Ds. D. Rietdijk - Zondag 41

De heiligheid van het huwelijk

Die heiligheid vloeit voort uit de scheppingsorde van God
Die heiligheid wordt aangetoond in de liefde van Christus tot Zijn bruidsgemeente
Die heiligheid is geboden door de inwoning van de Heilige Geest in Zijn tempel
Deze preek is eerder gepubliceerd in ‘De Heidelbergse Catechismus’ van ds. D. Rietdijk en ds. C.G. Vreugdenhil (Uitg. Groen, 1998).

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 139: 1
Lezen : Efeze 5: 22-33
Zingen : Psalm 128: 1, 3, 4
Zingen : Psalm 86: 6
Zingen : Tien Geboden: 7

Gemeente, wij willen met u overdenken Zondag 41 van onze Heidelbergse Catechismus.

 

Vraag 108: Wat leert ons het zevende gebod?

Antwoord: Dat alle onkuisheid van God vervloekt is, en dat wij daarom, haar van harte vijand zijnde, kuis en ingetogen leven moeten, hetzij in de heilige huwelijke staat of daarbuiten.

 

Vraag 109: Verbiedt God in dit gebod niet meer dan echtbreken en dergelijke schandelijkheden?

Antwoord: Dewijl ons lichaam en ziel tempelen des Heiligen Geestes zijn, zo wil Hij dat wij ze beide zuiver en heilig bewaren; daarom verbiedt Hij alle onkui­se daden, gebaren, woorden, gedachten, lusten en wat de mens daartoe trekken kan.

 

Gemeente, het gaat over: De heiligheid van het huwelijk.

 

Wij letten op drie dingen:

1. Die heiligheid vloeit voort uit de scheppingsorde van God

2. Die heiligheid wordt aangetoond in de liefde van Christus tot Zijn bruidsgemeente

3. Die heiligheid is geboden door de inwoning van de Heilige Geest in Zijn tempel

 

1. Die heiligheid vloeit voort uit de scheppingsorde van God

 

Gemeente, de Bijbel begint met een bruiloft. In het paradijs heeft God de mens geschapen naar Zijn beeld. Man en vrouw. De Bijbel eindigt ook met een bruiloft. Dat is de bruiloft van het Lam, zoals u die vindt in de Open­baring van Johannes. Beide zijn heilige zaken, zowel de bruiloft in het para­dijs als die bruiloft straks aan het eind van de tijden. Wat daar tussen ligt, tus­sen de hof van Eden en die bruiloft van het Lam straks in het nieuwe Jeruzalem, is zonde en ongerechtigheid.

Er is niemand vrij van de zonde tegen het zevende gebod. En geen gebod is er ook meer overtreden dan dit gebod. Daarom is het goed om vanuit het Woord van God en aan de hand van onze catechismus ons leven te door­zoeken.

 

Het antwoord spreekt van ‘de heilige huwelijke staat’. Dat is eigen­lijk het eerste waar wij een streep onder willen zetten. De heilige huwelijke staat. Zo noemt onze catechismus het huwelijk.

Want het huwelijk is helemaal geen inzetting van de mens. Het is niet een of andere menselijke traditie die we met enige kracht in stand houden, maar het huwelijk is een inzetting van God. Dat is in het paradijs ingesteld. Het is een scheppingsorde van God en geen menselijke traditie, waarvan je zegt: ‘Dat moet je maar laten varen, dat is nu eenmaal door mensen ingesteld, maar daar zijn we in deze verlichte eeuw nu wel een beetje bovenuit. We moeten ons niet al te veel aantrekken van het huwelijk en van de huwelijksinzetting, wij kunnen onszelf wel bedisselen, wij hebben ons leven in onze eigen hand.’ Nee, het is een scheppingsordening van God.

 

In Genesis 1 en 2 kunt u lezen hoe God de mens geschapen heeft. Hij heeft hem geschapen in gemeenschap met God, dat in de allereerste plaats, naar Zijn beeld. Daar was een geestelijke gemeenschap met God, eerst met Adam. Toen heeft God gezien dat de mens alleen was. Elk dier had een vrouwtje, maar de man niet, die stond alleen. Daarom heeft God gezegd: Het is niet goed dat de mens alleen zij; Ik zal hem een hulpe maken, die als tegen hem over zij (Gen.2:18). Toen heeft God de vrouw geschapen uit de rib van Adam.

God schiep ze mannelijk en vrouwelijk, staat er. Beiden zijn geschapen, man en vrouw, ieder naar zijn aard, ieder met zijn eigenschappen, maar samen vormen ze het beeld van God. Ze staan in een geestelijke gemeenschap met God, maar ook in een geestelijke gemeenschap met elkaar.

