Ds. D. Rietdijk - Zondag 44

De laatste Zondag over de wet

Het laatste gebod van de wet
De betrachting van de wet
De prediking van de wet
Deze preek is eerder gepubliceerd in ‘De Heidelbergse Catechismus’ van ds. D. Rietdijk en ds. C.G. Vreugdenhil (Uitg. Groen, 1998).

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 19: 4
Lezen : Romeinen 7: 7-26
Zingen : Psalm 119: 1, 2, 3
Zingen : Psalm 17: 3
Zingen : Tien Geboden: 8, 9

Gemeente, wij gaan overdenken Zondag 44 van onze Heidelbergse Catechis­mus. Daar lezen wij:

 

Vraag 113: Wat eist van ons het tiende gebod?

Antwoord: Dat ook de minste lust of gedachte tegen enig gebod Gods in ons hart nimmermeer kome, maar dat wij te allen tijde van ganser harte aller zonden vijand zijn en lust tot alle gerechtigheid hebben.

 

Vraag 114: Maar kunnen degenen die tot God bekeerd zijn deze geboden volkomenlijk houden?

Antwoord: Nee zij; maar ook de allerheiligsten, zolang als zij in dit leven zijn, hebben maar een klein beginsel van deze gehoorzaamheid; doch alzo, dat zij met een ernstig voornemen niet alleen naar sommige, maar naar al de geboden Gods beginnen te leven.

 

Vraag 115: Waarom laat ons dan God alzo scherpelijk de tien geboden predi­ken, zo ze toch niemand in dit leven houden kan?

Antwoord: Eerstelijk, opdat wij ons leven lang onze zondige aard hoe langer hoe meer leren kennen, en des te begeriger zijn om de vergeving der zonden en de gerechtigheid in Christus te zoeken. Daarna, opdat wij zonder ophouden ons benaarstigen, en God bidden om de genade van de Heilige Geest, opdat wij hoe langer hoe meer naar het evenbeeld Gods vernieuwd worden, totdat wij tot deze voorgestelde volkomenheid na dit leven geraken.

 

Zondag 44 is de laatste Zondag over de wet.

 

Wij letten op:

1. Het laatste gebod van de wet

2. De betrachting van de wet

3. De prediking van de wet

 

1. Het laatste gebod van de wet

 

Gemeente, wij zijn met Zondag 44 gekomen aan het einde van de behande­ling van de tien geboden. Die behandeling staat in het stuk van de dank­baarheid. De overdenking van de dankbaarheid leidde ons tot de bekering en de bekering bracht ons tot de overdenking daarvan. De bekering bestaat uit twee dingen: een haten en vlieden van de zonde en een hartelijke lust in het doen van al de geboden van God.

Zo zijn wij in het stuk van de dankbaarheid bij de tien geboden terecht­gekomen. En na al de geboden te hebben gehoord, krijgen we het laatste gebod, het tiende gebod: Gij zult niet begeren uws naasten huis, gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienst­maagd, noch zijn os, noch zijn ezel, noch iets dat uws naasten is.

 

Het tiende gebod ziet dus op de zondige begeerten van de mens.

Er zijn begeerten die de mens zeker mag hebben. Er mag begeerte zijn naar voed­sel. Die heeft de Heere ons ingeschapen en die moet er zeker ook zijn. Het zou zelfs niet goed zijn wanneer die begeerte in ons leven ontbrak. Ons lichaam zou verkommeren. Ook de begeerte naar kleding is een geoorloof­de begeerte.

Bovendien mag er zeker ook een heilige begeerte zijn naar het Woord van God. En dan denk ik aan Psalm 27 vers 4, waarin de dichter zingt: Eén ding heb ik van de Heere begeerd, dat zal ik zoeken: dat ik al de dagen mijns levens mocht wonen in het huis des Heeren, om de lieflijkheid des Heeren te aan­schouwen, en te onderzoeken in Zijn tempel. De begeerte om te wonen in het huis des Heeren, om door de Heere te worden onderwezen en om daar de lieflijkheid des Heeren te aanschouwen.

De lieflijkheid des Heeren is Christus Jezus in de oudtestamentische open­baring van tabernakel en tempel. Zo openbaarde Christus Zich onder het oude verbond. Hem te leren kennen, mag de begeerte van uw hart, van uw ziel, van uw leven zijn. Het is ook een geoorloofde, heilige begeerte om al de dagen mijns levens te wandelen in de geboden Gods. Om tot eer van Zijn Naam te leven. Om tot de verhoging van de genade van God te leven in deze wereld. Dat zijn geoorloofde, dat zijn zelfs noodzakelijke begeerten, dat zijn onmisbare begeerten.

