Ds. L. Huisman - Hebreeën 4 : 16

De geopende genadetroon

De hartelijke nodiging van de Heere Zelf, door de mond van de apostel, om toe te gaan tot die geopende troon
De zegeningen die daar verkregen worden
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Geen ander evangelie’ (deel 2) van ds. L. Huisman (Uitgeverij P. Boekhout, 2000).

Hebreeën 4 : 16

Hebreeën 4
16
Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden, om geholpen te worden ter bekwamer tijd.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 108: 2
Lezen : Hebreeën 4
Zingen : Psalm 103: 7, 9
Zingen : Psalm 6: 2, 9
Zingen : Geb. des Heeren: 9, 10

Geliefden, het Woord van God dat wij u in deze dienst willen prediken, is het laatste vers uit Hebreeën 4, vers 16:

 

Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden, om geholpen te worden ter bekwamer tijd.

 

Deze tekst spreekt ons van: De geopende genadetroon.

 

We beluisteren in deze tekst:

1. De hartelijke nodiging van de Heere Zelf, door de mond van de apostel, om toe te gaan tot die geopende troon

2. De zegeningen die daar verkregen worden

 

Het gaat dus over de troon van God, die Hij geopend heeft. In de eerste plaats luisteren we daarbij naar de hartelijke nodiging van de Heere om tot die troon toe te gaan. En in de tweede plaats letten we ook op de zegeningen die we ontvangen wanneer we tot die troon naderen, namelijk de zegeningen van Gods barmhartigheid en van Zijn genade. Dat betekent: de vergeving van de zonde en hulp uit alle nood, zowel lichamelijk als geestelijk, voor de tijd en voor de eeuwigheid.

 

En dat hebben we nodig; want het is toch, als je in Nederland en West-Europa rondkijkt, een tijd die ons met veel zorgen vervult. U zult zeggen: ‘Ja, dat horen we zo dikwijls.’ Ja, dat is nu juist het gevaar, dat we daaraan gewoon raken en dat we het niet meer voelen en daarin bovendien de voetstappen van de komende Christus niet meer horen.

Maar als we de doorbreking van de zonde zien en alles lezen wat er in deze wereld gebeurt – we kunnen hele reeksen voorbeelden opnoemen – dan zeggen we: ‘Wat moet er van ons en onze kinderen terechtkomen? Wat gaat er gebeuren als ons land bijna voorop loopt in goddeloosheid en onze overheid steeds meer wetten maakt, die indruisen tegen Gods wet?’

Al die zorgen kunnen ons hart vervullen; als we de vervlakking zien op geestelijk gebied; als je leest hoeveel kerken er per jaar in ons land gesloten en afgebroken worden, dan huiver je, dan zeg je: ‘O God, moet dat nu zo? Hoe lang nog? Zal Nederland dan totaal terugkeren tot het heidendom? En wat dan met onze kinderen? Zullen zij U niet meer kennen en U niet meer vrezen over één of twee geslachten?’ Dan vervullen al deze zorgen ons hart. En terecht! En noodzakelijk!

Is er dan geen enkel lichtpunt? Ach, als we dan dit woord van God opslaan en deze brief van Paulus aan de Hebreeën lezen, dan komen we tot de ontdekking dat het er voor de kerk des Heeren op aarde nooit zo rooskleurig uit gezien heeft. Dat de kerk op aarde altijd maar ‘de strijdende kerk’ was. Dat het met het volk van God altijd maar op het kantje af gegaan is; maar net met de hakken over de sloot, maar nét gered, maar… net geréd!

 

En als we deze brief opnieuw met aandacht lezen, dan komen we er achter dat de christenen van die dagen het ook maar moeilijk hadden. Daarom schreef Paulus juist deze brief.

Men leefde toen in een tijd dat het Oude Testament was afgesloten; de eerste dingen waren voorbijgegaan. Toen Christus aan het kruis uitriep: Het is volbracht! (Joh.19:30), toen scheurde de voorhang van de tempel. Dat betekende niet alleen het einde van het Oude Testament, maar dat betekende ook dat de toegang tot God is geopend. In die andere weg, in die verse, die levende weg. Niet meer in die oude weg van dat offerbloed, dat altijd maar weer gesprengd moest worden, maar nu in dat bloed dat ingedragen is in het binnenste heiligdom. Dat altijd geldende bloed van Hem, het Lam, Dat de zonden der wereld wegneemt.

 

Nu, die christenen van de eerste tijd – ik denk niet aan de eerste jaren, maar aan de daarop volgende decennia – hebben het ontzettend moeilijk gehad. Zeker in het begin lezen we dat het volk gelukkig was met die vergadering van de christengelovigen. Maar al gauw kwam er afgunst, verwijt, uitbanning, vijandschap, haat, nijd en toorn. En de gemeente van Jeruzalem en de andere gemeenten werden allen verstrooid door de landen van Judea en Samaria (Hand.8:1).

Daarna zwerven de christenen rond in Klein-Azië en de omliggende landen van Palestina. Zonder tempel, zonder offer, zonder priester. Daar leefden ze soms temidden van de heidenen, die wierook brandden voor de keizer van Rome. En daar waren ze: één of twee, of soms drie gezinnen bij elkaar, als christenen temidden van een heidenwereld.

