Ds. D. Rietdijk - Maleachi 2 : 5 - 7

Levi, de engel des HEEREN

Het verbond met Levi
Het leven van Levi
Het werk van Levi

Maleachi 2 : 5 - 7

Maleachi 2
5
Mijn verbond met hem was het leven, en de vrede; en Ik gaf hem die tot een vreze; en hij vreesde Mij, en hij werd om Mijns Naams wil verschrikt.
6
De wet der waarheid was in zijn mond, en er werd geen onrecht in zijn lippen gevonden; hij wandelde met Mij in vrede en in rechtmatigheid, en hij bekeerde er velen van ongerechtigheid.
7
Want de lippen der priesters zullen de wetenschap bewaren, en men zal uit zijn mond de wet zoeken; want hij is een engel des HEEREN der heirscharen.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 138: 1
Lezen : Maleachi 2
Zingen : Psalm 119: 84, 85
Zingen : Psalm 65: 1, 2
Zingen : Psalm 150: 1

Gemeente, wij willen met u uit Maleachi 2 de verzen 5 tot en met 7 overdenken. We lezen daar het Woord des Heeren als volgt:                                                                                                                         

 

Mijn verbond met hem was het leven en de vrede, en Ik gaf hem die tot een vreze, en hij vreesde Mij; en hij werd om Mijns Naams wil verschrikt. De wet der waarheid was in zijn mond, en er werd geen onrecht in zijn lippen gevonden; hij wandelde met Mij in vrede en in rechtmatigheid, en hij bekeerde er velen van ongerechtigheid. Want de lippen des priesters zullen de wetenschap bewaren, en men zal uit zijn mond de wet zoeken; want hij is een engel des Heeren der heirscharen.

 

Onze tekst spreekt over: Levi, de engel des Heeren.

 

Wij gaan letten op:

1. Het verbond met Levi

2. Het leven van Levi                                       

3. Het werk van Levi

 

Onze eerste gedachte is dus:

 

1. Het verbond met Levi

 

Gemeente, in Maleachi 2 vers 1 tot en met 9 wordt eigenlijk een gesprek gevoerd met het volk Israël. Het onderwerp van dit gesprek is het verbond met Levi dat verbroken wordt. In het vorige gesprek, dat in het eerste hoofdstuk plaatsvond, kwamen de onheilige offers die in de tempel werden gebracht aan de orde. De priesters accepteerden de slechtste dieren; blinde, kreupele, zieke, en zelfs gestolen dieren werden als offer aangeboden. Daarom sprak de Heere: ‘Sluit die tempeldeuren maar toe, want die offers die u brengt zijn immers nutteloos. Voor Mij zal een ander offer gelden.’ Het offer dat voor God aangenaam is, is het offer dat God Zelf heeft gebracht, namelijk het offer van Christus.

In het derde gesprek dat de profeet Maleachi met het volk Israël voert, gaat het niet over het offeren door de priesters, maar over het onderwijs in de wet dat de priesters aan Israël moesten geven.

Levi wordt in vers 4 een engel van de Heere der heirscharen genoemd. Je zou kunnen zeggen: een bode van de Heere. Deze priester uit de priesterstam Levi, moest het volk onderwijzen in de wet van God. Wanneer nu de priesters tekortschoten in dat onderwijs, verwekte de Heere soms profeten – Maleachi betekent: bode of gezant van de Heere – die dan naast de priesters optraden.

We zien dit voor het eerst toen het huis van Eli zo diep weggezonken was dat zijn zonen, Hofni en Pinehas, zelfs van het offervlees stalen. De Heere verwekte toen Samuël als eerste profeet, om het volk onderwijs te geven.

Door een bijzondere bediening van de Heilige Geest spraken die profeten het Woord des Heeren. Het was beschamend wanneer dat nodig was. Want de Heere had de opdracht om te onderwijzen in de wet aan de stam van Levi gegeven. Die opdracht was zelfs gevat in een verbond met Levi. Daarom staat in onze tekst: Mijn verbond met hem – Levi – was het leven en de vrede.

 

Behalve het verbond der genade, dat de Heere had opgericht met Israël, was er dus ook een verbond met Levi, één van de zonen van Jakob. De priesters over wie het in ons tekstgedeelte gaat waren nakomelingen van Levi.

Uit het priestergeslacht van Levi kwamen vooraanstaande mannen voort. Mozes en Aäron waren afkomstig van de stam Levi. Tot die stam behoorde ook een groot profeet als Jeremia, de man uit Anathoth. Uit het ge­slacht van Levi kwam ook Johannes de Doper. Hij had een priester als vader, en zijn moeder was uit het ge­slacht van Aäron.

 

Het verbond dat de Heere met de priesterstam Levi had gesloten, en daarin met de priester Levi uit onze tekst, was niet uit verdienste. Nee, het levitische priesterschap was verkiezende genade van God. God heeft Levi tot priester en tot engel van de Heere der heirscha­ren gemaakt.

