Ds. S. Maljaars - Numeri 10 : 35 - 36

Twee woestijngebeden

Numeri 10
Bij het reizen van de ark
Bij het rusten van de ark

Numeri 10 : 35 - 36

Numeri 10
35
Het geschiedde nu in het optrekken van de ark, dat Mozes zeide: Sta op, HEERE! en laat Uw vijanden verstrooid worden, en Uw haters van Uw aangezicht vlieden!
36
En als zij rustte, zeide hij: Kom weder, HEERE! tot de tien duizenden der duizenden van Israel!

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 91: 1
Lezen : Numeri 10: 11-36
Zingen : Psalm 68: 1, 13, 17
Zingen : Psalm 80: 5
Zingen : Psalm 121: 4

Gemeente, met de hulp des Heeren willen we stilstaan bij Numeri 10, de verzen 35 en 36. Daar lezen we Gods Woord:

 

Het geschiedde nu in het optrekken van de ark, dat Mozes zeide: Sta op, Heere, en laat Uw vijanden verstrooid worden en Uw haters van Uw aangezicht vlieden. En als zij rustte, zeide hij: Kom weder, Heere, tot de tienduizenden der duizenden Israëls.

 

We schrijven onder deze woorden: Twee woestijngebeden.

 

1. Bij het reizen van de ark (vers 35)

2. Bij het rusten van de ark (vers 36)

 

1. Bij het reizen van de ark

 

Gemeente, onze tekst is genomen uit het vierde boek van Mozes, Numeri. Deze Latijnse naam betekent: getallen. In dit Bijbelboek komen we nogal wat getallen tegen, bijvoorbeeld de tellingen van het aantal Israëlieten. Daarnaast lezen we in dit boek ook heel veel geschiedenissen.

In de Hebreeuwse canon heet het boek Numeri: ‘In de woestijn’. De Heere leidt Zijn volk Israël door de woestijn naar Kanaän. In die woestijn zijn veel tegenslagen te overwinnen. Er zullen zich veel omstandigheden voordoen die de weg naar het beloofde land beletten. Wat staan er in Numeri zwarte bladzijden, als het gaat over de zonden van het volk. Maar toch gaat de Heere verder. Het volk zal na veertig jaar omzwerven in Kanaän aankomen. Alleen vanwege Gods trouw! En daarom is Numeri een troostboek, ook voor Gods kinderen nu.

 

In ons teksthoofdstuk, Numeri 10, gaat het over het vertrek van het volk Israël uit de woestijn Sinaï (vers 11). Het volk is lange tijd bij de Sinaï geweest, ongeveer elf maanden. Ook onze jongens en meisjes weten wat er bij die berg is gebeurd. Daar heeft de Heere Zijn wet gegeven. Die horen we iedere zondagmorgen voorlezen. Bij de Sinaï heeft de Heere Zijn genadeverbond geopenbaard aan Israël. Dat verbond heeft nu zijn nationale vorm gekregen. Het wil zeggen dat God in het bijzonder uit de geslachten van Israël Zijn kinderen bij elkaar zal gaan verzamelen.

Hij heeft dit volk afgezonderd om Zijn eigendom te zijn. Daarom gaf Hij hun Zijn wet, de Tien Geboden. Daarom stelde Hij ook de tabernakeldienst in. Zo mocht dat volk leven onder de bediening der verzoening, met als middelpunt de ark des verbonds in het heilige der heiligen: En aldaar zal Ik bij u komen en Ik zal met u spreken van boven het verzoendeksel af (Ex.25:22). Wat boog de Heere laag neer tot het volk!

Maar wat hebben de Israëlieten het in de woestijn Sinaï ook diep laten liggen. Denk alleen maar aan de zonde met het gouden kalf. Maar ondanks hun afkeringen blijft de Heere de Getrouwe. En wordt dat op deze bladzijde van het boek Numeri ook niet duidelijk?

 

De wolkkolom gaat hun voor vanaf de woestijn Sinaï en blijft in de woestijn Paran (vers 12). Ze vertrekken dus in noordwestelijke richting. Alles verloopt heel ordelijk. God is een God van orde. Dat is ook hier bij het optrekken in de woestijn zichtbaar. De stammen reizen in de door God bepaalde volgorde. Juda, Issaschar en Zebulon vormen de voorhoede. Helemaal achteraan komen Dan, Aser en Naftali. Daartussen de andere stammen, samen met de Gersonieten en de Kahathieten. Deze Levieten dragen de tabernakel en de voorwerpen van de tabernakel met zich mee.

Vóór het voorste leger van Juda gaat de Heere. In het laatste gedeelte van ons teksthoofdstuk lezen we: Zo togen zij drie dagreizen van de berg des Heeren; en de ark des verbonds des Heeren reisde voor hun aangezicht drie dagreizen, om voor hen een rustplaats uit te speuren. En de wolk des Heeren was des daags over hen, als zij uit het leger verreisden (vers 33-34).