We kunnen het ons voorstellen, dat het volgende geslacht, na het geslacht dat de uitstorting van de Pinkstergeest nog van nabij had meegemaakt, ging zeggen: ‘Moet dat nu zo? Is dat nu de komst van het Koninkrijk van Jezus Christus? Hebben wij er wel goed aan gedaan om over te gaan tot het christendom? Hadden we priester en altaar wel mogen verlaten? Kijk nu eens, wat er van ons terechtgekomen is? We leven hier in een wereld die God niet kent, en die de keizer van Rome dient, waar nagenoeg geen samenkomsten meer zijn, dan slechts twee of drie in de naam van de Heere samen vergaderd!’

 

En als Paulus dan hoort van hun strijd, dan schrijft hij ze deze brief. Daarin kunt u lezen hoe hij aan de Hebreeën verkondigt dat Jezus Christus waarlijk Profeet, Priester en Koning is, van God gezonden, en dat de gelovigen niets anders nodig hebben dan alleen het naakte geloof in Hem!

Dan put hij zich in deze hoofdstukken uit om aan te tonen dat Híj het is, Die de Weg der waarheid is, dat Hij die Hogepriester is, beter dan de oudtestamentische hogepriesters die uit het geslacht van Aäron voortgekomen zijn; een Hogepriester naar de orde van Melchizédek, dat wil zeggen: helemaal alléén Hogepriester, de enige en ware Hogepriester. Dan troost hij hen, door hen opnieuw hun blik te laten richten op het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt.

 

En dan zegt hij verder in het elfde hoofdstuk: ‘U bent toch kinderen van Abraham? U kent toch de geschiedenis van Abraham, en van Jakob? Hebben die het dan zo makkelijk gehad? Is hun weg dan over rozen gegaan? Hebben ze daar niet als vreemdeling verkeerd in een vreemd land? Hebben zij in hun hart terug willen keren tot het land waar God hen uit geroepen had?’

‘Nee’, zegt hij, ‘en waarom niet? Wel, ze hadden een beter vaderland op het oog.’

En hebben ze dat vaderland dan ontvangen? Nee, hier op aarde althans niet. Abraham, Izak en Jakob hebben maar in tenten gewoond. Ze waren maar vreemdelingen op de aarde. De vijanden woonden nog in het land der belofte. Abraham, wat heeft hij gehad? De grafspelonk te Machpéla, dat was het enige waar hij van zeggen kon: ‘Dat stukje grond is van mij!’ Verder trok hij maar rond van de ene plaats naar de andere. Maar… hij verwachtte de stad die fundamenten heeft. Hij had een hoop op de Messias. Hij begeerde Zijn dag te zien, zegt Jezus later, en hij heeft hem gezien en is verblijd geweest.

 

Nu, met al deze geschiedenissen wekt Paulus het hart van de gelovigen op om toch vast te houden aan de gerechtigheid van Christus, aan het kruis volbracht. En zo zegt hij ook in ons teksthoofdstuk: ‘Onze Hogepriester is boven en Hij weet van jullie omzwerven, Hij kent jullie kruis. Hij weet dat je in de vreemde verkeert en Hij kent je smart. Hij weet van je eenzaamheid.’

Want, zegt hij in het voorgaande vers, wij hebben geen hogepriester die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar Die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde. Dat is een dubbele ontkenning en dat betekent in het Grieks juist een heel sterke bevestiging. Geen hogepriester die niet kan medelijden hebben, dat betekent: Wij hebben een Hogepriester Die vast en zeker medelijden kan hebben met onze zwakheden.

Zo vertroost hij deze verstrooide gelovigen.

 

Geliefden, nu de toepassing voor óns leven. Wij zijn vandaag óók naar Gods huis gekomen. En al leven we paradijselijk, vergeleken met duizenden mensen in de derde wereld, wat onze uiterlijke welvaart betreft; niemand van ons zit hier met een hongerige maag, niemand zit hier op blote voeten, met gescheurde kleren, niemand zit hier die niet weet of er morgen nog brood op de plank zal zijn. Toch, zoals we hier vandaag naar het huis van God gekomen zijn, voelen we ons allerminst paradijselijk en voelen we ons allerminst de gelukkigste mensen! Er is altijd wel iets dat aan ons levensgeluk knaagt.

En daarbij: als we ons onze verhouding met God realiseren, dan is er ook zoveel in ons aller leven waarvan we zeggen moeten: ‘Heere, ga niet in het gericht met Uw knecht of met Uw dienstmaagd, want ik kan voor Uw aangezicht niet bestaan.’ Want als we gehoord hebben dat God van ons volmaakte liefde eist tot Hemzelf en tot onze naaste, en we gaan in onze gedachten dan de week terug, dan moeten we zeggen: ‘O God, waar ben ik niet bezoedeld door de zonde?’ Als ik dan let op mijn huisgezin, als ik dan in deze week let op mijn getuigenis in de buurt of op mijn werk, dan moet ik klagen: ‘Heere, wat ben ik toch voor een mens? Wat kleeft mijn ziel aan het stof!’

En daar komt bij dat er hier mensen gekomen zijn, die zeggen: ‘O, dominee, dat is nog het ergste niet, die uiterlijke tegenspoeden of die teleurstellingen, maar ik heb nog geen vrede met God. Ik weet dat ik zó niet sterven kan en ik ben naar Gods huis gekomen om bekeerd te worden, maar hoe moet dat nu? Wat moet er nu in míjn leven plaatsvinden? Wat moet ik nu doen?’