 

Het doel van Adam en Eva was dat zij God verheerlijken zouden in hun leven. Hun levenswijze zou in overeenstemming zijn met de wet van God, die God in het hart van de mens heeft ingeschapen toen wij uit Zijn hand zijn voortge­komen.

En uit die geestelijke gemeenschap met elkaar vloeit ook de lichamelijke gemeenschap van de mens voort. Wees vruchtbaar en vermenigvuldig, en vervul de aarde (Gen.1:28). Dus eerst die geestelijke gemeenschap. Het is goed om daar ook aan te denken en daar in onze tijd aandacht aan te schenken. Het huwelijk is niet in de allereerste plaats een lichamelijke gemeenschap, maar een geestelijke gemeenschap. Man en vrouw moeten naar het Woord van God leven en in een zelfde geloof wandelen. Waar er geen geestelijke overeenstemming is en waar ook niet gelijk gedacht wordt, daar is de wortel van het huwelijk al ver­keerd en dat huwelijk is tot mislukking gedoemd, want het gaat in de allereerste plaats om de geestelijke gemeenschap met God.

 

Vandaag de dag wordt er totaal anders over gedacht. De lichamelijke gemeenschap wordt verheerlijkt en dat leidt tot allerlei excessen, tot allerlei grove zonden zelfs. De lichamelijke gemeenschap wordt éérst gesteld. Men vraagt niet meer naar God en Zijn gemeenschap. Maar God deed het anders. Hij stelde de mens in de eerste plaats in gemeenschap met Zichzelf en toen in een gemeenschap met elkaar, een geestelijke gemeenschap. Dat wordt uitgedrukt in de woorden: tot één vlees zijn.

De apostel noemt dat in Efeze 5 vers 31: Daarom zal een mens zijn vader en moeder verlaten en zal zijn vrouw aanhangen, en zij twee zullen tot één vlees wezen. Het gaat niet eerst om de lichamelijke eenheid, maar om de geestelij­ke gemeenschap. En dan ook, maar dat is daaraan verbonden en onderwor­pen, om de vleselijke gemeenschap, de gemeenschap naar het lichaam.

Het huwelijk was er dus al in het paradijs. Adam en Eva zijn nooit buiten het huwelijk geweest, die zijn in het huwelijk geschapen. Adam en Eva werden als man en vrouw binnen het huwelijk geschapen.

 

Het huwelijk en het wezen van het huwelijk, de geestelijke gemeenschap, is éérst. En van daaruit komt de lichamelijke gemeenschap. Dit denken stelt ons tegenover allen die het huwelijk als scheppingsordinantie van God willen doorbreken. Daarom is ook gemeenschap met elkaar vóór het huwelijk door de Heere verboden. Daarom is ook het samenwonen als man en vrouw zonder huwe­lijk verboden; dat is een zaak die de goedkeuring van God niet wegdraagt. Want de Heere heeft het huwelijk naar Zijn burgerlijke ordeningen en inzettingen ingesteld. Alle onkuisheid, ook in dit opzicht, is van God vervloekt.

Gemeente, de omgang tussen man en vrouw is in de allereerste plaats een zaak van reinheid naar de scheppingsordening van God. Een geestelijke gemeenschap en dan een lichamelijke gemeenschap daaruit voortvloeiend. Dat hoort bij elkaar.

Rome heeft daar een scheiding tussen gemaakt. De Roomse kerk maakt een scheiding tussen natuur en genade. Een volstrekte scheiding. Daaruit is ook het celibaat voortgekomen. De priester mocht niet gehuwd zijn, de kloosterling mag niet gehuwd zijn. Men maakt een schei­ding tussen natuur en genade, terwijl Gods Woord ons leert dat genade juist ook die natuurlijke banden tussen man en vrouw in een bepaald licht gaat stellen; in het licht van het Woord van God, maar ook in het licht van de genade van de Heere Jezus Christus.

Er zijn twee grenzen die het Woord van God ons stelt. In de eerste plaats dat de mens zich niet mag uitleven als een dier en in de tweede plaats dat er ook geen eigenwillige godsdienst mag zijn, zodat men te vroom is voor het natuurlijke leven, wat God als een gave aan de mens gegeven heeft. Want ook de lichamelijke omgang is een gave van God aan de mens gegeven, een scho­ne gave, waardoor God ook de voortplanting mogelijk heeft gemaakt.

