Ds. J.J. van Eckeveld - Johannes 10 : 16

De goede Herder

Hij gaat door met Zijn werk
Hij vergadert Zijn Kerk
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Een zaaier ging uit…’ (deel 18)

Johannes 10 : 16

Johannes 10
16
Ik heb nog andere schapen, die van dezen stal niet zijn; deze moet Ik ook toebrengen; en zij zullen Mijn stem horen; en het zal worden een kudde, en een Herder.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 95: 4
Lezen : Johannes 10: 11-21
Zingen : Psalm 80: 2, 5
Zingen : Psalm 68: 14
Zingen : Psalm 72: 4

De tekst voor de prediking vindt u in Johannes 10 vers 16, waar Christus zegt:

 

Ik heb nog andere schapen, die van deze stal niet zijn; deze moet Ik ook toebrengen, en zij zullen Mijn stem horen, en het zal worden één kudde en één Herder.

 

Gemeente, in deze tekstwoorden worden we gewezen op: De goede Herder.

 

We willen letten op twee gedachten:

1. Hij gaat door met Zijn werk. Ik heb nog andere schapen, die van deze stal niet zijn.

2. Hij vergadert Zijn Kerk. Deze moet Ik ook toebrengen, en zij zullen Mijn stem horen, en het zal worden één kudde en één Herder.

 

1. Hij gaat door met Zijn werk

 

‘Ik’, zo zegt Christus hier. Ik heb nog andere schapen, die van deze stal niet zijn.

‘Ik’. Steeds weer wijst Christus hier op Zichzelf. En Hij heeft ook alle recht om op Zichzelf te wijzen. Het komt Hem toe dat Hij in het middelpunt komt, die grote ‘Ik’.

Door de zonde willen wij onszelf in het mid­delpunt plaatsen. Van nature wil ik God van de troon en mijn eigen ‘ik’ erop. Dat is ons gevallen adamsbestaan: ik, ik en nog eens ik.

Ook in de godsdienst is dat vaak zo. ‘Ik heb dit meegemaakt, ik heb dat ervaren, ik heb zo aangenaam gekerkt, ik, ik, ik…’ Dat is ons bestaan.

Ook in de wereld is dat zo. Denk maar aan Nebukadnézar, die zei: Is dit niet het grote Babel dat ik gebouwd heb? (Dan.4:30) Dat wordt in de wereld allerwegen uitgeleefd, vanuit het hoogmoe­di­ge mensenhart. Maar het is het gevaarlijkst in de gods­dienst. Dan wil ik graag de bekeerde man wezen of de bekeerde vrouw, de gewaar­deerde avondmaalganger, de geachte ambtsdra­ger, de gevier­de predikant. Ik, die wat worden wil, die wat wezen wil met datgene wat God uit genade schenkt. O, wat is dat arm!

Wees eens eerlijk, gemeente, waar bent u mee vervuld? Wat is uw uitzien?

Christus heeft alle recht om Zijn ‘Ik’ in het middelpunt te plaatsen. Het komt Hem toe dat Hij op Zichzelf wijst en dat Hij zegt: ‘Ik’. Ik heb nog andere schapen, die van deze stal niet zijn. Hij plaatst Zichzelf in het middel­punt. 

Zo is het ook de taak van iedere dienaar des Woords om die goede Herder aan te wijzen en aan te prijzen. En om af te wijzen van alles wat ‘mens’ is, van alles wat ‘vlees’ is. Om alleen te wijzen naar Hem, in Wie al de volheid te vinden is.

Dan horen wij het de apostel Paulus zeggen: Wij prediken niet onszelf, maar Christus (2 Kor.4:5). En op een andere plaats zegt hij niets te weten dan Jezus Christus en Dien gekruisigd. Dat is dus die grote ‘Ik’, Die in het middelpunt geplaatst dient te worden.

 

Het evangelie van vrije genade is één uitgestoken vinger naar Hem. Zie, het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt (Joh.1:29). Heeft u in uw leven al eens iets van dat Lam mogen zien, gemeente, door de traliën van het evangelie? Want daar gaat het toch om? Wat heeft Hij in het evangelie veel van Zichzelf getuigd! Ik ben het Licht der wereld, het Licht Dat daalt in duistere zondaarsharten. Ik ben het Brood des le­vens, in Hem is verzadiging voor hongerige zielen. Ik ben de ware Wijnstok, alleen uit Hem zullen de levende ranken vruch­ten dragen. Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven.