Ik hoop en ik geloof dat er zo ook hoorders hier gekomen zijn. Ik geloof dat er hier mensen zijn die zo denkend en zo biddend naar Gods huis gekomen zijn. Ik weet ook dat er hier kinderen van God zijn, die zeggen: ‘Ach, ook ik moet zeggen: wat kleeft mijn ziel aan het stof, ai, maak mij levend naar Uw woord!’ Die zeggen: ‘Ja, ik heb voorheen in het heiligdom God mogen aanschouwen met vrolijke ogen, maar ach, het is nu in mijn hart allemaal zo dor en zo ellendig gesteld.’

 

Welnu, denk nu niet dat u alléén die weg moet gaan. De kerk vóór u is ook dat doornenpad gegaan. God heeft ons op de aarde geen paradijs beloofd. Nergens! Hij heeft gezegd: ‘Als je Mijn kind wilt zijn, als je Mijn discipel wilt zijn, dan moet je je kruis opnemen!’ Dat betekent dus dat God je een kruis geeft. We kunnen niet zonder! We zouden verdwalen. We zouden een prooi van satan zijn en blijven, als God ons geen kruis gaf.

Door vele verdrukkingen moeten we ingaan. Dat staat ook in de Bijbel! Er staat niet alleen in de Bijbel dat Jezus Christus gekomen is om verlorenen te redden, om uw zonden weg te nemen, om u vreugde te geven, maar er staat ook in de Bijbel dat God u geroepen heeft om het kruis te dragen!

En laat dat kruis nu toch vandaag voor u geen beletsel zijn om u in de Heere te verblijden. Laat dat kruis u nu vandaag toch niet in de hand van de satan doen vallen of aan de kracht van het ongeloof doen prijsgeven!

 

Geliefden, luister nu toch wat de Heere hier zegt: Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade.

Voor een kind van het Oude Testament was dat erg duidelijk: de troon der genade, dat was de ark des verbonds. Daar woont God Zelf, daar wordt Zijn heil verkregen en ‘t leven tot in eeuwigheid. Dat was de ark en in de ark de wet en op die wet het verzoendeksel. Dat was de troon van God, waarvan gerechtigheid en gericht de vastigheden waren. Dat was die troon van God, waarvan Jesaja gezegd heeft dat hij de Heere zag zitten op een hoge en verheven troon. Dat was die troon van God, waarvan Johannes getuigde dat uit die troon stemmen gingen en bliksemen en donderslagen.

Dat was die troon, tot welke Nadab en Abihu durfden naderen met vreemd vuur. U weet wel, die twee zonen van Aäron, die niet de kolen van het brandofferaltaar in het heilige brachten om daarop het reukwerk uit te strooien, maar zomaar vreemd vuur namen. Ze deden dit waarschijnlijk in dronkenschap, want kort daarop kunt u lezen dat de Heere zegt: ‘Pas op dat de priesters geen wijn en sterke drank meer drinken.’

Op het brandofferaltaar werd verzoening gebracht, door het offeren van het geslachte dier, en van de kolen van dit altaar moest het vuur genomen worden voor het ontsteken van het reukwerk, zodat het reukwerk als een gebed werd gemengd met het offer, en daarom Gode aangenaam kon zijn. Maar nu namen Nadab en Abihu niet de kolen van dat brandofferaltaar . Dus laat ik het maar eenvoudig zeggen, dan begrijpen de kinderen het ook: ze durfden tot God naderen buiten Christus. Ze durfden tot God naderen zonder hét offer! En dan is God – zonder het offer – een verterend vuur en een eeuwige gloed. Laten we nooit denken iets, ook maar in het geringste, voor God te kunnen inbrengen, zonder de gerechtigheid van Jezus Christus. Want dan gaat er een bliksemstraal van de heilige God uit en dan worden Nadab en Abihu verteerd.

Ze bedoelden het misschien nog goed. Ze wilden tot de Heere misschien ook nog een gebed doen, een offer brengen, maar ze deden het op een verkeerde manier.

 

Een les voor ons allemaal. Jezus Christus is de Eerste en de Laatste. Buiten Hem geen bekering! Zonder Hem geen ontdekking!

O, laten we oppassen voor een godsdienst, die ook onder ons zo hier en daar ingang vindt, dat een mens iets zou kunnen doen – zelfs zondaar worden – zonder Jezus! Laten we oppassen voor een godsdienst die Jezus van Zijn eerkroon berooft. Laat ons oppassen voor een godsdienst waarin we menen zelf te kunnen komen tot kennis van onze zonde en tot een hartelijke droefheid naar God, in een andere weg dan alleen door Jezus Christus.

Want Hij is het, Die ons zondaar maakt. Hij is het, Die ons doet buigen onder de wet. Hij is het – van het begin tot aan het eind – Die ons zalig maakt! Want buiten Hem is God een verterend vuur. Buiten Hem kan niemand tot God komen. Al weende je een hele rivier vol met tranen, het zal je niet baten. Je bent, buiten Christus, voor God een verwerpelijk schepsel. Je kunt ook nooit zonder Hem vrede in je hart krijgen. Je kunt zelfs geen traan over je zonden schreien, buiten Jezus!

Paulus heeft het beoefend. Hij zegt: ‘Ik weet het: zonder Christus kan ik niets doen, nochtans vermag ik alle dingen door Christus, Die mij kracht geeft.’ Laat dat diep in onze ziel gegrift staan.