 

God schiep man en vrouw. Er staat eigenlijk in Genesis: ‘God schiep manne­lijk en vrouwelijk’, dus ieder met zijn eigenschappen. Hier neemt het Woord duidelijk stelling tegen de huidige opvattingen omtrent het samen­treffen van mensen van hetzelfde geslacht. Mannen met mannen, zo staat er in Romeinen 1 vers 27 heel nuchter geschreven, schandelijkheid bedrijvende.

Ik hoef u ook niet de geschiedenis te noemen van Lot in Sodom, waar de inwoners van die plaats de engelen uit het huis van Lot wilden hebben. Sodom bedreef in praktijk die zonde van mannen met mannen, de homoseksualiteit. God verbiedt dat. U hoeft Romeinen 1 maar te lezen om dat in ronde woorden te zien. Dat is niet iets waarover twijfel bestaat. Dat is niet iets waar­van we zeggen: ‘Is dat nu wel zo en moet je daar niet wat ruimer over gaan denken?’ Paulus heeft dat in Romeinen 1 met nadruk en heel duidelijk bedoeld. God gaf een huwelijk tussen man en vrouw.

 

Wat is nu het doel van het huwelijk geweest volgens het Woord van God? Wel, als u ons huwelijksformulier opslaat, dan komt u drie dingen tegen.

In de allereerste plaats, zegt ons huwelijksformulier, ‘dat de één de ander trouw zal helpen en bijstaan in alle dingen die tot het tijdelijke en eeuwige leven dienen.’

Het tweede is, ‘dat de kinderen, die zij krijgen zullen, opgevoed zul­len worden in de vrees en vermaning des Heeren.’

In de derde plaats ‘is het huwelijk gegeven om alle onkuisheid te vermijden en met een goed en gerust geweten te leven.’

 

Het eerste is dus elkaar te helpen en bij te staan in alle dingen van het tijde­lijke en eeuwige leven. Daarin komt het huwelijksdoel naar voren: Ik zal hem een hulpe maken, die als tegen hem over zij (Gen.2:18). De man moet voor de vrouw zor­gen en werken opdat hij zijn gezin kan verzorgen en opdat hij ook aan de nooddruftigen iets heeft mee te delen, zo zegt ons huwelijksformulier. In de dingen van het tijdelijke leven elkaar helpen in huis, ook elkaar helpen in wat de man heeft te doen en wat de vrouw heeft te doen, maar ook in de dingen van het eeuwige leven.

Want, gemeente, het huwelijk is niet slechts gesteld tot de voortplanting van het menselijk geslacht, maar om elkaar te helpen in de dingen van het eeu­wige leven. Dat wil zeggen dat je gaat wijzen op het Woord van God en op wat nodig is, dat je met elkaar spreekt over de dingen van de eeu­wigheid, dat je met elkaar ook tot de Heere roept en elkaar onderwijs geeft uit het Woord van God.

Hoe kan dat als wij niet hetzelfde geloof hebben? De geestelijke gemeenschap is eerst. Hoe kan dat als je zelf niet achter dat Woord van God staat? Hoe kun je dan elkaar wijzen op de dingen van de eeuwigheid?

Elkaar helpen en bijstaan in de dingen van het tijdelijke en eeuwige leven…

 

En dat de kinderen opgevoed worden in de kennis en de vreze des Heeren, dat is een andere zaak waartoe de Heere het huwelijk gegeven heeft. Eva werd de moeder aller levenden genoemd. En uit die kinderen wordt niet alleen het menselijk geslacht gebouwd, maar daaruit wordt ook Gods konink­rijk gebouwd. Daar gaat de Heere Zijn gemeente uit bouwen. Daar gaat Hij Zijn koninkrijk uit oprichten. Want het is niet zo dat er straks in de hemel mensen zullen zijn die niets met elkaar te maken hebben, maar daar staan de geslachten.

Van geslacht tot geslacht is de God van Sion daar. Hij gaat uit de geslachten Zijn gemeente bouwen. Dat is de gedachte van het verbond in het Oude Testament, dat is de gedachte van het verbond in het Nieuwe Testament. Daar bouwt de Heere Zijn koninkrijk uit.

Maar dan moeten in de gezinnen vader en moeder hun kinderen opvoeden in de kennis en in de vreze van God. Dan moeten vader en moeder binnen dat huwelijk functioneren als de opvoeders voor hun kinderen in die kennis en vreze des Heeren. Dat wil de Heere zegenen en gebruiken. De Heere bouwt uit een man en vrouw het menselijk geslacht.

 

Er zijn moderne opvattingen omtrent het kindertal. Maar, gemeente, de Heere zegt daarvan: De kinderen zijn een erfdeel des Heeren (Ps.127:3).