 

Zo is het ook hier in Johannes 10. Ik ben de Deur der scha­pen. Alleen door Hem is er toegang tot de Vader. Ik ben de goede Herder. De goede Herder stelt Zijn leven voor de schapen.

Een herder met zijn schapen was voor Israël heel gewoon. We moeten daar geen romantisch beeld van vormen, zo van een lieve herder met zijn lieve schaapjes. Want zo’n kudde kon van alle kanten worden aangevallen door wilde dieren. Een herder moest wel eens vechten. Denkt u maar aan David, die heeft moeten vechten met een leeuw en een beer.

Hier lezen we van een huurling, die een wolf ziet komen. Hij vlucht en verlaat zijn schapen. Maar een goede herder stelt zijn leven voor de schapen.

 

In onze tekstwoorden gaat de goede Herder over Zijn schapen spreken. Hij zegt: Ik heb nog andere schapen, die van deze stal niet zijn. Als Hij dat zo zegt, dan ligt daarin opgesloten dat Hij al schapen hééft. Er wordt immers gesproken over ándere schapen. Dus Hij hééft al schapen. Schapen van déze stal. Wat wordt daarmee bedoeld? Daar wordt Israël mee bedoeld. Deze stal is het volk van Israël. Dat komen we overal tegen in het Oude Testament; Israël, de kudde Gods. Tot deze kudde is Hij in de eerste plaats gekomen.

Dan horen we Hem zeggen, als die Kananese vrouw tot Hem komt met haar nood: Ik ben niet gezonden dan tot de verloren schapen van het huis van Israël (Matth.15:24). Dan verneemt deze vrouw: ‘U bent een Kananese, een heidense; u hoort helemaal niet bij die verloren schapen van Israë­l; u hoort niet bij die stal van Israël. Daarvoor ben Ik gekomen.’

Maar dan weten we ook nog iets anders: Hij is gekomen tot het Zijne – tot de kudde van Israël – en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen (Joh.1:11). De mensen van Israël hebben Hem veracht, ze hebben Hem verworpen, ze hebben Hem niet erkend. Er bleef uitein­delijk uit die stal Israël maar een klein kuddeke over, die Hem erkende als de Gezondene van de Vader. Dan horen we Hem zeggen tot de discipelen: Vrees niet, gij klein kuddeke – dat zijn Zijn échte schapen uit het huis van Israël – want het is uws Vaders welbehagen ulieden het Konink­rijk te geven (Luk.12:32).

De meesten van de stal van Israël hebben Hem verworpen. Tot op de dag van vandaag ligt er een deksel op het hart van Israël. Is er bij u gebed, gemeente, of de Heere dat deksel weg wil nemen, of ook Israël komen mag tot die grote Herder der scha­pen?

 

Als Christus zegt: Ik heb nog andere schapen, die van déze stal niet zijn, ziet Hij echter over de grenzen van Israël heen. Daar ligt in opgesloten: die andere schapen behoren niet tot de stal van Israël. Die zwerven maar wat rond in de wilder­nis.

Daar zegt Paulus van: ‘Ze zijn vervreemd van het burger­schap Israëls, ze zijn zonder God en zonder Chris­tus en zonder hoop.’ Die zwerven daar maar in de woestijn en in de wildernis. Dat zijn de heidenen. Dat zijn degenen die buiten Israël staan.

 

U weet wel dat Israël er zich op beroemde dat het de kudde des Heeren was. Israël zei: ‘Hij is onze Herder en wij zijn Zijn volk, wij zijn Zijn schapen; Abraham is onze vader en wij zijn kinderen des Ko­ninkrijks, wij zijn de kinderen des verbonds.’ Daar gingen ze zich op verheffen.

Maar Christus zegt hier als het ware tot hen: ‘Bedrieg u niet, want Ik heb nog andere schapen; schapen die van deze stal niet zijn; schapen die nu nog rondzwerven in de woes­tijn van de Godsvervreemding. Be­drieg u niet, o Israël; jullie zijn wel van die stal van Israë­l, dat is wel waar ja, maar... heb je ook de stem van de Herder in je leven gehoord?’ Christus zegt het hier: ‘Mijn schapen kennen Mijn stem.’