 

Ik heb straks gezegd dat ik geloof dat er hier meisjes en jongens zijn, dat er hier mannen en vrouwen zijn, die zeggen: ‘Heere, nu ben ik vandaag naar Uw huis gekomen en ik weet dat het nodig is dat ik me tot U bekeer. Ik weet dat het nodig is dat ik een nieuw leven moet hebben, dat naar U verlangt, dat hongert en dorst naar U, maar hoe moet ik nu beginnen? Wat moet ik nu doen?’

Wel, geliefden, hier zegt de apostel het: Laat ons dan toegaan tot de troon der genade. Kan dat dan zomaar? Ja! Niet omdat het van onze kant zómaar kan. Van onze kant is er geen weg meer naar God. Dat kan niet, maar dat behoeft ook niet. Want God heeft van Zijn kant een weg geopend! En de voorhang is niet gescheurd door ons bidden. De weg naar de hemel is niet geopend omdat wij zulke ernstige mensen zijn die het zo goed met God en de godsdienst menen, maar Gód heeft de weg geopend!

O, laten allen die naar God zoeken daar toch aan denken. Wij denken zo menigmaal dat wij smekelingen zijn aan de troon der genade; maar ja, je weet maar nooit of God het wil, nietwaar? Want de mensen in de kerk zullen toch niet allemaal in de hemel komen, dus stel je voor dat ik nu niet bij het getal der uitverkorenen behoor, dan kan ik doen wat ik wil, maar...

Zo’n gedachte is toch ook wel eens in jouw hart, nietwaar? Ik weet het van mijzelf nog heel goed. Ik ben ook, net als jullie, opgevoed door godvrezende ouders. Ik wist ook heel goed dat ik zó niet verder leven en sterven kon en dan was daar ook dikwijls in míjn hart die benauwende gedachte: je kunt doen wat je wilt, je kunt kerkgaan wat je wilt, je kunt bidden wat je wilt, maar als je toch niet in het levensboek geschreven staat, dan kom je er nooit!

 

O, geliefden, wat bezien we dán toch die Goddelijke waarheid met blinde ogen. En je weet, een blinde kan toch niet de waarheid lezen? Want o, zó is het niet! Het is zeker waar dat God van eeuwigheid verkoren heeft die Hem zullen loven en prijzen. Gelukkig wel! Anders kwam er niemand in de hemel.

Maar juist daarom is het dat God die weg geopend heeft; dat God niet aan u vraagt in het boek van Zijn raad in te blikken, maar Hij vraagt aan u: ‘Luister toch, o zondaar, luister toch naar Mijn gebed!’ Want het is zo, dat wij van Christuswege bidden, alsof God door ons bade: Laat u met God verzoenen! (2 Kor.5:20).

Het is niet zo dat u hier vandaag gekomen bent om God aan te roepen, dat ook, maar in de eerste plaats heeft God ú samengeroepen en Hij bidt vandaag aan uw hart en zegt: ‘Zondaar, Ik heb die troon toch geopend!’ Laat ons dan tot die troon der genade gaan!

 

Voor wie is dan die troon geopend? Voor het schuldige volk, dat daar voor die tempelpoort lag. Zij mochten in het heiligdom niet binnengaan. Niettemin heeft God onder het Oude Testament dat heerlijke evangelie reeds ontsloten. Al was het nog niet zoals nu onder het Nieuwe Testament, toch heeft de Israëliet van het Oude Testament van God ook een plaats gekregen waar hij met zijn noden en met zijn zorgen mocht komen.

En als dan de hogepriester naar binnen ging, één keer per jaar, niet zonder bloed, dan was het volk daar buiten en ze lagen voor het aangezicht van God, tot de hogepriester weer uitkwam en het werk volbracht had in het binnenste heiligdom. En dan was er ook voor het kind van het Oude Testament genade en vrede door God, Die is en Die was en Die komen zal.

Als dan de hogepriester terugkwam en zijn handen zegenend uitbreidde over het neergeknielde volk, dan stonden ze op en begonnen ze te zingen: ‘Geloofd zij God met diepst ontzag, Hij overlaadt ons dag aan dag met Zijne gunstbewijzen!’

Zo hebben zij ook ervaren wat wij mogen ervaren onder het Nieuwe Testament. Wat toen alleen voor het volk der Joden was, dat is nu voor al de volkeren der aarde. Want die toegang is geopend, die voorhang is gescheurd, de weg naar het binnenste heiligdom gebaand.

 

‘Ja’, zegt u, ‘maar die stem en die bliksem en die donderslagen dan? Die heiligheid en die majesteit, is dat dan allemaal verdwenen?’

Nee, geliefden, gelukkig niet! Een God Die deze eigenschappen niet had, zou niet waardig zijn aangebeden te worden. Nee, die troon is nog dezelfde gebleven en die God, Die op de troon zit, is Dezelfde gebleven.

‘Maar ja’, zegt u, ‘dat is het nu juist! Kijk, ik zou wel hoop hebben, maar ik, wie ben ik, en wie was ik in het verleden! Hoe kan ik nu hopen op God? Hoe kan ik nu tot die troon gaan? Zou God me dan wel aannemen? Ben ik dan niet waard dat Hij me zal verstoten? Ik heb al zoveel roepstemmen in mijn leven gehad! Ik ben altijd nog mijn eigen weg gegaan. God heeft me menigmaal uitgeholpen en dan nog geen dag, geen week, geen jaar later was ik weer diezelfde wereldse mens. Ik kan niet zeggen dat ik God hartelijk liefheb en dat Hij het hoogste van mijn blijdschap is.’

