Ds. D. Rietdijk - Zondag 39

Het gezag

Onze houding ten opzichte van het gezag
Onze onderwerping aan het gezag
Onze aanvaarding van het gebrekkige gezag
Deze preek is eerder gepubliceerd in ‘De Heidelbergse Catechismus’ van ds. D. Rietdijk en ds. C.G. Vreugdenhil (Uitg. Groen, 1998).

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 25: 6
Lezen : Spreuken 3: 1-22
Zingen : Psalm 78: 1, 2, 3
Zingen : Psalm 34: 6
Zingen : Psalm 103: 7

Gemeente, wij willen overdenken Zondag 39 van onze Heidelbergse Cate­chismus. Daar lezen wij:

 

Vraag 104: Wat wil God in het vijfde gebod?

Antwoord: Dat ik mijn vader en mijn moeder, en allen die over mij gesteld zijn, alle eer, liefde en trouw bewijze, en mij hunner goede leer en straf met behoorlijke gehoorzaamheid onderwerpe, en ook met hun zwakheid en gebreken geduld hebbe, aangezien het Gode belieft ons door hun hand te regeren.

 

Gemeente, het vijfde gebod: Eert uw vader en uw moeder, gaat over: Het gezag.

 

We zien drie dingen:

1. Onze houding ten opzichte van het gezag

2. Onze onderwerping aan het gezag

3. Onze aanvaarding van het gebrekkige gezag

 

1. Onze houding ten opzichte van het gezag

 

Als er één woord is dat vandaag de dag in een kwaad daglicht staat, dan is dat wel het woord ‘gezag’. Hierover willen wij nu spreken. Naar twee kanten is dat moeilijk geworden. In de eerste plaats wordt het gezag nauwelijks uitge­oefend. En de tweede kant is dat het gezag nauwelijks wordt aanvaard; uit­zonderingen daargelaten. Maar nu is God een God van orde. God wil over­al orde. In het gezin, op school, op het werk, in de kerk, in de maatschappij. Van Hem zijn alle machten die over ons gesteld zijn.

Dat begint bij vader en moeder in de gezinnen. Dat zijn machten door God over ons gesteld. Onze chefs, onze bazen op het werk. De overheid die over ons gesteld is, degenen die op de scholen het onderwijs hebben te geven. Al deze mensen zijn over ons gesteld. En nu is het de plicht van ouders tot en met de overheid toe, om dat gezag uit te oefenen en te handhaven. God belieft het om ons door deze men­sen te regeren. Dat is het behagen van God, dat Hij daar vader en moeder voor gebruiken wil en al die mensen die wij in het leven boven ons gesteld zien. In die allen ontmoeten wij, als zij tenminste het gezag uitoefenen, Gods hand.

Hij wil ons regeren door nietige mensen. Want wij mensen hebben leiding nodig. God is een God van orde. Maar de mensen, die juist wanordelijk zijn, die van zichzelf uit niet geneigd zijn tot orde, hebben leiding nodig. Wij, gevallen schepselen, moeten geleid worden. We kunnen niet aan onszelf overgelaten worden. Onze hand moet worden vastgehouden. Wij moeten leiding ontvan­gen. Dat blijkt wel in de wereld waarin wij leven, waarin zoveel mensen zonder leiding en gezag zijn. U ziet het in de hele wereld openbaar komen: anarchisme, terreur, wanorde, chaos. Dit alles is het bittere gevolg van het niet uitoefenen of niet scherp uitoefenen van het gezag.

 

Wij kunnen niet zonder gezag en leiding. Jonge mensen niet, oude men­sen niet; wij allen hebben gezag en leiding nodig. En God heeft dat gegeven in onze ouders, maar ook in koningen en allen die over ons gesteld zijn. Dan moeten zij hun taak wel verstaan. Kinderen en onderdanen moeten zich aan dat gezag van God, dat Hij over ons uitoefent door middel van mensen, onderwerpen. Aan dat gezag, aan die gezagsuitoefening en aan die gezagsaanvaarding is een zegen verbonden.

 

Het vijfde gebod is het eerste gebod van de tweede tafel van de wet. U weet, de tafels van de wet zijn ingedeeld in vier en zes geboden. De tweede tafel van de wet heeft dus zes geboden. Het eerste gebod is het gebod over het gezag: Eert uw vader en uw moeder. En daar is een belofte aan verbon­den. Paulus zegt: Hetwelk het eerste gebod is met een belofte (Ef.6:2). Welnu, dat geldt niet voor de hele wet, want het eerste gebod met een belofte van de hele wet is het tweede gebod: En Ik doe barmhartigheid aan duizenden dergenen die Mij liefhebben en Mijn geboden onderhouden.