Schapen zijn zij die Zijn stem hebben gehoord. Die Zijn stem kennen, om zo te zeggen, uit wel duizend andere stemmen. De Heere Jezus wil als het ware zeggen: ‘Nu kunnen jullie je er wel op beroemen, o Israël, dat je van de stal bent, dat je van de kudde bent, maar heb je ook de stem van de Herder gehoord? Ken je die stem?’

 

En wij, gemeente, kunnen wij ons ook niet zo verheffen als dege­lijke, nette kerkmensen? Wij die het zo goed weten. Wij die de waarheid kennen en voor de waarheid strijden... Maar hebt u ook de stém van de Herder gehoord? Of prijst u uzelf ermee dat u Zijn schaap bent? O, dan zullen straks anderen ingaan in het Koninkrijk Gods en u, die het zo goed wist, moet er eeuwig buiten blijven.

 

Dat was ook zo met het volk Israë­l. Lat­er lezen we dat Saulus en Barnabas zich afzonderden van de Joodse synagoge en zich keerden tot de heidenen. Dat bedoelt Christus hier met Ik heb nog andere schapen, die van deze stal niet zijn. Het Konink­rijk Gods strekt verder dan Israël. Christus zal Zijn schapen hebben uit alle volkeren, alle geslachten, alle natiën, alle talen. Allemaal schapen, die van deze stal niet zijn.

 

Gemeente, hoe denken wij over die ‘stal’ van Christus? Zegt u: ‘Ik ben toch gedoopt, ik heb toch belijdenis gedaan, ik kom toch naar het Heilig Avondmaal?’ Denkt u daarom tot zijn schapen te behoren? Zeker, u bent wel een trouw kerkganger, u laat uw plaats in de kerk nooit leeg, u bent een liefhebber van de schriftuur­lijk-bevindelijke waarheid. Maar denkt u daarom tot Zijn schapen te behoren? Bedrieg u niet!

God neemt geen genoegen met wat uiterlijkheid, met wat uiterlijke gods­dienstigheid. Het komt aan op waarachtige bekering, het komt aan op wedergeboorte, het komt aan op zaligmakend geloof. We moeten tot de kudde van Christus gebracht worden door wederge­boorte. Is dat al ge­beurd?

U zegt misschien: ‘Hoe kan ik dat weten?’ Wel, ik denk weer aan dat woord van Christus: ‘Mijn schapen kennen Mijn stem.’

Kent u Mijn veroordelende stem, Mijn stem, toen u aangeklaagd werd, toen u veroordeeld werd vanwege uw zonden en vanwege uw schuld? Kent u die stem? Kent u ook Mijn vertroostende stem, toen het evangelie voor u geopend werd in de nacht van uw schuld, in de nacht van uw nood? Toen dat evangeliewoord indaalde in uw duistere zon­daarsziel?

De schapen hebben Zijn stem gehoord. en toen ze die stem hoorden hebben ze geleerd dat ze door eigen schuld buiten de kudde staan; dat ze geen schaap zijn maar een bok, en dat het rechtvaardig is dat ze voor eeuwig buiten die kudde blijven moeten.

Maar toen ze die stem hebben gehoord, heeft die Herder op de puinhopen van hun eigen verloren leven de hoogste plaats ingenomen.

 

O, als u zich net als de Joden gaat beroepen op wat uiterlijke godsdienstigheid, op uw uiterlijke verbonds­voorrechten, dan zegt Christus: Ik heb nog ándere schapen, die van deze stal niet zijn. Hij zegt: ‘Ik héb ze al!’ Hebt u daar op gelet? Hij zegt niet: ‘Ik zal ze eens hebben’, nee, Hij zegt: ‘Ik héb ze al.’

Hoe kan Hij dat nu zeggen, gemeente? Wel, Hij heeft ze van de Vader gekregen. Al die schapen, heel die schare uit alle volken. Een schare was het, die niemand tellen kan, die Johan­nes gezien heeft op Patmos. Al die schapen heeft Christus van Zijn Vader gekregen. Op verschillende plaatsen in het evange­lie van Johannes zegt Christus dat de Vader ze Hem gegeven heeft. Wanneer is dat gebeurd? Dat is gebeurd in de stilte der eeu­wigheid. Al die miljoenen schapen, uit Joden­dom en heiden­dom, heeft de Vader Hem gegeven. De Vader heeft ze liefgehad in Zijn verkiezend welbehagen. Vanwege dat welbeha­gen van de Vader kan Christus zeggen: ‘Ik héb ze al.’

