Ds. D. Rietdijk - Zondag 43

Onderwerp

Het negende gebod - Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste
Ons bewaren van de boze
Ons roepen tot voorzichtigheid
Ons aansporen tot dienende liefde
Deze preek is eerder gepubliceerd in ‘De Heidelbergse Catechismus’ van ds. D. Rietdijk en ds. C.G. Vreugdenhil (Uitg. Groen, 1998).

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 141: 2, 3
Lezen : Jakobus 3: 1-12
Zingen : Psalm 101: 2, 4, 5
Zingen : Psalm 119: 15
Zingen : Psalm 52: 7

Gemeente, wij gaan met u overdenken Zondag 43 van onze Heidelbergse Catechismus.

 

Vraag 112: Wat wil het negende gebod?

Antwoord: Dat ik tegen niemand valse getuigenis geve, niemands woorden verdraaie, geen achterklapper of lasteraar zij, niemand lichtelijk en onverhoord oordele of helpe veroordelen; maar allerlei liegen en bedriegen, als eigen werken des duivels vermijde, tenzij dat ik de zware toorn Gods op mij laden wil; insge­lijks dat ik in het gericht en alle andere handelingen de waarheid liefhehbe, oprechtelijk spreke en belijde; ook mijns naasten eer en goed gerucht naar mijn vermogen voorsta en bevordere.

 

Gemeente, het gaat over: Het negende gebod – Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste.

 

En dan letten we op drie dingen:

1. Ons bewaren van de boze

2. Ons roepen tot voorzichtigheid

3. Ons aansporen tot dienende liefde

 

1. Ons bewaren van de boze

 

Gemeente, de Heere vermaant Zijn volk om voorzichtig te zijn als de slan­gen en oprecht te zijn als de duiven. Slangen zijn voorzichtig. Ze mijden de mensen. U kunt zomaar geen slang ontdekken. Ze zijn bedachtzaam, zij zijn niet uitdagend. Duiven zijn oprecht. Duiven zijn ver van arglistigheid. Dui­ven hebben in gevaar maar één uitweg en dat is naar boven vliegen.

En nu hebben de kinderen van God deze voorzichtigheid en tegelijkertijd die oprechtheid nodig in hun gang door deze wereld, voor God en voor men­sen. Zo alleen kunnen zij als lammeren temidden van de wolven verkeren.

Nu is het menselijk gesproken onmogelijk om voorzichtigheid en oprechtheid samen te voegen. U vraagt: ‘Hoe kan het dan wel? Wat wil de Heere dan van ons?’ Wel, het kan alleen door de vernieuwende genade van de Heilige Geest.

En die genade is zeker nodig voor het gebod dat nu onze aandacht vraagt: Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste.

 

Dat brengt ons in de allereerste plaats in de rechterlijke sfeer. Het woord ‘getuige’ dat in dit gebod gebruikt wordt, betekent in de oorspronkelijke taal waarin de Schrift van het Oude Testament geschreven is: getuige zijn voor een rechtbank. Voor een rechtbank kunt u een getuigenis afleggen tegen uw naaste. Dat wil zeggen: een getuigenis dat uw naaste openbaart in het kwaad dat hij bedreven heeft, volgens u. U belast hem dus met uw getuigenis voor de rechter.

Maar als je een vals getuigenis gaat afleggen, een verklaring die niet waar is, dan kunt u een onschuldige door uw getuigenis schuldig laten verklaren. Daarmee kunnen we schade aanrichten, daarmee kunnen we een leven verwoesten.

 

Kijken we buiten de rechtszaal, dan komen wij in het onderlinge verkeer, het maatschappelijk verkeer van mensen. Dat heeft plaats door middel van het gesprek. En in dat verkeer kunnen woorden van iemand verdraaid worden. Het ergste wat je kunt doen is de bedoeling van de woorden die iemand gesproken heeft, een andere wending geven, een andere inhoud toe­schrijven, een andere bedoeling toekennen.

Men kan lasteren. Je kunt in een gesprek iemand van kwaad betichten dat hij niet gedaan heeft. Je kunt ten onrechte iemand ervan beschuldigen dat hij kwaad gedaan of gesproken heeft, wat hij metterdaad niet gedaan heeft. Dat is lasteren.

 

Men brengt geruchten achter iemands rug om in de wereld. Dat is een bekend verschijnsel. Dat komt dagelijks voor in onze verleugende wereld. Op het gerucht dat via via gegaan is, wordt een ander belasterd, spreekt men kwaad van een ander en stelt men de ander in een kwaad daglicht. Door die geruchten kan men iemand veroordelen, lichtelijk veroordelen, op lichtvaar­dige wijze oordelen.

