Ds. D. Rietdijk - Zondag 45

Onderwerp

Het gebed, dat het geheim is van een godzalig leven
De noodzaak van het gebed
Het wezen van het gebed
De inhoud van het gebed
Deze preek is eerder gepubliceerd in ‘De Heidelbergse Catechismus’ van ds. D. Rietdijk en ds. C.G. Vreugdenhil (Uitg. Groen, 1998).

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 27: 5
Lezen : Daniël 6: 1-11
Zingen : Psalm 141: 1, 2, 3
Zingen : Psalm 86: 1
Zingen : Psalm 66: 10

Gemeente, wij gaan overdenken Zondag 45 van onze Heidelbergse Catechis­mus. Daar lezen wij:

 

Vraag 116: Waarom is het gebed de christenen van node?

Antwoord: Daarom dat het het voornaamste stuk der dankbaarheid is, welke God van ons vordert, en dat God Zijn genade en de Heilige Geest alleen aan diegenen geven wil, die Hem met hartelijke zuchten zonder ophouden daarom bidden en daarvoor danken.

 

Vraag 117: Wat behoort tot zulk een gebed, dat Gode aangenaam is en van Hem verhoord wordt?

Antwoord: Eerstelijk, dat wij alleen de enige ware God, Die Zich in Zijn Woord ons geopenbaard heeft, om al hetgeen dat Hij ons geboden heeft te bidden, van harte aanroepen. Ten andere, dat wij onze nood en ellendigheid recht en gron­dig kennen, opdat wij ons voor het aangezicht Zijner majesteit verootmoedigen. Ten derde, dat wij deze vaste grond hebben, dat Hij ons gebed, niettegenstaan­de wij zulks onwaardig zijn, om des Heeren Christus’ wil zekerlijk wil verho­ren, gelijk Hij ons in Zijn Woord beloofd heeft.

 

Vraag 118: Wat heeft ons God bevolen van Hem te bidden?

Antwoord: Alle geestelijke en lichamelijke nooddruft, welke de Heere Christus begrepen heeft in het gebed dat Hij ons Zelf geleerd heeft.

 

Vraag 119: Hoe luidt dat gebed?

Antwoord: Onze Vader, Die in de hemelen zijt,

1. Uw Naam worde geheiligd.

2. Uw Koninkrijk kome.

3. Uw wil geschiede, gelijk in de hemel, alzo ook op de aarde.

4. Geef ons heden ons dagelijks brood.

5. En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren.

6. En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze.

Want uw is het Koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, in der eeuwigheid. Amen.

 

Gemeente, wij luisteren naar: Het gebed, dat het geheim is van een godzalig leven.

 

En dan letten wij op drie dingen:

1. De noodzaak van het gebed

2. Het wezen van het gebed

3. De inhoud van het gebed

 

1. De noodzaak van het gebed

 

Gemeente, wij zijn bezig in het derde stuk van onze catechismus, namelijk het stuk van de dankbaarheid: ‘Hoe ik Gode voor zulk een verlossing zal dankbaar zijn.’ Dat is het derde deel, ook niet het minste deel van onze troostleer, die uit de Bijbel geput is. Want zeker, het stuk van de kennis van onze ellende heeft zijn plaats en het stuk van de verlossing heeft zijn plaats, maar wij mogen het stuk van de dankbaarheid niet vergeten.

 

Nu bestaat dat gedeelte over de dankbaarheid eigenlijk uit twee delen: het gebod en het gebed. Dat zijn de twee grote delen die in onze catechismus in het stuk van de dankbaarheid worden behandeld. U weet, elke catechis­mus handelt over de drie grote G's, namelijk het geloof (de twaalf artikelen), het gebod (de tien geboden) en het gebed (het Onze Vader). Dat vindt u in elke catechismus, van welk land die ook is, terug. En zo heeft ook onze cate­chismus het gebod en het gebed in het stuk van de dankbaarheid een plaats gegeven.

Want wij moeten goed begrijpen dat de dankbaarheid vanwege de verlossing die de Heere ons bereid heeft, niet bestaat uit een aantal stemmingen die wij hebben of gevoelens die wij koesteren. Dat bestaat ook niet in het geven van wat geld, dat betekent niet dat wij zomaar of alleen maar de tienden geven van onze inkomsten. Maar als u onze catechismus goed leest en begrijpt, dan zult u zien dat hij onder dankbaarheid gehoorzaamheid aan God en aan Zijn Woord verstaat.

We zien dat bij Jozef. Hoewel hij genade van God kende, was hij ook gehoorzaam. Telkens wanneer hij het Woord van God tot zich zag komen, heeft hij dat gehoorzaamd en er gevolg aan gegeven. Gehoorzaamheid, dat is de rechte dankbaarheid. Die komt niet alleen ter sprake bij het gebod, maar die komt ook ter sprake bij het gebed.