Als wij lezen wat het Woord van God daarover schrijft, dan zeg ik u dat beperking of planning een zaak is die het Woord van God totaal vreemd is. Kom dan niet aan met de mededeling dat het Woord geschreven is in een andere wereld en onder andere omstandigheden. Het is het Woord van God, het is het Woord van de Schepper van hemel en aarde, het is het Woord van die God Die vandaag nog regeert en op alle mensenkinderen neerziet.

 

Het derde was: om hoererij te vermijden, zal een iegelijk man zijn eigen vrouw hebben. Dat wil zeggen dat wij mensen zijn die aan onszelf niet zijn toebetrouwd, dat de scheppingsharmonie verbroken is, dat de harmonie van het huwelijk ook verbroken is. Alle zaden van boosheid worden in ons hart gevonden. Niemand mag of kan zichzelf verheffen boven allerlei zonden. Wij mensen zijn onkuis. En daarom wil de Heere het huwelijk. Om onkuisheid te vermijden, zal een iegelijk man zijn eigen vrouw hebben.

 

De Heere Jezus heeft de goedkeuring van God laten zien over het huwelijk. Het eerste teken dat Jezus op aarde deed, was het teken te Kana in Galilea, waar Hij op de bruiloft kwam en waar Hij water in wijn veranderde. Daar is Hij met Zijn discipelen geweest en daar heeft Hij Zijn tekenen en wonderen gedaan. De Heere Jezus heeft laten zien dat Hij met Zijn tegenwoordigheid het huwelijk wil kronen en zegenen en dat Hij daar Zijn goedkeuring aan hecht.

Jonge mensen, wat jullie betreft, wat moet je dan vragen: ‘Heere, mag ik van U een vrouw ontvangen die U vreest, mag ik van U een man ontvangen die U vreest?’ Ik denk dat dat gebed in de Bijbel getekend staat. Izak zocht de stilte van het veld op. Wat ging hij daar doen? Daar ging hij vragen, daar ging hij bidden om een vrouw die de Heere vreest, die ook naar het Woord van God wandelt. En denk dan aan wat een zorg Abraham heeft gehad voor zijn zoon Izak. Hij liet Eliëzer naar zijn vaderlijk huis liet gaan om daar een vrouw voor zijn zoon te zoeken.

De patriarchen, zoals Abraham en Izak, staan in het Woord van God gete­kend als mensen die de goedkeuring van God verbonden wisten aan het huwelijk. Het is een scheppingsordening van God. Man en vrouw zijn in het huwelijk geschapen. God wil dat wij huwen, zeker na de val, opdat wij zo elkaar tot een hulp zijn, opdat wij alle onkuisheid vermijden en onze kinde­ren opvoeden in de vrees en de vermaning des Heeren.

 

Wij mogen de scheppingsorde niet doorbreken. Gij zult niet echtbreken. Dat is meer dan de verbreking van de huwelijksband. Echtbreken is in het Woord van God het verbreken van het huwelijk door omgang te hebben bui­ten het huwelijk, door onkuisheid te hebben in het huwelijk, maar ook door de verbreking van het huwelijk. Het is door God vervloekt, zegt onze cate­chismus.

Dat ziet u als u kijkt naar de steden Sodom en Gomorra, waar­in de zonde tegen dit gebod hoogtij vierde. Die steden zijn omgekeerd. God heeft die steden verwoest. Deze zonde is een vervloekte zonde. Daar zijn culturen aan ten onder gegaan. De Kanaänitische volken waren volken die bekend stonden om hun zonden tegen dit gebod. Zij bedreven de sodomitische zonden, zonden tegen de kuisheid, tegen de heiligheid van het huwelijk. Elke cultuur die naar de ondergang neigde, vertoonde tekenen van decadentie, van het niet meer achten van het huwelijk en van het leven in ontuchtigheid.

 

En dat geldt niet alleen voor volken, maar ook voor persoonlijke levens.

Gemeente, wat zijn daar ziekten aan verbonden, geslachtsziekten, ook van­daag de dag. Wereldwijd zijn er miljoenen aidspatiënten. De zonde tegen dit gebod wordt goedgekeurd en goedgepraat, waardoor er een ziekte in deze wereld is waar geen verweer tegen is. Er wordt geen woord over gerept, er wordt alleen maar gezegd: ‘Laten we alstublieft zorgen dat we een geneesmiddel vinden.’ Nu, dat geneesmiddel is er: naar het Woord van God leven en de monogamie in stand houden. Ik denk dat dat het geneesmiddel is tegen deze ziekte.