Het volk wordt geleid door de wolk, maar vanaf de Sinaï ook door de ark. Vóór de stam van Juda lopen de priesters met de ark. Boven die ark hangt de wolkkolom. Zo speurt de Heere een rustplaats voor hen uit.

Ze maken een tocht van drie dagreizen in de woestijn. En dan blijft de wolk staan. Ook de priesters met de ark staan stil. Het is een teken dat het volk op die plaats in de woestijn Paran mag rusten. Wonderlijke leiding! Mozes heeft tegen zijn zwager Hobab gezegd: ‘Gij zult ons tot ogen zijn; u zult onze leidsman zijn door de woestijn.’ Maar hier hebben ze een gids die beter is dan tienduizend Hobabs, zegt een verklaarder. God Zelf leidt Zijn volk door de woestijn. Ze hoeven alleen maar achter de ark aan te lopen. God in Christus gaat hun voor. En reizen ze dan niet veilig?

 

Kijk eens, wat Mozes nu doet. Als de ark vertrekt, bidt Mozes. En ook als de ark stilstaat, doet Mozes een gebed. Het zijn twee gebeden tijdens de reis door de woestijn. Twee woestijngebeden, zou je ze kunnen noemen. Ze worden bij het reizen en bij het rusten van de ark opgezonden. Zo wordt er bij het optrekken en bij het legeren van het volk tot de Heere gebeden.

 

Gemeente, ons leven is eigenlijk ook een woestijnreis. Het leven is niet gemakkelijk. Door de zonde is ons leven een woestijn geworden. Mozes zegt in Psalm 90 dat het uitnemendste ervan moeite en verdriet is.

Hebben we in deze woestijn een Leidsman? In zekere zin wordt iedereen geleid door de Heere, want God bestuurt het leven van ieder mens. Van jullie, kinderen en jongeren. Ook van ons als volwassenen en ouderen. Maar de grote vraag is: kennen we ook de bijzondere leiding van de Heere in ons leven? Dat we God in Christus tot een Gids mogen hebben? Die Leidsman krijgt een mens in het uur van de wedergeboorte. Dan begint de pelgrimsreis door de woestijn van het leven. O, smeek toch of we de Heere zo als Leidsman mogen leren kennen!

In die woestijn moet door Gods kinderen gestreden worden tegen de doodsvijanden, die het op hun ondergang gemunt hebben. In de woestijn zijn er zoveel gevaren die hen bedreigen. En daarom is het gebed bij het reizen en bij het rusten zo dringend nodig.

 

Het geschiedde nu in het optrekken van de ark. Dit woord ‘optrekken’ wordt heel vaak gebruikt in Numeri. Denk aan Numeri 33. Daar lees je al die halteplaatsen tijdens de woestijnreis. Het klinkt als een refrein: ‘En zij verreisden van… en zij legerden zich in…’

U kent misschien wel het bekende boek van ds. G. van Reenen, ‘De woestijnreis der kinderen Israëls’. In samenspraken beschrijft hij iedere halteplaats en trekt er geestelijke lessen uit. Iedere rustplaats had betekenis voor het volk. Zo trokken ze verder.

In vers 33 wordt de ark ‘de ark des verbonds des Heeren’ genoemd. Een bijzondere naam! Die ark heette zo omdat de Heere een verbond had gemaakt met het volk. In die ark lagen de twee stenen tafelen als een teken: ‘Dit zijn Mijn woorden en daaraan heeft Israël zich te houden.’ Op die ark des verbonds lag het verzoendeksel. Eén keer per jaar werd daar bloed op gesprengd. Alleen in die weg kon de Heere immers bij het volk wonen. Zo predikte de ark – die tijdens het reizen met een kleed was bedekt – heel duidelijk de nabijheid van de Heere bij het volk.

Wolk en ark horen bij elkaar. Als de ark reist, reist de wolk ook. En waar de wolk stilstaat, staan ook de priesters met de ark stil. Als de wolk en ark verder trekken, moet het volk van Israël volgen. Waar die wolk en ark blijven staan, moet Israël rusten. Dus eigenlijk is het heel eenvoudig: waar die wolk blijft, moeten ook zij blijven. En waar die wolk optrekt, moeten zij ook verder trekken. De Heere bepaalt het reisplan. Hij is de Leidsman. Zij hoeven alleen maar te volgen. 

 

Gemeente, jongeren en ouderen, wat reis je veilig als God je Leidsman mag zijn door de woestijn van het leven! Dat is geen gemakkelijke weg. In de voorrede van de Dordtse Leerregels staat dat het leven van Gods kinderen een ‘ellendige pelgrimage’ is. Dat wil zeggen: er zijn zoveel bezwaren, tegenvallers en moedbenemende omstandigheden tijdens de woestijnreis. Maar de Dordtse vaderen wijzen ook op Christus’ belofte die Hij Zijn volk in deze pelgrimage heeft nagelaten: En zie, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld (Matth.28:20).

En daarom: heb goede moed, volk des Heeren! U komt door de woestijn. Want de Leidsman gaat voorop. God in Christus gaat vóór. Ook al ziet u het niet altijd, maar Hij zal u door de woestijn heen halen. U zult in deze woestijn niet kunnen verdwalen. Hij zal u in Kanaän brengen. Daar staat Hij Zelf voor in.