 

Het gebed is het voornaamste stuk van de dankbaarheid. Het voornaamste stuk van de dankbaarheid is niet het gebod, het voornaamste stuk van de dankbaarheid is het gebed, zegt onze catechismus. En dat gebed is ook in een bevel samengevat. Als de Heere zegt: Bidt, en u zal gegeven worden (Matth.7:7), dan is dat niet een vriendelijke uitnodiging, dan is dat niet zomaar een aanwij­zing, dat u zegt: ‘O ja, wij mogen bidden.’ Nee, de Heere geeft een bevel: ‘Bid!’ Het staat in de gebiedende wijs, het staat als een bevel geschreven: Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult vinden (Matth.7:7).

Roep Mij aan. Denkt u maar aan Psalm 50: En roep Mij aan in de dag der benauwdheid; Ik zal er u uithelpen (Ps.50:15).

Jeremia zegt: Roep tot Mij, en Ik zal u antwoorden; en Ik zal u bekendmaken grote en vaste dingen, die gij niet weet (Jer.33:3).

Dat is een bevel. Een bevel tot gebed.

Daarover gaat onze catechis­mus nu met ons spreken. Zonder overgang, zonder ons even te bezinnen op het terrein dat we nu gaan betreden. Want het is eigenlijk heilige grond. Bidden is spreken met God. Bidden is de troonzaal van God binnengaan, ons stellen voor Gods aangezicht. Calvijn zegt: ‘Het is God aanspreken in eigen Persoon over Zijn beloften.’

We betreden heilige grond. Het is een tere zaak waarover we gaan spreken. Bidden is altijd een privé-zaak. De Heere Jezus heeft gezegd: Wanneer gij bidt, ga in uw binnenkamer, en uw deur gesloten hebbende, bid uw Vader, Die in het verborgen is; en uw Vader, Die in het verborgen ziet, zal het u in het openbaar vergelden (Matth.6:6).

Het is dus echt een hele privé-zaak. Het is ook een tere zaak als wij God aanroepen en als wij gaan buigen voor de Heere. Dat is maar niet een zaak die je plat kunt behandelen of waarmee je zomaar over straat gaat lopen.

Toch gaat de catechismus zo zonder overgang zomaar ineens aan ons vragen: ‘Waarom is het gebed de christenen van node?’

 

Het gaat over de noodza­kelijkheid van het gebed voor de christenen. U zou zeggen: ‘Dat is eigenlijk merkwaardig, dat de noodzaak van het gebed wordt gesteld en dat de chris­tenen hier worden genoemd.’ Bidden is noodzakelijk, maar in het bijzonder voor christenen. Je zou denken dat mensen die het Woord helemaal kwíjt zijn, het gebed juist nodig hebben. Mensen die nog nooit van het Woord gehoord hebben, die zou je moeten aansporen tot het gebed en tot hen zou je moeten zeggen: ‘Wel, mens, daar is het gebed en roep tot God, want zon­der God kun je niet leven. Je hebt de Heere nodig. Vraag om bekering, roep om Gods Geest en de werking van God.’ Dan, zou je zeggen, is de cate­chismus wel in het spoor. Dus in de evangelisatiearbeid moet je gaan praten over waarom het gebed nodig is.

Maar dat doet onze catechismus niet. Die zegt niet: ‘Waarom is het gebed voor alle mensen nodig?’ Nee, ‘Waarom is dat gebed voor die christenen nodig?’

Als de catechismus dat woord ‘christen’ gebruikt, dan is dat nooit in de zin van het vervlakte begrip zoals we dat op het ogenblik hebben van: als je geen heiden bent, ben je een christen. Nee, de catechismus bedoelt dat zoals hij dat ons geleerd heeft in het begin, waar hij gevraagd heeft: ‘Waar­om wordt u een christen genaamd? Antwoord: Omdat ik door het geloof Christus ben ingelijfd en alzo Zijner zalving deelachtig ben.’ Dat is een christen, volgens onze catechismus.

 

Waarom, zo moet je nu vragen, is uitgerekend voor die christen dat gebed nodig?

Het gebed is de adem der ziel. Het geloof ademt naar God toe door het gebed. Welnu, als iemand leeft, hoef je hem niet aan te sporen om te ade­men, dat doet hij vanzelf. Dat is een vanzelfsprekendheid. Als iemand niet leeft, dan ademt hij niet meer, dan is de laatste adem uitgeblazen. Maar als iemand leeft, dan zal hij vanzelf ademen, dan zal hij toch vanzelf bidden.

Bovendien, zo staat er in onze catechismus, de christenen hebben dat gebed nodig, want God vordert het van ons. Tot drie keer toe staat dat in onze catechismus geschreven. ‘God vordert dat van ons.’ Dat staat in vraag en antwoord 116. En in vraag en antwoord 117 staat dat Hij ons ‘geboden heeft te bidden’. Daar hebt u voor de tweede keer dat bevel. En in vraag 118 leest u: ‘Wat heeft God ons bevólen van Hem te bidden?’ Daar hebt u dus al drie keer het bevel, de vordering, de eis van God.