Of misschien zegt u: ‘Ja man, ik weet ervan. Ik heb die toegang ook voor mij geopend gezien, toen de liefde en de barmhartigheid van God me verteerde en toen ik mijn zonden zo hartelijk beleed voor God. Toen ik niet kon gaan slapen voordat ik me leeg geschreid had vanwege de genade van God over mij. Maar dat is allemaal weg. Ik kan amper een traan uit mijn ogen krijgen. Mijn hart is zo hard geworden. ‘t Is waar, ik heb de genade van God mogen zien. Ik heb zelfs, van verre, op het kruis mogen blikken. Ik heb wel eens geloofd dat Jezus Christus ook voor mijn zonden gestorven is. Ik heb wel eens zo’n hemelse blijdschap in mijn hart gehad, dat ik zei: Heere, nu zal ik nooit meer twijfelen!’

‘Maar’, zegt u vandaag misschien, ‘dat is al zo lang geleden en zo ver weg. Het is al zo uitgesleten! Ik kan er niet eens meer met vreugde over praten. Ik weet zelfs niet meer of het wel echt waar geweest is!’

 

Luister! Hier zegt Paulus: Laat ons dan met vrijmoedigheid (dat betekent eigenlijk in de grondtekst: met vrijheid van spreken) toegaan tot de troon der genade. Want het is een troon der genáde. Diezelfde troon, waaruit stemmen en bliksemen en donderslagen komen, is een troon der genade!

Denk nog even terug aan het Oude Testament. Hoe kwam het dat die hogepriester niet verteerd werd? Wel, hij ging daar in, gekleed in eenvoudige kledij en met een schaal met bloed in zijn handen. Dat was alles. Dat was zijn behoudenis. En een kind weet natuurlijk wel dat dat bloed heen wees naar het bloed van het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt. Dus hoe kon die in zichzelf onreine hogepriester – hij was ook maar een mens uit de mensen genomen – hoe kon hij nu voor God verschijnen en in leven blijven? Alleen door het bloed!

 

En nu vraagt u: ‘Wat betekent dat nu voor mij?’ Wel dit, geliefden, dat de weg naar God u verkondigd wordt in het bloed van Hem, Die als onze geheel enige Hogepriester het heiligdom binnengegaan is, niet met het bloed van stieren of bokken, maar met Zijn eigen bloed.

Die toorn van God, die bliksemen, die stemmen en die donderslagen hoort u duidelijk op Golgotha’s top, waar de Zoon van God Zichzelf offert, waar Hij Zich overgeeft aan Zijn Vader, waar Hij sterven gaat om úw zonden, waar Hij de helse angsten ondergaat en van God gescheiden uitroept: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? (Matth.27:46)

Dáár zijn de stemmen, de bliksemen en de donderslagen, maar ze zijn voor Hem in het gericht Gods, opdat wij nimmermeer in het gericht Gods komen zouden. Zo zegt ons het avondmaalsformulier.

En daarom, moede en verslagen pelgrim, jongen of meisje, die zo graag tot God bekeerd wilt worden omdat je weet dat er maar één volk gelukkig is; kom dan in deze weg, die God geopend heeft. Want al haal je je hart op in deze wereld, je bent niet echt gelukkig. En als je ‘s avonds je hoofd op het kussen legt, dan weet je dat je niet voor Gods aangezicht kunt en durft verschijnen. O, geliefden, zoek het nu eens op de rechte plaats. Zoek het nu eens dáár, waar het te vinden is.

 

En daarom klinkt het: Laat ons! Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan. Want de Heere God heeft geweten van het begin af, wie u was. Wij hebben geen hogepriester die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden. Nee, er staat niet dat Hij medelijden heeft met onze zonden, maar Hij heeft medelijden met onze zwakheden! Dat betekent: ons zwakke komen, ons zwakke bidden, ons zwakke luisteren, ons zwakke hopen en ons zwakke liefhebben. Zodat wij er van zeggen moeten: ‘Heere, het is niet volmaakt, het is maar zo ten dele!’ Ja, zelfs de droefheid die in ons hart kan zijn over onze zonden is toch altijd maar zwak.

Want onthoud het goed: die verloren zoon is niet door zijn vader bemind vanwege de oprechtheid van zijn schuldbelijdenis. Welnee, die vader heeft hem bemind omdat die zoon zijn kind was! Op welke manier die zoon ook teruggekomen zou zijn, die vader zou hem aangenomen hebben, want het was immers zijn kind! Niet de oprechtheid van onze schuldbelijdenis, óók niet de diepten van onze angst over de zonden is de weg tot God, is de grond van onze aanneming.

 

O, geliefden, velen onder ons zijn daarin verstrikt. Zij redeneren en zeggen: ‘Ja maar, je moet toch éérst verloren gaan; je moet toch éérst aan het eind van de wet komen, je moet toch éérst helemaal radeloos en hopeloos zijn?’