Het is dus heel erg duidelijk dat Paulus het eerste gebod van de tweede tafel bedoelt. En nu is dat een gebod met een belofte: Opdat uw dagen verlengd worden in het land dat u de Heere, uw God, geeft. Of zoals Paulus dat zegt in Efeze 6 vers 3: Opdat het u welga en gij lang leeft op de aarde.

 

U moet niet al te persoonlijk gaan denken. U moet dat lang leven op de aarde meer zien in een nationaal verband, dan in een persoonlijk kader. Want als u het persoonlijk opvat, komt u met de werkelijkheid in strijd.

Hoeveel mensen worden er in de Bijbel genoemd die jong gestorven zijn en die toch de Heere vreesden? Denk maar aan dat kind van Jerobeam, de godde­loze koning. Dat kind werd thuisgehaald, want daar werd iets goeds in gevonden voor de Heere. Dat was een kind dat God vreesde en al heel jong bij zijn ouders vandaan werd genomen en stierf.

Als u even terugdenkt in de geschiedenis en u kijkt naar enkele Engelse oud­vaders, zoals McCheyne en Andrew Gray, die zijn heel jong gestorven. Als u in ons land kijkt, Petrus van der Hagen is 29 jaar geworden. Dat was een man bekend om zijn godsvrucht, om zijn godzalig leven. Een rij van werken heeft hij nagelaten waarvan je verbaasd staat dat een mens reeds op zo’n jonge leeftijd zoveel heeft geschreven en op een schriftuurlijke wijze het evangelie van de Heere Jezus Christus vertolkt.

Deze mensen werden op jonge leeftijd uit het leven weggenomen. Dus als u denkt aan een lang leven, dan moet u dat maar niet al te persoon­lijk opvatten.

 

Wel is er een tijdelijke zegen verbonden aan het eren van vader en moeder. Het ongehoorzame kind is een kind dat altijd ellendig is, want dat verliest de warmte in het ouderlijke huis en gaat een vreemdeling wor­den in zijn eigen omgeving. Het kind dat zich aan vader en moeder onder­werpt, zal de zegen van de Heere ervaren tot in hoge ouderdom toe.

Als u dit gebod handhaaft, dan zult u daar nooit spijt van hebben. Als u vader of moeder hebt achterna gelopen en als u vader en moeder tot in hoge ouder­dom hebt geëerd, ook uw liefde hebt geschonken, dan zal de Heere dat ook metterdaad zegenen. Dan zal de Heere daar Zijn goedkeuring over geven en de vrede in uw hart doen neerdalen. Maar wie zich aan dat gezag onttrekt, die zal onrust en eenzaamheid in zijn leven kennen, die zal ook later geplaagd worden met het verwijt niet te hebben gedaan en niet te hebben geleefd naar het gebod van vader en moeder.

 

Maar wat voor een enkeling geldt, geldt voor een volk in haar totaliteit nog meer. Een volk dat geen gehoorzaamheid meer kent, maar van een revolu­tiegeest doortrokken is, zal geen rust kennen, dat zal geen zegen kennen, dat zal de bittere vruchten steeds meer gaan dragen. Ik denk dat u alleen maar in de krant hoeft te kijken om te zien wat het resultaat is als een overheid niet meer straft, wanneer het kwaad niet meer wordt aangepakt. Wanneer er aan het volk geen leiding meer wordt gegeven, dan ziet u dat dat bittere vruchten draagt, ook in het volksleven.

 

De Heere belooft aan Israël een langdurig verblijf in Kanaän, mits de grond­slag van het volksleven, namelijk het gezin, niet wordt ondergraven. En daar raken we het punt waar het in de wet des Heeren om gaat. Als in het gezin het gezag gehandhaafd wordt en wanneer we daar naar het Woord van God leven als ouders en als kinderen, dan zal men daarvan de weerslag vinden op de scholen, in de maatschappij, maar ook in de kerk. Als het in de gezinnen niet klopt, dan klopt het op de scholen ook niet. Wat u in de statuten zet doet niet terzake, dat werkt niet meer. Dan gaat het in de kerk niet, dan falen alle andere gezagsverhoudingen.

Het begint in de gezinnen. Dat zijn eigenlijk de cellen waaruit onze maat­schappij is opgebouwd. Als het daar niet goed gaat, gaat het nergens goed. Onze catechismus deed een geweldige greep toen hij het ouderlijke gezag en het overheidsgezag samen heeft gevoegd in dit antwoord. God geeft aan mensen gezag om over anderen te regeren. Vader en moeder zijn de eersten die wij in het leven ontmoeten. Daarnaast zijn er zoveel anderen meer, niet alleen de overheid, die er is als Gods dienaresse, plaatselijk, landelijk en gewestelijk, maar daar zijn verschillende overheden, ook op alle plaatsen waar wij ons werk hebben te doen.