 

Maar nu gaat het hier over zondige begeerten, begeerten die je dus niet mag hebben, begeerten die in ons leven helemaal niet voor mogen komen. Wat moeten wij daar onder verstaan? Ons antwoord zegt het duidelijk: ‘Dat ook de minste lust of gedachte tegen enig gebod Gods in ons hart nimmermeer kome.’ Daar hebt u het. Wij hebben bij de behandeling van de geboden van de Heere gezien, dat de overtreding bestond in het metterdaad doen van die overtredingen. Denkt u maar hoe we hout en steen kunnen aanbidden, zoals staat in het tweede gebod. Maar wij kunnen dit gebod ook overtreden door van God een denkbeeld te maken buiten het Woord om.

Wij hebben gezien dat wij bij het achtste gebod al dieven zijn omdat wij aan God de schepping hebben ontroofd, Zijn eer hebben gestolen. En bij het spreken van de waarheid hebben wij gezien dat wij al leugenaars geworden zijn toen wij het Woord van God in het paradijs niet hebben aanvaard en dat wij uit de vader der leugenen zijn. We zijn zelfs moordenaars, want wij heb­ben onszelf en ons nageslacht in de dood gebracht.

 

Nu komt het tiende gebod. Dat gebod zegt dat wij voor God schuldig staan, ook al doen wij de zonde niet metterdaad, al vermaken wij ons daar niet mee in onze gedachten, maar dat zelfs de allerminste begeerte tegen één van de geboden van God ons schuldig stelt in het gericht van God. Een man mag een vrouw begeren, maar een man mag niet de vrouw van zijn naaste begeren. ‘Wie een vrouw aanziet’, zegt de Heere Jezus, ‘doet overspel en wie een vrouw aanziet om haar te begeren, die heeft reeds overspel met haar begaan.’

De Roomse kerk heeft eeuwenlang geleerd dat de begeerte geen zonde was, zolang ze maar niet tot de daad leidde. Je kon dus best een begeerte hebben die niet goed was, maar als die niet tot openbaring kwam in een bepaalde daad, dan was het geen zonde. De Roomse kerk had zo’n leer hard nodig. Want hoe zou zij anders de leer van het zalig worden door goede werken hebben kunnen volhouden? Nee, Rome heeft niet geleerd wat Paulus heeft geleerd en wat hij schrijft aan de Romeinen. Het is u voorgelezen. Het gaat over de diepste begeerten, de diepste roerselen van het menselijk hart. Paulus zegt in Romeinen 7: ‘Ik heb niet geweten dat de begeerlijkheid zonde was, zo de wet niet zei: Gij zult niet begeren.’ Paulus zegt: ‘Ik weet het omdat de wet zegt: Gij zult niet begeren.’ Het begeren, de begeerlijkheid van het hart, is zonde.

 

Dat was juist ook de innerlijke strijd van Luther. Toen hij in het Augustijner klooster gegaan was, heeft hij zijn best gedaan om heilig voor God te leven. Hij dacht dat hij nu de plek gevonden had waar hij zijn moest. Achter de kloosterdeur zou hij een heilig leven leiden.

Maar waar hij achter gekomen is, is dat hij zijn hart, zijn boze hart in het klooster heeft meegenomen en dat in dat hart al de zaden van boosheid leefden. Zelfs in de eenzaamheid, zelfs na alle kastijdingen, zelfs na de meest inspannende oefeningen om de geboden Gods te betrachten, heeft hij meer en meer de onmogelijkheid gezien omdat zijn hart ook telkens een kant opging die hij niet wilde.

Toen heeft hij gezien dat het niet mogelijk is om door de werken der wet geza­ligd te worden. Hij heeft zichzelf als een verlorene leren kennen. Hij heeft gezien dat zonder de werken der wet, alleen door het geloof in de Heere Jezus Christus, mensen gezaligd worden, en daarin heeft hij vrede gevonden met God.

 

Want hoe zullen wij al de roerselen van ons hart ooit tegen kunnen houden? Wie zal zijn hart zo kunnen beheersen, dat er nooit de minste gedachte of enige lust tegen de geboden Gods opkomt? Ons hart geeft kwade begeerten op. Het is eigenlijk een bron, zegt David in Psalm 51 – en dat is de oprechte belijdenis vanuit de ervaring van zijn leven – van vuile wanbedrijven, een bron van allerlei boosheid.

Moerassen geven kwade dampen. En zo geeft ons hart allerlei boosheid op. Wij zijn gevallen in het paradijs en daardoor zijn wij helemaal verdorven tot in het binnenste van ons bestaan toe.

Onze zondige begeerten zijn er. Er is in ons hart steeds een verboden grij­pen naar hetgeen God niet wil. De begeerlijkheid leeft er. Daarna de begeerlijkheid, ontvangen hebbende, baart zonde; en de zonde voleindigd zijnde, baart de dood (Jak.1:15). Het is er in ons hart, het is er in ons leven. Al komt het niet tot de daad, al voeren wij er zelfs strijd tegen, het tiende gebod doet alle hoop vervlie­gen dat wij ooit door de werken der wet zalig zullen worden. Dat uit de werken der wet geen vlees gerechtvaardigd wordt voor God, blijkt duidelijk uit het tiende gebod.