 

Ga je dan zo niet alle spontaniteit uit het gebed weghalen? Is het niet zo dat je door deze opstelling allemaal vragen gaat oproepen omtrent het gebed? Dan moet ik u zeggen: ‘Nee.’ Want onze catechismus weet in de allereer­ste plaats dit, dat als we het hebben over het religieuze leven, en dan bedoel ik de beleving van de belijdenis, het leven met God, het leven in alle godza­ligheid, dat dan allerlei dingen aan elkaar gepaard zijn. Gewilligheid aan gehoorzaamheid. Jozef was gewillig en gehoorzaam. Dat hoort bij elkaar. Mógen bidden en móeten bidden, hoort ook bij elkaar. Mogen en moeten. Behoefte hebben en onderwerping aan het bevel van God, dat hoort telkens bij elkaar.

 

Waarom is de christenen het gebed van node? Gemeente, laten wij dan bedenken dat als hier sprake is van het bevel van God om te bidden, de Heere precies ons hart kent. De Heere weet van Zijn christenen precies hoe hun hart er van binnen uitziet. Als de Heere het bidden alleen maar aan onze behoefte zou overlaten, dan zouden we waarschijnlijk maar heel weinig bid­den en misschien wel nooit. Als we alleen maar naar de kerk zouden gaan als we behoefte hebben, dan zouden we maar heel weinig in de kerk komen. Als we naar het avondmaal gaan alleen op het ogenblik als we daar echt behoef­te aan hebben, dan zouden we maar heel weinig aan het avondmaal komen.

Daar is bij de Heere ook het bevel: Doet dat tot Mijn gedachtenis (Luk.22:10), als Hij het over het avondmaal heeft. Hij zegt van de dienst van het Woord: Laat ons onze onderlinge bijeenkomst niet nalaten (Hebr.10:25). Dat is steeds een mogen en een moeten. Er is bij christenen een gewilligheid en een onderwer­ping, een gehoorzaamheid. De Heere laat dat niet aan onze vrijheid, aan onze behoefte over. Hij geeft een bevel: Roep Mij aan. Het is nodig voor de christenen, over wie het gaat in het stuk van de dankbaar­heid. Zij hebben dat gebed nodig.

 

Satan heeft pogingen ondernomen om het gebed te verbieden. Wij hebben gelezen uit Daniël 6. Die mannen, die hoogwaardigheidsbekleders aan het hof, hebben een gebod beraamd om het gebed weg te krijgen uit het leven van Daniël, om hem te vangen, om hem klem te zetten en om Daniël in de leeuwenkuil te krijgen. Zij hebben gezegd: ‘Zoveel dagen mag niemand zijn God aanroepen.’ Ze wisten wel dat Daniël, die open vensters had naar Jeru­zalem, driemaal daags zijn knieën boog voor God en de God van Israël aan­riep. Ze hebben gezegd: ‘Een ieder die dat doet, wordt in de leeuwenkuil geworpen.’

En toen heeft de Heere laten zien dat Zijn werk, de kracht van Zijn bevel en het leven met God zo sterk is en zoveel kracht heeft, dat dat door het verbod van satan niet weg te krijgen is. Want Daniël bleef bidden. Drie keer per dag met open venster. Hij heeft zijn vensters niet dichtgedaan, hij is niet in een binnenkamertje gaan zitten, waardoor hij niet meer opviel. Maar Daniël is gewoon doorgegaan als altijd met het bidden.

En toen kwam hij in de leeu­wenkuil terecht. Daar hebben ze hem in geworpen. Maar als de koning na een zeer onrustige nacht Daniël roept, dan is Daniël in leven. Want de God, Die hij dient, heeft de muilen der leeuwen toegesloten.

 

Christenen hebben dat gebed nodig en God vordert dat van hen. Nog één ding over de noodzaak van het bidden. Want je zou kunnen denken: waarom is de christenen dat gebed van node? Waarom is dat nodig, dat die chris­tenen gaan bidden, want per slot van rekening is daar toch de alwetendheid van God? God weet toch alle dingen? In Psalm 139 staat: ‘Gij kent van verre mijn gedachten.’ Kunnen wij God iets bekendmaken wat Hij nog niet weet? Ach, nee, dat is de bedoeling helemaal niet. Daar is in de allereerste plaats het afhankelijk worden van God, de afhankelijkheidsbetuiging van de leven­de God in het gebed. De Heere wil dat wij Hem zullen eren als die God, van Wie wij afhankelijk zijn in de dingen van ons dagelijks leven, in de dingen van ons geestelijk leven. De Heere wil dat wij Hem nodig zullen hebben en Hem erkennen als de Bron van troost en licht. Daar is dus de afhankelijkheidsbeleving van de Heere.