 

Wat een ongenoegen is er geweest in de levens van enke­lingen. Denkt u maar aan de zonde van Abraham met Hagar. Denkt u maar aan Jakob met zijn twee vrouwen. Wat is er niet een strijd geweest in de tent van Jakob, juist ten aanzien van die twee vrouwen die hij had. Daarom, laten wij biddend leven naar het gebod van God. Jonge mensen, laten wij zoeken om te leven naar het gebod van God dat heilig is. Dat wil de Heere met Zijn goedkeuring bekronen en zegenen.

We leven in een tijd waarin kwaad goed wordt genoemd en waarin het goede kwaad wordt genoemd. En dat druppelt binnen via allerlei tijdschriften en roddelblaadjes. U neemt ze toch alstublieft niet in huis? Dat druppelt binnen via allerlei media, die als water een steen uitslijpen, totdat we overal aan gewend zijn en we alles normaal gaan vinden.

Gemeente, laten wij op deze dingen letten, ons huis daarop doorzoeken en voor Gods aangezicht leven naar Zijn gebod. Het is een instelling van God naar Zijn schep­ping. Zo wil God dat. Dat was de bedoeling van God in Zijn schepping: als man en vrouw binnen het huwelijk leven.

 

Nu het tweede:

 

2. Die heiligheid wordt aangetoond in de liefde van Christus tot Zijn bruidsgemeente

 

In Efeze 5 schrijft de apostel: Ik zeg dit ziende op Christus en op de gemeente (Ef.5:32). En dan trekt hij daar verschillende lessen uit. Hij zegt: Gij mannen, hebt uw eigen vrouwen lief, gelijk ook Christus de gemeente liefgehad heeft en Zichzelf voor haar heeft overge­geven (Ef.5:25). En: Gij vrouwen, weest uw eigen mannen onderdanig, gelijk de Heere (Ef.5:22).

Daar hebben we de grondzuil van het huwelijk: wederzijdse liefde. En als voorbeeld stelt Paulus de liefde van Christus voor de gemeente en dat is de hoogste liefde die u kunt vinden. Want die liefde van Christus tot Zijn gemeente is een dienende liefde. Dat is een liefde waarvan Christus gezegd heeft: Want ook de Zoon des mensen is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en Zijn ziel te geven tot een rantsoen voor velen (Mark.10:45).

Christus is gekomen om te dienen. In het huwelijk is er die dienende liefde van Christus. In de allereerste plaats is de vrouw onderdanig aan de man, niet uit slaafse vrees of zoiets, maar ziende op de heilige vrouwen welke op God hoopten. Kijk, die heilige vrouwen die in de Bijbel beschreven staan, die op God gehoopt hebben, zijn vrouwen geweest die gediend hebben in liefde. Sara, Rebekka en Hanna, en noemt u die vrouwen maar op die genoemd worden. Wat denkt u van Lea? Zij hebben gediend in liefde.

 

Bovendien is de liefde van Christus een reine liefde. Alle onkuisheid is van God vervloekt, zegt onze catechismus. Daarom is er een van harte alle zon­den vijand zijn vanwege die reine liefde, die schone gave van God tussen man en vrouw, dat je elkaar liefhebt, zoals Christus Zijn gemeente heeft liefgehad. Dan krijg je ook waardering voor elkaar, wederzijdse hoogachting. Als die reine liefde en die wederzijdse hoogachting ontbreken, dan wordt het huwe­lijk een bron van ellende en narigheid.

Die liefde van Christus is ook een onveranderlijke liefde. Die is niet veran­derd toen Petrus zijn Meester verloochende. Toen de discipelen in Gethsé­mané allemaal gevlucht zijn, heeft Christus ze onveranderlijk liefgehad. Dat is Zijn huwelijkstrouw jegens Zijn gemeente.

En zo heeft een man huwe­lijkstrouw op te brengen voor zijn vrouw. Dan kunnen er veel moeilijke dagen en tegenslagen zijn. ‘Ouderdom komt met gebreken’, zegt men. En dat is ook waar. Dan zal er trouw moeten zijn, niet alleen in de dagen van voor­spoed, niet alleen als het allemaal voor de wind gaat, niet alleen als we nog jong zijn, maar ook als we ouder worden en de tegenslagen en de tegen­spoeden komen. Trouw zijn aan elkaar.