 

Nu zijn er mensen die van nature bekwaam zijn om leiding te geven. Er zijn mensen begaafd met persoonlijke kwaliteiten, die God hun gaf om gezags­drager te zijn. Dat zijn natuurlijke gezagsdragers die God onder de mensen gegeven heeft. En gezegend is dat volk, dat met deze gaven begiftigde gezagsdragers over zich gesteld ziet. Mannen van formaat.

Maar niet alleen zij zijn er. Er zijn ook plaatsen die bezet worden door men­sen die eenvoudig hun taak van de Heere hebben gekregen en die moeten vervullen, zonder dat zij daar bepaalde natuurlijke kwaliteiten voor hebben. Dan zijn die mensen toch met de macht bekleed om gezag uit te oefenen over anderen en dan hebben wij ook die gezagsdragers te eerbiedigen en te gehoorzamen.

 

En nu gaat onze catechismus aan de hand van het Woord van God een paar dingen noemen. Onze houding ten opzichte van dat gezag moet in de aller­eerste plaats zijn dat wij allen die over ons gesteld zijn alle eer, liefde en trouw bewijzen. Vader, moeder, onderwijzers, onderwijzeressen, leraars en chefs hebben wij met eerbied en ontzag te behandelen. Ook al zijn we al wat ouder geworden. Dan blijven zij toch boven ons staan.

Dat zijn dingen die inmiddels al zeer vreemd geworden zijn, het met eerbied opzien naar degenen die over ons gesteld zijn.

Je huivert soms welke taal je hoort uitslaan over vader of moeder, over leraren of over ambtsdragers in de kerk bijvoorbeeld. Het zijn soms woorden die we op een kansel niet kunnen herhalen. En dat is niet overeenkomstig het Woord van God. Want de eerbied wordt ons in het Woord van God gete­kend.

Denk alleen maar aan koning Salomo, de zoon van Bathseba. Wat heeft hij zijn moeder geëerd toen hij koning was! Hij heeft haar een ereplaats aan zijn rechterhand gegeven. Toen was hij koning Salomo, de grote, de wijze Salomo, de koning die voorspoedig was in zijn regering. Wat heeft hij jegens zijn oude moeder Bathseba eerbied betoond!

 

En, gemeente, wij moeten ook in de kerk des Heeren elkaar en het gezag dat over ons gesteld is eerbiedigen. Laten wij dat gezag eren met onze woorden, ook in huis. Want er is geen groter kwaad te bedenken, dan wan­neer in onze huiskamers op een onwaardige wijze over ambtsdragers wordt gesproken. Niet dat die mensen heilig zijn, niet dat die mensen volmaakt zijn, maar op grond van dit gebod wil God dat wij die ambtsdragers eren, dat wij ze liefhebben en dat wij ons aan hen onderwerpen, met onze woor­den, maar ook met onze daden.

Want wij kunnen ook de eer aan ouders of aan anderen die over ons gesteld zijn onthouden door in onze daden niet meer te laten zien dat wij ze eren. En daarom moeten wij naar de bron van dit alles toe en dat zijn onze gedachten. Hoe denken wij over men­sen, hoe denken wij over vader en moeder, hoe denken wij over de ambts­dragers? Zoals wij over hen denken, zo zullen wij spreken, zo zullen wij doen. En dat wordt nu juist door de Heere onder de kritiek van Zijn Woord gesteld. We hebben ze alle eer te bewijzen en hen in onze gebeden te geden­ken.

 

Dan denk ik even aan Paulus, die aan Timotheüs schrijft: Ik vermaan dan vóór alle dingen, dat gedaan worden smekingen, gebeden, voorbiddingen, dankzeggingen voor alle mensen, voor koningen en allen die in hoogheid zijn, opdat wij een gerust en stil leven leiden mogen in alle godzaligheid en eerbaarheid (1 Tim.2:1-2).

Dat bidden voor koningen en overheden gaat over uw leven in alle godzaligheid en eerbaarheid. Kijk, daar heb je nu de zegen van het gezag in land en volk. Ook in het gebed hebben wij degenen die over ons gesteld zijn op te dragen. Dat geldt ook in de kerk. Daar zijn de ambtsdragers die u dienen.