 

Niet alleen worden de zondige begeerlijkheden verboden, maar er wordt ook geëist dat wij alle zonde te allen tijde van harte vijand zijn en een lust tot alle gerechtigheid hebben. God eist volmaaktheid. God eist ook het posi­tieve, dat wij te allen tijde van harte alle zonde vijand zijn en dat wij een lust hebben om al de geboden van God te doen.

We zijn volmaakt geschapen naar Zijn beeld en nu vraagt God dat beeld van Hem weer terug. Hij zegt: Weest dan gijlieden volmaakt, gelijk uw Vader, Die in de hemelen is, volmaakt is (Matth.5:48). Wie is dat? Maar het einde des gebods, zegt de apostel, is liefde uit een rein hart en uit een goede consciëntie en uit een ongeveinsd geloof (1 Tim.1:5). Wie zal zo ooit liefde kunnen voortbren­gen?

De kinderen van God, die door Zijn Geest vernieuwd zijn – want de Geest van God vernieuwt ons – worden wel vijand van alle zonden, zodat zij de zon­den gaan haten en vlieden. Zodat ze de zonden niet opzoeken en ze ook een innerlijke strijd krijgen tegen de zonde, zoals de apostel dat beschrijft in Romeinen 7. Die innerlijke strijd zal er altijd blijven bij de kinderen van God zolang ze hier op de aarde zijn. Er is een vernieuwing, er is een vaarwel zeg­gen tegen de zonde en er is een strijd.

 

Als de Heere komt met Zijn volmaakte eis dat wij alle zonden te allen tijde vijand moeten zijn en een volkomen lust moeten hebben tot alle gerechtigheid, ach, dan moeten wij het hoofd buigen. Als we naar de bijbelheiligen kijken, wie van hen kan zeggen dat hij altijd de zonde van harte vijand is geweest en altijd een lust heeft gehad naar alle gerechtigheid?

Neemt u Abraham, de vader aller gelovigen. Is hij niet gestruikeld, als hij naar Egypte trekt en daar bij farao komt en vreest dat farao hem doden zal om Sara? Hij laat Sara zeg­gen: ‘Zeg maar dat u mijn zuster bent.’

En denk maar aan de tweede keer dat hij dat doet, als hij bij de Filistijnen is en als hij andermaal Sara laat zeggen: ‘Zeg maar dat u mijn zuster bent.’ Is die man daar niet struikelend in de zonde en komt juist dan niet weer open­baar dat wij verdorven zijn en dat we niet volkomen zijn en dat wij hier ook de volkomenheid niet bereikt hebben?

 

2. De betrachting van de wet

 

Zo komen we bij de betrachting van de wet des Heeren, waarvan onze onderwijzer spreekt als hij vraagt: ‘Maar kunnen degenen die tot God bekeerd zijn, deze geboden volkomenlijk houden?’

U begrijpt wat onze onderwijzer gaat zeggen. Dat de mens, als hij niet bekeerd is tot God, die geboden niet kan onderhouden, weten we. Dat hebben we gezien. Dat heb­ben we al gehoord in Zondag 2. Die wet des Heeren eist volmaakte liefde tegenover God en tegenover onze naaste. Toen hebben wij gezien dat wij alleen maar geneigd zijn tot alle kwaad en onbekwaam tot enig goed.

Maar we hebben het ook gehad over de waarachtige bekering van de mens. Dat kwamen we in Zondag 33 tegen en toen hebben we gezien dat die bestaat uit twee delen: het afsterven van de oude mens en de opstanding van de nieuwe mens. Toen zagen we dat het een droefheid naar God was over de zonde en een hartelijke lust in God, in Christus, om in die geboden, in die wegen des Heeren te wandelen. Hoe langer hoe meer de zonde haten, hoe langer hoe meer een lust hebben in de geboden van God.

 

Zij die tot God bekeerd zijn… Over hen gaat deze vraag. De bekering is een werk van God, een werk van de Heilige Geest, de genade van de Heere Jezus Christus. Zijn zij die tot God bekeerd zijn nu ook onbekwaam tot enig goed? Kunnen die dan deze geboden volkomenlijk houden?

Gemeente, dan zegt onze catechismus die twee woordjes: ‘Nee zij.’ Een onbekeerde kan het niet. Een onbekeerde wil het niet. Die is onbekwaam tot enig goed. Die heeft nooit de droefheid tot God gekend, al heeft hij dan met Ezau tranen geschreid. Want Ezau heeft ook best tranen geschreid, dat kunt u lezen in de Bijbel. Dat is zelfverwijt geweest van Ezau. Hij is nijdig geweest op God. Het waren eigenlijk tranen van vijandschap naar God toe.

U moet wel bedenken dat er Ezaustranen geschreid worden, maar dat is niet de droefheid omdat ik God beledigd heb vanwege mijn zonden, maar omdat ik kijk naar de gevolgen van de zonden die ik bedreven heb. Dan vind ik het jammer dat ik dat gedaan heb. Dan heb ik spijt. Maar dan heb ik nog geen berouw over de zonde.

Dat de onbekeerde mens onbekwaam is tot enig goed, dat geloven we. Die kan alleen maar spijt hebben over hetgeen hij gedaan heeft.