 

De onveranderlijke liefde van Christus wordt ons voorgesteld. En dan niet alleen trouw in het uiterlijke, maar ook trouw in uw gedachten. De Heere Jezus wijst daarop in de Bergrede. Daar zegt Hij: ’Uw gedachten zijn niet tol­vrij.’ Dat zeggen de mensen wel eens: ‘Je kunt denken wat je wilt.’ Maar dat is niet waar. De Heere Jezus zegt: Wie een vrouw aanziet om haar te begeren, die heeft reeds overspel in zijn hart met haar gedaan (Matth.5:28). Gemeente, die wet van God ver­oordeelt ons gewoon in één klap.

 

De Heere heeft een trouwe liefde voor Zijn kerk, een zelfverloochenende liefde. Want de Heere Jezus heeft Zichzelf overgegeven tot in de dood des kruises. Hij heeft Zichzelf verloochend aan het kruishout van Golgotha.

En, gemeente, zo hebben wij diezelfde zelfverloochenende liefde op te brengen voor elkaar in het huwelijk, om de één de ander voor te laten gaan, om de één de ander te dienen, kuis te leven in het huwelijk en wederzijdse ver­plichtingen van man en vrouw waar te nemen.

 

Het formulier zegt dat de mannen met verstand bij hun vrouw zullen wonen. Daar hebt u iets van die zelfverloochenende liefde. ‘Gij, mannen, zult met verstand bij de vrouw wonen, en aan de vrouw, als het zwakkere vat, eer geven.’ De man behoort in het huwelijk beheerst te leven en ook alle onkuisheid te mijden. Niet alleen te leven met je eigen lusten, niet alleen te leven met je eigen begeerten, maar met verstand wonen bij je vrouw, als bij het zwakkere vat. ‘Liefde’, zegt Paulus in 1 Korinthe 13, ‘handelt verstandiglijk.’ En, gemeente, zo is dat ook voor ons.

Voor de vrouw geldt dat zij in het huwelijk de plicht heeft haar man te helpen. De Heere spreekt die vrouw zalig, die kinderen baart en blijft in geloof, liefde en heiligmaking met matig­heid.

 

Nu is er in het huwelijk een voorzienigheid van God. Daar is de leiding van God in het huwelijksleven. God brengt man en vrouw tot elkaar. Daar is de hand van de Heere in te zien.

En die voorzienige leiding van God kan ons allerlei dingen geven, waardoor wij moeten strijden, waardoor wij teleurstellingen moeten ervaren. Het kan zijn dat een mens niet tot een huwelijksdag komt. Dan kan het zijn dat wij denken dat getrouwden toch eigenlijk meer gekregen hebben. O, let dan eens op het Woord waarin God zegt: ‘Die niet trouwt, doet beter.’ Dan kunt u ook met die nood die er in uw leven is tot de Heere de toevlucht nemen. Diezelfde God, Die in Zijn voorzienigheid ons leven bestuurt en leidt, kan ook u uitkomst geven. God heeft een oor om te horen. Hem mogen wij al onze nood bekendma­ken.

Ons huwelijk kan kinderloos blijven. Wat is dat een pijn, wat is dat een smart! Maar bedenk dan: ook daar is de leiding van God in. O, vraag aan de Heere of Hij u ook onderwerping wil geven aan Zijn leiding, aan Zijn bestuur, hoe moeilijk dat ook is en hoe moeilijk dat ook valt. Daar kan geen mens ons bij helpen, maar alleen God, Die alles naar Zijn wijsheid bestuurt.

Laten dan degenen die weinig kinderen van de Heere krijgen – want dat kan ook, het kan zijn dat Gods voorzienigheid ons niet een gezin geeft met veel kinderen – laten zij dan daar ook zo in mogen berusten, dat ze zeggen: ‘Uw beleid is alleen maar goed. Uw beleid is alleen maar wijs, dat is alleen maar liefde.’

En als wij veel kinderen van de Heere ontvangen, zie daar dan ook de goede hand van God in. Weet dat kinderen een erfdeel zijn van de Heere. En al is het dan moeilijk, al is het dan druk, al zijn er dan veel vragen en al kan het dan soms een last zijn in het leven, bedenk dan dat de mens een strijd op aarde heeft. Dat geldt voor de ongetrouwden, voor degenen die kinderloos zijn en voor degenen die veel kinderen hebben. God zegt het: Heeft niet de mens een strijd op de aarde? (Job 7:1) En in die strijd, een strijd tegen ons verdorven bestaan, tegen onze onheilige wil in, mogen we bidden tot de God des levens met de woorden uit Psalm 86 het zesde vers, wat we nu zingen:

 

Leer mij naar Uw wil te hand’len,
‘k Zal dan in Uw waarheid wand’len;
Neig mijn hart, en voeg het saâm
Tot de vrees van Uwen Naam.
Heer’, mijn God, ik zal U loven,
Heffen ‘t ganse hart naar boven;
‘k Zal Uw Naam en majesteit
Eren tot in eeuwigheid.