 

En nu zal dat eerbewijs een echt eerbewijs moeten zijn. Want je kunt natuur­lijk ook naar boven likken, zoals dat heet. Je kunt natuurlijk ook op een onwaardige wijze vleien. Maar nu zal dat eer bewijzen ook inderdaad eer bewijzen zijn wanneer je liefhebt. Alle eer en liefde bewijzen. Liefde tot vader en moeder.

Gemeente, als dat weg is, dan blijven er alleen maar mensen met koude, bevroren harten over. Dan staren die koude, lege ogen u aan, ogen die door alles zijn heengeslagen. Zulke mensen zijn net als die onrechtvaardige rech­ter, die God noch mens ontzag. Die keek nergens naar, had ook nergens eer­bied en liefde voor. Dan ziet u die harde, koude ogen die je zo recht aankij­ken. Niet omdat ze oprecht zijn, maar omdat de liefde gemist wordt tot degenen die over ons gesteld zijn.

God, onze overheden en ouders liefhebben, en dan ook eren. En, gemeente, nu is het wonderlijke dat die mensen, die God niet vrezen en geen mens vre­zen, in onze humane wereld verdwijnen. Juist uitgerekend in deze humane, na-christelijke wereld. Want God heeft gezegd: Als u niet liefhebt die over u gesteld zijn en hen geen eer bewijst, dan zal het u niet welgaan.

 

En trouw bewijzen. Gemeente, dat zijn zo van die woordjes, waar wij streep­jes onder zetten in ons antwoord. Eer, liefde en trouw, ze horen bij elkaar. Als je wilt eren en liefhebben, dan zal daarin ook de trouw ten opzichte van vader en moeder, ten opzichte van onze werkgever openbaar komen. Het is een goede zaak dat wij onze ouders trouw bewijzen, ook als zij ouder wor­den, ook als zij een hoge leeftijd bereiken, ook als ze vergeetachtig gaan wor­den en gebreken gaan krijgen.

Trouw bewijzen aan onze ouders. En ook trouw aan onze werkgevers. Trouw aan de kerk. Gemeente, dat is wat, de kerk ontrouw zijn. Zomaar zwabberen van het één naar het ander. Ik vind dat in het Woord van God niet terug. In het Woord van God vind ik trouw, dus gebonden zijn.

En dan ga ik eerst eens kijken naar Jozef. Wat is die Jozef trouw aan zijn vader, als die oude Jakob in Egypte komt. Hij denkt niet: ‘Wel, laat ik maar alleen naar farao gaan en laat ik die oude baas maar ergens in een achterafhuisje zetten.’ Nee, steunend op de arm van Jozef, de onderkoning van Egypte, werd Jakob geleid naar farao en aan hem voorgesteld.

 

Trouw, liefde en eer. Daar hebt u het. Maar als u dan bovenal kijkt naar de Heere Jezus, het grote Voorbeeld dat ik u altijd moet geven bij elk gebod, wat heeft Hij een liefde, een eer, een trouw bewezen aan Zijn Vader. Dat is een trouw geweest aan het Woord van Zijn Vader, tot op het kruis van Gol­gotha toe.

Kijk eens hoe Hij Zijn aardse ouders trouw bewezen heeft. Dan denk ik even aan datzelfde kruis, hoe Hij daar met Maria is omgegaan, die bij Johannes stond. Aan het kruis heeft Hij aan Zijn moeder gedacht. En toen heeft Hij de leegte gezien die in het leven van Maria zou komen. Hij heeft in dat moeilijke uur, toen het zwaard metterdaad door de ziel van Maria ging, gezegd: Vrouw, zie, uw zoon (Joh.19:26). En tegen Johannes: Zie, uw moeder (Joh.19:27). Toen heeft Hij deze moeder, deze Maria, overgegeven in de handen van Johannes.

Wat heeft Hij niet met trouw gezorgd voor Zijn moeder. Zo heeft Hij de wet volkomen vervuld naar Zijn vader en moeder toe op de aarde. Trouw heeft Hij bewezen en de wet vervuld: Eert uw vader en uw moeder. Hij is de vol­maakte Zoon. En daarom is Hij ook de volmaakte Heere. Hij is de vol­maakte Zaligmaker omdat Hij ook de volmaakte Zoon was.

 

Gemeente, laten wij met deze dingen maar eens rustig tot onszelf inkeren. Want hoe gaan wij met onze ouders om? Laat dat een vraag zijn. Hoe gaan wij om met degenen die over ons gesteld zijn? Hoe gaan wij om met oude­re mensen die wij tegenkomen en die het in ons leven voor het zeggen heb­ben?