In de tweede plaats, al is die alwetendheid van God daar, dan is het gebed nog niet zo dat wij de Heere iets willen bekendmaken wat Hij niet weet, maar het is: de Heere in eenvoudigheid, in korte bewoordingen opdragen wat wij nodig hebben. Onze nooddruft, geestelijk en lichamelijk, uitspreken voor Zijn heilig aangezicht.

 

Er zijn mensen die zeggen dat God de Onver­anderlijke is. En als God onveranderlijk is, wel, wat is er dan nog te bidden? Want Gods raad zal bestaan en of je nu bidt of niet bidt, God zal toch Zijn raad uitvoeren. Ja, God is de onveranderlijke God, gelukkig wel, Hij is de Ik zal zijn Die Ik zijn zal (Ex.3:14). Hij is de getrouwe God. Hij is de God Die nooit ver­andert.

Maar, gemeente, deze onveranderlijke God laat in Zijn Woord zien dat Hij Zich laat verbidden. U vindt het op zoveel plaatsen in het Oude Testament, dat God Zich laat verbidden. Dan is het net alsof de Heere hetgeen Hij besloten had, verandert, alsof er dus wel omkering bij de Heere is en alsof er wel verandering bij God is. Maar dat is een schijnbare zaak. De weg van God leek een kant uit te gaan waardoor het leven niet mogelijk was, en op het gebed heeft Hij de sluizen van de hemel geopend. Op het gebed heeft Hij satan doen wijken, heeft Hij vijanden doen vluchten. Op het gebed heeft Hij de hemelen gesloten zodat het niet regende en op het gebed opende Hij de hemelen zodat de watervloeden over de aarde gingen.

 

Het gebed is de zaak die de Heere aan Zijn kerk bevolen heeft om Hem al onze noden en onze behoeften bekend te maken. Waarom is het gebed de christenen van node? Wel, zegt onze catechismus, daarom dat het het voor­naamste stuk der dankbaarheid is, welke God van ons vordert. Het voor­naamste stuk. Gemeente, als wij echt dat ware Gode verheerlijkende gebed gaan bidden, dan wil dat zeggen dat wij God gaan eren als God, dat wij God gaan erkennen als God, als de Bron van alle goed. Wij gaan Hem aanroepen als de Fontein van alle goede en volmaakte giften.

Het is het voornaamste stuk der dankbaarheid. Want daardoor wordt God als God geëerd.

 

En dan zegt onze catechismus erbij dat ‘God Zijn gena­de en de Heilige Geest alleen aan diegenen geven wil, die Hem met harte­lijk zuchten zonder ophouden daarom bidden en daarvoor danken.’

U zou misschien kunnen denken: ‘Ja, maar God geeft toch ook Zijn Heilige Geest aan mensen die Hem daar niet om bidden?’ Denkt u even aan Lydia, bij wie de Heere zo in haar leven komt en aan de stokbewaarder.

Ja, de Heere kan dat en Hij doet dat. Maar nu heb ik het niet over allerlei mensen aan wie de Heere Zijn Geest geeft en in wiens leven Hij komt met de kracht van Zijn genade en Geest. Het gaat hier om christenen. Hij wil Zijn genade en Zijn Heilige Geest alleen aan diegenen geven – het gaat hier niet om het kunnen van God, het gaat hier om het willen van God – aan Zijn christenen, die Hem met hartelijke zuchten daarom bidden en daarvoor danken.

 

U kunt nog een tegenwerping maken en zeggen: ‘Ja, maar die christenen hébben toch al de Heilige Geest? Die woont toch in hun hart, Die werkt toch in hun hart? Waarom moeten zij dan nog om die Geest bidden?’

Wel, het gaat hier niet om het schenken van de Geest aan een mens, het gaat hier om de doorwerking van de Geest, om het vertroosten, om het leiden, om het verlichten, om het sterken en gaat u maar door, om de werkingen van de Heilige Geest in het leven. Daar vragen ze om, zoals Psalm 43 vers 3 dat doet: ‘Zend, Heer’, Uw licht en Uw waarheid neder, opdat die mij leiden.’

Kijk, dat is het bidden om de doorwerking van de Heilige Geest en Zijn genade. Het gaat bij die genade om de dingen voor de tijd, om onze lichamelijke nooddruft. Het gaat bij die genade ook om de dingen van de eeuwigheid. Wij bidden God met hartelijke zuchten om de leiding, de verlichting, de ver­troosting, de vernieuwing van de Heilige Geest. Om de doorwerking van de Heilige Geest in ons leven.

 

Gemeente, het gaat er niet om dat wij de Heere naderen met de lippen en dat ons hart zich verre van Hem houdt. Amos kende dat. Het leven in de tijd van Amos, de profeet, was een voos godsdienstig leven. Israël naderde de Heere wel met de lippen, maar het hart hield zich verre van Hem. Het was slechts lippendienst, het kwam niet vanuit het hart.