Men kan ook ongehoord oordelen. Zonder dat men die mens zelf gehoord heeft, spreekt men het vonnis al over hem uit, stelt men bepaalde feiten vast en is het vonnis al over iemand geveld en uitgesproken. Dat komt in de wereld herhaaldelijk voor. Dat komt ook in de kerk helaas voor. Dat komt in de kerkelijke vergaderingen voor. Het is een heel groot kwaad, iemand lichtelijk en onverhoord veroordelen. Tot in de hoogste, tot in de meerdere vergaderingen van de kerk komt dat helaas voor. Geruchten: ‘Ik heb gehoord dat…’ En dan komt het. Dan gaat iemand over de tafel heen alsof het geen mens, alsof het geen naaste van ons is. ‘Ik heb gehoord dat…’

 

Nu gaat onze catechismus iets van deze zonde zeggen wat hij nog nooit van één zonde gezegd heeft. De Naam des Heeren lasteren is, zegt de catechis­mus, de grootste zonde. God wordt niet méér vertoornd dan door het las­teren van Zijn Naam. Dat is de grootste zonde. Het leven van iemand bene­men is een heel erge zonde. Maar nu zegt hier antwoord 112 dat allerlei liegen en bedriegen ‘de eigen werken des duivels zijn’. Dat is nog nooit bij een gebod gezegd. Dat zegt de catechismus alleen bij het negende gebod van: ‘Ik heb gehoord dat…’ en dan komt het…

 

‘Eigen werken des duivels.’ Dat klinkt erg hard. Maar, gemeente, dat is niet hard, het is de waarheid. Dat is overeenkomstig het Woord van God. Want de duivel is de leugenaar van den beginne. Hij is de valse getuige, die in de hemel de broederen aanklaagt. De verklager der broederen wordt hij ge­noemd.

Liegen is het werk van de duivel. Daar leeft hij in. De leugen komt uit hem op, de leugen is hem eigen, hij is de leugen zelf. Hij wordt ‘de vader der leugenen’ genoemd. Alle leugens worden uit hem geboren. Hij is de bron van de leugen, de springader van alle bedrog. Zoals Christus en de waarheid één zijn, zo zijn de duivel en de leugen één.

 

De mens, die zich vrijwillig en moedwillig aan de satan heeft onderworpen, is met hem verleugend. Wij hebben van satan de leugen geloofd en daarna hebben wij van hem de leugen geleerd. Het zijn eigen werken des duivels. Wie heeft er ooit méér gelogen, gelasterd en woorden verdraaid, dan satan? Hij is ermee begonnen in het paradijs, waar hij God tot een leugenaar maakte.

Satan heeft Eva wijsgemaakt: ‘Als je van die boom van de kennis des goeds en des kwaads eet, dan zul je niet sterven. Heus niet, daar hoef je niet aan te twijfelen. Je zult niet sterven, maar je zult als God zijn, kennende het goed en het kwaad. Je zult zelf mogen uitmaken wat goed en wat kwaad is in je leven. Je zult de teugels van je leven zelf in handen mogen houden, je zult zelf je leven kunnen besturen.’

 

Satan verdraait altijd het Woord van God. Dat doet hij nog. Hij geeft altijd een halve waarheid. Hij komt of met ‘een wet zonder evangelie’ óf hij komt met ‘een evangelie zonder wet’, maar hij verdraait dat Woord van God altijd.

Als de Heere Jezus in de woestijn door hem verzocht wordt en op de tinne van de tempel wordt geleid, dan wordt Jezus uitgenodigd om daar van af te springen. Satan citeert dan op zijn wijze de Schrift en zegt: Dat Hij Zijn engelen van U bevelen zal, en dat zij U op de handen zullen nemen, opdat Gij niet te eniger tijd Uw voet aan een steen aanstoot (Matth.4:6).

Dan antwoordt de Heere Jezus: Gij zult de Heere uw God niet verzoe­ken (Matth.4:7).

De engelen zullen ons wel bewaren als we de Heere vrezen, als wij maar in de weg van God gaan. Als u in de weg van God gaat, dan zal God u bewaren. Maar als je eigen gekozen wegen gaat (u weet wel, daar zijn we zo sterk in: ik ga een andere weg dan God mij aanwijst) dan moet u nooit ver­trouwen dat de Heere u zal bewaren door Zijn engelen, die u op de handen dragen zullen, want dat staat in de hele Bijbel niet. Satan laat er een paar woordjes uit weg en hij zet er een paar andere woordjes bij en past het toe op de toestand van de Heere Jezus. Maar dan zegt de Heere Jezus: ‘Nee!’ Want als Hij niet de weg van Zijn Vader gaat, dan zullen de engelen Hem niet bewaren.

Wat is dan de weg van de Vader voor Jezus? Wel, dat is niet van de tinne van de tempel af springen. Zo zal Hij geen Borg zijn, zo zal Hij niet betalen voor de zonde. Hij zal het kruis dragen. Hij zal naar Golgotha worden geleid als een misdadiger. Aan het kruis gehangen zal Hij sterven. En in die weg van de Vader zal Hij de paasmorgen beleven, waarop Hij opstaat uit de doden en de dood zal overwinnen.