O, ik geef toe dat God met sommigen van Zijn kinderen zulk een weg houdt, maar lang niet met al Gods kinderen. O nee! Er zijn kinderen van God – lees maar wat vader Brakel daar over schrijft – die van jongs af aan door het evangelie bewogen zijn om in de Heere te geloven. Er zijn kinderen van God die de diepte van hun val zien in het kruis van Christus, die, wanneer hun gepredikt wordt dat de Vorst des Levens Zich in de dood gaf, daardoor van hun diepe schuld overtuigd worden. Zij hebben gezien hoe de stem en de bliksemen en de donderslagen Hem in het hart troffen en zeggen: ‘O God, dat is mijn plaats! Daar moest ik sterven. Daar moest ik verloren gaan!’ Zij gaan daar met Christus verloren, om met Hem te mogen opstaan tot een nieuw leven.

 

Laat ons dan – want die barmhartige Hogepriester heeft medelijden met onze zwakheden – met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen en genade vinden.

 

Paulus staat hier midden onder ons en hij zegt: ‘Kom toch, broeders en zusters, kom toch, jongens en meisjes, kom toch, kinderen, laten we samen gaan! Ik en jullie. Laten we samen gaan tot die troon, want ik ben óók maar een zondaar, die van de genade van God moet leven. Ik word ook maar gered omdat God vriendelijk en barmhartig en genadig is.’

Calvijn heeft eens zo terecht gezegd: ‘Zalig worden, dat is je neerwerpen op Gods barmhartigheid!’ Onlangs vroeg een man: ‘Dominee, is dat alles?’ Ik zeg: ‘Dat is alles! Dat is het begin, het midden en het einde: je neerwerpen op Gods barmhartigheid! Dat is zalig worden.’

Gemakkelijk, nietwaar? Een kind kan het, werkelijk waar! Wie zó met zijn hart tot God nadert – tot deze troon van genade – om barmhartigheid te verkrijgen, die zal nooit beschaamd uitkomen.

 

Dat woord ‘barmhartigheid’ is afgeleid van het oud-Hollandse woord ‘barnen’, dat ‘branden’ betekent. Want waar is het een waarlijk ontdekte ziel om te doen? Om aan Gods hart te mogen luisteren, om genade, om liefde, om barmhartigheid te verkrijgen. Voor ons, die door de zonde van God gescheiden zijn. God is toch zo waardig om gediend te worden. Heb je het ooit in je leven wel eens ervaren? God is zo goed voor ons.

O, dat moet natuurlijk niet alleen maar een bloot zeggen zijn, maar dat moeten we met onze ziel voelen: Heere, u bent toch zo goed voor ons. Waarom ben ik toch zo’n ellendeling? Waarom ben en blijf ik nu toch zo’n zondaar? Waarom blijf ik Uw stem maar ongehoorzaam? Waarom doe ik nu altijd maar wat ik zelf wil? Heere, bekeer me toch!’

Is dat wel eens de nood van uw ziel geworden? Voor God niet te kunnen bestaan, maar zonder God niet te kunnen leven? Dat geeft een nood in onze zielen. Dan schreeuwt ons hart naar de levende God, gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen. Dan zeggen we: ‘Heere, ontferm U mijner, wees mij barmhartig! Laat Uw hart branden ten opzichte van mij. Genees mij, red mij, verlos mij! Heere, vergeef mij mijn zonden!’

 

We zingen er eerst van uit Psalm 6 en daarvan het tweede en negende vers:


Vergeef mij al mijn zonden,
Die Uwe hoogheid schonden;
Ik ben verzwakt, o Heer’!
Genees mij, red mijn leven;
Gij ziet mijn beend’ren beven;
Zo slaat Uw hand mij neer.


De Heer’ wild’ op mijn kermen,
Zich over mij ontfermen;
Hij heeft mijn stem verhoord,
De Heer’ zal, op mijn smeken,
Geen hulp mij doen ontbreken;
Hij houdt getrouw Zijn woord.

 

Barmhartigheid mogen verkrijgen… om niet! Uit genade! En genade vinden! Dat is het, waar onze ziel naar zoekt. ‘Genâ, o God!’ Dat zocht die man daar achter in de tempel. Hij had niet veel meer te zeggen. Hij had God niets meer aan te bieden. Hij kon niet meer zeggen: ‘Kijk, Heere, wat ik voor U gedaan heb.’ Hij stond daar, de tollenaar, en hij sloeg met zijn hand op zijn borst. Het enige wat hij uitbrengen kon en wat hij bidden kon, was: O God, wees mij zondaar genadig (Luk. 18:13). ‘Laat mij Uw barmhartigheid mogen verkrijgen en genade mogen vinden.’

Genade wordt altijd gevonden. ‘Ik zeg u’, zegt de Heere Jezus: Een ieder die bidt, die ontvangt; en die zoekt, die vindt; en die klopt, die zal opengedaan worden (Matth.7:8). Een iegelijk! Wat de satan ook zegt! Wat ook de mensen zeggen! Wat ook uw eigen hart u zegt! Luister, Jezus zegt: ‘Ik zeg ulieden dat een iegelijk die bidt, die ontvangt!’ En onze catechismus zegt dat de Heere Zijn Heilige Geest wil geven. Aan wie? Aan hen die Hem bidden.

 

O, geliefden, ik weet het. Van achteren bezien, nadat we tot Christus gekomen zijn, drinkend uit de Bron, dan heeft nog nooit iemand gezegd: ‘Heere, dat dacht ik wel; want ik heb zo vroeg al gebeden. Ik heb zo hartelijk U gezocht…’ Ach nee. Nooit heeft een kind van God zo gesproken. U hoeft daar niet bang voor te zijn. Al onze werken, ook dit, zijn een wegwerpelijk kleed!