Het woord welbehagen – de Engelsen zeggen: good pleasure – is dat God van eeuwigheid een heilig, Goddelijk genoegen gehad heeft, een Godde­lij­ke vreugde in ál die schapen. Hij heeft ze liefgehad met een eeuwige liefde. Ze liggen in de eeuwigheid verankerd aan het midde­laars­hart van Christus. Hij heeft ze aanvaard uit de handen van de Vader. Daarom kan Hij zeggen: ‘Ik héb ze al!’ En daarom is Hij gekomen om als die goede Herder Zijn leven te stellen voor de schapen. En welk een prijs heeft Hij betaald!

 

En het wonder wordt nog groter wanneer we bedenken wat Hij in die schapen gezien heeft. Niet één van hen was het immers waard. Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een iegelijk naar zijn weg (Jes.53:6).

O, die schapen waren allemaal bij de Herder weggelopen! Om nooit meer terug te keren! Ze waren zo ver weggelopen dat ze de stem van de Herder niet meer horen konden. Ze waren andere herders gevolgd. Ze hadden liever naar de stem van satan geluisterd dan naar het woord van God. O, wat heeft die Herder toch in die schapen gezien, die in de wildernis rondzwierven, zonder God, zonder Christus?

Ze hadden zich allemaal in de grootste ellende gestort door eigen schul­d. En het ergste was dat ze het niet zagen. Ze hadden er heel geen erg in. Ze verlangden er niet eens naar om verlost te worden.

 

Ik heb nog andere schapen. Ziet u ze daar zwerven in de wildernis, zonder God, zonder Christus, zonder hoop in de we­reld, met een onbekeerd hart, met een ongeredde ziel? En ze beseffen het niet eens; ze willen het niet eens beseffen. Ze moeten die goede Herder niet eens. Ze zwerven al verder van Hem vandaan.

O, er is niemand van hen die naar die Herder zoekt, niemand van hen die naar die Herder vraagt. En toch zegt Christus: ‘Ik héb ze al! Al leven ze nu nog zonder Mij, ook al zoeken ze naar Mij niet en al vragen ze naar Mij niet, ook al zijn ze melaats en vuil door de zonde en door de onge­rechtig­heid, Ik héb ze al, want de Vader heeft ze Mij gegeven. En Ik heb de prijs betaald toen Ik Mijn leven stelde voor die scha­pen. Ik héb ze al!’

 

Hoeveel zijn er? Hoeveel? Dat weet de Heere alleen. Uit onze kerkelijke administratie weten we natuurlijk precies hoeveel leden we hebben in onze gemeente, en hoeveel doople­den. Maar hoe­veel schapen heeft de Herder hier in de ge­meente? Hij alleen weet het wie Zijn schapen zijn. En er zal er niet één achterblijven. Hij weet hoeveel schapen de Vader Hem gegeven heeft. Hij heeft ze al!

Misschien wel een jongen of een meisje hier in de kerk, die totaal geen belangstelling heeft voor de dienst des Heeren, die alleen maar druk is met het aardse, die nu nog buiten die Herder in de wereld rond­zwerft, maar van wie toch geldt dat het één van die andere scha­pen is, die Hij al hééft, ook al moeten ze nog worden toegeb­racht.

Misschien is het wel zo’n drugsverslaafde, die hier ergens in de straten rondzwalkt en die nog nooit een bijbeltje gezien heeft.

Of heidenen ver hier vandaan op de zendingsvel­den, die leven in de blindheid van het ongeloof en van het bijgeloof. Maar Jezus zegt: ‘Ik weet wie het zijn. En Ik weet waar Ik ze vinden moet en wanneer Ik ze zoeken moet. Ik heb ze van Mijn Vader gekre­gen; andere schapen, die van deze stal niet zijn.’

 

Gemeente, jongens en meisjes, wat bemoedigend: Hij hééft ze al! En daarom gaat Zijn werk door. Ze liggen onder Zijn zegel, het zegel van Zijn verkiezende liefde.

Er zijn veel zorgen. Afval. Verval. Kerkverlating. Veropper­vlakkiging. Veruitwendiging. Ook onder ons zijn er zoveel zorgen. Maar boven dat alles blijft recht overeind staan het woord van de Herder: Ik héb nog andere schapen, die van déze stal niet zijn. Hij gaat door met Zijn werk. En Hij zal ze vinden, zelfs uit het allerverste land.