 

Satan komt altijd met halve waarheden. En met die halve waarheden brengt hij je in het nauw, desnoods tot zelfmoord. Tot de hand slaan aan je eigen leven, zo kan hij een mens benauwen. Want denk erom, u mag nooit zeggen dat satan niet bestaat. Daar doet u hem het grootste plezier mee. Daar kunt u hem het meest mee dienen, door hem te ontkennen.

In deze wereld wordt hij ontkend zoals ook de hel wordt ontkend en zoals ten slotte ook de hemel wordt ontkend. Maar satan is er.

 

Hij komt ook als een engel des lichts. In die gedaante komt hij altijd met vertroostende woorden. Want denk erom, vertroosten kan satan buitenge­woon goed. Hij kent de Bijbel beter dan dat u hem kent, wie u ook bent, al hebt u ik-weet-niet-wat bestudeerd en onderzocht uit de Schrift. Satan kent de Bijbel beter. Hij komt als een engel des lichts.

Wat doet hij dan? Hij ver­troost u zo, dat u nooit meer bij God terechtkomt, dat u nooit meer de troon der genade opzoekt en dat u nooit meer een gebed naar de Heere opzendt. U bent gerustgesteld, u bent tevredengesteld.

 

Satan staat zelfs voor God en dan lastert hij de kinderen van God. Denk maar aan de geschiedenis van Job. Satan is in de hemel en staat voor God. Dan zegt de Heere: ‘Gij zijt teruggekomen van de omwandelingen van de aarde. Hebt u ook gelet op Mijn knecht Job?’ En dan antwoordt satan: ‘Ja, dat heb ik, dat heb ik zeker. Dacht U dat Job U dient om niet, dacht U nu heus dat Job een godvrezend man is omdat hij U liefheeft? U hebt hem zó verwend, dat het wel lijkt of Job U liefheeft, maar tast hem nu eens aan in zijn bezit, neem dat eens van hem af en kijk dan eens wat dat dienen van Job waard is.’

Zo is satan aan het lasteren. En de mens volgt hem in deze werken. Eigen werken des duivels… U zou kunnen zeggen dat het hier in dit gebod gaat over woorden. Woorden waarmee wij de waarheid geweld aandoen, waarmee wij liegen, waarmee wij lasteren, waarmee wij over anderen een lichtvaardig of onverhoord oordeel uitspreken. Maar er wordt gesproken over de werken des duivels. De catechismus noemt ze werken, daden. Want ieder woord dat misgaat, is een misdaad.

 

God wil de Zijnen voor deze boze zonden bewaren. Daartoe heeft Hij dit gebod als een regel des levens gegeven: Gij zult geen valse getuigenis spre­ken tegen uw naaste. Behalve dat de Heere dit gebod aan Zijn kerk heeft gegeven, heeft de Heere Jezus ook Zijn Vader gebeden: Ik bid niet dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart van de boze (Joh.17:15). Zo bidt Jezus.

En nu gaat de Heere Zijn kinderen via dit gebod onderwijzen dat zij de wer­ken des duivels moeten haten en vlieden. En dan wijst Hij op Zichzelf. Want, gemeente, in elk gebod, onthoud dat, moeten wij bij Jezus terechtkomen, om te zien hoe Hij dat gebod gehouden heeft. Hij is het grote Voorbeeld van Zijn kerk, Die voor haar de wet volmaakt heeft onderhouden, Die getoond heeft hoe die wet onderhouden moet worden. Hij is ook Degene Die de schuld van de overtreding van die wet heeft betaald. Van Hem staat geschreven dat er geen bedrog in Zijn mond geweest is. Hij is de mond der waarheid. Ja, Hij is de waarheid Zelf.

Door Zijn kracht en genade wordt de kerk des Heeren verlost van de leu­gen. De waarheid van Christus maakt de banden los, die maakt Zijn kerk vrij van de leugen. Ze worden geroepen om aan satan geen gehoor te geven. Gemeente, de kinderen van God en wij allen leven in deze wereld die verleugend is. Wolven zijn er rondom de kudde van Christus. En nu is het Woord van God alleen de waarheid. Vandaar dat wij alleen moeten luisteren naar Zijn Woord, moeten bidden om in de waarheid te worden geleid door Zijn Heilige Geest en moeten luisteren naar de stem van de goede Herder. We moeten dicht leven bij de Heere, Die de Zijnen bewaart van ontzaglijk veel kwaad.

