensen. Opdat er lust zou zijn, in mensen die van nature lui en indrukloos zijn. Een vraag: bent u dat nog, lui en indrukloos? Dan heb ik nog een woord ook!

De Heere maakt Zelf een nieuw begin, zoals hier bij Josía. U bent geen Josía, we leven immers vele eeuwen later in een heel andere tijd. Maar dat doet er niet toe. Want die God van David is gisteren en heden Dezelfde, tot in eeuwigheid Dezelfde. Zul je Hem zoeken?

 

De Heere werd gezocht in die kamer door een jongen. Maar wat zeggen andere mensen vaak? ‘Doe niet zo vroom!’ Dat zeggen we toch? ‘Dat is zo’n fijne…’ Zelfs op reformatorische scholen kun je dit horen. ‘Doe toch niet zo moeilijk, doe toch mee!’ Wat je klasgenoten en je vrienden zeggen is op die leeftijd haast nog belangrijker dan wat er in de kerk gezegd wordt.

Maar Josía had zeker een sterk karakter, een sterke persoonlijkheid? Nee, Gods genade is zo sterk dat Josía niet meer afhankelijk wil zijn van wat mensen van hem zeggen. Niet wat z’n omgeving van hem vindt, maar wat God van hem vindt, is het allerbelangrijkste in zijn leven! En Josía weet: God zit op de bodem van zijn ziel.

Maar al zoekt Josía de Heere, daarmee is hij nog geen bezitter. Josía zoekt de Heere, omdat hij Hem kwijt is! Wie gaat er nu een sleutel van de voordeur zoeken, als die sleutel in zijn tas zit of in zijn zak zit? Nee, je zoekt een sleutel alleen maar wanneer je hem kwijt bent. Daarom begint ook Josía te zoeken. Hij was de Heere kwijt.

‘Josía, je bent nog jong! Ga toch eerst eens lekker genieten. Waarom zou je niet eerst van de wereld proeven? Genieten, ontdekken, meegaan, proeven, smaken! Waarom zou je? Het is zo beklemmend, zo somber makend…’

Nee, gemeente, het zoeken van de Heere is niet sombermakend! Want in de dienst van de Heere ligt een vreugde, meer dan anderen smaken in een tijd van overvloed. Is het uw leven om bij koren en most wellustig te leven, in overvloed verblijd? Er is méér blijdschap in het zoeken van die God.

 

Josía is een eerlijk mens. Zonden zijn zaken waar eerlijke mensen last van hebben, omdat ze eerlijk gemaakt zijn. Josía’s, zijn ze hier ook, eerlijke mensen die last hebben van hun zonden? Wat zou ik het je hartelijk gunnen.

Een oude moeder, die al op haar elfde was bekeerd, zei eens: ‘Middelijkerwijs heeft de Heere me voor veel zonden bewaard.’ En dat is waar! Wat zou ik je het graag gunnen, jongens en meisjes. Maar ook als je nu zeventig bent, en je bent nog koud en onbekeerd, wat zou ik het je gunnen!

‘Dominee, zou God ook in mijn leven een begin kunnen maken?’, vragen mensen mij wel eens. Dat de Heere het kan, is wel zeker. Maar zou de Heere het ook willen? Er was eens een jongeman die ernstig ziek werd. Hij zei: ‘Ik heb de Heere vijfentwintig jaar laten roepen. En nu het nood is, kom ik erachter dat de Heere niets aan mij verplicht is.’

 

Josía zocht de God van zijn vader David. Waar doe je dat? Doe je dat op een plaats waar je met een gedoopt voorhoofd niet hoort, denk je? Nee toch zeker! Waar zoek je de Heere? In de binnenkamer! Ben je dan de hele dag met vrome dingen bezig? Nee hoor, de Heere maakt geen onnatuurlijke mensen. Maar ze hebben wel ernst. Ze hebben wel een droefheid naar God, die een onberouwelijke bekering werkt tot zaligheid.