Dit kon niet duidelijker aan het licht worden gebracht dan door de persoon van Levi zelf, de stamvader van alle priesters en Levieten. Levi had zijn vader Jakob samen met zijn broer Simeon een groot verdriet aangedaan. Want de beide broers hadden met een bloedige wraak hun zuster gewroken, en geheel Sichem uitgemoord. Vanwege deze afschuwelijke en onwaardige daad heeft de oude aartsvader Jakob op zijn sterfbed hen  gevloekt en uitgeroepen: Si­meon en Levi zijn mannen van geweld. Hun handelingen zijn werktuigen van geweld. Mijn ziel kome niet in hun verborgen raad (Gen.49:5-6).  

In heftige verontwaardiging en heilige toorn heeft hij gezegd: Vervloekt zij hun toorn want hij is heftig, en hun verbolgenheid, want zij is hard. Ik zal hen verdelen onder Jakob en zal hen verstrooien onder Israël (Gen.49:7).

 

Levi werd dus gevloekt! Maar letten we nu op het wonder waarover het Woord van God spreekt, het wonder waaraan u ook deel zult moeten verkrijgen. Want God zegent dit vervloekte geslacht van Levi. God maakt Levi tot een vader van alle priesters! God is het die verkiest, Die een vloek in een zegen verandert, en Die dat doet naar Zijn welbehagen. Ik zal genadig zijn wien Ik zal genadig zijn (Ex.33:19), zo heeft de Heere gezegd in Exodus 33. Op dit wonder van vrije, soevereine, verkiezende liefde kon Malea­chi zich beroepen als hij over Levi zegt: Mijn verbond met hem was het leven en de vrede.

De Heere maakte dit verbond met Levi opdat zij een priesterstam zouden zijn, om de offerdienst te volbrengen en onderwijs te geven. Wanneer Mozes ten overstaan van het volk Israël zijn afscheidswoorden spreekt en bij de stam van Levi terechtkomt, zegt hij: Uw Thummim en uw Urim zijn aan de man, Uw gunstgenoot (Deut.33:8). Vervolgens herinnert Mozes eraan dat Levi tot zijn vader en zijn moeder zei: Ik zie hem niet; en die zijn broederen niet kende en zijn zonen niet achtte; want zij onderhielden Uw woord en bewaarden Uw verbond (Deut.33:9).

Gemeen­te, u weet ook dat toen het gouden kalf werd opge­richt bij de Sinaï, alleen de stam van Levi Mozes trouw is gebleven. Zij hebben toen alle Israëlieten gedood die op een bijzondere wijze aan de totstandkoming van het gouden kalf hadden bijgedragen. Zij ontzagen niemand; geen vader, geen moeder, of ander familielid. Zonder aanzien des persoons heeft Levi het woord des Heeren uitgevoerd. Zij waren getrouw aan het woord van God, zij bewaarden het verbond van God.

 

Levi is tot pries­terstam verkoren. Het verbond was hem ten leven en vrede; want de volheid van het heil was erin begrepen. Levi, de bedienaar van het offer, die het volk mocht zegenen, die in het heilige de voorbede deed, had een verbond met God. Dat verbond was hem ten leven. De vloek van Jakob was de dood, omdat de stam Levi een stam van toorn was.

Gods toorn is heftig. Maar nu, bij het afscheid van Mozes, sluit God met een gevloekte een verbond dat hem ten leven en tot vrede is. Een verbond met een gevloekte vanwege Zijn toorn.

In het verbond dat God met een mens sluit ligt het leven. De vloek brengt ons de dood. Alle mensen zijn aan de dood onderworpen. U hoeft geen profeet te zijn om te zien dat ook wij onder dat oordeel liggen. Uiteindelijk ligt de oorzaak van die dood in de vloek die werd uitgesproken in het paradijs omdat wij God verlaten hebben.

Maar nu zien wij dat God naar Zijn eeuwig voorne­men, naar Zijn goddelijke goedheid, naar Zijn genade in Chris­tus, het leven geeft aan gevloekte mensen, vrede aan mensen  die met hun felle vijandschap de vrede verwoest hebben.

Dat leven en vrede schenkt God ook aan een ieder die genade ontvangt. Het is een gelukkig mens die het leven mag vinden in Christus, en vrede mag vinden met God in het bloed des kruises. Die mens krijgt rust, innerlijke rust in het hart. Door die gemeenschap met God mag hij het ware leven beoefenen.

 

Ik gaf hem die tot een vreze, zegt de Heere in onze tekst. Want als Hij genade geeft, als Hij het leven geeft, en vrede, dan schenkt God dat met een bepaald doel. Ik gaf hem die tot vreze. Er staat immers bij: En hij vreesde Mij. Hij werd verschrikt om Mijns Naams wil.

Dus Levi moest leven in godsvrucht, leven naar het Woord van God. De Heere geeft Zijn genade niet voor niets, Hij geeft die genade opdat Hij verheerlijkt zal worden, opdat Zijn Naam zal worden grootgemaakt. Want: ‘Al wat Hij wrocht, zal juichen tot Zijn eer.’