Gemeente, er is zoveel verzoeking en verleiding in dat boze hart van ons en daar heeft satan zo’n grote macht. Er hoeft maar weinig te gebeuren of ons hart gaat met de boze mee. En daarom moeten deze eigen werken des dui­vels vermeden en gehaat worden, daar moeten we van vlieden. Wij moeten op onze hoede zijn voor de vader der leugenen.

 

De Heere verbiedt allerlei liegen en bedriegen, in alle vormen.

Er kunnen allerlei vormen zijn van liegen en bedriegen, die op zichzelf nog wel een aardig tintje hebben en waar de dienst des Heeren zelfs nog een plaatsje in kan krijgen. Voor God is dit echter niets anders dan liegen en bedriegen. Daar zegt de Heere van dat Hij dat verbiedt.

Nu helpt verbieden gewoonlijk niet veel, dat ziet u rondom u heen, bijvoor­beeld in uw gezin. U kunt vaak iets verbieden, maar uw kinderen doen het toch. Zo zijn grote mensen ook voor God. Er moet iets in ons gebeuren. Dat kan ik u niet vaak genoeg zeggen. Er moet in ons leven dit gebeuren: dat wij vernieuwd worden door Zijn Geest. De Heere Jezus bidt erom: Heilig hen in Uw waarheid; Uw Woord is de waarheid (Joh.17:17). Zondert U ze af. Maak dat het kinderen der waarheid worden.

 

Vandaar het tweede dat wij met elkaar gaan overdenken:

 

2. Ons roepen tot voorzichtigheid

 

De Heere roept ons door Zijn gebod op tot voorzichtigheid.

Want als deze zonde zo erg is, zó erg, dat onze catechismus zegt dat het eigen werken des duivels zijn, dan voegt hij daarbij: dat ik de zware toorn van God op mij laad als ik deze zonde blijf bedrijven. God is overal de stille Toehoorder van al onze gesprekken, van al onze woorden. Zijn ogen doorlopen de ganse aarde, Hij ziet alle men­sen. Hij peilt het hart van alle mensen. En Die het oor plantte, zou Die niet horen en Die het oog maakte, zou Die niet zien?

 

De Heere oordeelt naar Zijn heilige maatstaven. En nu kan Zijn toorn over deze eigen werken des duivels niet anders dan vreselijk zijn. Wij oordelen vaak over Gods werken. Wij zijn altijd bezig om de werken des Heeren te beoordelen. Daar hebben we vaak wat op aan te merken. De Heere doet het eigenlijk maar zelden goed in ons leven. In de natuur niet: het is te koud, te warm, te nat of te droog. Wij veroordelen vaak de werken des Heeren, maar de werken Gods zijn altijd goed en wijs.

En nu gaat God onze werken beoordelen. Die grote God gaat met Zijn zware toorn de leugenaar treffen omdat die zonde zo afschuwelijk is. Je zou zeggen: ‘Waarom staat dat nou net hier bij dat negende gebod: tenzij dat ik de zware toorn van God op mij laden wil?’ Wel, omdat het een verachtelij­ke zonde is. Bij elke zonde is er nog een schijn van verzachtende omstan­digheden, maar voor vals getuigen, voor liegen en lasteren is niets te zeggen.

Dat is in de allereerste plaats hoogmoed. De mens stelt zich boven de ander. Het is ook een lafhartige zonde, want het gaat altijd achter de rug van een ander om. De naaste wordt beklad. Zijn goede naam wordt te grabbel gegooid. Wij spreken ons oordeel uit over zijn woorden, over zijn daden en zelfs over zijn persoon, zonder de achtergrond te kennen, de waarheid te weten of de geruchten te hebben onderzocht. Het directe contact en het spreken met de naaste ontbreekt. Men spreekt achter de rug kwaad van de medemens.

Dat is de overtreding van dit gebod.

En zo stookt men het vuur van de satan. Want tegenover achterklap en lastering staat de mens machteloos. Een woord dat tegen iemand geuit wordt, kun je nooit meer herstellen. Dat is net als een zak met veren die men vanaf een toren leegschudt. Die veren krijg je nooit meer bij elkaar, die kun je nooit meer verzamelen. Ze waaien met de wind overal heen. Zo gaat het met de lastering en met de achterklap die over iemand wordt uitgesproken. De lasterpraat krijg je nooit meer bijeen. Dat is afschuwelijk.

 

God straft deze zonde zwaar. De zonde van het ‘vals getuigenis spreken’ gaat rechtstreeks tegen Gods waarheid en heiligheid in. Er staat in Openbaring geschreven dat in het nieuwe Jeruzalem niet zal inkomen iets dat leugen spreekt. Het deel van de leugenspreker zal zijn in de poel des vuurs.

Gemeente, dat is wat, wat de Heere zegt in Zijn Woord. De toekomst van een ieder die de leugen blijft liefhebben en doen, is de poel van het vuur. Bovendien laadt de mens die deze zonde bedrijft ook de smaad op zich van leugenspreker te zijn.