Maar nu degenen die tot God bekeerd zijn, die de waarachtige droefheid naar God kennen vanwege de zonde en die ook de hartelijke blijdschap in God door Christus kennen om in al de geboden, in al de wegen van God te wandelen. Kunnen zij die geboden van God ook niet volkomen onderhou­den? Dan zegt onze catechismus: ‘Nee zij.’ Dat is wat!

 

Dan laat onze catechismus er op volgen: ‘Maar ook de allerheiligsten…’ U moet naar de Bijbel gaan om die allerheiligsten te vinden. Dat zijn de gro­ten uit de Bijbel, die in het geloof geleefd hebben, die u tegenkomt in Hebreeën 11, die u tegenkomt in het Oude en Nieuwe Testament. Zelfs die allerheiligsten hebben slechts een klein beginsel van deze gehoorzaamheid, zolang zij in dit leven zijn.

 

Gemeente, er zijn mensen die zich van de wet afmaken. Er zijn mensen in deze wereld die zeggen: ‘Kijk eens, als je van genade leeft heb je met die wet helemaal niet meer te maken.’ Dan is deze vraag overbodig: ‘Kun je de geboden volkomen onderhouden?’ Dat interesseert die mensen gewoon verder niet meer. Dat zijn mensen die spreken van genade: ‘Laat ons de zonde doen, opdat de genade te meerder worde.’ Die mensen worden met een vreemd woord antinomianen genoemd; dat zijn mensen die tegen de wet zijn. Zij zeggen: ‘Je hebt met de wet niets meer te maken, het is alleen maar genade. En hoe meer je zondigt, hoe groter die genade is.’

Zulke mensen hebben doorgaans een los leven. Men zondigt er op los, want de wet doet toch niets meer ter zake. Wat ze echter missen is het zegel van de Heilige Geest. Want het zegel van de Heilige Geest, het kenmerk van de Heilige Geest, het kenmerk van het eigendom Gods is dit: Een iegelijk die de Naam van Christus noemt, sta af van ongerechtigheid (2 Tim.2:19). Dus dat is het werk van God niet.

 

Er zijn andere mensen, en dat is net het tegenovergestelde, die zeggen wat anders, namelijk: ‘Ja, die tot God bekeerd zijn kunnen die geboden volko­men houden.’ De roomsen kennen zelfs overtollige goede werken. Sommi­ge pinkstergroepen zeggen dat ook. Die zeggen dat de mens door de gena­de van de Heilige Geest zo kan gaan leven, dat hij volmaakt is. Maar in de eerste brief van Johannes lezen we: Indien wij zeggen dat wij geen zonde hebben, zo verleiden wij onszelven, en de waarheid is in ons niet (1 Joh.1:8).

Volmaakte mensen zijn er niet. Er zijn ook geen mensen die de wet weg­gooien als zij door de Heilige Geest worden bediend. Antinomianen zijn er niet en volmaaktheidsdrijvers zijn er niet, maar onze catechismus brengt ons wel bij een beschamende belijdenis: ‘Maar ook de allerheiligsten, zolang zij in dit leven zijn, hebben slechts een klein beginsel van deze gehoorzaam­heid.’

 

En, gemeente, dan moet u maar in de Bijbel kijken.

Kijkt u dan maar naar koning David, die getekend is in een boetekleed in Psalm 51 en Psalm 32. Wat had hij een groot kwaad gedaan! En dat was toch een bekeerde man, zou je zeggen! Dat was een man die lieflijk was in de psalmen. Wat kon hij tere en mooie dingen van de Heere zeggen! Wat kon hij groot van God spreken, wat kon hij geweldig de lof des Heeren bezin­gen! En op een kwade dag struikelt hij. Hij wordt een moordenaar en een overspeler.

Neemt u de profeet Jesaja. Dat is een prins onder de profeten, een groot pro­feet in Israël, in allerlei opzichten. Maar als deze man dat gezicht ziet in Jesa­ja 6 vers 5, het roepingsvisioen, dan zegt hij: Wee mij, want ik verga, dewijl ik een man van onreine lippen ben, en ik woon in het midden van een volk dat onrein van lippen is. Dan is Jesaja een man die onrein van lippen is. Dat moet hij bekennen voor God en voor de mensen.

 

Neemt u dan de mensen uit Hebreeën 11. Neemt u Noach, één van de eersten die in dat hoofdstuk genoemd worden. Die man is honderdtwintig jaar lang door het geloof een prediker der gerechtigheid geweest. Hij heeft de ark gebouwd op het land. ‘Door goddelijke aanspraak vermaand zijnde, heeft hij de ark toebereid voor zijn huisgezin’, staat er. En dan komt hij uit die ark. Verlost! Uit de zondvloed gered, uit zulke grote gevaren, in het oordeel bewaard. U zou zeggen: ‘Daar gaat Noach de lof des Heeren bezingen.’ Hij heeft een offer gebracht, jawel, maar het duurt niet lang of u leest van zijn bloed­schande en van zijn dronkenschap. Dan vindt u daar diezelfde Noach, die prediker der gerechtigheid, in deze zonde terug.