Jongens, meisjes, hoe gaan jullie om met vader en moeder? Wat doe je op school met onderwijzers en onderwijzeressen? Je kunt die men­sen breken. Wat kun je die mensen geweldig vertrappen door geen liefde, eer en trouw te bewijzen, door niet gehoorzaam te zijn. Wat kunnen wij vader en moeder kwetsen door hen maar te laten wat ze zijn, ook als ze ouder wor­den, ook als ze niet meer zo mee kunnen. Ook als ze niet meer zo fit zijn en fris in hun denken. Denk eraan, de Heere vraagt liefde, eer en trouw van je. Dat vraagt de Heere van je op een volkomen wijze.

Denk aan de verloren zoon. Hij had zijn vader niet lief toen hij het huis uit­ging en zei: ‘Deel mij mijn goed.’ Maar wat is er van hem terechtgekomen in dat vergelegen land? Zie daar het voorbeeld in wat er gebeurt als wij vader en moeder niet eren, niet liefhebben en geen trouw bewijzen.

 

Het tweede dat wij uit deze catechismuszondag willen behandelen, is:

 

2. Onze onderwerping aan het gezag

 

Er staat: Wij moeten ons aan hun goede leer en straf met behoorlijke gehoorzaamheid onderwerpen. Daar moet een goede leer en straf zijn. Ouders hebben een goede leer en straf te geven. Ze hebben hun kinderen te onderwijzen. Dat staat er eerst. In Efeze 6 spreekt de apostel Paulus van lering en vermaning. Dus niet: opvoeden is vermanen. Gezag uit­oefenen is niet alsmaar te pas en te onpas straf uitdelen.

Er staat ook: Gij vaders, verwekt uw kinderen niet tot toorn (Ef.6:4). Want dat kan ook. Je kunt natuurlijk te pas en te onpas gaan vermanen en straf uitdelen, maar dat is nog geen opvoeding. Er is een gezagsuitoefening die niets te maken heeft met wat de Heere in Zijn Woord ons voorstelt.

 

Daar is eerst lering. Dat wil zeggen: het onderwijs dat van ouders uitgaat, het onderwijs dat zij moeten geven om hun kinderen te leren zich te gedragen in het leven en te onderwijzen in de voorzeide leer. Dat heeft een belangrijk deel van uw oudertaak in beslag te nemen.

Een goede leer moet er zijn. En die leer moet zijn naar het Woord van God, dat de Heere ons gegeven heeft. Daarin moeten wij onze kinderen onder­wijzen, daaruit moeten wij onze kinderen opvoeden. Dat beloofden wij bij de doop. En dat moet gedaan worden.

Er zijn ouders die veel over hun kinderen te klagen hebben. Maar is het niet onze schuld als dat zo is? Dat is ook een vraag aan ouders, een verootmoedigende vraag. Lieten we de opvoeding niet al te veel aan anderen over? Of was het zo dat wij soms anderen bekritiseerden in de nabijheid van onze kinderen en dat wij niet op een oprechte en lieflijke wijze, op een positieve manier over anderen hebben gesproken? Hebben wij het voorbeeld gegeven in de goede wandel naar het Woord van God? Of hebben wij een voorbeeld gegeven in het kwaad? Hebben we soms met vermaak gesproken over wat we allemaal gezegd hebben tegen chefs of tegen ambtsdragers?

Gemeente, dat levert o zo veel kwaad op. Er wordt over kerkverlating gesproken, over het verval bij jonge mensen. Ik denk dat er ook veel te wijten is aan het gebrek in de goede lering.

En dan is er die vermaning in liefde, die wij moeten geven. Denk eens even aan Eli, de hogepriester, die daar bij de tabernakel zat met zijn zonen, Hofni en Pinehas. Die twee zonen gingen verschrikkelijk nonchalant en onheilig om met de dingen van de Heere in de tabernakel, met het offervlees en zelfs met de ark des verbonds. Die goddeloze zonen van Eli!

Je zou kunnen zeg­gen: ‘Eli, Eli, je hebt het slecht getroffen!’ Maar ik denk dat we dan het Woord niet goed begrijpen. Eli had het niet slecht getroffen, maar Hofni en Pinehas hadden het slecht getroffen, want die hadden een vader die hen nooit vermaande, die hen nooit eens een keer zuur aanzag en die hen altijd maar door liet gaan.

Gemeente, die Eli staat in het Woord van God opgete­kend als een waarschuwend voorbeeld, als een vader die nooit waarschuwde, nooit vermaande, die zijn kinderen niet voorging. Het hogepriesterlijk ambt is van hem en van zijn huis afgenomen.