U denkt misschien bij u zelf: alleen maar zoeken, dat is ook een saai werk. Wat ligt er nu voor moois in zoeken? En toch, ik hoop dat er in deze dienst ook zijn die dat weten. In dat beginnende leven wisten we niks, kind van God. Nu weet ik het zo goed, maar toen wist ik niks. Er was wel eens een bemoediging in de kerkdienst. Maar daar was ik de bekeerde man niet mee, nee. Er was wel een bemoediging, er was licht. Het was net als zo’n jonge vogel, net uit het ei gekropen met een opengesperde bek: hongerig en dorstig.

 

Josía zocht de God van zijn vader David. Hij zocht de God van zijn voorgeslacht. ‘Waar mag de genade des ouden tijds wezen, ja dezelve?’, zegt Datheen.

Josía zocht. U ook? U zegt: ‘Hoe lang moet ik zoeken? Een maand, een jaar, twee jaar?’ Dat zal voor de één anders zijn dan voor de ander. Maar ik wil er een ander soort antwoord op geven. Je zult je kind ook leren bidden om een nieuw hart. Toen je een kind was, deed je dat zelf ook, denk ik. Als je volwassen geworden bent, vraag je misschien niet meer om een nieuw hart. Dan zeggen we: ‘Mag ik U leren kennen, dienen en vrezen?’ Wedergeboorte en bekering. Maar het zou kunnen zijn dat je er wel tevreden mee bent dat je dat bidt en dat je het nog steeds bidt.

Maar er is een volk op aarde bij wie het niet om het bidden te doen is, maar om het antwoord op het gebed. Want er is nood. ‘Dat U de hemel scheurt en dat U nederkomt! Ik zoek. Ik moet U missen en ik kan U niet missen.’ Weet u waarom? Hij is de God tegen Wie ik gezondigd hebt. ‘O God, mag ik Hem leren kennen, Die de Weg is? Mag ik Hem leren kennen, bevindelijk, bij geesteslicht. Hem, Die de woorden heeft van het eeuwige leven. Mag ik Uw stem leren kennen, Heere?’

Heel veel jongeren en ouderen lopen met twee belangrijke vragen rond. De eerste is: hoe weet ik nu zeker dat God in mijn leven is begonnen? En de tweede: hoe weet ik nu dat de Heere tot mij gesproken heeft?

Weet u wanneer je dat weet? Als de Heere daar krachtig met Zijn lieve Geest in meekomt. Daar hoef ik het stempel niet op te zetten. Daar heeft u niks aan. Daar wordt u alleen maar hoogmoedig van. Maar als de Heere het doet, leidt het tot diepe verwondering en het houdt u in diepe aanbidding. Maar het voldoet nooit kloppend aan mijn logica.

 

Josía zocht. Hoe lang? Zou hij altijd evenveel lust hebben gehad? Weer zo’n belangrijke vraag. Er zijn van die periodes met verslappingen. Dan zakt het geloofsleven wat in. Dan voel je: mijn hart is nog altijd ik-gericht. Zelfs in je zoeken kun je nooit wat worden. Maar de Heere, Hij heeft de woorden des eeuwigen levens. Mag ik die Gezant, waarvan Job spreekt, één uit duizend, mag ik Zijn stem horen? Dan weet ik dat ik me niet vergis, want bedrieglijk is mijn hart. Mag ik Zijn stem vernemen?

 

Josía zocht de God van zijn vader David. Dat zoeken, gemeente, is een blijvend gebeuren. Weet U wanneer ze de Heere hebben gevonden? Als de Heere neerkomt met Woord en Geest. Als Hij een blijk geeft van Zijn lieve gunst met Zijn Geest. Maar weet u wanneer ze de Heere volledig zullen omhelzen? Wanneer ze verlost zijn van hun boze ik. Een toevluchtnemend geloof blijft er altijd aan deze zijde van het graf over, in een zoeken en in een begeren.