Hartelijk zuchten zonder ophouden wil niet zeggen dat de Heere de eerste keer hoeft te verhoren. Paulus bad driemaal om de wegname van de doorn in zijn vlees. Van de Heere Jezus staat geschreven dat Hij tot driemaal toe van Zijn discipelen ging en Zich nederwierp op de aarde in de hof van Gethsémané en steeds dezelfde woorden bad. De Heere verhoort de eerste keer misschien niet.

Maar, gemeente, zult u er dan aan denken dat de Heere ook op onze deur geklopt heeft en dat wij bij de eerste klop op onze levensdeur die niet voor Hem geopend hebben? Het was toch niet zo, toen de Heere bij ons aanklopte door Zijn Woord of door omstandigheden, dat wij onmiddellijk de levensdeuren van ons hart voor Hem hebben opengezet?

Wat heeft de Heere moeten kloppen, wat heeft de Heere dikwijls moeten vermanen, ons leven moeten aanraken met Zijn hand eer wij ooit eens een keer Hem gehoor gaven.

En nu komen wij bij de Heere met onze nood en met onze zorg. Zouden wij dan denken dat de Heere op onze nood ineens maar antwoorden moet? De Heere laat ons wel eens wachten en daar heeft Hij Zijn redenen voor, zeer wijze redenen. De Heere laat ons wel eens wach­ten op antwoord, om ons te leren dat wij daar geen recht op hebben, om ons te leren dat wij alle rechten verspeeld en verbeurd hebben. Wij moeten het wel eens een ogenblik inleven dat als God ons niet zou horen, het recht zou zijn.

 

Hij hoort en verhoort, maar Hij doet dat altijd op Zijn tijd, Hij doet dat ook op Zijn wijze. Hij kan ons gebed soms wel eens op een andere wijze verho­ren dan wij bedoelden. Want, gemeente, de Heere is een wijs God. Als God ons zou geven wat wij gevraagd hebben, wel, dan zou het wel eens zo kun­nen zijn dat dat schadelijk voor ons zou zijn. Dan houdt de Heere dat antwoord in en dan houdt de Heere de verhoring van dat gebed in en dan geeft Hij het ons op een andere manier en op een andere tijd of op een ander wijze dan wij gebeden hebben.

 

Maar vergeet u ook niet te danken. Want de apostel Paulus zegt dat wij onze begeerten met bidden en danken zullen bekendmaken bij God. Bidden en danken. Dan zult u zeggen: ‘Waarom hoort dat danken erbij?’ Wel, als u gaat bidden zonder te danken, dan kunt u wel eens voor God staan als een mens die het met God helemaal niet eens is, die alles over het hoofd ziet wat de Heere gegeven heeft. Daarom hoort dat danken erbij. We moeten bij God terechtkomen en alles gaan tellen wat we van Hem gekregen hebben, onverdiend en soms ongevraagd.

Als we dat gaan zien, dan gaan we ootmoedig bidden en danken. Dan is het dankzeggen voor hetgeen u ontvangen hebt en vragen om het­geen u nodig hebt.

 

Waarom is het gebed nodig? Wel, om alles. Want wij krij­gen alles alleen van de Heere en buiten Hem is er geen fontein te vinden.

 

De noodzaak van het gebed is dus dat het het voornaamste stuk van de dank­baarheid is en dat God Zijn genade en Zijn Geest alleen maar geeft aan hen die Hem daarom bidden.

 

Maar nu de tweede gedachte:

 

2. Het wezen van het gebed

 

En dan moet u luisteren, zo zegt onze catechismus: ‘Wat behoort tot zulk een gebed, dat Gode aangenaam is en van Hem verhoord wordt?’ Er staat niet: ‘Welk gebed wordt van God verhoord?’ Nee, er staat wat tussen: een gebed dat Gode aan­genaam is. Dat is een gebed dat in het oog, in het oor van God welgevallig is. Dat is het eerste. En dan ook van Hem verhoord wordt. Dus een Gode aangenaam gebed.

Welnu, zo’n gebed bestaat eigenlijk uit drie eigenschappen.

In de eerste plaats is het een waar gebed.

Het moet een ootmoedig gebed zijn.

Het moet ook een gelovig gebed zijn.

Dat zijn de dingen die u tegenkomt in ons ant­woord.

 

Het moet een waar gebed zijn. ‘Eerstelijk dat wij alleen de enige ware God, Die Zich in Zijn Woord ons geopenbaard heeft, om al hetgeen Hij ons geboden heeft te bidden, van harte aanroepen.’

Het Woord alleen is de bron van de kennis van God. Buiten het Woord om kunnen wij God niet kennen. En, gemeente, nu moeten wij tot God bidden, Hem van harte aanroepen. Hij is die God, Die als de Vader van de Heere Jezus Christus door Zijn Heilige Geest in Zijn kerk woont. Dat is die God Die Zich in Zijn Woord openbaart. Dat is dus niet een abstracte God, niet een God die geen naam heeft. Niet een God naar onze eigen bedenksels en ons eigen model, maar dat is de God en Vader van onze Heere Jezus Chris­tus, Die door Zijn Heilige Geest in de kerk woont.