 

Als de ark optrekt, bidt Mozes voor het volk. Zie je hem daar staan, jongens en meisjes? Mozes heft zijn handen op en bidt tot de Heere. Terwijl de wolk zich verheft en de ark door de priesters eerbiedig meegedragen wordt, bidt deze knecht des Heeren voor zijn volk. Heel indringend smeekt hij: Sta op, Heere, en laat Uw vijanden verstrooid worden en Uw haters van Uw aangezicht vlieden. Als een vader bidt hij voor zijn kinderen. Iedere keer als het leger van Israël optrekt, wordt dit gebed door Mozes opgezonden.

Wat is dit gebed nodig, want het volk moet verder door de woestijn. En hoe zou dat kunnen zonder dat ze geleid worden? Vaak lijkt het er op dat het tijdens de reis van Gods kinderen niet goed gaat. Vaak is het zicht op die wolk en die ark er niet. Wat kan er een strijd zijn met Gods leiding! Maar Gods wegen – hoe onbegrijpelijk in ons oog – zijn altijd rechte wegen. En Hij maakt de woestijn voor Zijn volk begaanbaar.

Kinderen des Heeren, u moet gaan door paden en wegen die u niet geweten hebt. Maar toch zal God de duisternis voor uw aangezicht tot licht maken en het kromme tot recht. De Heere zal betonen dat Hij u in deze ellendige en gevaarlijke woestijn niet verlaat.

 

Mozes smeekt: Sta op, Heere. Als iemand zit, is dat een beeld van rust. Maar als iemand opstaat, is dat een teken dat hij erbij komt en zijn kracht gaat gebruiken. Dus dit gebed betekent: ‘Heere, laat Uw kracht zien!’ Mozes vraagt: ‘Heere, als U opstaat en verder trekt, staat U dan ook op over ons! O Heere, betoon toch dat de ark die optrekt een beeld is van Uw kracht. Gaat U voor ons aangezicht uit! Uw Naam is immers Heere? U bent toch de Jehova, de Verbondsgod? Laat dat toch onverdiend zien aan Uw volk!’

Dat is de dringende bede van Mozes. Hij weet uit ervaring dat de vijanden sterk zijn en dat het volk zwak is. En daarom is dit ook zo’n liefdevol gebed van deze voorbidder.

 

Sta op, Heere, laat Uw vijanden verstrooid worden… Het volk is al veel vijanden in de woestijn tegengekomen. Ze zijn op dit ogenblik ruim een jaar onderweg. Wat hebben ze al vele tegenstanders het hoofd moeten bieden! Daar was de vijand in Egypte, Farao met zijn leger, die het volk aan het begin van de reis najaagde. Israël kwam in de klem; achter hen de Egyptenaren, links en rechts de bergen, vóór hen de Rode Zee. Waar moesten ze heen? Maar toen heeft Mozes het uitgeroepen, zij het met andere woorden: Sta op, Heere, en laat Uw vijanden verstrooid worden. Mozes hoefde alleen maar zijn staf over de Rode Zee uit te strekken en het volk werd droogvoets over het gebaande pad geleid. De vijanden werden verzwolgen door het water. ‘Heere, wilt U, zoals eenmaal de vijanden uit Egypte, ook nu Uw vijanden verjagen?’

Een paar weken na de Rode Zee kwam het volk in Rafidim. Daar kregen ze op een wonderlijke wijze water uit de rotssteen. Maar toen kwam Amalek en streed tegen Israël in Rafidim. Onverhoeds vielen ze Israël aan in het achterste deel van het leger. Toen is Mozes de berg opgegaan met de staf Gods in zijn hand: Sta op, Heere, en laat Uw vijanden verstrooid worden. Op een gegeven ogenblik konden Mozes’ handen de staf niet meer omhoog houden. Maar Aäron en Hur hebben hem ondersteund. En zo heeft de Heere de vijanden verstrooid. Jozua krenkte de Amalekieten met de scherpte des zwaards. Ze werden verdreven. Dat heeft de Heere voor dat volk gedaan! ‘Heere, U bent toch dezelfde God als in Rafidim, wilt U ook nu Uw vijanden verstrooien?’

 

Maar de strijd blijft. Dat weet Mozes. Hoe moet het als het volk hier bij de Sinaï weggaat? Voor de verdere reis naar Kanaän ziet de leider van Israël zoveel bezwaren. En dan weet Mozes maar één ding te doen, en dat is zijn handen op te heffen naar de hemel: Sta op, Heere, en laat Uw vijanden verstrooid worden.

Dit gebed blijft in het reizen van de ark steeds nodig. Straks komen er nieuwe vijanden. Lees maar verder in Numeri.

Straks zijn er de Edomieten, die Israël de doortocht door hun land zullen weigeren. Sta op, Heere, en laat Uw vijanden verstrooid worden.