En wat dacht u van Simson? In Hebreeën 11, in die rij van de geloofshelden, wordt Simson genoemd. Wat is Simson anders dan de man die in de Bij­bel getekend wordt als de man die langs de rand loopt en er telkens overheen stapt, maar door God weer wordt teruggehaald? Het is een held des geloofs, juist het meest aan het eind van zijn leven als hij zichzelf ervoor over heeft om de vijanden van Israël te doden.

 

Wat dacht u van Petrus’ verloochening? En wat vindt u van Mozes’ drift? Ga zo maar door met al die mensen in de Bijbel. Dan hoor ik in Davids stem de stem van hen allen: ‘Genâ, o God, genâ, hoor mijn gebed, hoor hoe een boeteling pleit.’ Al deze mensen hebben een verdorven bestaan in zich omgedragen. Zij moesten bekennen dat zij de volmaaktheid hier niet had­den bereikt. Davids hoogmoedig bestaan, Hizkia’s hoogmoedig handelen met de afgezanten, Petrus met zijn vreesachtigheid waardoor hij de Heere verloochende, en noemt u ze allemaal maar op. Ze vielen, ze struikelden in veel opzichten.

 

En toch zijn het heiligen. Want deze mensen hebben geen vermaak gehad in de zonde. Ze zijn er weer uit opgekomen. Ze hebben naar God geschreeuwd, ze hebben om Gods genade gebedeld. Zij hebben zich als mensenkinderen die zich schaamden voor God en voor de mensen, voor God in het stof gebogen. Je kunt er geen goed van zeggen en toch zijn het de allerheiligsten. Welnu, dat waren ze: Noach en David en Petrus.

Gemeente, dat waren mensen die het meest van de Heere hebben geleerd, die geweldig van de Heere hebben gesproken en die diep in de goedheid en de genade van God hebben mogen zien en die op het Woord van God heb­ben vertrouwd.

Denkt u maar aan Abraham, die niet meer dan één belofte had, waarmee hij op reis ging, naar het land dat de Heere hem wijzen zou, dat hij niet kende.

Denkt u aan Jakob, aan Izak. Denkt u aan Mozes. Daar hebt u ze allemaal.

Ze zijn gestruikeld. Zij hebben allen een beginsel van deze gehoorzaamheid gehad. Een klein beginsel weliswaar, een beginsel zo klein, dat zij op momenten dat zelf niet meer hebben gezien. Abraham boog voor God en zei: ‘Ik ben stof en as, dat het toch niet kwaad zij in Uw ogen wan­neer ik tot U spreke.’ Klein, maar wel een beginsel van deze gehoorzaamheid.

 

Het is net als een struik in de winter, die er dood bij staat. Dan komt de lente en dan zie je dat die knoppen gaan zwellen. Dan zie je die kleine groe­ne knopjes op de takken zitten. Daar hebt u het beginsel van het leven dat u ziet uitbotten. Heel klein, maar het is er. Een dode struik kunt u dan onder­scheiden van een levende.

Een klein beginsel van deze gehoorzaamheid… En dat is het verschil met Zondag 2. Hier is door God een beginsel gewerkt; een beginsel dat klein is, maar waardoor zij toch gaan leven, niet naar sommige, zo staat er, maar naar al de geboden Gods met een ernstig voornemen.

 

Dat hebt u gehoord in Psalm 119. Daar zingt een man vanuit dit begin­sel: ‘Welgelukzalig is toch de mens die naar de wet des Heeren leeft en die zijn gang in die wet des Heeren vastmaakt.’ Het is een welgelukzalig mens. En die gaat bidden: ‘Och, schonkt Gij mij de hulp van Uwe Geest, mocht Die mij op mijn paân ten Leidsman strekken.’

Zij beginnen te leven, niet alleen naar sommige, maar naar al de geboden Gods. Het is niet zo dat ze een sortering maken van geboden, geboden die hen liggen en geboden die hen niet liggen. Zo van: de ene mens is meer geneigd tot deze zonde en een ander mens is meer geneigd tot een andere zonde. Nee, ál de geboden Gods. Kinderen Gods willen heilig voor God leven. Als ze dat zouden kunnen, als ze dat voor elkaar zouden krijgen, dan zouden ze heilig voor Hem leven. Maar zolang ze in dit leven zijn, is er maar een klein begin­sel van deze gehoorzaamheid.

 

Gemeente, het wordt bij het klimmen van de jaren niet beter. Het is niet zo dat het beter gaat als je wat ouder wordt. Dat had u misschien wel gehoopt. Maar het beginsel is klein als de Heere genade geeft in ons jonge leven, het is ook klein als we oud geworden zijn, want dan wandelen de zonden van de jeugd mee. ‘Gedenk niet meer de zonden mijner jonkheid.’ Als Gods kinde­ren op hun sterfbed liggen, dan is dat beginsel nog maar klein. Dan is het zo, dat aan hun kant alles verkeerd gedaan is en dat er van hun kant niets goeds meer te zeggen valt, maar dat ze alleen hopend op de genade van de Heere Jezus en gelovend in Hem zalig worden.