 

3. Die heiligheid is geboden door de inwoning van de Heilige Geest in Zijn tempel

 

Gemeente, de Heilige Geest woont in de gemeente Gods sedert de pink­sterdag te Jeruzalem. Daar is Hij neergedaald in de gemeente die daar ver­gaderd was in de opperzaal te Jeruzalem, waar die vlammetjes, die lekkende tongen zaten op een ieder van hen. Hij woont in de gemeente.

Maar Hij woont ook in het hart van al degenen die de Heere vrezen. Het zijn tempe­len van de Heilige Geest. Weet gij niet dat ulieder lichaam een tempel is des Heiligen Geestes, Die in u is, Die gij van God hebt, en dat gij uws zelfs niet zijt? (1 Kor.6:19)

Het lichaam is dus een tempel van de Heilige Geest. Dat is het geweest in het paradijs. Toen heeft de Geest Zich terug moeten trekken omdat wij het beeld van God verloren. In Christus Jezus gaat die Geest weer wonen in mensen. In de gemeente en in mensen.

En nu heeft Paulus juist aan de ge­meente van Korinthe, waar veel ontucht bedreven werd, deze brief geschre­ven, waarin hij aanhaalt dat lichaam en ziel onbesmet moeten blijven in deze wereld, omdat onze lichamen tempelen zijn van de Heilige Geest. Want die Geest is de Leidsman van de kerk. Door die Geest ontvang je licht. Hij laat je het pad des levens zien. Die Geest woont in het lichaam, Die leidt de kerk des Heeren.

Als de Geest van God niet in ons woont, dan komt er een ander in ons. Dat is ook een geest. Maar dat is een boze geest. Het is één van de twee. Wie woont er in ons? De Heilige Geest is de Geest van reinheid. En zodra nu het lichaam geschonden wordt, zodra de ziel geschonden wordt, ook door deze zonden, dan zegt onze catechismus: ‘Denk erom dat uw lichaam een tempel is van de Heilige Geest.’ Als u uw lichaam schendt, dan schendt u die woonstede van de Geest. Dan trekt die Geest Zich terug met Zijn invloeden, met Zijn werkingen, want Hij kan niet leven bij de onreinheid, bij de onkuisheid.

Dan wordt die Geest bedroefd. En bedroeft de Heilige Geest Gods niet, door Welken gij verzegeld zijt tot de dag der verlossing (Ef.4:30), zegt de apostel. En dan staat dat in een bepaald verband; dat staat in verband met allerlei zonden, ook de zonde van de onkuisheid. Het gaat om het werk van de Heilige Geest, het bedroeven van die Geest.

 

De inwoning van die Geest in de gemeente, dat is ook zo belangrijk. Woont de Geest in de gemeente? Werkt de Geest daar, door middel van het Woord van God? Is in onze gemeente de zonde van de onkuisheid, van de onrein­heid te vinden? Dan trekt de Geest Zijn werkingen terug. Dat is ontzettend erg, want dan doet het Woord geen kracht meer. Dan heeft de bediening van het Woord geen zin meer. Daarom zegt onze catechismus: ‘God verbiedt alle onkuise daden, gebaren, woorden, gedachten, lusten en wat de mens daartoe trekken kan.’ God wil dat wij ons lichaam en onze ziel rein en heilig zullen bewaren en daarom verbiedt Hij al deze dingen.

 

Gemeente, we leven in een wereld die steeds meer vervuld wordt met al hetgeen onze catechismus noemt als verboden. En hoe leven wij in deze wereld? Job zegt: Ik heb een verbond gemaakt met mijn ogen (Job 31:1). Dat mogen wij ook wel doen. Want wij leven in een wereld waarin deze zonden niet alleen toe­gelaten, maar zelfs gepropageerd worden; een wereld waarin deze zonden niet alleen gezien, maar zelfs verheerlijkt worden. En juist dat is nu hetgeen God niet wil.

 

Hoe gaan wij in onze gezinnen om met de dingen die vanuit de wereld onze huiskamers binnendringen via tijdschriften en via boeken? Hoe gaan wij om met opvattingen omtrent vrije liefde? U hoeft de radio maar aan te zetten en dan hoort u het wel. Op allerlei manieren komt dat binnen via allerlei media. Dat is verwoestend voor ons volksleven, voor de kerk des Heeren, voor het gezinsleven. Het is verwoestend voor onze maatschappij.