En dan wordt de leugen in dit leven al heel vaak gestraft. Men keert zich tegen de leugenaar. Zo’n mens wordt op de daad van de leugen gegrepen. De leugen, de achterklap maakt zichzelf openbaar.

De zware toorn Gods op ons laden… We kunnen die last niet dragen. Gemeente, als u wilt weten wat dat is, dan moet ik u verwijzen naar Eén Die de zware toorn Gods gedragen heeft, Die op Golgotha Zichzelf aan die zware last van de toorn Gods heeft onderworpen. U komt altijd bij Hem terecht. Hij heeft die toorn gedragen. Daar ziet u hoe ernstig God het neemt met alle zonden, maar in het bijzonder met deze zonde.

 

Gemeente, nu is de zonde tegen dit negende gebod vrij algemeen. Het woord dat gesproken wordt, vervluchtigt. Een leugen wordt gemakkelijk uitgesproken, die is zo verteld, lichtvaardig bedreven, schaamteloos gelo­gen... In gesprekken, op visites, in de handel, in deze maatschappij. Op papier, wanneer wij verklaringen moeten afleggen of wanneer wij aangifte moeten doen van onze belastingen. Een handtekening wordt gemakkelijk gezet. In getuigschriften, afgegeven ten behoeve van personeel, worden fraaiere din­gen gezegd dan geoorloofd is. De waarheidstoets kan niet aangelegd worden.

Wat gaat dat allemaal heel gemakkelijk! Wat is deze wereld verleugend en vervuld met het overtreden van dit gebod. Het wordt bedreven alsof het geboden is in plaats van verboden.

 

Bovendien heeft deze zonde iets eigen­aardigs. Voor een dief, voor een moordenaar, voor een overspeler wil nie­mand graag worden aangezien. Dat bedekken we zo gauw mogelijk. Daar willen we niets mee te maken hebben, die naam willen wij niet dragen. Maar ten aanzien van deze zonde handelen we heel anders. Bij dat veroordelen, liegen, kwaad spreken en achterklappen staat niemand stil. Dat zijn woorden die vervluchtigen, dat zijn woorden die niemand hoort, dat zijn woorden achter iemands rug om gesproken. Dat kan schijnbaar bedekt blijven.

Maar wat hebben wij onze woorden te wegen en wat hebben wij met onze handelingen in dit leven voorzichtig om te gaan. Want dit gebod gaat over uw woord en over uw daad. Dit gebod gaat over uw ganse leven. De dich­ter van Psalm 119 vers 96 zegt: In alle volmaaktheid heb ik een einde gezien, maar Uw gebod is zeer wijd. Dat is grenzeloos, dat is zó wijd, dat ik het einde daarvan niet kan zien.

Het ongeluk is dat satan ons verblindt. Hij ver­blindt onze ogen, zodat wij niet scherp kunnen zien. De vorst dezer eeuw verblindt de ogen, zodat we ook de waarheid omtrent het evangelie niet kunnen zien. We zien niet dat wij onze naaste schaden, we zien niet wat voor leed we met onze woorden aanrichten, dat we misschien wel denken de waarheid te zeggen, maar dat wij die niet in liefde betrachten.

 

Gemeente, je kunt de waarheid wel zeggen tegen iemand, maar de waarheid op zich is keihard. Als u de waarheid niet in liefde betracht, dan spreekt u keihard. Dan kunnen we onze naaste kwetsen met de waarheid. Dan kunnen we hem pijn doen met de waarheid, dan kunnen wij het gebod overtreden door de waarheid te zeggen.

De geboden des Heeren, van het eerste tot en met het tiende gebod, moeten in liefde betracht worden. Paulus zegt in de Efezebrief dat de waarheid in liefde betracht wil worden. Daar heb ik het heil, het welzijn van mijn naaste mee in het oog te houden.

We moeten bidden en waken tegen deze zonde, opdat wij dit kwaad niet openlijk bedrijven en zo de toorn van God op ons laden.

 

Gemeente, Gods kinderen worden oprecht gemaakt. Christus verlost uit de macht van satan en uit de duisternis, want als de catechismus ons vraagt: ‘Wat is uw enige troost in leven en sterven?’, dan is dit onze troost: ‘Dat ik met lichaam en ziel het eigendom van Christus ben, Die mij met Zijn dierbaar bloed gekocht heeft en mij uit alle heerschappij des duivels verlost heeft.’

Christus verlost mensen uit de macht van de vorst der duisternis.

Paulus zegt: Want gij waart eertijds duisternis, maar nu zijt gij licht in de Heere; wandelt als kinderen des lichts (Ef.5:8). Die gaan de werken der duisternis schuwen, ze gaan de leu­gen en de laster schuwen. Daar krijgen ze een hekel aan. De waarheid maakt hen vrij en ze worden opgewekt om te wandelen als kinderen des lichts. Dus niet alleen: ‘Gij zijt kinderen des lichts’, maar nu komt er dit gebod bij: ‘Wandelt dan ook als kinderen des lichts.’