God geeft genade wel om niet, maar niet voor niets. Hij geeft haar om niet, want Hij geeft haar aan een gevloekte. Maar Hij geeft haar niet voor niets. Hij geeft genade, opdat die genade in ons leven zal zijn tot verheerlijking van de Naam des Heeren. Daarom staat er: En Ik gaf hem die tot een vreze, en hij vreesde Mij.

 

En hij werd verschrikt om Mijns Naams wil. Gemeente, wie hier op aarde zoals Levi geroepen wordt om bode, om gezant, om engel des Heeren te zijn, is dat uit louter genade, zonder enige verdienste.

Levi mocht de schat van de goddelijke genade dragen, de woorden van het evangelie moesten op zijn lippen liggen. Die moest hij spreken; hij moest gewagen van de genade van God, door het offerbloed dat in de tempel vloeide. Hij moest spreken van de genade van God, die in die wassingen met het water lag, waardoor het volk gereinigd werd. Hij moest spreken van genade!

Maar een priester die als een gevloekte van genade moest spreken, moest zelf ook van genade leven. ‘En Ik had een verbond met hem’, zegt de Heere, ‘een verbond dat hem ten leven was en tot vrede was. Door dat verbond dat Ik met hem had zou hij Mij vrezen en voor Mijn aangezicht leven.’

Dus een priester, en elke gezant, elke engel des Heeren der heirscharen, moet van het genadebrood van God eten.

 

Gemeente, wanneer wij van genadebrood moeten leven, dient dat een mens ootmoedig te maken. Het wil zeggen dat je van gegeef moet gaan leven, dat je uit enkele goedheid moet gaan leven. Dat kan alleen maar ootmoedig stemmen.

Levi heeft zelfs op een bijzondere wijze moeten leren dat hij van het genadebrood van God moest leven. Want de Heere gaf hem dat verbond onder een voor­waar­de. Toen het volk Israël in Kanaän kwam, kreeg elke stam een erfdeel. Behalve Levi. Hij zou in het beloofde land geen bezit krijgen. ‘Gij zult geen erfdeel ontvan­gen’, sprak de Heere, ‘want Ik ben uw erfdeel.’

Het erfdeel dat God aan Levi gaf, was dus niet een stuk grond. Nee, het was veel meer dan grond. Het was de Heere Zelf. Levi kreeg de Heere Zelf. Hij mocht geen bezit hebben op deze aarde. Macht en bezit zijn gevaarlijk in priesterhanden. Zij moeten weten dat zij niet kunnen leven van hun bezit, niet kunnen leven van hun grondgebied, maar uit de hand van de Heere. Zij moesten leven van dat genadebrood van God.

Omdat hij geen grond bezat en van het gegeef moest leven, werd Levi er altijd maar weer aan herinnerd dat hij een gevloekte was, met wie God desondanks een verbond had opgericht.

Gemeente, dat is nu het leven van een ieder die door God wordt aangenomen. Dan leiden wij een leven in ootmoed. Want we zullen van genadebrood moeten leven; van het brood dat God ons toereikt. Van kruimels, waarvan de Kananese vrouw zei: Ja, Heere, doch de hondekens eten ook van de brokjes die er vallen van de tafel van hun heren (Matth.15:27).

 

Gemeente, iemand die wordt geroepen tot het ambt van priester, zal als het goed ligt in ootmoed dienen. Want het zal, persoonlijk en in het ambtelijk leven, als een wonder ervaren worden dat we een plaats hebben in het huis des Heeren. Net als die priesters daar in die tempel, die gevloekt waren. Voor hen moest het een wonder zijn, dat zij daar in die genadebedeling van God mochten staan.

Als het goed is, zal het altijd een wonder blijven. Want wie voor het aangezicht van God mag leven in vrede en in ootmoed, en mag eten van het genade­brood des Heeren, heeft redenen te over om klein te zijn voor God en mensen. Een priester die zo diende, die zo met de Heere leefde, zou vrucht zien op zijn werk.

 

Er staat van Levi: En hij bekeerde velen van ongerechtigheid. Dat bete­kende niet dat Levi dat zelf kon, maar het wijst aan dat wanneer Levi maar van dat genadebrood van de Heere leefde en met de Heere leefde, hij een instrument in de hand van de Heere was, en als zodanig was hij vruchtbaar. Het werd gezien wanneer een priester mensen van ongerechtigheid bekeerde. Dan was die priester in de hand van de Heere tot rijke zegen voor het volk.

Ook Levi heeft er velen bekeerd van hun ongerechtigheid. Hij was dus niet meer dan een aarden vat, opdat de uitnemendheid der kracht van God zou zijn, en niet uit hem.

Het verbond met Levi hield in instrument te zijn van God en uit Hem te leven. Leven van het genadebrood van God. Ik dacht niet dat je een betere plaats kon vinden, dan als een nietig en broos instrument, in de hand van God te mogen liggen en uit Zijn hand te mogen leven. Dan bezit je het beste deel dat op de aarde te vinden is.