Een geoefende ouderling zei eens tegen me: ‘Het gaat er nog niet eens om dat je weet hoe de Heere je bekeringsweg heeft willen leiden, maar het gaat erom: kun je vandáág zonder God leven?’ Die vraag beschaamt! ‘Heere, mag ik weer U zoeken?’ Dan hoef ik nooit mijn eigen rijkdom op peil te houden. Wat zou daar veel van uitgaan! Dan is een boek niet snel te moeilijk om te lezen. Dan is een dagboek lezen niet gauw teveel gevraagd. Maar het is Gods dierbaar Woord, waardoor Hij wil spreken!

 

Josía maakt die keuze om Jezus’ wil. Het is niet omdat Josía zelf die keuze maakte. De Heere wil gevonden worden door mensen die Hem niet gezocht hebben. Maar hij zocht wel!

 

Nog één ding wil ik er van zeggen, heel teer. U zegt: ‘Dominee, ik hoor mezelf soms bidden. Ik bid om verlost te worden van een boezemzonde. Ik sta van mijn knieën op en als eerste denk ik aan die boezemzonde. Zou de Heere zo’n gebed nog horen, denkt u?’ Als de Heere het geroep van jonge raven hoort – een onrein beest – zou Hij dan ook het geroep van die onreine harten niet horen? Het is Hem lief en dierbaar, want Hij ziet in dat zoeken, in dat roepen, in dat begeren uit liefde, Zijn eigen werk. Wie Hem zoekt, die zal Hem vinden. Ondanks wie wij zijn, ouders. Het gaat er om dat we Hem in waarheid zoeken. Het is Zijn eigen werk, dat Hij volvoert in Zijn eigen vrijmachtig welbehagen.

 

We zingen eerst Psalm 105 vers 5:

 

God zal Zijn waarheid nimmer krenken,

Maar eeuwig Zijn verbond gedenken.

Zijn woord wordt altoos trouw volbracht,

Tot in het duizendste geslacht.

‘t Verbond met Abraham, Zijn vrind,

Bevestigt Hij van kind tot kind.

 

Ten slotte nog de derde gedachte:

 

3. Tot Gods eer

 

Gods eer schittert ook in het leven van Josía. De Heere zoeken, dat is wel mooi. Maar niet ieder die tot Mij zegt: ‘Heere, Heere’ – ook niet in die kamer in het paleis – doet de wil van Degene Die Mij gezonden heeft. Het geloof blijkt uit de vrucht.

 

In het twaalfde jaar, staat er, van zijn regering. Josía was acht jaar oud toen hij koning werd. Toen was hij dus twintig jaar oud. We zouden zeggen: dat is een serieuze jongen, die Josía. Hij is twintig jaar oud, op het toppunt van zijn leven.

En dan komt ook tot uitdrukking dat het niet alleen een werk voor hemzelf is, maar hij zoekt ook het goede voor zijn volk. Josía denkt niet: ‘Als ík het maar heb, dan zoekt een ander het maar uit.’ Wat Josía hier laat zien, is een vrucht van het geloof. Man, als je wilt weten of je bekeerd bent, moet je dat eens aan je vrouw vragen. En vrouw, als je wilt weten of je bekeerd bent, vraag het je man maar. Heeft u ooit wel eens een ander gewaarschuwd? Niet hard of onbillijk, maar met bewogenheid gesproken. Dat was nu hier bij Josía zo. Josía zoekt het goede voor zijn volk.

 

Hij nam om te beginnen alles weg wat het volk zou kunnen verleiden tot zonde. Was het volk daar blij mee? Dat denk ik niet. Ik weet wel zeker van niet. Maar hij deed het, niet omdat hij beter was.