 

Goede straf moet er zijn. Goede leer en straf. En, gemeente, het is de taak van de overheid om die straf uit te voeren. Zonder dit is gezagsuitoefening niet mogelijk. Paulus zegt in Romeinen 13 vers 4 over de overheid: Zij draagt het zwaard niet tevergeefs. De overheid draagt dat zwaard om de kwaden, de goddelo­zen, de boosdoeners te straffen. Dat is de taak van godswege. Dat is ook de taak van de ouders.

Gemeente, wat hebben wij in deze zaken naar het Woord van de Heere te luis­teren. Goede leer en straf. We mogen die straf niet in brute wraakneming uit­oefenen, want wij kunnen natuurlijk ons gemoed uitleven in allerlei dingen. Maar straf die zonder liefde wordt gegeven, is niet de straf die de Heere bedoelt. Als de Heere Zijn kinderen recht wil zetten en op het rechte spoor wil brengen, dan wordt er gesproken van kastijding. En kastijding gaat altijd gepaard met liefde. De dichter vraagt het ook:

 

Straf mij niet ongenadig,
In Uwen toornegloed.
Ai, matig Uw kastijden;
Sla mij met medelijden,
Gelijk een vader doet.

 

Kijk, een vader straft niet om zichzelf uit te leven in toorn, niet in onheilige wraakzucht, maar een vader moet straffen met liefde. Straf in drift en overijld, is meestal een verkeerde straf. Straf moet altijd overwogen zijn. Opvoeden met goede leer en straf. U kunt die beide polen niet missen.

 

Zo moet ook een volk opgevoed worden. En zo moet het in een onderneming toegaan. Er behoren regels te zijn, wil de onderneming niet in een vroegtijdige mislukking overgaan. En als we dan op de straf letten en we kijken dan naar de huidige overheid, naar het politietoezicht op het gedrag van de burger en naar de strafmaten die de rechters gebruiken en we vergelijken die zaken met het verleden, dan zien we dat er een steeds grotere verschuiving is naar het laten gaan en laten doen en naar het opleggen van een lichte strafmaat. Ook in dit opzicht is het Woord van God verlaten. De resultaten zijn ons bekend. Er is geen eerbied voor de overheid.

 

Een ouderpaar dat de taak niet verstaat, dwingt geen respect af. En, gemeen­te, nu hebben wij kinderen en wij moeten ons allen met die goede leer en met die straf bezighouden. Als kinderen moeten wij ons aan de goede leer en straf van onze ouders onderwerpen. Wij hebben ons met behoorlijke gehoorzaamheid aan die goede leer en straf te onderwerpen.

Wat bete­kent behoorlijke gehoorzaamheid? Dat wij gehoorzamen moeten, is duide­lijk. Dat eist de Heere van ons in Zijn heilige wet, dat eist Hij van ons in Zijn hele Woord. Gehoorzaamheid. Luisteren naar hetgeen ons gezegd wordt, doen hetgeen ons bevolen wordt, nakomen hetgeen ons gezegd wordt.

Maar nu die woorden: behoorlijke gehoorzaamheid. Ook bij de kerkelijke tucht en vermaning. Behoorlijke gehoorzaamheid. Wel, dat wil zeggen dat die gehoorzaamheid alleen oorbaar is als die niet in strijd komt met de wet van God. Want zodra wij opdrachten krijgen of bevelen moeten uitvoeren die met het Woord van God in strijd zijn, dan gaan wij tegen het Woord van de Heere in. Wij moeten Gode meer gehoorzamen dan de mensen. Gods gebod gaat boven alles. En als menselijke geboden daar tegenin druisen, dan mogen wij die bevelen niet opvolgen. Het moet een behoorlijke gehoor­zaamheid zijn, het moet mogen, het moet ook kunnen. Want er kan ook een eisen zijn van mensen, een onrechtvaardig eisen van dingen die wij helemaal niet kunnen doen.

Wij moeten buigen voor het woord van vader en moeder, voor de vermaning van een ambtsdrager, voor de straffen die de overheid oplegt, voor de gebo­den die de overheid ons geeft. Wij moeten ons met behoorlijke gehoor­zaamheid aan hun goede leer en straf onderwerpen.

 

Paulus schrijft over de overheid in Romeinen 13, zoals u weet. Het gaat in dat hoofdstuk over een goddeloze overheid. Want die overheid van Rome was in de dagen van de apostel Paulus, toen hij de Romeinen een brief schreef, bepaald geen christelijke overheid, maar een heidense overheid. Maar dan zegt hij toch dat ze Gods dienares is. Dan zegt hij toch dat wij haar moeten gehoorzamen en dat wij ons aan haar moeten onderwerpen. Het gebod van God gaat ver, het Woord van God eist gehoorzaamheid aan elke overheid, tenzij de geboden indruisen tegen het Woord van God.