 

We gaan nu letten op:

 

2. Het leven van Levi

 

Het verbond dat ten leven en des vredes was, heeft de Heere gegeven opdat Levi de Heere zou dienen. Het leven van Levi zou moeten inhouden, in oprechtheid en in waarheid voor God te leven. Hij moest met God wandelen in oprechtheid en in vrede zoals Henoch wandelde met God.

Als je met iemand wandelt, word je als het ware meegenomen. Degene met wie je wandelt, neemt je mee, laat je paden zien waarover je gaat. Als je met iemand wandelt dan spreek je ook met elkaar, ‘al wandelende’, net als de Emmaüsgangers die onderweg met elkaar spraken. Wanneer u met de Heere mag wandelen, heeft Hij de leiding, Hij wijst je de weg. Dan spreek je ook met Hem, dan spreek je met de God des levens. Dat wil zeggen dat je dan een nauwe en tere omgang met God hebt. Wat een voorrecht is het, als je zo aan de Heere verbonden mag leven.

 

Er staat in de tekst: Hij wandelde met Mij in vrede en rechtmatigheid. Er zijn er in de stam van Levi te vinden, die zo met de Heere geleefd hebben. Kijk maar naar Mozes, of naar Aäron, denk maar aan Jeremia en Johannes de Doper.

De stam van Levi als geheel heeft dit echter niet gedaan. Ik noemde u al Eli met zijn zonen. Zij verlieten de weg des Heeren en wandelden noch spraken meer met Hem. Wat de Heere ver van zijn priesters gehouden wilde hebben, is als een waterstroom over de stam van Levi gespoeld. Vanaf het ogenblik dat de nakomelingen van Levi niet meer onwrikbaar op de bodem van genade alleen stonden, is het fout gegaan.

Zo ook wij, als we niet meer op het fundament van genade alleen staan, gaan we steun zoeken in eigengerechtigheid, en rusten op eigen heiligheid. Je kunt beter zeggen: in heiligma­kerij. Dan gaan we steun zoeken, niet bij de plaats waar we hulp kunnen vinden, want dat is in Christus alleen, maar in onze eigengerechtigheid.

 

Gemeente, als wij niet meer leven uit de genade van God, dan ligt het juk van de dienstbaarheid dichtbij. Dan vertrouwen we weer op onszelf en leven we weer in eigen kracht. We zijn dan onvruchtbaar voor God. Waar de genade van God wijkt en waar we niet meer leven uit die genade, komt onze hoog­moed om de hoek kijken. Het wonder houdt op, dorheid en doodsheid komt ervoor in de plaats. We leven dan niet meer uit die verse en levende fontein van het levende water uit Christus. Dan gaat men op eigen verdiensten steunen.

Dat is met de stam van Levi ook gebeurd. Want de priesterschare werd een afzonderlijke elite, een aparte priesterregering. Als we eenmaal tot zo’n stand behoren, tot zo’n elite,  is het gedaan met de onkreukbaar­heid. Want dan richt de priester zijn blik niet meer omhoog naar God, van Wie hij het alleen hebben moet, maar naar beneden.  

Als een priester niet meer van genadebrood leeft, dan moet hij leven van het brood van men­sengunst. Dan gaat hij huichelen. Hij neemt dan het aangezicht van mensen aan.

  

Reeds in de dagen van Maleachi was de weg van genade al verlaten en het levitische verbond verbroken. De Heere zegt: Daarom heb Ik ook u verachtelijk en onwaard gemaakt voor het ganse volk, dewijl gij Mijn wegen niet houdt, maar het aangezicht aanneemt in de wet (Mal.2:9). Dit wil zeggen: ze keken de mensen aan. Ze deden wat mensen graag wilden, en spraken hen naar de mond. De oorzaak hiervan is dat zij niet meer uit de genade van God en uit Zijn bediening leefden.

Het eindigde in het dingen naar mensengunst. Hoogmoed zat op de troon, ­het verbond met God was verbroken. Uiteindelijk vervloekt God door de mond van Maleachi de stam van Levi, zo lezen we in de verzen 1 tot en met 9 van ons teksthoofdstuk.

Wat ontzettend! Het verbond met Levi is verbro­ken en de vloek van Jakob is weer terug. Zij hebben het verbond verworpen en moeten weer onder de vloek gaan leven. Het is alsof Maleachi in het laatste boek van het Oude Testament de zwanenzang zingt over de stam van Levi.

 

Maar, gemeente, enkele bladzijden verder begint Mattheüs. Het eerste evangelieboek. Op die eerste pagina van het Nieuwe Testament treffen we in het huis van Herodes een ontstelde priesterschare aan. Ze zijn op zoek naar de plaats waar de Koning der Joden geboren is. Verder in het Nieuwe Testament komen wij wel honderdmaal priesters tegen die met name genoemd worden, waarvan vijfenzestig maal hogepries­ters. Maar het zijn allemaal mannen van macht en van bezit; zonder enige uitzondering worden zij aangemerkt als vijanden van Christus.