Wat deed hij weg? Hij begon de afgoden weg te halen. We lezen in vers 4 tot en met 7: En men brak voor zijn aangezicht af de altaren der Baäls; en de zonnebeelden, die omhoog boven dezelve waren, hieuw hij af; de bossen ook, en de gesneden en gegoten beelden verbrak, en vergruisde, en strooide hij op de graven dergenen die hun geofferd hadden. En de beenderen der priesteren verbrandde hij op hun altaren; en hij reinigde Juda en Jeruzalem. Daartoe in de steden van Manasse, en Efraïm, en Simeon, ja, tot Nafthali toe, in haar woeste plaatsen rondom, brak hij ook de altaren af en de bossen, en de gesneden beelden stampte hij, die vergruizende, en al de zonnebeelden hieuw hij af in het ganse land van Israël; daarna keerde hij weder naar Jeruzalem.

 

Weet je waarom Josía dit deed? Gods heiligheid werd geschaad met die afgodendienst!

En nu concreet: wat staat hier nu, in een notendop? Josía bande alle afgoderij uit. Wat wil dat zeggen voor vandaag? U zegt misschien: ‘Wij dienen de Baäl niet meer. Dat is een naam uit de Bijbel.’ Maar Baäl bestaat vandaag nog steeds. Astarte, de zonnebeelden en de bossen zijn er vandaag nog!

Ik heb het over het zevende gebod. Het gaat over de vruchtbaarheid. Het gaat dan over overspel en alles wat u of jou daartoe trekken kan. Als dat vrij ter beschikking staat, is je hart zo slap. Je geeft er aan toe.

Josía verbrandde, vergruisde alles. Het is een ontering van God. Dat is hier niet wettisch bedoeld. Die mensen ken ik ook wel. Daar mag niks aan de buitenkant, maar in het verborgene gebeurt het meest liederlijke. Maar hier is dat niet het geval! Dit ging met godsvreze gepaard. David zegt ook: Zou ik niet haten die U haten? (Ps.139:21) Zou ik niet beminnen wie U beminnen? Begrijpt u dat? Misschien zegt u om de lieve vrede wil niks. Maar kunt u daar uw knieën voor buigen iedere avond? Ik bedoel niet dat je dat uit wetticisme moet doen, maar uit liefde. Josía deed alles weg!

 

Het zevende gebod, daar is wat mee loos in onze tijd. Ook onder ons. Wie vrij van zonde is, die werpe de eerste steen. Of is het voor u iets anders? Uw geld, uw carrière, uw doorn in uw vlees, uw bitterheid? Uw teleurstelling, is het uw afgod? Je kind, dat kan ook, of je vrouw of man. Alles wat boven en naast de Heere wordt geplaatst, noemt de Heidelbergse Catechismus in vraag 34 afgoderij.

Josía deed het weg. Wat zou er in uw leven weg moeten worden opgeruimd? Je cd’s, je muziek, je kleding, je vrije tijd, je smartphone, je pc, je games? We zeggen wel eens vergoelijkend: ‘Als de Heere me zou bekeren, dan doe ik het wel weg hoor.’ Wie heeft lust de Heere te vrezen? Kan ik je niet jaloers maken op die grote God, Die gisteren en heden en tot in der eeuwigheid Dezelfde is.

 

Volk van God, onwillig, onwetend en onkundig… Zoeken… en ook wel eens vinden. Heeft u ooit wel eens in de kerk gezeten en dat de preek als een vingerwijzing was naar de deur in dat dal van Achor, dat moorddal?  Dat de verkondiging, de preek, een schildering en tekening was van Hem bij Wie er voor de schuldige ziel uitkomst is? Is er dan geen opspringen van vreugde? Dan ademt de ziel, dan springt het op van vreugde en verheft het Gods lof! Zou je dat nou niet willen?

Kon ik je jaloers maken op dat grote goed dat Hij heeft en dat Hij geeft. Dat grote goed waarvan de doop betuigd heeft dat de Heere dat bevestigt van kind tot kind. Ondanks ons, tot Zijn eer, om Jezus’ wil en tot onze zaligheid.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 146: 3

 

Zalig hij, die in dit leven

Jakobs God ter hulpe heeft;

Hij, die door de nood gedreven,

Zich tot Hem om troost begeeft;

Die zijn hoop, in ‘t hachlijkst lot,

Vestigt op de Heer’, zijn God.