Straks is er koning Sihon van de Amorieten, die met Og, de koning van Basan, slag zal leveren. Sta op, Heere, en laat Uw vijanden verstrooid worden.

Straks krijgen ze in het beloofde land te maken met de Kanaänieten, want het is geen leeg land dat ze binnentrekken. Het is een land vol van vijanden. Maar: Sta op, Heere, en laat Uw vijanden verstrooid worden.

En zo komt het volk door de woestijn in Kanaän. Alleen in Gods kracht!

 

Sta op, Heere, en laat Uw vijanden verstrooid worden en Uw haters van Uw aangezicht vlieden. Gemeente, u weet waarschijnlijk dat we in het Hebreeuws vaak met parallelle zinnen te maken hebben. Dat is een kenmerk van die taal. Het ene zinsdeel verklaart het andere. Als we de zinnen van dit gebed van Mozes onder elkaar zetten, lezen we:

 

Laat Uw vijanden verstrooid worden

en Uw haters van Uw aangezicht vlieden.

 

‘Uw vijanden’ zijn dezelfden als ‘Uw haters’. Mozes gebruikt dus twee woorden voor Gods tegenstanders: vijanden en haters. Er staat eigenlijk: ‘Gods vijandigen’ en ‘Gods hatenden’. Dat is zeer aangrijpend. Het tekent ons bestaan voor God: ‘vijandigen van God’ en ‘hatenden van God’.

Zijn we er in ons leven al aan ontdekt dat dit ook van óns geldt in onze onbekeerde staat? Van nature zijn we vijanden, geneigd om God en onze naaste te haten. Laat dat eens op u inwerken, gemeente.

 

En dan is er nog iets. Er staat: Uw vijanden, Uw haters, Uw aangezicht. Je zou verwachten dat Mozes zegt: ‘Laten ónze vijanden voor óns aangezicht vlieden, laten ónze haters verstrooid worden.’ Nee, hij heeft het over Uw vijanden, Uw haters. De vijanden van Gods volk zijn de vijanden van God en de haters van dat volk zijn de haters van God.

In Zondag 19 van de Heidelbergse Catechismus staat dat ook zo, aan het eind van de vraag over de wederkomst: ‘Die al Zijn en mijn vijanden in de eeuwige verdoemenis werpen zal…’ Deze vijanden vormen een bondgenootschap: Zijn vijanden en mijn vijanden.

Dat is zeer aangrijpend als we nog onbekeerd verder leven. Dan zijn Gods vijanden onze vijanden niet. Dan zijn ze onze vrienden. Het is niet best als dit zo blijft! Jongeren en ouderen, smeek toch of God de vriendschap met Zijn vijanden verbreekt! De vijanden duivel, wereld en zonde hebben ons niets te bieden. Ze voeren ons uiteindelijk naar de ondergang.

Aan de andere kant is dit ook een troostvolle gedachte voor Gods kinderen. Hun vijanden zijn ook Gods vijanden. Het is een bondgenootschap. God neemt het voor Zijn volk op en zal hun vijanden verslaan!

Laat Uw vijanden verstrooid worden en Uw haters van Uw aangezicht vlieden. Drie keer Uw. Dan zegt Mozes hier eigenlijk: ‘Heere, het is toch Uw zaak?’ Nee, hier is geen sprake van wraaklust bij de leidsman van het volk. Hier mag de man Gods opkomen voor Gods eer. ‘Heere, het is toch Úw Naam, het is toch Úw zaak, het is toch Úw volk dat geleid wordt door de woestijn? En laat daarom Úw vijanden vluchten en verstrooid worden!’

 

Van die strijd in de woestijn gaat Gods volk iets ondervinden. In die strijd wordt eigen zwakheid meer en meer doorleefd. In Zondag 52 van onze catechismus hoor je een geoefende strijder bidden. Wat zegt hij? ‘Dewijl wij van onszelf zo zwak zijn, dat wij niet een ogenblik zouden kunnen bestaan, zo wil ons toch behouden en sterken door de kracht van Uw Heilige Geest.’

Dát leert een strijder, hoe langer hij in de woestijn verkeert: ‘Van mezelf ben ik zo zwak. En de driehoofdige doodsvijand is zo machtig. De duivel, de wereld en ons eigen vlees houden niet op om aan te vechten.’ Daarom blijft dit afhankelijke gebed van een ootmoedige smekeling zo nodig. Roepend tot de Heere om hulp en bijstand in de woestijn.

 

Mozes smeekt voor het volk: Sta op, Heere, en laat Uw vijanden verstrooid worden en Uw haters van Uw aangezicht vlieden. Zijn er van die pelgrims, hier of thuis, die in de woestijn van het leven niet anders kunnen doen dan roepen:

 

Twist met mijn twisters, Hemelheer;

Ga mijn bestrijd’ren toch te keer;

Wil spies, rondas en schild gebruiken,

Om hun gevreesd geweld te fnuiken.