Dat is de enige, de ware God, de levende God, Die in de hemel woont en Die op deze aarde neerziet. Die God moeten we van harte aanroepen. En dat van harte aanroepen gebeurt omdat wij de liefde en de genade van God heb­ben leren kennen. Want, gemeente, dat van harte aanroepen doet u alleen wanneer u gezien hebt, dat Hij de Vader van de Heere Jezus is.

Hij was met kerstfeest in de stal, daar legde Hij Zijn Zoon neer, gezonden in deze wereld. Die Vader van de Heere Jezus was Hij Die op Golgotha Zijn hart liet zien. In Christus, Die daar sterft aan het hout, is het hart van die Vader te zien. Daar klopt het hart van de Vader. Daar gaat u Zijn liefde zien. Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe (Joh.3:16).

Daar hebt u de Vader van Christus. En dan is Hij de Vader, Die in Christus, door Zijn Heilige Geest, in het hart van een mens gaat wonen. Hij neemt zulke mensen niet alleen tot kinderen en erfgenamen aan, maar Hij leert die mensen ook bidden, kinderlijk bidden. Die Geest van de Vader van Christus leert bidden: Abba, Vader (Gal.4:6).

Van harte aanroepen. Gemeente, dan gaat de mens God aanroepen als Vader, als Abba, als lieve Vader, als een Vader Die Zich over het teder kroost ontfermt. Zij roepen Hem van harte aan om al hetgeen Hij hen geboden heeft te bidden. Alles mag je bij die Vader brengen en mag je in de handen van die Vader overgeven, en dan mag je van Hem de verhoring van dat gebed verwachten.

 

Het is ook een ootmoedig gebed, want, zo zegt onze onderwijzer, ‘ten ande­re dat wij onze nood en ellendigheid recht en grondig kennen, opdat wij ons voor het aangezicht Zijner majesteit verootmoedigen.’

Onze nood en onze ellendigheid kennen. Gemeente, eigenlijk is die ellendigheid de bron van alle nood die wij kennen. Ellendigheid is het zonder God zijn, het van God los­gerukt zijn. Daar komt alle nood in de wereld uit voort. Want aan de nood van ons leven, de lichamelijke nood – en hoeveel nood kan er niet zijn, te veel om op te sommen – ligt de zondeschuld van deze wereld ten grondslag. Daar hebt u nood en ellendigheid.

 

En niet alleen onze lichamelijke nood, ook onze geestelijke nooddruften. En wat zijn die groot en wijd. Gemeente, daar komt geen einde aan. Dat is een nood, zó groot en zo diep, dat die mateloos en grondeloos is. ‘Recht en grondig kennen, opdat wij ons voor het aangezicht Zijner majesteit ver­ootmoedigen’, opdat wij heel kleine mensjes worden, die de nood en de ellendigheid recht hebben gezien. Dat is het werk van de Heilige Geest, Die u ontdekt aan uw nood, aan uw ellendigheid en dat een heel leven lang.

We hebben dat in de vorige zondagsafdeling gehoord: ‘Waarom laat God ons die wet zo scherpelijk prediken?’ Wel, ‘opdat wij hoe langer hoe meer onze zondige aard leren kennen.’ Juist in die kennis moeten we ons voor God, voor Zijn majesteit verootmoedigen, klein worden en buigen in het stof. Dat is een ootmoedig gebed. Dan heb ik niks meer te eisen, dan heb ik ook niets te dwingen. Dan moet ik voor God belijden dat ik het niet waard ben en zeggen: ‘Heere, ik heb geen rechten voor U.’ En toch, een waar gebed, een ootmoedig gebed, maar ook een gelovig gebed.

 

‘Ten derde dat wij deze vaste grond hebben, dat Hij ons gebed, niettegen­staande wij zulks onwaardig zijn, om des Heeren Christus’ wil zekerlijk wil verhoren, gelijk Hij ons in Zijn Woord beloofd heeft.’

Wij hebben een vaste grond. En, gemeente, die vaste grond ligt niet in ons, niet in uw bekering, niet in uw levensverandering. Die vaste grond ligt niet in uw godzalige leven, niet in uw godsvreze, maar die grond ligt buiten uzelf. Daar ligt die vaste grond waarom God ons verhoren kan, niettegenstaande dat wij zulks onwaardig zijn.

Die vaste grond ligt in Christus, op grond van Zijn verdiensten en van Zijn waardigheid. Hij staat als de grote Voorbidder voor de troon van God en legt daar het wierook van Zijn verdiensten op het reukwerkaltaar.

‘Om des Hee­ren Christus’ wil.’ God verhoort, maar nooit om u. God verhoort niettegenstaande wij zulks onwaardig zijn. Hij verhoort alleen om de verdiensten van de Heere Jezus, omwille van het reukwerk dat gelegd wordt op het gouden altaar dat voor de troon is, gelijk Hij ons in Zijn Woord beloofd heeft.