Daarvan zong de dich­ter – en wij willen het nu ook doen uit Psalm 68 vers 14:

 

Uw God, o Isrel, heeft de kracht

Door Zijn bevel u toegebracht.

O God, schraag dat vermogen;

Versterk hetgeen Gij hebt gewrocht,

En laat Uw hulp, door ons verzocht,

Uw volk voortaan verhogen.

Dan passen, Uwen naam ter eer,

Om Uwes tempels wil, o Heer’,

De vorsten op Uw wenken;

Zij zullen U van alle kant,

Zelfs uit het allerverste land,

Vereren met geschenken.

 

2. Hij vergadert Zijn Kerk

 

Deze moet Ik ook toebrengen.

Ook al zwerven ze nog rond buiten de Herder en buiten de kudde, Hij moet ze ook toebren­gen. Ze moeten toegebracht worden, ze moeten geleid worden tot de kudde. Déze ook, dat wil dus zeggen: Hij hééft er al toege­bracht. Maar nu déze ook! Er zullen er nog meer worden toege­bracht. Niet alleen uit de ‘stal’ van Israël, maar uit alle volkeren.

Met dat toebrengen was Christus al bezig toen Hij nog op aarde was, al was het toen nog maar hier en daar een enkeling van buiten de ‘stal’ van Israël. De Samaritaanse vrouw, een Kana­nese vrouw, een Romeinse hoofdman...

Maar toen op de Pinkster­dag de muur, welke Jood en heiden gescheiden hield, werd wegge­nomen, ging het woord van onze tekst pas echt en ten volle in vervulling: Deze moet Ik ook toebrengen. Dan gaat het evangelie zijn loop beginnen naar alle volken, tot op de dag van vandaag, nu door het zendingswerk de einden der aarde worden bereikt. Want Hij zál Zijn schapen hebben uit alle volken.

 

Deze moet Ik ook toebrengen. Denk nu niet dat dit toebrengen een gemakkelijk werk is, gemeente. Denk toch niet dat die schapen zulke zachte, lieve, meegaande dieren zijn. Dat zou u maar eens moeten vernemen van iemand die veel met schapen omgaat. Als een schaap echt niet wil, dan begin je niets. Zo’n schaap verzet geen poot. Je kunt er aan trekken of duwen wat je maar wilt. Dan kun je twee dingen doen: óf zo’n schaap maar laten staan, óf dat schaap optillen, opnemen en wegdra­gen.

 

Niet één van de schapen van Christus zou vrijwillig naar de schaapskooi gaan, als die goede Herder ze niet had opgeno­men en weggedragen. Want er is er niet één die deze Herder wil hebben. U en ik, wij zijn allen als gevallen adamskinderen vijanden van God en vijanden van Christus, vijanden van vrije genade.

En dat maakt nu het grote wonder uit, dat Hij zulke mensen hebben wil. Dat die goede Herder Zijn leven niet stelde voor vrienden, maar voor vijanden, niet voor rechtvaardigen, maar voor goddelozen. Zulke mensen wil Hij hebben. Hij rust niet voor Hij ze heeft toegebracht.

 

En weet u wat het geheim is? Het geheim ligt in één woordje; in het woordje ‘moet’. Deze móet Ik ook toebrengen. Dat woordje ‘moet’ spreekt van de nood van die schapen, die nog buiten de kudde en buiten de Herder zwerven. Christus kent die nood. Hij is met ontferming bewogen. ‘Deze móet Ik ook toe­bren­gen, want ze zwerven nog buiten de kudde en buiten Mij.’

Laat dat gevoelen in u zijn, hetwelk ook in Christus Jezus is. Kinderen van God, is er die bewogenheid met de zielen van hen die met u naar de eeuwigheid reizen, die buiten de Herder verloren zijn?

Het woordje ‘moet’ spreekt van de nood van die zwervende schapen. Maar dat woordje ‘moet’ spreekt ook van het eeuwige plan van het welbehagen van de Vader. Zij móeten worden toege­bracht, omdat de Vader ze van eeuwigheid heeft bemind, omdat de Vader van eeuwigheid een heilig, Goddelijk genoegen in ze gehad heeft, omdat de Vader in de eeuwigheid hen verankerd heeft aan het middelaarshart van de Zaligmaker. Daarom móet Hij ze toebrengen.