 

Gemeente, dan moeten we achter Christus gebracht zijn. Want Hij is het Licht der wereld. Die Mij volgt, zal in de duisternis niet wandelen, maar het licht des levens hebben (Joh.8:12). Alleen als wij achter de grote Herder der schapen aankomen, zal het licht des levens over ons leven schijnen en in dat licht zul­len wij dan wandelen.

Als u in de duisternis wandelt, ziet u uw naaste niet. Dat is net als wanneer u ‘s avonds buiten wandelt en er zouden geen lantaarns zijn. Dan ziet de één de ander niet. Als u in de duisternis wandelt, dan ziet u ook uw naaste niet. Maar als u in het licht wandelt, gelijk Hij in het licht is, dan hebt u gemeenschap met elkaar, zegt de apostel Johannes.

 

Waar het om gaat is of ik door het geloof achter Christus ben gebracht en achter Hem wordt gehouden om in het licht van Hem te wandelen. Dan zie ik mijn naaste, dan herken ik mijn naaste, dan heb ik ook gemeenschap met de naaste. In de duisternis verlies je elkaar uit het oog, dan ziet de één de ander niet. Maar in het licht mag je gemeenschap hebben met elkaar.

Oprecht gemaakt voor God en voor de mensen. Dan belijden we oprecht onze zonden voor God, dan houden we niets achter. Want, gemeente, dat is het erge, dat wij zoveel voor de Heere achterhouden. De Heere zegt in Hosea: Ik zou hen wel verlossen, maar zij spreken leugens tegen Mij (Hos.7:13). Ze vertellen niet wat op de bodem van hun hart leeft. Zij bekennen niet in oprechtheid hun schuld voor Gods aangezicht. Ze houden wat achter de hand en achter de rug. Zij spreken leugens tegen God. En daarom zal Hij hen niet verlossen.

 

Als de Heere ons oprecht maakt, dan belijden we oprecht de zonde, zoals David dat deed in Psalm 32:

 

‘k Bekend’, o Heer’, aan U oprecht mijn zonden;
‘k Verborg geen kwaad dat in mij werd gevonden;
Maar ik beleed, na ernstig overleg,
Mijn boze daân; Gij naamt die gunstig weg.

 

David laat als het ware in al de schuilhoeken van zijn leven kijken door God. Oprecht maken voor God doet de Heilige Geest. En dan worden we ook oprecht voor de mensen. Als u oprecht voor God bent geweest, dan wilt u dat ook voor uw naaste zijn. Oprecht handelen en spreken met uw naaste.

 

Hoe is het nu met ons? Want, gemeente, wij komen met elk gebod bij ons­zelf, bij ons eigen leven en niet bij het leven van een ander.

En dan denk ik aan Achab en Izebel. Ze hebben de waarheid gehoord en de leugen gedaan.

Ik denk aan Ananias en Saffira, die mensen uit het Nieuwe Testament, uit de Handelingen der apostelen. Zij hebben tegen de Heilige Geest gelogen. Zij waren daar in de eerste gemeente te Jeruzalem en zagen dat mensen die door de Heilige Geest werden bearbeid, verkochten hetgeen zij hadden en de opbrengst daarvan aan de apostelen gaven. Die moesten dat dan uitdelen onder de armen.

Ananias en Saffira wilden ook graag aangezien worden voor zulke christenen. Zij hebben dus ook hun goed verkocht. Alleen, wat zij bij de apostelen brachten was niet honderd procent van de opbrengst, maar een gedeelte daarvan, terwijl ze deden voorkomen alsof zij net zo deden als die andere christenen, die de hele opbrengst daar brachten. Wat zij deden, was dus net doen of het werk van de Heilige Geest in hun leven gevonden werd.

En als Petrus vraagt of dit alles is wat zij hebben ontvangen, zeggen ze: ‘Ja.’ En dan antwoordt Petrus: Gij hebt de mensen niet gelogen, maar Gode (Hand.5:4). U weet wat er gebeurt, zowel met Ananias als Saffira. Achter el­kaar sterven zij, de één na de ander. De zware toorn Gods op ons laden. Het werk van God nabootsen, net doen alsof…

 

Gemeente, wat hebben wij dan de werking van de Heilige Geest allemaal nodig, opdat wij vernieuwd worden. Niet doen alsof, maar opdat wij ver­nieuwd worden naar het beeld van Christus en opdat Hij een gestalte in ons leven verkrijgen zal. En als Hij een gestalte in ons leven verkrijgt, dan zal er ook iets openbaar komen van dat dienend liefhebben, zoals Jezus dat leert. Want dit gebod spoort ons aan tot dienende liefde. Onze derde gedachte:

 

3. Ons aansporen tot dienende liefde

 

Onze catechismus zegt niet alleen wat verboden wordt, maar ook wat gebo­den wordt: ‘Insgelijks dat ik in het gericht en alle andere handelingen de waarheid liefhebbe, oprechtelijk spreke en belijde; ook mijns naasten eer en goed gerucht naar mijn vermogen voorsta en bevordere.’