 

Gemeente, God verhoort het gebed. Luther zei: ‘Niet omdat uw gebed dat waardig is, want als uw gebed dat waardig zou moeten zijn, dan zou u nooit verhoord worden, maar Hij doet het om de waarheid van Zijn Woord.’ Om de waarheid van Zijn belofte. Om de waarachtigheid van het spreken van God in Zijn getuigenis: ‘Wie Mij aanroept in de nood, vindt Mijn gunst oneindig groot.’

Daar hebt u de vaste en zekere grond waarom God onze gebeden verhoort. Dat is het volbrachte werk van de Heere Jezus en dat is het Woord van God, de beloftenis Gods, die in Zijn bloed voor eeuwig is vastgemaakt. Om de waarheid van Zijn Woord. ‘Ik zal niet feilen in Mijn trouw, Ik zal Mijn verbond nooit schenden. Hetgeen uit Mijn lippen ging, blijft vast en onverbroken.’

Gemeente, daar hebt u het. De kerk bidt niet ziende op zichzelf, wetende haar onwaardigheid, maar ziende buiten zichzelf op de Heere Jezus. Die kerk mag de verhoring verwachten. God is de Getrouwe, Hij verhoort.

 

Kent u zulk bidden? Weet u van dat aanhouden, van dat hartelijke zuchten om uw noden en zorgen bij Hem kwijt te raken? Te pleiten, niet op wat in u is, niet te pleiten op wat van ons is, maar alleen te wijzen op Zijn Woord: ‘Heere, U hebt het gesproken en Gij zijt de God der waarheid. Heere, verhoor mij, o God, naar de grootheid Uwer goedertierenheid.’

Als u het van de Heere verwacht, zult u niet beschaamd worden in der eeu­wigheid. De dichters hebben ervan gezongen in de psalmen. Zij hebben in allerlei toonaarden daarvan gesproken, dat God de Hoorder is van het gebed en dat wij niet tevergeefs bij Hem aankloppen. Daarom is hun leven ook een leven des gebeds geweest, zoals Psalm 86 dat zingt in het eerste vers, wat wij nu ook zingen:

 

Neig, o Heer’, Uw gunstig’ oren,
Om mij in mijn angst te horen;
‘k Ben ellendig, diep in nood,
Gans van heul en hulp ontbloot.
Hoed mijn ziel, Gij zijt almachtig,
En ik ben Uw gunst deelachtig;
O mijn God, Die mij aanschouwt,
Red Uw knecht, die U vertrouwt.

 

Tenslotte letten we op:

 

3. De inhoud van het gebed

 

‘Wat heeft ons God bevo­len van Hem te bidden?’ God beveelt het gebed, Hij beveelt ook wat wij van Hem vragen mogen. En wat wij van Hem vragen mogen, dat is alle geeste­lijke en lichamelijke nooddruft. Dat is alles voor lichaam en ziel. Dat heeft de Heere Christus begrepen in het gebed dat Hij ons Zelf geleerd heeft. De Heere beveelt niet alleen te bidden, Hij zegt niet alleen waar we om mogen vragen, maar de Heere wil ons ook het gebed leren.

 

Als de discipelen aan Hem vragen: Heere, leer ons bidden, gelijk ook Johan­nes zijn discipelen geleerd heeft (Luk.11:1), dan heeft de Heere Jezus die vraag van Zijn discipelen beantwoord. Hij heeft hun het ‘Onze Vader’ geleerd. De discipelen stonden bij de Heere Jezus, toen Hij in gebed was. En toen Hij klaar was met bidden, vroegen ze: Heere, leer ons bidden, gelijk ook Johan­nes zijn discipelen geleerd heeft. Zij hadden de volmaakte Bidder horen bidden. Dat kinderlijke bidden van Jezus tot Zijn Vader, dat vertrouwelijke bidden. Bidden tot de God des levens, zoals Jezus dat deed, kenden ze niet. Toen kwam hun gebedsarmoede openbaar en toen zeiden ze: ‘Heere, wij kunnen helemaal niet bidden, wilt U het ons leren?’

En nu leert de Heere Zijn kerk het ‘Onze Vader’. Dat gebed is een schrijf­voorbeeld. Zoals kinderen op school een schrijfvoorbeeld krijgen om na te schrijven en het schrijven te leren, zo heeft de Heere een gebed gegeven als een voorbeeld om te bidden. Hij leert bidden. Hij heeft ons het ‘Onze Vader’ gegeven in de Bijbel, maar de Heere Jezus onderwijst ook door Zijn Heilige Geest in het bidden.

 

De Geest der gebeden is het, Die ons het rechte bidden leert, waarop we met recht ‘amen’ kunnen zeggen. De Geest der gebeden leert ook inderdaad in de binnenkamer, in de gebedskamer, het bidden aan de kinderen van God. Dan mogen zij in waarheid het ‘Abba, Vader’ nastamelen, dan mogen zij kinderlijk toetreden tot de troon der genade in het bloed van de Heere Jezus. Wij hebben een vrijmoedige toegang tot de troon der genade. Dan mogen zij ook daar hun hart leegspreken voor het aangezicht des Heeren. Dan mogen ze hun hart uitstorten, zoals Hanna, de moeder van Samuël, dat gedaan heeft.