 

Dat roepen wordt gehoord door God. Dat roepen zal ook worden vérhoord. Hier heft Mozes, de middelaar van het oude verbond, zijn handen op naar de hemel en bidt voor zijn volk: Sta op, Heere, en laat Uw vijanden verstrooid worden en Uw haters van Uw aangezicht vlieden.

Maar, bedrukt en roepend volk, nu is er een Middelaar, veel meer dan Mozes. Zijn Naam is Jezus Christus, de Rechtvaardige. En Hij bidt voor Zijn volk in de woestijn. Als ze hier onder moeten liggen onder allerlei vijanden. Als de duivel, de wereld, de zonde en het eigen vlees de overhand dreigen te krijgen. Er is voor dat krachteloze en hulpeloze volk een biddende Middelaar in de hemel. Hij houdt Zijn handen altijd omhoog geheven naar Zijn Vader. Van Hem heeft de apostel gezegd: Alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden (Hebr.7:25).

O, pelgrims in de woestijn, u bent misschien bijna bezweken en kunt geen weerstand bieden tegen die oppermachtige vijand. Maar hoor eens: Alzo Híj altijd leeft. Zie, meer dan Mozes is hier! En daarom vindt een onwaardig volk in de woestijn gehoor bij God.

 

Wat vinden we in dit woestijngebed dan een rijke heenwijzing naar die andere Middelaar! De glans van het Nieuwe Testament ligt immers op iedere bladzijde van het Oude Testament? In de Christus der Schriften is alles vervuld.

Hij is de Heere Jezus Christus, Die door de woestijn van deze wereld is gegaan. Hij moest hier verblijven tussen Zijn vijanden en Zijn haters. Alle vijanden zijn op Hem afgekomen. Hij heeft gestreden met de duivel, Zijn doodsvijand. Denk aan de verzoeking in de woestijn. Maar deze grote Strijder heeft de vijand weggestuurd met die enkele woorden: ‘Ga weg, satan, er is geschreven…’ Hij is door de wereld bekampt, maar ze hebben Hem nooit van één zonde kunnen beschuldigen.

Uiteindelijk heeft deze Strijder de overwinning behaald op Golgotha. Sta op, Heere, en laat Uw vijanden verstrooid worden… Dat is gebeurd toen hij Zijn overwinningswoord heeft uitgeroepen aan het kruis op Golgotha: Het is volbracht! (Joh.19:30) Met dat kroonwoord heeft Hij al Zijn vijanden verslagen. Hij heeft satans kop vermorzeld, de wereld overwonnen en de zonde van haar vloek ontwapend.

Is dat Sta op, Heere niet waar geworden op de Paasmorgen, toen deze Strijder opstond uit de doden? Deze Overwinnaar is na veertig dagen naar de hemel gevaren. Hij is de Held, Die hulp biedt aan Zijn bestreden volk in de woestijn. Hij doet Zijn volk delen in Zijn zegen. In Hem zijn ze meer dan overwinnaars.

 

Gemeente, dit woestijngebed bevat ook een ernstige waarschuwing. Van nature zijn we allen vijanden en haters van God. Zoals we geboren zijn, horen we bij die vijandigen en die hatenden. Die vijandschap zit in ons aller hart, van jongeren en van ouderen. Deze vijanden waren er vele binnen het legerkamp van Israël. Die vijanden zitten ook hier in de kerk.

Weet u wat er met vijanden gebeurt? Ze zullen verjaagd en verstrooid van Gods aangezicht wegvluchten! Wat zal dat vreselijk zijn, als we een vijand zijn en een vijand blijven. Als we een hater van God zijn en een hater blijven. Dan zullen we van Gods aangezicht moeten vluchten, zonder dat we ooit verberging kunnen vinden. Ontzettend, gemeente!

Maar nu mag ik jou vandaag nog prediken dat vijanden vrienden kunnen worden. Nu mag ik u heden zeggen dat haters van God in liefhebbers des Heeren kunnen worden veranderd.

 

Lees maar in dit hoofdstuk over Hobab, de zwager van Mozes. Deze onwillige Midianiet zegt: ‘Ik zal niet met het volk meegaan; ik zal naar mijn land en naar mijn maagschap teruggaan.’ Maar we weten uit het vervolg van Gods Woord dat hij wél is meegegaan. En hij is er eeuwig goed mee geweest.

En nu kan de meest onwillige Midianiet nog ingelijfd worden in Israël en de naam van een Sionskind gaan dragen. Dan is er niemand te ver afgedwaald of hij of zij kan nog terugkeren tot deze God. Bij God vandaan is er genade te verkrijgen voor de grootste vijand. Dat is óók de boodschap uit dit woestijngebed bij het reizen van de ark.

Gemeente, vraag of u in deze woestijn van het leven de goede strijd mag leren strijden. En dat we God in die grote Strijder Christus mogen kennen tot verlossing en bescherming.

 

We gaan er eerst samen van zingen, Psalm 80 vers 5:

 

Laat ons, o God der legermachten,
Niet vrucht’loos op Uw bijstand wachten;
Ga onze haat’ren zelf te keer;
Getrouwe Herder, breng ons weêr;
Verlos ons; toon ons ‘t lieflijk licht
Van Uw vertroostend aangezicht.