En dat worden ze! Gemeente, dat beginsel van die gehoorzaamheid zal uitbotten. Dat zal steeds grotere, betere vormen krijgen, zich steeds duide­lijker vertonen, totdat het in het eeuwige leven opbloeit. Dan zal God wor­den verheerlijkt tot in alle eeuwigheid. De volle bloeitijd van de kerk komt na de dood. ‘Na de dood is het leven mij bereid. God neemt mij op in Zijne heerlijkheid.’

 

Gemeente, wat is dat een wonderlijke zaak. Dat kleine beginsel is de voor­bode van de hemelse heerlijkheid en van de hemelse volkomenheid. Dan is er in het hart toch ten diepste dit: ‘Heere, dat ik U mag vrezen en liefheb­ben en dienen. O Zoon, maak ons Uw beeld gelijk.’

Dan is er in ons hart dat begeren om voor de Heere te mogen leven in al Zijn wegen en al Zijn geboden. En al is het dan dat zij menigmaal struikelen, wat tot hun verdriet is, dan komt toch de begeerte weer terug, zoals Psalm 17 dat vertolkt en zoals wij dat met elkaar gaan zingen uit het derde vers:

 

Ik zet mijn treden in Uw spoor,
Opdat mijn voet niet uit zou glijden;
Wil mij voor struikelen bevrijden,
En ga mij met Uw heillicht voor.
Ik roep U aan, ‘k blijf op U wachten,
Omdat G’, o God, mij altoos redt;
Ai, luister dan naar mijn gebed,
En neig Uw oren tot mijn klachten.

 

3. De prediking van de wet

 

Gemeente, niemand kan die wet houden. Dan rijst de vraag: waarom laat God die wet dan zo scherpelijk prediken? Want, let u wel, God laat die wet preken. Dat is niet een bepaalde voorkeur van een bepaalde groep. Dat is niet een bepaalde liefhebberij van een bepaald kerkgenootschap. God laat die wet preken. Wet en evangelie. Zij het dat de wet gepreekt wordt als een dienst­maagd van het evangelie. Want de dienaar van het Woord is in de eerste plaats dienaar van het evangelie van Jezus Christus. Dat evangelie schenkt en roept de genade uit in Christus. Dat evangelie predikt de vrije gift van God in Christus’ volbrachte arbeid. Want God was in Christus de wereld met Zichzelven verzoenende (2 Kor.5:19).

 

Het evangelie geeft. De wet eist. De wet wijst niet het middel der zalig­heid aan. Wij hebben met elkaar gezien wat die wet eist en hoe die wet eist, dat zij het volmaakte eist. En nu laat God die wet scherpelijk prediken. De Heere Jezus heeft dat ook gedaan. De apostelen hebben dat laten horen. En wat is nu het doel daarvan?

De wet is de dienstmaagd van het evangelie. Onze catechismus laat ons dui­delijk horen dat de wetsprediking, die scherpe wetsprediking, een dienst­maagdfunctie vervult ten behoeve van de prediking van het evangelie. Luis­tert u maar: ‘Eerstelijk, opdat wij ons leven lang onze zondige aard hoe langer hoe meer leren kennen en des te begeriger zijn om de vergeving der zonden en de gerechtigheid in Christus te zoeken.’

Wat de wetsprediking dus doet, is u uw zondige aard uw leven lang laten zien. Er is dus geen ogenblik dat je zeggen kunt: ‘Nu ken ik mijzelf.’ Dat ogenblik komt niet. Het blijft: hoe langer hoe meer mijn zondige aard leren kennen. En dan heeft dat toch nog maar een dienstbare functie, namelijk: voor zover ik daardoor wordt uitgedreven om de vergeving der zonde in de Heere Jezus Christus te zoeken.

De vergeving der zonde in Zijn bloed en de gerechtigheid van Christus is: dat Hij de wet vervuld heeft en dat Hij elk gebod volkomen gehouden heeft en dat Hij om mijnentwil de wet verheer­lijkt heeft.

 

Dat ga ik in Hem zoeken: ‘Heere, Gij zijt mijn gerechtigheid.’ Niet alleen omdat Hij met Zijn bloed de straf der zonde gedragen heeft, maar omdat Hij ook die wet van God volkomen heeft gehouden en vervuld, omdat er een vervulde wet is voor de kerk des Heeren.

‘Hoe langer hoe meer mijn zondi­ge aard leren kennen, opdat ik des te begeriger Christus ga zoeken en opdat ik steeds meer in Hem ga zien, en ontdek wat er in Hem te vinden is.’ Niet alleen de afwassing van mijn schuld en zonde, maar ook dat Hij voor mij de wet heeft gehouden.