De Heere Jezus roept ons op de waarheid en de vrede lief te hebben. Niet alleen maar plichtmatig de waarheid spreken, maar die liefhebben, dat wil zeggen de leugen en het onrecht haten.

‘Het oprechte geloof, het ware geloof is door de liefde werkende’, zegt Pau­lus in de Galatenbrief. Dat oprechte geloof zal openbaar komen in woord en daad. Het geloof in ons is nodig om in Christus te worden ingelijfd, Die de Waarheid is, opdat wij door Hem vruchten zouden voortbrengen. Hem te kennen door het geloof, Wiens mond nooit bedrog gesproken heeft en Die toch Zijn bloed gestort heeft. Hij kwam in de wereld en is geopenbaard om de waarheid getuigenis te geven.

 

Gemeente, satans leugen heeft wat teweeggebracht! Het kostte Jezus’ bloed. En alleen dat bloed heeft kracht om ons van de leugen te bevrijden. Alleen dan gaan wij de waarheid liefhebben. Dat kan alleen als wij God liefhebben. Satans leugen wordt doorbroken door de liefde van God, die uitgestort wordt in harten door de Heilige Geest.

Want als die Geest de liefde Gods in onze harten uitstort, dan hebben wij ook God lief. Dan komt er wederliefde in je hart tot de Heere, Zijn dienst en Zijn geboden. Dan krijgen we de wer­ken van God lief. Dan zullen we ook lust hebben om in de waarheid te wan­delen. Het wordt een begeerte, een bidden, een smeken om dat beeld van Christus gelijkvormig te worden: ‘O Zoon, maak ons Uw beeld gelijk.’

 

De catechismus zegt in een volgende Zondag dat er hier niemand is die dat beeld volkomen zal vertonen, maar dat we hier slechts een klein beginsel van deze gehoorzaamheid hebben, doch alzo, dat we zullen bege­ren om naar al de geboden Gods te leven en de Heere van harte bidden om de genade, opdat wij in de gerechtigheid van Christus de schuld van onze zonden kwijtraken en door Zijn Geest worden vernieuwd.

Waar de liefde tot God en onze naaste de overhand krijgt, gemeente, daar krijgt u ook uw naaste lief. Dan krijgt u uw naaste mee. Dan zult u zijn goed gerucht en zijn eer gaan voorstaan en bevorderen. Dan zoeken we niet het negatieve, dan vergroten we zijn fouten niet.

Het is niet zo dat wij de zonde moeten goedkeuren, maar dan zullen wij zeker wel met die naaste rekening houden. Zijn eer, zijn goed gerucht en zijn behoud zullen wij zoeken. En, gemeente, dan hoeft u niet te overdrij­ven. Want je kunt natuurlijk ook flatteren en dat is ook een leugen. Als je het allemaal beter, mooier, schoner maakt dan het in werkelijkheid is, dan bent u aan het flatteren. En dat is net zo’n leugen als kwaad van iemand spreken. Nee, blijf nuchter.

 

De Bijbel spreekt nuchter over de kinderen van God. Als Abraham in de fout gaat, staat dat ook in de Bijbel. En als David mis gaat, dan staat dat ook in de Bijbel. De Bijbel is een heel nuchter boek. Veel nuchterder dan deze zogenaamde nuchtere wereld, veel nuchterder dan al die nuchtere kerken, die menen dat zij het ware hebben en op de bevindelijken neerzien, als zijn­de toch maar een groepje wat een beetje onwezenlijk in deze nuchtere tijd staat.

Maar ik denk dat die ‘bevindelijken’ veel nuchterder zijn dan al die nuchte­re mensen. Ik denk dat ze geleerd hebben wat het zeggen wil verloren te zijn. En dat is een nuchtere waarheid. U bent zelf helemaal betrokken bij de verlorenheid van uw bestaan. Maar ook bij de nuchterheid dat in het bloed van Jezus verzoening, vergeving en bevrijding te vinden is.

 

Dacht u dat u ooit door het geloof Christus’ eigendom gemaakt kon zijn, zonder dat te ervaren in uw ziel, zonder dat met vreugde te beleven, zonder dat in ootmoedige verwondering te bewonderen? Dacht u dat dat buiten de mens omging, buiten zijn gevoelens, buiten zijn ervaring?

Ik denk dat ik een geloof niet zou begeren dat niet weet van tranen van berouw, maar ook niet weet van tranen van verwondering en blijdschap.