 

Gemeente, twee woestijngebeden. Bij het reizen van de ark, maar ook:

 

2. Bij het rusten van de ark

 

We lezen in vers 36: En als zij rustte (dus als de ark rustte), zeide hij (dat is Mozes): Kom weder, Heere, tot de tienduizenden der duizenden Israëls.

En als zij rustte… De ark reist niet alleen, de ark rust ook. We lezen dat de ark des verbonds drie dagreizen voor het aangezicht van de kinderen Israëls uitgaat om voor hen een rustplaats uit te speuren (vers 33). De Heere leidt in die woestijn van rustplaats naar rustplaats. Een plaats waar dat volk kortere of langere tijd mag verblijven.  

En terwijl de wolk stilstaat en ook de priesters met de ark halt houden, bidt Mozes wéér. Dat is het andere woestijngebed: Kom weder, Heere, tot de tienduizenden der duizenden Israëls. Het is een gebed om bescherming in de woestijn.

Iemand zegt misschien: ‘Is dit gebed nu wel nodig? Ze mogen nu toch rusten?’ Gemeente, misschien moeten we wel zeggen: juist dán is het gebed zo nodig, zeker bij het rusten: Kom weder, Heere, tot de tienduizenden der duizenden Israëls.

 

En als zij rustte… God in Christus zorgt voor een rustplaats in de woestijn. Een wonder, want dat volk had geen rustplaats verdiend. Ze zouden het waardig zijn dat ze altijd rusteloos zouden moeten zwerven in de woestijn. Maar voor dat ondankbare volk zijn er rustplaatsen in de woestijn! Voor een volk waarvan de Heere na de woestijnreis moet zeggen dat Hij er veertig jaar verdriet van heeft gehad.

Is dat wel eens bij ons naar binnen gegaan? Veertig jaar verdriet… Vul uw of jouw eigen leeftijd maar in. Al die jaren heeft de Heere verdriet van ons gehad vanwege onze zonden. Als dat wordt ingeleefd, kun je begrijpen wat een kind van God eens opmerkte tijdens een bezoek: ‘Nu kan de Heere – met eerbied gesproken – nooit meer plezier van me hebben.’ Wat geeft dat een smart in het hart! En voor zo’n volk speurt de Heere nu een rustplaats uit.

 

En als zij rustte… Als de ark rust, gaat het volk in de woestijn de tenten opslaan. Zie je het voor je, jongens en meisjes? Allemaal zwarte tenten van de verschillende stammen: van Juda, van Issaschar en Zebulon, van Dan en Naftali en al de anderen. En in het midden de mooiste tent, de tabernakel. Daar worden de offers gebracht. De priesters en de Levieten zijn daar bezig in de tabernakeldienst.

In het heilige der heiligen staat de ark, die daar tijdens de rusttijd staat. Daar rust de ark. Want boven de ark in de tabernakel staat de wolk. En nu mogen ook de kinderen Israëls hier een poosje rusten. Op de ark sprengt de hogepriester één keer per jaar het bloed. Dat gebeurt op de Grote Verzoendag. Dat bloed betekent: de ziel die zondigt, zal sterven. Ons bloed is ons leven. De zonde kost ons het leven. Dat sprengen van het bloed zegt ook: zonder bloedstorting geschiedt er geen vergeving. Zo wordt er tijdens het rusten van de ark in de tabernakeldienst zichtbaar onderwijs gegeven over het bloed. Waarom dat bloed nodig is en wat dat bloed inhoudt.

Gemeente, vraag er maar om of de Heere onderwijs geven wil bij een rustende ark. Onderwijs over de noodzaak van het bloed. Omdat ik gezondigd heb, moet ik sterven. Door de zonde ben ik doodschuldig voor God. Als de Heere ons aan onze zonden ontdekt, gaan we proberen om het weer goed te krijgen tussen God en ons hart. Wat wordt er dan op de Heere aan gewerkt! Heb maar geduld, Heere, dan zal ik dit nog wel eens proberen, dat doen en wat anders nalaten…

Het is groot als ik mag zien dat er bij God een weg ter ontkoming is! Dat geeft de zondaar hoop. Maar het is zo nuttig als de Heere er aan gaat ontdekken dat Hij wil dat aan Zijn gerechtigheid genoeg geschiede. Er moet betaald worden, of door onszelf of door een ander!

Onder het volk Israël was er een volk dat dit onderwijs bij een rustende ark mocht ontvangen. Ontdekkend onderwijs! De Heere steekt met Zijn volk af naar de diepte. Hij maakt plaats voor het werk van Christus in een afbrekende weg. Wat is dat verdiepende onderwijs nodig, telkens weer opnieuw!

 

Bij de ark werd ook onderwijs gegeven over de rijkdom van dat bloed. Het wees immers heen naar het enige red- en reinigingsmiddel, het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon? Het is het bloed der verzoening!