Elke voetstap van Hem op aarde was een voetstap in de wet van Zijn Vader. Al onderhoud ik die wet nooit, al kan ik die zelfs niet onderhouden, Christus heeft die wet voor Zijn kerk volkomen volbracht. ‘Opdat ik dat meer en meer in Hem ga zoeken.’ U begrijpt wel, dan kom je vanzelf terecht in het dal van ootmoed. Want als u gaat leren hoe groot uw zondige aard is en steeds meer daarvan gaat zien en dan des te begeriger wordt om uit Christus te mogen leven, dan houd je in jezelf niets meer over. Dan heb je zelf ook niets meer om te roemen. Alleen dit blijft over: ‘Wie roemt, roeme in de Heere.’ Dat houd je over, en dat is de roem die de kerk des Heeren juist in deze weg zal leren.

 

Gemeente, die scherpe wetsprediking is nodig, opdat wij ons leven lang meer en meer onze zondige aard leren kennen. Nu een vraag aan u: heeft u al eens iets van uw zondige aard gezien? Niet dat je een lelijk trekje zus hebt en een lelijk trekje zo, dat hebben we allemaal wel. Voor God zijn we helemaal lelijk. En voor God kunnen wij zo niet bestaan. Voor God zijn we verloren mensen. Hebt u daar wel eens iets van gezien?

 

McCheyne zong:

 

Maar toen mij God Geest aan mijzelf had ontdekt,

Toen werd in mijn ziele de vreze gewekt.

Toen voeld’ ik wat eisen Gods heiligheid deed.

Daar werd al mijn deugd een wegwerpelijk kleed.

 

Toen vluchtt’ ik tot Jezus. Hij heeft mij gered!

Hij heeft mij verlost van het vonnis der wet!

Mijn heil en mijn vreugd’ en mijn leven werd Hij.

Ik boog m’, en geloofd’, en mijn God sprak mij vrij!

 

Gemeente, hebt u daar wel eens iets van gezien, dat u tot Jezus vluchtte en dat u bij Jezus welkom bent? Dan is het waar wat Hugo Binning heeft gezegd: ‘Jezus staat op Sinaï met de wet, opdat Hij op Golgotha ons zou ontvangen en met Zijn bloed zou verlossen van al onze ongerechtigheid.’

Dat staat in onze catechismus: des te begeriger zijn we om de vergeving der zonde en de gerechtigheid in Christus te zoeken. Dat is dus eigenlijk een wonder, dat God bij dat evangelie een dienstmaagd heeft gege­ven; de wet, die ons leidt, uitdrijft, om bij Hem, Die Zich in het evangelie openbaart als de volkomen Zaligmaker, de gerechtigheid en het leven te zoeken.

 

Maar er is nog een andere kant. Niet alleen dat wij van de genade van Christus gaan leven, dat wij steeds meer uit die genade van Christus gaan leven, maar ook die andere kant van het leven. ‘Daarna, opdat wij zonder op­houden ons benaarstigen en God bidden om de genade des Heiligen Gees­tes, opdat wij hoe langer hoe meer naar het evenbeeld van God vernieuwd worden.’

Kijk, hoe meer je die zondige aard gaat zien, hoe meer u ook zult gaan bidden: ‘Och, schonkt Gij mij de hulp van Uwe Geest.’

Die Heilige Geest heeft Christus verworven als de levendmakende Geest. Als de Geest Die ons vernieuwt, als de grote Heiligmaker in het leven. Hij gaat de mensen vernieuwen om hoe langer hoe meer naar het evenbeeld van God vernieuwd te worden. Dat beeld van de Zoon van God gelijkvor­mig te worden, daar gaat het om. Om de gestalte van Christus te mogen gaan dragen, om die gestalte van Christus in ons leven te gaan openbaren. ‘O Zoon, maak ons Uw beeld gelijk.’

Wat is dat een wonder, gemeente, als een mens daar steeds meer begeerte naar krijgt, al is het dan dat we nooit verder komen dan die begeerte en dat gebed om de dagelijkse omgang met God te mogen hebben. En dat is niet alleen maar bidden, dat is niet alleen maar vragen, maar dat is ook ‘een benaarstigen zonder ophouden’. Dat wil zeggen: als die wet gepredikt wordt, zullen we ook een begeerte krijgen om in dat spoor des Heeren te wandelen, om achter die overste Leidsman en Voleinder des geloofs aan te gaan, Die, om de vreugde Hem voorgesteld, het kruis verdragen en de schande veracht heeft.

 

Gemeente, als u dan zo achter Hem aan mag komen en in het spoor van Jezus mag wandelen, o, dan is het goed om die omgang met Hem te heb­ben, om dat begeren en dat verlangen te kennen om steeds meer aan Hem gelijkvormig te worden door de genade van de Heilige Geest.

 

Ten slotte, als die wet zo scherpelijk gepredikt wordt als de dienstmaagd van het evangelie, dan gaan wij de genade van Christus zoeken en ook de ver­nieuwing door de Heilige Geest. Maar er komt ook een verlangen naar de volkomenheid, naar de volmaaktheid. Want er staat in onze catechismus: ‘Tot­dat wij tot deze voorgestelde volkomenheid na dit leven geraken.’ Welnu, die volkomenheid, die voorgestelde volkomenheid is hetgeen ons in de wet des Heeren wordt voorgesteld. Dat is de voorgestelde volkomenheid.