Maar dit is het: die genade en die barmhartigheid en die goedheid van God is tot ons gekomen en God heeft ons de middelen gegeven. Vader Hellenbroek heeft het ons reeds geleerd, dat God niet alleen besloten heeft wie zalig zal worden en wie verworpen is, maar God heeft óók de middelen – tot het einde – mede besloten. Dat wil heel eenvoudig zeggen: als je God vroeg zoekt, dan mag je daaruit weten dat God heeft besloten om je zalig te maken. Want Hij heeft ook de middelen, de weg tot de zaligheid mede besloten. God heeft niet alleen dat eindpunt  besloten, waar je terecht zult komen, maar God heeft ook in Zijn besluit de weg opgenomen.

En nu is het waar dat er, vanwege de grote barmhartigheid van God, zelfs mensen in de hemel komen die Hem nooit gezocht hebben. Dat is waar! Gelúkkig maar, want anders zou er voor de heidenen geen enkele mogelijkheid zijn. Maar dat is níet Gods algemene weg. Gods algemene weg is wat we gezongen hebben uit Psalm 103 vers 9:

 

Maar ‘s Heeren gunst zal over die Hem vrezen,

In eeuwigheid altoos dezelfde wezen;

Zijn trouw rust zelfs op ‘t late nageslacht,

Dat Zijn verbond niet trouweloos wil schenden,

Noch van Zijn wet afkerig d’ oren wenden,

Maar die, naar eis van Gods verbond, betracht.

 

Dat betekent heel eenvoudig gezegd: wie wandelt in de leer waarin hij opgevoed is, die de God zoekt van zijn vader en van zijn moeder, die zal, gedachtig aan Gods verbond, niet trouweloos de inzettingen des Heeren verlaten. En God zal niet feilen in Zijn trouw en Zijn verbond niet trouweloos schenden!

Onthoud het, God heeft de middelen mede besloten tot het einde. Als je niet naar de Heere vraagt, als je het Woord van God aan je laars lapt, als je alleen ‘s zondags voor de vorm in de kerk zit en je zit je te vervelen omdat het Woord van God je toch niets meer zegt en als dat zo blijft, dan heeft de Heere besloten om je verloren te laten gaan. God heeft de middelen mede besloten, tot je einde!

Maar als het Woord van God je aanspreekt, als het je op je knieën brengt; als dat Woord je in verwondering doet buigen aan de voeten des Heeren, als je de Heere gaat zoeken terwijl Hij nog te vinden is, en Hem aan gaat roepen terwijl Hij nabij is, dan zegt Hij: ‘Maar Ik zeg u, dat een iegelijk die zoekt, die vindt; en die klopt, die zal worden opengedaan.’ Dan zal de Heere haastelijk horen, dan zult u barmhartigheid verkrijgen en genade vinden.

Hoort u het? Zoek dan de Heere en leef! Want die Hem zoeken, die zullen Hem vinden! Dat is niet een woord van mij, ja, het is ook mijn woord, omdat ik het Woord van God voor u vertolken mag, maar het is een woord uit de mond van de Zaligmaker, van Hem Die niet liegen kan.

 

Om geholpen te worden ter bekwamer tijd. Onthoud het goed. Die bekwame tijd, wat betekent dat? Wel, dat is de tijd dat we het nodig hebben. Wanneer is die bekwame tijd? Als je straks in het ziekenhuis terechtkomt? Het kan, maar ik zou het er toch niet op wagen. Het kan best zijn dat je zo versuft bent van een ongeluk of een ziekte, dat je niet eens meer je gedachten kunt ordenen.

Wanneer is die bekwame tijd? Over een jaar, als je het wat rustiger hebt? Als de drukte van het werk wat voorbij is? Straks, als je niets anders meer hebt om voor te zorgen dan je huisje of je tuintje? Is dat de bekwame tijd? Vergeet het maar! Het staat wel niet in de Bijbel, maar het is menigmaal de praktijk van het leven: hoe ouder, hoe kouder! Gelukkig niet altijd. Het Woord van God doet altijd wat: het verbreekt je hart, of het verhardt je hart.

Wanneer is het dan de bekwame tijd? Wel, nu! Onder deze preek, voordat ik het ‘amen’ uitgesproken heb! Dat is de bekwame tijd! Heden!

De satan zegt: ‘Morgen! Vandaag nog eten en drinken en vrolijk zijn, want je sterft morgen pas.’ Maar de Heere zegt: ‘Heden, nu je Mijn stem hoort! Ach, verhard dan je hart niet, maar laat je leiden. Heden! Nu!’

Het is nu de tijd om de Heere de hand te geven en te komen tot Zijn heiligdom. Dus nu – terwijl u dit woord hoort – wordt het tijd dat u uw ziel tot God opheft en God, Die in de hemel woont, aanroept als Getuige, en zegt: ‘Ik zal van nu af de wereld verzaken en in een nieuw christelijk leven wandelen. Ja, ik zweer van nu af dat ik Hem zal aankleven, totdat Hij ook mij genadig zij. Ik zweer van nu af dat ik Zijn verbond niet meer zal schenden, noch van Zijn wet trouweloos de oren wenden; dat ik bij de Heere zal blijven, wat de satan ook zegt en wat de wereld me ook aanbiedt en wat er in mijn eigen hart ook omgaat. Ik heb nu het Woord van God gehoord: Laat ons dan met vrijheid van spreken toegaan tot de troon der genade.’