In de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan komt u een priester en een Leviet tegen, die hooghartig de gewonde Samaritaan voorbijlopen. Het besluit om Jezus te doden is genomen in het hogepriesterlijk paleis van Kajafas, in tegenwoordigheid van Annas zijn schoonvader, die voorheen hogepriester was. Op Goede Vrijdag, toen het volk voor het rechthuis van Pilatus stond ge­schaard, en zij voor de keuze werden gesteld van Barabbas of Jezus, waren het de priesters die zich onder de schare mengden en het volk ophitsten om Barab­bas te verkiezen.

De stad van de terechtstel­ling van de Heere Jezus was Jeruzalem, de priesterstad. Het meisje waarvoor Petrus viel, was een dienst­maagd van de hogepriester. En Malchus in de hof van Gethséma­né, was een dienstknecht van de hogepriester.

Gemeente, het gebod der waarheid lag niet op de lippen van de stam van Levi. Slechts boosheid werd in hun mond gevonden. Zij hebben Jezus, Die velen van hun ongerechtigheid bekeerde, gekrui­sigd. De stam van Levi, met wie de Heere een verbond had ten leven en vrede, is uitgelo­pen op de kruisiging van de Heere Jezus Christus. Zij hebben de vloek over zichzelf afgeroepen. Het verbond werd verbroken.

Maar we mogen wel vaststellen dat het verbroken moest worden. Want het hele oudtestamentische pries­terdom moest beëindigd worden en heeft zijn einde gevonden in de krui­siging. Want de kruisiging was het onher­roepelijke einde van het levitische priesterschap. Het voor­hang van de tempel scheu­rde van boven tot beneden. God heeft het gescheurd. Daarmee wordt Christus, als de eeuwige Hogepriester, in de plaats van het oudtes­tamentische priesterschap gesteld.  

 

Het schriftgedeelte dat we overdenken is een profetische heenwijzing naar Christus, de enige en eeuwige Hogepriester van het huis van God. Wanneer u nog eens het gedeelte over de priester in vers 6 leest, gaat u daar de Christus in lezen: De wet der waarheid was in zijn mond, er werd geen onrecht in zijn lippen gevonden, hij wandelde met Mij in vrede en in rechtmatigheid, en hij bekeerde er velen van ongerechtigheid.

Daar ziet u Christus verschijnen. In Zijn grootheid, in Zijn heerlijkheid en in Zijn reinheid. De wet der waarheid was in Zijn mond en er werd geen onrecht op Zijn lippen gevonden. Jezus is het, Die als enige Priester werkelijk kon zeggen: ‘Voorwaar, voor­waar, amen, amen, zeg Ik u.’ Hij is de enige ware Engel van de Heere der heir­scharen, want Hij ontsluit de toegang tot de Vader.

 

Gemeente, Jezus is ingegaan met Zijn eigen bloed in het heiligdom. Niet als Levi met het bloed van stieren en bokken, maar met Zijn eigen bloed. Hij is ingegaan in het heiligdom dat niet met handen gemaakt is, maar eeuwig is in de hemelen. Daar staat Hij voor de troon van God, daar is Hij de grote Voorbidder, daar heeft Hij het volmaakte offer gebracht, daar bidt Hij voor Zijn volk, vanuit de hemel zegent Hij hen en schenkt Hij Zijn hemelse gaven. Hij zal velen van hun ongerechtigheid bekeren. Daarmee gaat Hij nu nog door!

Het levitische priesterschap zag het aangezicht van mensen aan en dong naar mensengunst, het zocht de eer voor zichzelf, leefde in hoogmoed, en haar bediening is vergaan. Maar nu is er Eén in de hemel Die daar zit voor het aangezicht van Zijn Vader. Hij heeft gezegd: Leert van Mij dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart; en gij zult rust vinden voor uw zielen (Matth.11:29). Hij geeft het leven en vrede aan mensen die verloren zijn en Hij is Degene Die velen van hun ongerechtig­heid bekeert.

 

Is dat bij u al gebeurd? Dan gaan we onder, net als Levi. Want dan heeft u geen grond meer onder uw voeten. Dan moeten we de vloek aanvaarden die op ons leven ligt, die we hebben meege­bracht uit het para­dijs.

Maar, dat is het wonder, dan mogen we opstaan in Christus Jezus. Dan gaat een mensenkind wel ten onder, maar dan mag hij leven door Hem Die tot leven en tot vrede is.

Dat is voor Levi ook waar geworden. Hij is ondergegaan bij de kruisiging. Maar als straks in Handelingen de Heilige Geest gaat werken door de prediking van het Woord, lezen we in Handelingen: En een grote schare der priesters werd het geloof gehoorzaam (Hand.6:7). De altaren en de offers hebben zij laten varen, zij hebben de vloek moeten aanvaar­den en hun eigen gerechtigheden moeten wegwerpen als een weg­werpelijk kleed. Maar ze hebben van het genadebrood van Chris­tus mogen eten. Een grote schare van priesters werd het geloof gehoorzaam. Zij gingen leven uit het geloof in Christus Jezus en uit Zijn verdiensten.