 

Nu is die wet van God ten leven, die is ons ten goede gegeven. Zonder die wet van God zou het maatschappelijk leven zelfs helemaal niet mogelijk zijn. Als de wet van God helemaal gaat verdwijnen, dan is de zegen van dat gebod van God ook niet meer in onze samenleving te vinden.

Daarom, wat een zegen is het als er een volk is dat buigt voor dat gebod, dat vader en moeder en allen die over dat volk gesteld zijn eert, met gehoorzaamheid, met behoorlijke gehoorzaamheid, en zich aan hun leer en straf onderwerpt.

 

De Heere Jezus heeft dat gedaan. Als Hij in de tempel is geweest in Jeruza­lem als twaalfjarige jongen, dan lees je dat Hij weer mee teruggaat met Jozef en Maria naar Nazareth. En dan staat er dat Hij Zijn ouders onderdanig was. Dat was de Heilige, dat was de Zoon van God, dat was de Volmaakte, Die Zich aan die twee eenvoudige Galilese mensen onderworpen heeft. Hij heeft dit gebod volkomen gehouden. Aan die heel eenvoudige Jozef en Maria, heeft Hij, de Zoon van God in onze menselijke natuur, Zich onderworpen. Hij was hun onderdanig. Dertig jaar lang heeft Hij Zich aan hun goede leer en straf onderworpen, zelfs als er door de dwaasheid van Jozef en Maria geen goede leer en straf was, heeft Hij Zich er aan onderworpen.

En, gemeente, Hij werd niet gestraft met de dood des kruises aan het eind van een voltooid leven. Nee, in het midden van Zijn jaren is Hij weggenomen. Drieëndertig jaar oud was Hij toen Hij aan het kruis genageld werd. Hij heeft dus geen lang leven op aarde gehad. Het werd schielijk afgesneden.

 

En daar hebt u het nu. Aan de ene kant heeft Hij dat gebod vervuld, ook een Jozef en Maria gehoorzaamd, en aan de andere kant heeft Hij geen lang leven gehad op aarde. Hij heeft als het ware de straf gedragen voor revolutionai­ren, die het gebod van degenen die over hen gesteld zijn niet gehoorzamen, voor mensen die als de misdadigers die naast Hem hingen, gekruisigd moes­ten worden. Hij droeg de straf, Hij heeft het gebod vervuld.

Hij ontheft Zijn volk van schuld en straf en Hij geeft hun de vervulling van de wet. Dat doet Jezus voor kinderen en dat doet Hij voor ouderen. Dat doet Hij voor mensen die zeggen: Ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u, en ben niet meer waardig uw zoon genaamd te worden (Luk.15:21). Dat doet Hij voor mensen die moeten belijden: ‘Heere, treed niet in het gericht met Uw knecht, want ik heb Uw gebod overtreden.’

De ongehoorzamen krijgen Zijn gehoorzaamheid. Voor de overtreders heeft Hij gebeden. En voor dege­nen die tegen God en mensen zijn opgestaan, heeft Hij de straf gedragen. Als we naar Hem zien, dan zien we in de spiegel van de volmaakte wet en dan zien wij hoe wij als kind moeten leven. Dan zien wij op het allervol­maaktst hoe wij als ouderen met onze overheden moeten omgaan.

 

Als wij op Hem zien, dan hebben wij het voorbeeld. Laat ons maar gedurig overwegen dat Hij de enige Mens is geweest, Die op volmaakte wijze het gebod van Zijn Vader heeft onderhouden. En dan moeten we gaan luisteren naar hetgeen de dichter zingt in Psalm 34 het zesde vers:

 

Komt, kind’ren, hoort naar mij;
Neemt mijn getrouwe raad in acht;
Ik leer, opdat g’ uw plicht betracht,
Wat ‘s Heeren vreze zij.
Hebt gij in ‘t leven lust,
In dagen waar men ’t goed’ in ziet,
Waarin men vrij is van verdriet,
Waar niets ons heil ontrust?

 

Gemeente, het laatste punt is:

 

3. Onze aanvaarding van het gebrekkige gezag

 

Onze catechismus zegt: ‘En ook met hun zwakheid en gebreken geduld hebbe, aangezien het Gode belieft ons door hun hand te regeren.’