De Heilige Geest leert ons bidden. Wij mogen wel vragen: Heere, leer ons bidden, want van nature zijn wij biddeloos. Wij vouwen onze handen soms wel en we doen onze ogen dicht en we zeggen wat woorden, maar het kun­nen zulke behoefteloze woorden zijn. We zeggen woorden zonder dat er een drang achter zit van de nood en van de ellendigheid, zonder dat wij daarbij weten dat we treden tot de troon der genade in het bloed van Christus, zon­der dat wij hoop hebben op Hem, Die aan des Vaders rechterhand gezeten is en de Voorspraak is bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige.

 

We zijn zo vaak biddeloze mensen met een harteloos gebed, een koel gebed, een weinig bewogen gebed, een weinig aandringend gebed. Biddeloze men­sen, biddeloze bidders, zo moet ook het volk des Heeren zichzelf vaak ken­schetsen, zichzelf aanklagen bij de Heere. Ze kunnen de Heere zo aan Zijn plaats laten. O, wat een verdriet is het als we dat in de gaten gaan krijgen en als de Heere ons gaat aanwijzen hoe ver we bij Hem vandaan kunnen leven, hoe weinig we de binnenkamer zoeken, hoezeer we ook het knielen voor Hem nalaten.

Wat kunnen we dan beschaamd worden voor het aangezicht des Heeren! Wat is het dan nodig dat ons hart opgewekt en wakker gemaakt wordt om de geestelijke en lichamelijke nooddruft weer bij de Heere te brengen! Dan is er terecht de vraag in het hart: Heere, leer ons bidden.

 

En dat hebben we nu allemaal nodig, dat de Heere ons het bidden leert. Dat bidden, zoals onze catechismus daarvan spreekt, het bidden dat de christenen van node is, dat Gode aangenaam is en dat ook zeker van Hem verhoord wordt.

Dat hebben we nodig als kind. Vraag er de Heere maar om of Hij het je leren wil, of de Heere je daarin onderwijzen wil: ‘Heere, geef mij dat ik van U bidden mag leren.’ Want zonder bidden gaat het niet. Zonder gebed wordt de weg naar het hemelse Kanaän niet betreden. Dat kan alleen maar door het gebed.

En daarom, wat hebben we het nodig als we jong zijn, als we mid­den in het leven staan, als we zoveel keuzes moeten maken, als we op zoveel kruispunten in het leven staan, waar we beslissingen moeten nemen. Wat is het dan nodig om al die zaken bij de Heere te brengen. Om niet zelfstandig te kiezen, niet onze weg te kiezen, maar de weg des Heeren te gaan. En te bidden: ‘Heere, zou U mij willen onderwijzen van de weg die ik te gaan heb? Heere, maak mij Uwe wegen, door Uw Woord en Geest bekend, maak mij genegen om die ook te gaan.’

 

Wat is het nodig als wij vader en moeder zijn! Wat een zorgen kunnen er zijn in het gezin! Zorgen ook over uw kinderen, die u ten doop hebt gehouden en van wie u beloofde dat u ze zou opvoeden in de vrees en de vermaning des Heeren. Wat hebben we daar het gebed bij nodig voor onszelf en voor de kinderen die ons toebetrouwd zijn.

En als we oud geworden zijn en onze knieën stram geworden zijn en de kusten van de eeuwigheid in zicht komen, wat hebben we dan het gebed nodig.

Dat gebed dat Gode aangenaam is en zekerlijk van Hem verhoord wordt. O, dan mogen wij wel als een Anna, die nacht en dag in de tempel gevonden werd, met vasten en bidden, de Heere verwachten en Hem tegemoet zien. Hij alleen geeft ons uitkomst.

 

Waarom is het gebed de christenen van node? We hebben het allen nodig.

Gemeente, laat ‘het gebed om het gebed’ in ons hart, in ons leven maar gevonden worden. Jong en oud, laten we bij het Woord leven zoals Jozef deed, die elke keer opnieuw wachtte op het antwoord van de Heere.

Laten we dat biddende mogen doen:

‘Onderwijs mij en leer mij, want Gij zijt de God mijns heils.’

Zo alleen zullen wij onze reis reizen met blijdschap.

 

Amen.

 

 

 

Slotzang: Psalm 66:10

 

God zij altoos op ‘t hoogst geprezen!
Lof zij Gods goedertierenheid,
Die nimmer mij heeft afgewezen,
Noch mijn gebed gehoor ontzeid!

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in ‘De Heidelbergse Catechismus’ van ds. D. Rietdijk en ds. C.G. Vreugdenhil (Uitg. Groen, 1998).