En dat is geen opdracht die Hij luchtig vervult. Hij doet het met de liefde van Zijn herdershart. In de eeuwigheid heeft Hij Zich er voor gegeven. Mijn spijze is dat Ik doe de wil Desge­nen Die Mij gezonden heeft (Joh.4:34). Het is Zijn vreugde om ze toe te brengen. Deze móet Ik ook toebrengen.

 

Goddelijk ‘moeten’. Denk eens even aan de geschiedenis van de Samaritaanse vrouw. Daarin lezen we: Hij moest door Samaria gaan (Joh.4:4). Weer dat ‘moe­ten’.

Denk aan Zacheüs, die uit een boom gehaald wordt. Wat lezen we dan? Ik moet heden in uw huis blijven (Luk.19:5). O, als Christus niet gezegd had: ‘Ik moet ze toebren­gen’, dan kwam er niet één! Alle arbeid in het Koninkrijk Gods zou tot mislukken gedoemd zijn. Maar nu is er hoop, nu is er verwach­ting. Hij móet ze toebren­gen!

 

Ook in een tijd van kerkverlating geldt het: Deze moet Ik ook toebrengen. Er moeten er nog toegebracht worden, jongens en meisjes. Buigen jullie daarom vanavond jullie knieën maar en zeg het: ‘Heere, mag ik dat zijn, die toegebracht moet wor­den? Geef dat ook mijn oog het goede aanschouw, hetwelk Gij, uit onbezweken trouw, Uw uitverkorenen toe wilt voegen. Mag ik het zijn, die ervaren mag dat de dienst van de Herder zo’n onuit­sprekelijk zoete en zalige dienst is, die proeven mag dat één krui­meltje van Zijn tafel meer waard is dan duizend werelden?’

O, wat kan het dan wonderlijk goed zijn! Ledeboer zei: ‘Voor één kus van Jezus’ mond geef ik al die zwarte grond.’

 

Hij móet ze toebrengen. Hij breekt dan ook alle tegenstand, voor het eerst, maar ook opnieuw. Want u moet maar niet denken dat als een schaap eenmaal toegebracht is, het dan alle­maal vanzelf gaat. Nee, want van zichzelf onderwerpt dat schaap zich niet. Steeds meer stuit het op die ‘bokkennatuur’ van binnen af.

Dan wordt het waar: ‘Gelijk een schaap heb ik gedwaald in ‘t rond, dat onbedacht zijn herder heeft verlo­ren.’ (Ps.119:88, berijmd)

 

Het is de opzoekende liefde van de Herder die Zijn schapen vindt. Of dat nu ‘s zondags in de kerk is of op het voetbal­veld. Wel maakt het een groot verschil, want we moeten ons onder de genademiddelen begeven. Maar het is altijd de opzoe­kende liefde die een mens vindt, vervreemd van God, zonder Christus, zonder hoop in de wereld. Soms in grote zonde en ongerechtig­heid, of in eigengerechtigheid.

Het is opzoekende liefde, die de schapen bij de kudde brengt. Maar het is ook opzoekende liefde, die de schapen bij de kudde houdt, of ze er opnieuw bij breng­t.

Zie die Herder gaan, gemeente! Nege­nenne­gentig schapen zijn in Zijn stal, maar dat éne schaap, dat afgedwaald is, gaat Hij zoeken. En Hij vindt geen rust totdat Hij dat éne schaap gevonden heeft. Opzoekende liefde! Zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit Mijn hand rukken (Joh.10:28).

 

Deze moet Ik ook toebrengen. ‘Ik!’ Hij is het. Ook al gebruikt Hij wel mensen in Zijn dienst; ambtsdragers, dienaren des Woords, zendelingen en evangelisten. Maar die kunnen geen harten verbre­ken, die kunnen geen mensen bekeren. Hij wil ze wel gebruiken, maar Híj doet het! En Hij zal ook alleen maar de eer ontvangen.

Omdat Hij het doet, is de arbeid in het Koninkrijk van God niet tevergeefs, wat er ook tegenop komt. Al schijnt het soms een ploegen op rotsen, Hij doet het!

 

Hoe brengt Hij ze toe? Wel, door Zijn Woord. Hij zegt het Zelf: Zij zullen Mijn stem horen.

De Heere gebruikt het Woord, de prediking van het Woord. De prediking waarin het de rechtvaardige wordt aangezegd dat het hem wél zal gaan, maar de goddeloze dat het hem kwalijk zal gaan. De prediking waarin zondaren ernstig worden geroepen en welmenend worden geno­digd. De prediking die in gebrekkige mensenwoorden tot u komt, gemeente, jongens en meisjes, is toch Zijn stem!