 

En dan weet ik, geliefden, wat u gaat zeggen. ‘Ik? Maar dan moet er toch éérst wat in mijn leven gebeuren?’ Maar, geliefden, wat kan er dan in uw leven gebeuren zonder Hem Die op de troon zit? Zonder die medelijdende Hogepriester? Hoe zult u dan ooit uw zonden overwinnen? Hoe zult u dan ooit treuren over het gemis van God? Hoe zult u zich dan ooit in waarheid voor God in stof en as verootmoedigen? Dat kan alléén maar geleerd worden door Hem Die op die troon zit.

Hij is een medelijdende Hogepriester. Ja, nu nog wel! Als u de tijd voorbij laat gaan, o, dan blijft er niets anders over dan stemmen en bliksemen en donderslagen. Wat zal dat verschrikkelijk zijn! Want we moeten toch eenmaal voor die troon verschijnen. Er is geen sterveling die niet voor die troon verschijnen zal. Vroeg of laat zult u voor die troon van God komen!

Maar als u de tijd voorbij laat gaan, als u deze bestemde tijd, die God u gegeven heeft, deze bekwame tijd, laat voorbijgaan, dan is er een engel die zal zweren bij Dien, Die leeft tot in alle eeuwigheid, dat er geen tijd meer zijn zal!

 

De bekwame tijd is nu! En wat zal het voor u zijn – ik kan het niet indenken, ik wil er ook niet breed over spreken, maar ik kan en mag voor u ook niet verzwijgen, wat het zal zijn als u deze roepstem naast u neerlegt; als u uw hart verhardt!

Misschien van de week, misschien volgende week, misschien over een jaar, en wat is vijftig jaar in het licht van de eeuwigheid, maar dan zult u voor die troon komen. En als u dan nu niet tot die geopende troon gaat, bewogen door de medelijdende Hogepriester, dan zal Hij u straks dagvaarden met een stem als een donderslag en dan zult u op duizend vragen niet één kunnen antwoorden. Dan zal Hij u voor Zijn rechterstoel trekken en niemand zal u uit Zijn hand rukken. Want Zijn beledigde liefde zal het oordeel over u vellen! Onthoud dat goed! Dan zal die medelijdende Hogepriester de Rechter zijn over levenden en doden en Hij zal Zijn engelen bevelen en zeggen: ‘Deze jongen en dit meisje, deze vader en die moeder, die niet wilden dat Ik Koning over hen zijn zou, bindt hen en werp hen uit in de buitenste duisternis. Daar zal wening zijn en knersing der tanden (Matth.22:13).’

 

Ach kom, laat dat voor u niet nodig zijn! Het is nu de welaangename tijd, het is nu de dag der zaligheid. Kom dan, met al uw zorgen en bekommernis. Kom dan, met al uw zonden en noden. Kom dan, met uw onbekeerde hart of met uw hart dat door zoveel angsten en noden gekweld wordt. Kom dan, met uw lusteloosheid, en met uw boosheid, want Hij heeft gezegd: ‘Alles wat u ontbreekt, schenk Ik – zo gij het smeekt – mild en overvloedig.’

 

En wat zal de uitkomst zijn? Als u nu komt, eer het besluit bare, dan zult u het bevinden wat ik, en wat al Gods kinderen in dit leven ervaren hebben: ‘Waarlijk, de helft is mij niet aangezegd!’ Als u dan voor die meerdere Salomo komt en u reeds in dit leven voor Hem neerbuigt, dan zullen er uit die troon geen stemmen, bliksemen en donderslagen komen. Die waren er wel voor Jezus op Golgotha, voor onze lieve Borg en Zaligmaker. Maar, o, dan komt er voor ons vrijspraak, genezing, vrede, en blijdschap, kortom: leven!

En als dat hier reeds op aarde zo is onder kruis en strijd, dan klemmen we het kruis weer wat vaster aan onze schouder. Dan zeggen we: ‘Heere, U doet het goed, hoor! U doet het goed! Ik heb er niets meer tegen in te brengen. Ik kan zelfs het kruis niet missen.’

En zo reis ik dan toch getroost, onder het heiligend kruis, naar het erfgoed hierboven, naar het vaderlijk huis. Want mijn Jezus geleidt me door deze aardse woestijn. Gestorven voor mij, zal mijn zwanenzang zijn.

 

Amen.

 

Slotzang: Gebed des Heeren: 9 en 10

 

Want Uw is ‘t Koninkrijk, o Heer’,

Uw is de kracht, Uw is al d’ eer.

U, die ons helpen wilt en kunt,

Die, in Uw Zoon, verhoring gunt,

Die door Uw Geest ons troost en leidt,

U zij de lof in eeuwigheid.

 

Ja, amen, trouwe Vader, ja;

Wij maken staat op Uw genâ.

Ons hart, o God, die alles ziet,

Veroordeelt ons in ’t naad’ren niet;

Het zegt, daar G’ op ons bidden let,

Gelovig amen op ‘t gebed.

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Geen ander evangelie’ (deel 2) van ds. L. Huisman (Uitgeverij P. Boekhout, 2000).