Als de Heere in de woestijn van dit leven het oog van zo’n vastgelopen zondaar opent voor de rijkdom van het bloed, is het: ‘Hier weidt mijn ziel met een verwond’rend oog!’ In dat bloed is alles te vinden. Het is het dierbaar bloed. Het is noodzakelijk bloed. Het is rechtvaardigend en reinigend bloed. Het is zuiverend en heiligend bloed. En naar de mate dat de Heere het ontsluit, mag zo’n zondaar daar iets van zien. Nooit komt een zondaar uitgeleerd in de heilgeheimen die er liggen in het bloed en in de wonden van deze Zaligmaker. Smeek dan maar voortdurend om ontdekkende en ontgrondende genade, zodat er plaats komt voor vertroostende en funderende genade!

 

Kom weder, HeereAls de wolk stilstaat en de ark rust, wordt alles in het tentenkamp in gereedheid gebracht. Je ziet het zomaar voor je ogen gebeuren. Het is een hele drukte. Alle tenten moeten worden opgezet. De tabernakel moet worden geplaatst. En terwijl het bij de Israëlieten een en al bedrijvigheid is, staat Mozes daar weer met zijn handen omhoog. Ontroerend! Hoor hem het woestijngebed bidden: Kom weder, Heere, tot de tienduizenden der duizenden Israëls.

O, Mozes weet het: als de Heere niet komt en als Hij Zijn bescherming niet geeft tijdens het rusten, gaat het verkeerd. En daarom smeekt de voorbidder: ‘O Heere, rust toch bij de tienduizenden der duizenden van Israël! Mogen we bij het neerdalen van de wolk en bij het rusten van de ark Uw nabijheid ervaren? Als de ark hier blijft, wilt U hier dan ook blijven? Want we hebben Uw bescherming zo nodig. We hadden het nodig bij het reizen, maar we kunnen Uw bewaring ook niet missen bij het rusten.’

Tijdens het rusten zijn er zoveel gevaren en zoveel verborgen vijanden. Lees het maar in het vervolg van het boek Numeri. We horen van een zich beklagend volk bij Tabera, zodat de Heere een vuur doet branden onder hen. Even later wordt het volk tijdens het rusten in Kibrôth-Taäva ontevreden over het manna. De Heere zendt kwakkels, maar velen sterven met het vlees nog tussen de tanden (Num.11). Vervolgens komen Aäron en Mirjam in opstand tegen het wettig gezag van Mozes. Mirjam wordt met melaatsheid gestraft (Num.12). Bij de rustplaats Kades-Barnea aan de grens van het land, breekt er na het verslag van de verspieders een algehele murmurering uit. En als straf moeten ze veertig jaar in de woestijn zwerven (Num.14). Nog weer later vervallen ze weer in boosheid, zodat ze van de slangen gebeten worden (Num.21). En in Sittim koppelen ze zich aan Baäl-Peor en bedrijven ze gruwelijke ontucht (Num.25). Voelt u daarom hoe nodig dit woestijngebed is? Kom weder, Heere, tot de tienduizenden der duizenden Israëls!

Alleen als de Heere bij het volk blijft, zal het goed gaan. Dat hebben ze ervaren bij de grens met Moab. Want als ze daar rusten, laat koning Balak de leugenprofeet Bileam roepen (Num.22). Hij wordt gehuurd om Israël te vloeken, maar wat gebeurt er? Terwijl hij gereedstaat om vanaf de berg Israëls tienduizenden met zijn vloekspreuken te treffen, legt de Heere Zijn bewarende hand over dat volk. En dan kan Bileam hen niet vloeken, alleen maar zegenen.

Wordt dit woestijngebed dan niet wonderlijk verhoord? Het wordt waar voor Gods rustende volk in woestijn: Die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduw des Almachtigen (Ps.91:1). God legt Zijn beschermend schild over Zijn volk.

 

Kom weder, HeereEr is er ook zo’n aandrang in dit woestijngebed. Mozes gebruikt hier weer de Naam ‘Heere’. Dat is de Verbondsgod, Die het volk Israël uit het slavenhuis Egypte heeft uitgevoerd. Het gaat Zijn Naam en Zijn zaak aan. En daarom is dit zo’n dringend gebed: ‘Heere, het is toch Uw volk? U zult hen toch leiden naar Uw raad? U zult hen toch brengen in Kanaän? Uw eer is toch verbonden aan hun behouden aankomst in het beloofde land? Kom weder, Heere!

Tot de tienduizenden der duizenden Israëls… ‘O Heere’, zegt Mozes, ‘dat volk kan ik eigenlijk niet tellen, het zijn er tienduizenden der duizenden. Maar dat ontelbare miljoenenvolk is weerloos, wanneer U hen niet beschermt.’

De bekende Engelse Bijbelverklaarder Matthew Henry zegt zo kernachtig: ’Deze duizenden zijn nullen, maar God is het cijfer.’ Onze jongens en meisje begrijpen dat wel. Als je het getal 10.000 opschrijft, dan is dat een 1 met vier nullen. Als je alleen die vier nullen opschrijft, is het geen getal. Maar zet je er een 1 voor, dan wordt het een groot getal van 10.000. Dus Matthew Henry bedoelt eigenlijk te zeggen dat al de Israëlieten nullen zijn zonder die ene God. Zonder die God zijn ze niets.