En daarnaar zullen we na dit leven volkomen zijn vernieuwd. ‘Totdat wij tot deze voorgestelde volkomenheid na dit leven geraken.’ Dan zal het er zijn. Dan zal de kerk des Heeren volmaakt zijn, met lange witte klederen bekleed en de palmtakken in de hand en dan zal ze God dienen dag en nacht in Zijn tempel. Dan zullen Gods kinderen een kleed aan hebben zonder vlek en zon­der rimpel. Zij zullen volmaakt zijn en volmaakt God die­nen.

Er staat niet: ‘Opdat wij tot deze voorgestelde volkomenheid na dit leven geraken.’ Als er ‘opdat’ zou staan, dan zou dat andere, dat voorgaande, alle­maal voorwaarde zijn. Het één volgt dan op het ander, maar zo is het niet. Daar staat niet ‘opdat’. Het is geen twijfelachtige zaak. Daar staat ‘totdat’, dat wil zeggen: de kerk des Heeren mag het weten, het komt en het komt zeker.

 

Maar (blij vooruitzicht dat mij streelt!)
Ik zal, ontwaakt, Uw lof ontvouwen,
U in gerechtigheid aanschouwen,
Verzadigd met Uw Godd’lijk beeld.

 

Het komt, het ligt vast, het zal aanbreken, totdat de volkomenheid die hier wordt voorgesteld na dit leven bereikt zal zijn. Paulus zegt het als hij de laatste brief van zijn leven schrijft aan Timótheüs: Voorts is mij weggelegd de kroon der rechtvaardigheid, welke mij de Heere, de rechtvaardige Rechter, in die dag geven zal; en niet alleen mij, maar ook allen die Zijn verschijning liefgehad hebben (2 Tim.4:8).

 

Gemeente, daar gaat het om. Hebben wij die verschijning van Hem lief? Dan moet u denken aan de openbaring van de Heere Jezus, zoals Hij komt op de wolken des hemels. Zien we daar naar uit? ‘Totdat Ik kom.’ Verlangen wij naar die toekomst des Heeren? Hebben we die lief? En niet alleen mij, maar ook allen die Zijn verschijning liefgehad hebben, schrijft Paulus.

Het gaat om die liefde, wederliefde. En meer is het niet. Die wederliefde zegt ook niet zoveel, maar toch gaat het erom. Die Zijn ver­schijning liefgehad hebben.

 

En dan staat er in de Korinthebrief: Indien iemand de Heere Jezus Christus niet liefheeft, die zij een vervloeking; Maranatha (1 Kor.16:22). Dan legt Paulus bevend zijn pen neer, waarmee hij dat woord geschreven heeft, want dat is een ontzaglijk woord. Indien iemand de Heere Jezus Christus niet liefheeft, die zij een vervloeking.

Maar het is niet alleen een ontzaglijk woord, het is ook een troostrijk woord, want wie de Heere Jezus liefheeft, met die wederliefde, zal straks met Hem mogen zijn in heerlijkheid.

‘En dan zullen we aan Hem gelijk zijn’, zegt Johannes. Wij weten niet wat wij zijn zullen, maar dit weten we: Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods, en het is nog niet geopenbaard wat wij zijn zullen. Maar wij weten dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien gelijk Hij is (1 Joh.3:2).

 

Dan heeft de wet haar volkomenheid bereikt. Daar zal niemand ooit meer hoeven te denken wat hij moet doen. Gods kind zal aan deze wet gelijkvormig zijn, hij zal het beeld van Christus vertonen, hij zal Christus gelijk zijn. Dan zal het evangelie zijn dienst hebben gedaan en zijn waarheid hebben betoond en dan zal de kerk God eeuwig gaan grootmaken.

 

‘Totdat wij tot deze voorgestelde volkomenheid na dit leven geraken.’

Gemeente, weet u er iets van, van dat liefhebben van Hem, Die het zo waard is om geliefd te worden, omdat Hij uit liefde Zijn leven heeft gesteld voor Zijn schapen?

Neem dan dat woord van Paulus mee. Indien iemand de Heere Jezus Christus niet liefheeft, die zij een vervloeking; Maranatha. De Heere komt!

 

Amen.

 

 

Slotzang: Tien Geboden: 8 en 9

 

Uw hart zal nimmer iets begeren
Van alles wat uws naasten is;
Uw ziel zal als uw mond God eren,
En houden Zijn getuigenis.

 

Och, of wij Uw geboôn volbrachten!
Genâ, o hoogste Majesteit!
Gun door ‘t geloof in Christus krachten,
Om die te doen uit dankbaarheid.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in ‘De Heidelbergse Catechismus’ van ds. D. Rietdijk en ds. C.G. Vreugdenhil (Uitg. Groen, 1998).