En deze mens, deze nuchtere mens, wordt bang voor zichzelf, bang voor zijn hart en alles wat daarin leeft. Zo’n mens gaat bidden, die gaat de toe­vlucht nemen, die gaat bedelen bij de bron. Die gaat zingen wat Psalm 119 zingt in het vijftiende vers, wat wij nu ook zingen:

 

Weer snood bedrog, o God, van mijn gemoed;
Laat Uw genâ mij Uwe wetten leren;
Ik kies de weg der waarheid voor mijn voet,
Om mij van ‘t pad der zonden af te keren;
Uw rechten, die zo heilig zijn en goed,
Steld’ ik mij voor; die wil ik need’rig eren.

 

Gemeente, dat heeft David gezongen. Zingt u, bidt u dat met hem mee? ‘Weer snood bedrog, o God, van mijn gemoed.’ Want wie zal vrij zijn van dit kwaad? Wij moeten bij het kruis komen om ver­zoening over ons leven te vinden. We moeten vernieuwd worden door de Heilige Geest, door die Geest Die Christus stervende verworven heeft, die Geest Die levend maakt en ons houdt bij de waarheid.

 

Als we daar terechtkomen, dan zal dat altijd zijn in de weg van:

‘Genâ, o God, genâ, hoor mijn gebed, hoor hoe een boeteling pleit.’

Dan zijn we mensen geworden, die voor God gaan belijden:

‘Mijn zonde zie ik mij steeds voor ogen zweven.’

Dan gaat een mens opzien uit de diepten tot God. En wat hebben we dan het gebed nodig:

‘Zet, Heer’, een wacht voor mijne lippen, behoed de deuren van mijn mond.’

 

We zijn zo loslippig. We hebben zo gauw teveel gezegd. En woorden kun je niet meer terugnemen, die kun je ook niet meer terughalen.

De bewaring door de Geest. De Heere Jezus is het, Die in alle waarheid leidt door Zijn Geest en Die in die waarheid doet wandelen. Hij is het Die onze ziel alleen maar geven kan wat we nooit meer uit het paradijs meebrengen, dat is liefde tot God en liefde tot de naaste. Hij schenkt dat wij getuige wor­den van Hem, getuige van Christus. Een ieder die Hem kent en weet Wie Hij is, wordt een getuige van de Heere Jezus. Zo’n mens gaat spreken van Hem en gewagen van Hem en die zal geen leugen spreken, maar de waarheid zeggen. Zij zullen spreken van het heil dat Hij bereid heeft.

Zefanja heeft ervan geprofeteerd: De overgeblevenen van Israël zullen geen onrecht doen, noch leugen spreken, en in hun mond zal geen bedrieglijke tong gevonden worden; maar zij zullen weiden en nederliggen, en niemand zal hen verschrikken (Zef.3:13).

Dat is de kerk des Heeren, dat is het volk dat in Christus is ingelijfd door het geloof en dat door de Heilige Geest uit Hem leven mag. Ze zullen hier op deze aarde getuige zijn van Hem.

En dat zal geen nutteloos getuigen zijn. Dat zal een getuigenis zijn waarmee zij des naasten behoud zoe­ken, waarmee zij zoeken de behoudenis van verloren mensen. Dan zullen de kinderen Gods gaan spreken van wat er bij de Heere te vinden is. Ze zullen de dienst van de Heere aanprijzen, vertellen wat God aan hun ziel gedaan heeft en Wie Christus voor hen geworden is.

Dan zullen we des naasten behoud zoeken. Dat vraagt de Heere van Zijn kerk: dat ik des naasten eer en goed gerucht naar mijn vermogen voorsta en bevordere. En dat doe ik door Hem bekend te maken, door die ene Naam, die onder de hemel gegeven is tot zaligheid, te verkondigen. Dan vloeit mijn mond steeds over van Uw eer, wanneer ik door Uw Geest Uw wetten leer.

De Heere moge zo in ons leven met de kracht van Zijn Heilige Geest wer­ken, dat de leugen wordt verbroken, ook de leugen omtrent onszelf. En dat wij de waarheid liefkrijgen, ook de waarheid omtrent onszelf. En dat wij de waarheid gaan leren zoals die in Jezus is.

 

Het Kind in Bethlehems stal gebo­ren, is de God der waarheid en het Leven en de Weg tot de Vader.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 52:7

 

Mijn God, U zal ik eeuwig loven,
Omdat Gij ‘t hebt gedaan;
‘k Verwacht Uw trouwe hulp van boven,
Uw waarheid zal bestaan;
Uw Naam is voor ‘t oprecht gemoed
Van al Uw gunstvolk goed.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in ‘De Heidelbergse Catechismus’ van ds. D. Rietdijk en ds. C.G. Vreugdenhil (Uitg. Groen, 1998).