 

Kom weder, Heere, tot de tienduizenden der duizenden Israëls… Een zeer gepast woestijngebed bij het rusten van de ark. Weet u wie dit gebed zo nodig krijgen? Gods kinderen! Zij ondervinden dat rustige tijden gevaarlijke tijden zijn. David had de oorlogen des Heeren gevoerd. Wat zal hij gesmeekt hebben: ‘Sta op, Heere, en laat Uw vijanden verstrooid worden.’ En als het dan rustig is geworden en hij zich wat loopt te ontspannen op het dak van zijn paleis, ziet hij een vrouw, Bathseba. We weten de gevolgen. Zo valt David in zijn rusttijd in de zonde. David was vergeten te bidden: ‘Kom weder, Heere, bescherm me toch, ook in de rusttijd.’ Juist in de rusttijden is de vijand op de been. Die vijand is machtig, sterk en sluw.

En daarom moet het gebed te dringender zijn:

           

               Verlos ons uit des bozen macht;

   Bescherm en sterk ons door Uw kracht;

   Wij zijn toch zwak, zijn sterkt’ is groot;

   Dus zijn w’ elk ogenblik in nood;

   Hier komt nog vlees en wereld bij,

   Ai, sterk ons dan, en maak ons vrij.

 

Kom weder, HeereOok vanuit dit tweede woestijngebed ligt er weer een stille heenwijzing naar Christus. Mozes, de middelaar van het oude verbond, bidt dit voor het rustende volk in de woestijn. Maar nu is de grote Voorbidder Christus ook altijd bezig voor Zijn volk dat in de woestijn van het leven verkeert. Op weg naar Gethsémané heeft Hij gebeden in het hogepriesterlijk gebed: En Ik ben niet meer in de wereld, maar dezen zijn in de wereld, en Ik kom tot U. Heilige Vader, bewaar hen in Uw Naam, die Gij Mij gegeven hebt (Joh.17:11).

Deze Zoon van de Vader bidt voor het volk van de Vader om hun bewaring in de wereld. Dit gebed bidt de Middelaar nu nog steeds aan de rechterhand van Zijn Vader. En daarom is Gods volk veilig en wél bewaard. Kinderen des Heeren in de woestijn, er is een Voorbidder van Wie geldt: Alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden. O, dat u dit meer mocht zien!

 

We kijken nog even naar het volk Israël. Ze zijn aangekomen bij een nieuwe rustplaats. Wat zijn ze druk bezig met hun tenten en met hun plaatsje in de woestijn! Misschien wel zó druk dat ze niet gezien hebben dat daar iemand stond te bidden: Kom weder, HeereZo kan het ook wel zijn in het leven van Gods kinderen. Dan zijn ze zo bezig met het stof van de aarde, dat ze de hemelse Voorbidder vergeten. Maar deze Voorbidder vergeet Zijn volk nooit! Hij heeft hen altijd in het oog, want Hij draagt hen in het hart.

 

Gemeente, u begrijpt dat er alleen veiligheid is onder de wolk en bij de ark. Gods kracht is nodig om van vijanden vrienden te maken. Maar het is ook maar een wenk van Zijn almacht om een hater van God in een liefhebber van God te veranderen. We mogen het met vrijmoedigheid zeggen, ook tegen jullie, kinderen en jongeren: er is nog plaats bij de tienduizenden der duizenden van Gods volk! Val die God te voet, om van Hem Zijn wegen te leren.

 

Kinderen des Heeren, twee reisgebeden: Sta op, Heere, en: Kom weder, Heere.

Zo komt een weerloos volk door de woestijn. Het gaat naar het Kanaän der rust! Straks zal er een menigte van tienduizenden der duizenden staan voor Gods troon. Want het is een schare die niemand tellen kon, zo heeft de apostel Johannes gezien en gezegd (Openb.7).

Daar zullen er bij zijn uit alle delen van de wereld, ook uit onze gemeente. Die mensen zijn er niet gekomen door hun eigen kracht. Maar ze staan voor de troon vanwege de kracht van de grote Strijder en volmaakte Voorbidder aan de rechterhand van Zijn Vader, de Heere Jezus Christus. En daarom geldt het van dit weerloze pelgrimsvolk in de woestijn, ondanks alle strijd en onmogelijkheid:

 

Zij gaan van kracht tot kracht steeds voort;

Elk hunner zal, in ’t zalig oord

Van Sion, haast voor God verschijnen.

 

Want de grote Voorbidder leeft!

 

Amen. 

 

 

Slotzang: Psalm 121:4

 

De Heer’ zal u steeds gadeslaan,
Opdat Hij in gevaar,
Uw ziel voor ramp bewaar’;
De Heer’, ‘t zij g’ in of uit moogt gaan,
En waar g’ u heen moogt spoeden,
Zal eeuwig u behoeden.