Hebt u, hebben jullie zo wel eens in de kerk gezeten en Zijn stem ge­hoord? Het staat er zo opmerkelijk: Zij zullen Mijn stem horen. Dan zijn het kerkdiensten die je nooit meer vergeet! Misschien zaten er toen wel duizend mensen in de kerk, maar de Herder nam er ééntje apart... ééntje die Zijn stem ging horen!

Zijn stem dringt door tot in het diepst van het hart, door de kracht van de Heilige Geest. Als die stem je gaat aanspreken over je zonde en schuld, dan gaat het niet meer over een ander, maar dan ben je zelf die zondaar, dan ben je zelf die schul­dige, dan ben je zelf die verlorene. Als die stem gaat spreken van Gods heilige rechtvaardigheid, dan ben ik het zelf, die voor Gods heilig recht niet kan bestaan. O, wat is het groot als ik door die stem mag worden overwonnen en inge­wonnen, en ik er onder mag leren buigen.

Maar wat is het ook groot, onuitsprekelijk groot als die stem gaat spreken van Hem, de goede Herder: Ik ben de goede Her­der. Opzoekende, Godde­lijke zondaarsliefde, wanneer die Herder in Zijn bloed en in Zijn wonden wordt aangewezen door die stem! O, wordt Hij dan niet de Schoonste van alle mensen­kinderen, in Wiens lippen genade is uitgestort? 

 

Zij zullen Mijn stem horen. Dan heb je pas echt gekerkt. Jongens en meisjes, vraag toch veel: ‘Mag ik Zijn stem horen?’ Want dan krijg je Zijn Woord hartelijk lief, de predi­king in de kerk en je bijbeltje thuis. Vraag, als je alleen bent op je kamer en je bijbeltje opendoet: ‘Heere, mag ik Uw stem erin ho­ren?’

 

Weet u waar u die schapen aan kunt kennen? Die schapen weten zich in het diepst van hun ziel betrokken op het Woord van God. Want in dat Woord klinkt de stem van die goede Herder. Ook al worden ze er dan door die stem buiten gezet, en al wijst die stem dan ook hun zonde en vervloeking aan, dan krijgen ze dat Woord toch hartelijk lief! Dan drukken ze het wel eens aan hun hart en zeggen ze: ‘Uw Woord kan mij, ofschoon ik alles mis, door zijn smaak én hart én zinnen strelen.’ (Ps.119:84, berijmd)

 

En wat is het grote doel? Waar loopt het op uit? Het zal worden één kudde en één Herder. Al die schapen uit het noorden en uit het zuiden, uit het oosten en uit het westen, al die schapen uit alle volkeren, geslachten, talen en natië­n, zullen samen één volk vormen, één kudde.

Eén kudde; zo zal het worden. Zo is het nog niet. O, wat is er vaak een verscheurdheid en een verdeeldheid onder die schapen. Wat is er vaak veel wat scheiding maakt. Eén kudde, maar het is er nu zo vaak ver vandaan. Maar toch, wat is het een onuitsprekelijk wonderlijke ervaring wanneer alle ver­scheurd­heid en verdeeldheid, wanneer alle muren – ook kerkmu­ren – eens weg mogen vallen. Dan wordt het ervaren dat het één kudde, één Kerk is – zelfs over de hoogste kerkmuren heen – wanneer kinderen van God elkaar ontmoeten.

Eén kudde. Wat kan ook aan een avondmaalstafel die gemeenschap ervaren wor­den; gemeenschap met de Herder, gemeenschap ook met elkaar.

Wanneer kinderen van God elkaar benijden of zelfs mijden, dan is dat niet de wil van de Vader. ‘Ik wil dat zij allen één zijn.’ En Hij staat er ook Borg voor, wat die schapen er zelf ook van terechtbrengen. Het zal worden één kudde en één Her­der.

 

Waarom is er vaak zoveel verwijdering tussen de schapen onderling? Kinderen van God, die weet hebben van Gods werk in hun leven, waarom is er zoveel verwijdering tussen hen? Wel, omdat ze zo ver bij die Herder vandaan leven.