 

Die priesters moesten leren leven uit de handen die ze zelf doorboord hadden. Heeft u dat ook geleerd?

Heeft u wel eens die doorboorde hand gezien? Het zijn de wonden, waarmee Hij geslagen is in het huis van Zijn liefhebbers (vergelijk Zach.13:6). Die door­boorde hand is door mijn zonde en mijn ongerech­tigheid doorboord.

Maar nu is die doorboorde hand een zege­nende hand geworden, die een gevloekte zegent. Die door­boorde hand reikt het genadebrood uit aan een mens die de dood verdiend heeft. De handen van een priester die leeggemaakt zijn, die niets meer heeft dan schuld,  worden vervuld vanuit de genadevolheid van Chris­tus. Zij worden gevuld uit de volheid van Hem Die dood ge­weest is en Die leeft tot in alle eeuwigheid.

 

En Hij bekeerde er velen van ongerechtigheid. Hij is nog dezelfde. Door de prediking van het Woord en door Zijn eeuwige Geest bekeert Hij er velen van ongerechtigheid. Hij trekt hen uit de macht der zonde.

Maar Hij bekeert hen niet alleen van de ongerechtigheid. Hij verlost ze ook van hun eigengerechtigheid.

Van ongerechtigheid verlossen doet Jezus met één machtswoord, maar om Zijn kinderen te verlossen van eigengerechtigheid heeft Hij een heel leven nodig. Opdat u een mens wordt die geen eigen gerechtigheden meer heeft, maar slechts leeft uit de gerechtigheid van Jezus. Een gerechtigheid die niet uit de wet is, maar die door het geloof van Jezus is, opdat ze uit Hem en door Zijn bloed eeuwig zullen leven.

Dat was het leven van Levi. Een leven dat uitliep op de dood, maar dat hersteld kon worden, door de genade van Chris­tus.

 

Wij zagen dat een schare van priesters het geloof gehoorzaam werd; want Jezus bekeerde er velen van ongerechtigheid. We letten ten slotte op:

 

3. Het werk van Levi

 

Christus is de Hogepriester in de hemel, Die de toe­gang tot de Vader ontsluit. Daar leeft Hij. Maar Hij is ook het Hoofd in de hemel, Die een gemeente op de aarde heeft. Hij heeft op de aarde Zijn leden, die met elkaar één lichaam vormen.

Wat nu de priester deed in het Oude Testament, doet de gemeente van Christus onder het Nieuwe Testament. Wat de priester onder het oude verbond moest doen, was de wet onderwijzen. Zijn lippen bewaren wetenschap, staat er in het boek der Spreuken. Uit zijn mond werd de wet vernomen. Hij was een engel des Heeren, een bode van de Heere der heirscharen.

De priester moest ook onderwijs geven. Hij was de bode des Heeren op de aarde. Levi heeft die taak niet volbracht. De Heere moest telkens profeten roepen om het onderwijs en de vermaningen des Heeren te geven. Levi heeft zijn taak niet volbracht. Hij heeft het aangezicht van mensen aangenomen, en het volk verkeerd onderwezen. De priesters hebben zelfs het volk aangezet om Jezus te doden en Hem te kruisigen.

 

Maar Christus is het Hoofd in de hemel. Hij stelt op deze aarde een gemeente. Ik bedoel met ‘gemeente’, de uitverkoren gemeente, waarvan de catechismus spreekt; een gemeente, verkoren ten leven en bijeengeroepen door Geest en Woord.

Het gaat dus over de levende gemeente Gods op de aarde. Aan haar heeft de Heere de schat van het evangelie toevertrouwd. Die gemeente wordt met deze schat uitgezonden tot aan het einde der aarde. Zij dient als een lichtend licht en een zoutend zout in deze wereld te staan, en te verkondigen de deugden Desgenen Die hen geroepen heeft tot Zijn wonderbaar en heer­lijk licht.

De levende gemeente des Heeren is dus een taak toebetrouwd. Het is opmerkelijk dat nergens in de evan­geliën, ook niet in het boek Handelingen, de apostelen of de leden der gemeente ‘priesters’ worden genoemd. Er is er maar Eén Die deze naam met recht draagt; dat is Christus. In Hem is het ambt van priester metterdaad vervuld.

 

Eén keer evenwel wordt in het Nieuwe Testament over een priesterschap gesproken. Petrus zegt namelijk: Gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk; opdat gij zoudt verkondigen de deugden Desgenen Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht (1 Petr.2:9). Maar als Petrus de gelovigen een koninklijk priesterdom op de aarde noemt, dan bedoelt hij dat de gezamenlijke leden van de gemeente het lichaam van Christus vormen.