Nu denk ik aan onze jonge mensen. En dan zeg ik: jongens, meisjes, zul­len jullie geen vuur koesteren, zoals Salomo dat zegt, in je boezem? Een vuur koesteren… Ons hart is onrein, dat is duidelijk, en we zijn gevallen men­sen, dat is ook duidelijk, maar wij kunnen dat vuur in onze boezem wel koes­teren. Er is zoveel te zien en te lezen wat verwoestend is voor je geweten. Dan is er voor het Woord van God geen plaats meer. Dan doet dat Woord ook geen kracht meer in je leven.

Mag ik jullie dat in alle eenvoud vragen? Jongens, doe dat niet, want het gaat tenslotte om een eeuwig wel of om een eeuwig wee. Laat je gebed liever zijn tot God, zoals wij zo-even zongen: ‘Leer mij naar Uw wil te handelen, ik zal dan in Uw waarheid wandelen, neig mijn hart en voeg het saâm tot de vrees van Uwe Naam.’

 

En, gemeente, dan het gezelschap waarin wij verkeren. In deze wereld wor­den onkuise woorden gesproken. Als u die grovigheden hoort, dan moeten we zeggen: ‘Dat is niet naar het Woord van God.’ Onkuise taal. De apostel zegt: Geen vuile rede ga uit uw mond (Ef.4:29). Dat is een lieflijke vermaning van­uit het Woord van God. Onkuise woorden zijn van God vervloekt.

‘En al wat ons daartoe trekken kan.’ Wat hebben wij te leven, nee, niet met krampachtigheid, maar in de vreze des Heeren. Wat hebben wij te leven in dat gebedsleven, om de hulp, de leiding en de bewaring van de Heilige Geest te vragen. Wat hebben wij onze hulpeloze handen uit te strekken naar de hemel en te vragen of de Heere ons bewaren en behoeden wil, of Hij ons wil leiden op het pad van Zijn Woord en van Zijn geboden.

 

Bid om verzoening van de zware schuld, die ons met schrik vervult, en vraag: ‘Bewijs ons eens genade.’ Want er is bloed gevloeid op Golgotha, ook voor de afwassing van deze zonden, ook voor de vergeving van deze ongerechtighe­den.

Dan is er bij de Heere Jezus, Die volkomen is geweest in Zijn leven, Die nooit één ogenblik één onkuise gedachte of lust gehad heeft, maar Die Zich­zelf gegeven heeft, naakt hangend aan het hout des kruises, genade te vin­den voor de grootste der zondaren. Zelfs voor Rachab, de hoer. De Bijbel neemt nooit een blad voor de mond, maar zegt alles openlijk. Rachab werd in Israël ingelijfd, zij werd opgenomen in de genadearmen van God.

 

De heiligheid van het huwelijk. Gemeente, dan is ons huwelijk niet mislukt als we geen kinderen krijgen of als we veel kinderen hebben en veel zorgen kennen. Maar dan mogen we wel van Christus, als Hij ons dierbaar gewor­den is, vragen om ons te helpen in alle nood.

Hij is het, Die kinderen heeft gezegend en anderen met Zijn eeuwige ontfermingen heeft omhelsd. Dan is de ongetrouwde met zijn of haar problemen en zorgen welkom bij Hem, Die ‘Raad’ heet en ‘Wonderlijk’ heet en Die de ‘Sterke God’ is en de ‘Vader der eeuwigheid’. Bij Hem kun je terecht en mag je je nood brengen, bij Hem alleen. Hij is een volkomen Zaligmaker.

O, laten we dan tot Hem uitgaan! Laten wij onze nood, onze zorg, onze strijd, misschien een stille strijd gestreden in het ver­borgen, brengen bij Hem, Die mildelijk geeft en nooit verwijt. Hij wil met Zijn dierbaar bloed de zonde afwissen en door Zijn Geest ons sterken en onderwijzen.

 

Dan is het zeker waar, dat onze ziel zal zeggen:

 

Heer’, mijn God, ik zal U loven,
Heffen ‘t ganse hart naar boven;
‘k Zal Uw Naam en majesteit
Eren tot in eeuwigheid.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Tien Geboden: 7

 

Gij zult niet doodslaan, noch u wreken.
Breekt nooit de echt, steelt niemands goed.
Gij zult geen vals getuig’nis spreken;
Bemint elk met een vroom gemoed.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in ‘De Heidelbergse Catechismus’ van ds. D. Rietdijk en ds. C.G. Vreugdenhil (Uitg. Groen, 1998).