Die twee, één kudde en één Herder, moeten aan elkaar verbonden zijn en blij­ven. Onlosmakelijk aan elkaar verbonden. Want als een schaap ver van de Herder afdwaalt, dan is hij ook ver van de kudde vandaan. Ver van de Herder is ook ver van elkaar. Maar als ze dichtbij de Herder zijn, dan zijn ze ook dichtbij elkaar. Dat is het geheim. Eén kudde, één Herder.

In de woestijn van het leven en dan dichtbij Hem, dan heb je geen vijanden. Want dan ben je ook dichtbij elkaar.

 

En wat hier ten dele blijft, dat wordt straks hierboven volmaakt. Eén kudde en één Herder. Dan zal Juda Efraïm niet meer benauwen. Dan zal alles een zalige eenheid zijn. Dan zal alles door de vrede bloeien in een heilige harmonie tussen God en Zijn kudde. Maar ook tussen de schapen onderling. Dan zal het gaan om Zijn eer, om Zijn verheerlijking, als er die zalige volmaaktheid zijn zal. Dan zullen al die schapen maar één verlangen kennen en daarin zullen ze samenstemmen, daarin zullen ze samen één zijn: om die God van volkomen zaligheid eeuwig groot te maken! Wat hier maar niet kon, waar het hier alles aan tekortschoot, dat zal daar zalige werkelijkheid zijn!

 

Gemeente, als het hier nooit uw verlangen geworden is om die God groot te maken, om die God de eer te mogen geven die Hij waardig is, wat zul je daarboven dan willen doen? Zou u zich daar thuis voelen? Bij die ene kudde, die de Herder – en in die Herder de God van volkomen zaligheid – eeuwig zal grootmaken, zou u zich daar thuis voelen?

Daar zal die kudde het lied der aanbid­ding zingen voor de troon en voor het Lam. Dat is een lied waarvan ze de eerste tonen hier hebben geleerd in de woes­tijn van het leven, en in de strijd, door de beproevingen en door de aanvechtingen heen.

O, wat zal dat zijn! Hier moesten ze steeds de woestijn weer in. Hier zeiden de spotters – van binnen en van buiten – telkens weer: ‘Waar is uw God?’ Maar daar mogen ze eeuwig bij die Herder zijn.

Ik wenste wel dat u beseffen zou hoe onuitsprekelijk arm uw leven is buiten de kudde en buiten de Herder. Misschien bent u heel rijk hier beneden, u hebt een goede baan met een goed inkomen, maar dan bent u toch straatarm. Wat zou het een zegen zijn als u thuiskomt en uw knieën buigt en Hem smeekt of Hij ook in uw verzondigd leven Zijn werk van genade wil verheer­lijken.

Want Hij gaat door met Zijn werk, en Hij vergadert Zijn Kerk!

 

Daarom wil ik u ten slotte nog wijzen op het woordje ‘zullen’ uit de tekst. Zij zúllen Mijn stem horen. Want die Herder gaat door, ook in een tijd van afval en verval, ook in een tijd van veruitwendi­ging en veroppervlak­kiging. Ook in een tijd waarin de golven van verwereldlijking op ons aan­spoelen en waarin de zonde al verleidelijker wordt. Die Herder gaat door! Zij zúllen Mijn stem horen.

Nee, het is niet tevergeefs om naar de kerk te gaan. In die gebrekkige mensenwoorden vanaf de preekstoel klinkt toch de stem van de Herder. En dat woord zal niet ledig tot Hem weder­keren. Het zal doen hetgeen Hem behaagt en het zal voor­spoedig zijn in hetgeen waartoe Hij het zendt.

Zij zúllen Mijn stem horen. Buig uw knieën en zeg het: ‘O God, mag ik het zijn die Uw stem horen mag? Mag ik voor altijd met U verbonden zijn?’

Als Gods kinderen hun weg voortzetten door de woestijn van het leven, dan mogen ze weten dat de Herder leeft. Hij gaat voor­op. Hij leidt hen. Hij rust niet voordat Zijn kudde gekomen is in die eeuwige schaapskooi hier­boven.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 72: 4

 

‘t Rechtvaardig volk zal welig groeien;
Daar twist en wrok verdwijnt,
Zal alles door de vrede bloeien,
Totdat geen maan meer schijnt.
Van zee tot zee zal Hij regeren,
Zover men volk’ren kent;
Men zal Hem van d’ Eufraat vereren,
Tot aan des aardrijks end.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Een zaaier ging uit…’ (deel 18)