De gemeente van het Nieuwe Testament zal als een koninklijk priesterdom zijn, om te verkondigen de deugden des Heeren. Dat moet zij uitdragen en onderwijzen. Om het Woord, het evangelie, dat zij uitdraagt, is zij als een lichtend licht en een zoutend zout. Al is het dat de Heere wel onderscheiden gaven, talenten en bedieningen heeft gegeven in de kerk. Want Hij heeft sommige gegeven tot evangelisten, andere tot profeten, weer andere tot apostelen, nog andere tot dienaren van het Woord, ofwel herders en leraars.

 

De ambtsdragers die ik noemde vormen echter geen aparte stand, zij behoren ook niet tot een verbond zoals met Levi werd opgericht, maar tot die ene gemeente. Aan hen allen geeft de Heere maar één verbond; het verbond der genade. Een verbond dat alle heil en zaligheid voor al de leden van het lichaam van Christus omvat; het nieuwe en eeuwi­ge testament in het bloed van de Heere Jezus Christus.

Het is waar dat een dienaar des Woords een taak heeft ten aanzien van de verkondiging. Maar elke huisvader en huismoeder, elke leraar en onderwijzer, of op welke plaats de Heere ons ook gesteld heeft in dit leven, we hebben een taak ten aanzien van dat Woord.

De gemeente leeft, als het goed is, alleen van het genadebrood van God. Dit is een ergernis voor de natuurlijke mens, want de natuurlijke mens voelt er niets voor om van genade alleen te leven. Van nature heeft hij een welge­vallen in standen, in groepen, in elite, in eer en aanzien. Maar niet in dat ene verbond, waarvan Christus de Heere en het Hoofd is, waaruit alle leden dezelfde rechten, dezelfde genadegaven, en gelijke bedieningen ontvangen.

 

De natuurlijke mens is een vijand van genade. We zien dan neer op een ander, we hebben de neiging ons te verheffen boven die ander. Maar de Heere denkt niet in hiërarchie; Hij stelt heel eenvoudig Zijn gemeente op de aarde als een engel des Heeren. Om te verkondigen de deugden van Degene Die hen geroepen heeft tot Zijn wonderbaar en heerlijk licht.

Zodra we gaan streven naar een aparte stand en ons daarmee verheffen boven een ander, worden we als de priesters die de blindgeborene uit de synagoge wierpen, en het eindigt met brandsta­pels zoals ten tijde van de Reformatie. Maar als de Heere een mens van genadebrood laat leven, staan we onder een ander. Dat is leven met elkaar, niet boven elkaar.

 

Is de gemeente die God dan hier op aarde heeft, ook niet een uitverkoren gemeente? Ja, inderdaad, dat is zij. Maar totaal anders dan de priesters en natuurlijke mensen die zichzelf verheffen boven anderen.  

Nee, het verkoren zijn van de gemeente van Christus berust niet op een bepaalde voortreffe­lijkheid. De enige verkiezingsgrond is het welbagen van God. Paulus zegt tot de Korinthiërs: Want gij ziet uw roeping, broeders, dat gij niet vele wijzen zijt naar het vlees, niet vele machtigen, niet vele edelen. Maar het dwaze der wereld – kijk, hier hebt u het – heeft God uitverkoren, opdat Hij de wijzen beschamen zou; en het zwakke der wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij het sterke zou beschamen; en het onedele der wereld en het verachte heeft God uitverkoren, en hetgeen niets is, opdat Hij hetgeen iets is, teniet zou maken (1 Kor.1:26-28).

Zo tekent Paulus de gemeente van Christus: door God verkoren, niet om kwaliteiten in de mens, maar alleen omdat God lust in haar heeft, omdat God haar Zijn genade schenken wil. Gemeente, dan worden eigen verdiensten weggeworpen, en eigen onvermogen erkend. De schuld voor Gods aangezicht wordt dan beleden. Dan heeft men weet van de genade van de Heere Jezus Christus.

 

Gemeente, dat is het wonder van die gemeen­te Gods op aarde. Zij bestaat niet uit mensen die hoog en verheven zijn, maar uit schuldenaars die voor God moeten belijden dat zij die wet niet gehouden hebben. Zij gaan belijden verachtelijk en onwaardig in Gods ogen te zijn, omdat zij in Zijn wegen niet gewandeld hebben. Zij gaan echter niet alleen voor God hun ongerechtigheden belijden, maar ook roemen in de genade van deze God, Die het gevloekte verkiest en met Zijn genade begiftigt.

In die gemeente wordt geliefd, in die gemeente wordt gedankt, in die gemeente wordt geleden en gestreden, maar vooral ook gebeden. De dichter van Psalm 65 heeft dit ervaren. Wij gaan met hem het eerste en tweede vers zingen:                                

 

De lofzang klimt uit Sions zalen                               

Tot U, met stil ontzag;                                        

Daar zal men U, o God, betalen                                   

Geloften, dag bij dag.                                         

Gij hoort hen, die Uw heil verwachten,                         

O Hoorder der gebeên,                                          

Dies zullen allerlei geslachten                                

Ootmoedig tot U treên.                                                                                                         

 

Een stroom van ongerechtigheden                                

Had d’ overhand op mij;                                         

Maar ons weerspannig overtreden                                

Verzoent en zuivert Gij.                                      

Welzalig, dien Gij hebt verkoren,                              

Dien G’ uit al ‘t aards gedruis                                    

Doet naad’ren, en Uw heilstem horen,                          

Ja, wonen in Uw huis.                                                                                                   

 

De gemeente is belast met de verkondiging van de deugden Gods. God riep mensen uit de duister­nis tot Zijn licht. Hoort u daarbij? Want wij kunnen een papieren lid van de gemeente zijn, in de ledenadministratie zijn ingeschreven, maar papieren leden zijn dode leden.

Natuurlijk is er niets op het lidmaatschap van een gemeente aan te merken. Maar er is méér nodig. Want we kunnen een dood lid zijn. Dat wil zeggen dat wij geen vruchten voortbrengen. Omdat we de stem die de deugden van God verkondigde niet gehoord hebben. Dan zijn we geen lichtend licht en geen zoutend zout. Dan ziet de Vader Die in de hemelen is, het beeld van Zijn Zoon niet op aarde. Dan wordt het woord van Christus niet vervuld dat zegt: Laat uw licht alzo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken mogen zien, en uw Vader, Die in de hemelen is, verheerlijken (Matth.5:16). Dan schi­jnt er geen licht in de duisternis van deze verloren we­reld.

 

Waar klinkt dan in deze wereld de bood­schap? Waar wordt het Woord gehoord? Het  machtswoord dat God sprak en het was er? Waar is het Woord dat aan de deur klopt? Waar is het Woord dat op de harten bonst? Waar is de predi­king, die als een hamer en een vuur het hart van mensen beroert?

Er worden onder ons wel bijzonder rake en scherp­zinnige dingen gezegd, maar de wereld heeft er niets van te vrezen, en satan maakt zich er ook niet druk om. Het gaat er niet om dat we geleerder of eenvoudiger gaan preken, helemaal niet. Maar waar het om gaat is, dat de gemeente van God een leven uit genade leeft, dat zij leeft van genadebrood, dat zij daarvan spreekt, en dat het in de wereld openbaar komt.  

Het gaat er ook niet om dat er kerken vollopen. Want in Johannes 6 werd het Woord wel krach­tig gepreekt, maar de één na de ander keerde zich af, totdat er niet meer dan twaalf overbleven. Jezus sprak toen: Wilt gijlieden ook niet heengaan? (Joh.6:67)

 

Wat is het nodig dat wij bekeerd worden, en noodzakelijk dat wij vervuld worden met de Heilige Geest!

Dan kunnen we wel eens stamelen of er onbeholpen over spreken, misschien wel een beetje achterstevoren. Maar dat is niet belangrijk. Als het maar het stempel draagt van de Heilige Geest. Als het Woord maar kracht doet, en met autoriteit en gezag komt.

Daartoe is de komst van Christus, de Engel des verbonds nodig. Want Hij alleen kan uit de schat van het evangelie aan moede­loze, maar ook aan weerbarstige mensen, het heil des Heeren bekendmaken en de kracht van Zijn Geest mededelen.

Totdat de dag aankomt dat niemand meer zal behoeven te zeggen, de één tot de ander: Ken de Heere; want zij zullen Mij allen kennen van de kleine onder hen tot de grote onder hen (Hebr.8:11). En al uw kinderen, wordt er in Jesaja 54 beloofd, zullen van de Heere geleerd zijn (Jes.54:13).

 

Gemeente, de gehele priesterschare van het Nieuwe Testament, dat konink­lijke priesterdom, dat hier op aarde de deugden verkondigd heeft van Degene Die hen geroepen heeft uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht, die schare zal straks voor de glazen zee staan. Dat is geen zee meer met golven. Dat is geen zee meer als het bruisen van grote wateren. Nee, het is een verstilde zee, een verglaasde zee. Zij mogen verkeren in de eeuwige rust. Daar zullen ze zingen als het volk Israël, dat behouden aan de overzijde van de Rode Zee kwam.  

 

De zangers aan die glazen zee zullen eeuwig zingen van de wegen des Heeren. Zij zullen de deugden van Degene Die hen geroepen heeft, tot in eeuwigheid uitzingen, Hem grootmaken en Zijn lof verheffen. De ganse priesterschare van het Nieuwe Testament zal Hem verheerlijken.

De vraag is wel, en ik wil hem allen meegeven: zult u daar bij staan?

U zult er alleen bij staan als u hier als een vloekwaardige genadebrood heeft gegeten. Want pas dan gaat het een wonder worden als je straks een plaats mag hebben aan de glazen zee, de citer van God in je hand mag nemen, en dan eeuwig mag zingen van Zijn goedertierenheên.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 150: 1

 

Looft God, looft Zijn naam alom;

Looft Hem in Zijn heiligdom;

Looft des Heeren grote macht,

In de hemel Zijner kracht;

Looft Hem, om Zijn mogendheden,

Looft Hem, naar zo menig blijk

Van Zijn heerlijk koninkrijk,

Voor Zijn troon en hier beneden.