Met hun zwakheden en gebreken geduld hebben. Dat is een woord ter verootmoedi­ging voor ouders. Want onze catechismus zegt op grond van het Woord van God dat wij gebrekkige ouders zijn. Wij halen geen tienen, zelfs niet eens voldoendes. Van onszelf uit zijn wij maar zeer gebrekkige ouders. Gemeente, wat is het nodig dat wij gaan zien dat wij geen volmaakte ouders zijn, maar dat wij zeer gebrekkige ouders zijn met zwakheden. Want dat vraagt gebed van ouders. Gebed om de hulp en de leiding van de Heere bij de opvoeding en omgang met hun kinderen.

 

Dat betekent ook dat overheden moeten gaan bedenken dat zij zwakke over­heden zijn, overheden met gebreken, en dat het dus zeer betamelijk is dat er ook een ambtsgebed is, waarin wij van de Heere vragen om Zijn leiding over de werkzaamheden die de overheden moeten doen. Het is dus ook terecht dat in de troonrede de zinsnede staat waarin om de zegen van de Heere wordt gevraagd over het werk van de overheid in de komende periode. Want wij zijn ouders en overheden met zwakheden en gebreken. Dat komt omdat wij gevallen mensen zijn, omdat wij God hebben losgelaten en omdat wij zelf ongehoorzaam zijn geworden aan het gebod van God in het paradijs.

En dan zeggen we: Wie zal een reine geven uit de onreine? (Job.14:4) Dan moeten wij het hoofd buigen en vragen: ‘Heere, geef mij de hulp, de leiding van Uw Geest, mocht Die mij op mijn paân ten Leidsman strekken.’ Dan hebben we verzoening nodig als ouders voor de opvoeding van onze kinderen. Dan moeten wij als ouders buigen voor God en zeggen: ‘Heere, zoudt U met Uw bloed verzoening willen doen over onze zonden? Verzoen de zware schuld, die ons met schrik vervult, bewijs ons eens genade.’

 

Maar het is niet alleen een zaak voor ouders om dat te zeggen, het is vooral een zaak voor kinderen. Wat bedoelt de Heere als Hij zegt: Eert uw vader en uw moeder? Wel, dat ik ook met hun zwakheid en gebreken geduld hebbe. Want de ouders die jullie hebben, zijn niet volmaakt. Maar nu zegt de Heere dat je met die onvolmaakte ouders, met hun zwakheden en gebre­ken geduld moet hebben.

En hoe ouder ze worden, hoe meer die gebreken en zwakheden openbaar komen en hoe meer geduld we met die zwakheden en gebreken moeten hebben. Dat vraagt de Heere van ons. Dat is trouw, lief­de en eer bewijzen. Met die zwakheden en gebreken geduld hebben.

Dan zeg je misschien: ‘Ja, maar ze begrijpen me niet.’ Dacht je dat Jozef en Maria Jezus begrepen heb­ben? Dacht je dat echt? Dacht je echt dat zij alles begrepen wat Jezus zei en wat Hij aan wondertekenen gedaan heeft? Zijn optreden in Israël, dacht je dat ze dat begrepen hebben? Dacht je dat Maria begreep waarom Hij Zich gevangen liet nemen in de hof van Gethsémané? Dacht je dat ze begreep waarom Hij gebracht werd naar Golgotha? Maar Jezus heeft nooit gezegd: ‘Ze begrijpen me niet.’ Hij heeft Zijn moeder, die Hem niet begreep, zo liefgehad dat Hij aan het kruis gezegd heeft: Vrouw, zie, uw zoon, en: Zie, uw moeder. Dat was Jezus.

 

Maria begreep Hem niet op de bruiloft te Kana. De wijn was op. Jezus was aanwezig en alleen Hij kon in de wijn en nood voorzien. Ze is naar Hem toe gegaan, ze heeft Hem gezegd: ‘De wijn is op!’ Met andere woorden: ‘Doe daar eens wat aan!’ En toen heeft Hij gezegd: ‘Vrouw, Mijn ure is nog niet gekomen.’ Toen kreeg Maria hoop. Zij heeft tegen de dienaars gezegd: ‘Alles wat Hij u zegt, doe dat.’

Toen heeft Jezus niet gezegd: ‘Moeder, u begrijpt ook nooit wat.’ Hij heeft haar geëerd tot Zijn laatste ademsnik toe. En daar gaat het om. Hij hield van Maria. Zoals een kind van zijn moeder houdt, zo heeft Jezus van Maria gehouden. Maar Hij heeft ook van haar gehouden op een bovennatuurlijke manier. Als de eeuwige Zoon van God heeft Hij deze nietige, zwakke moeder liefgehad tot het einde toe. En Hij heeft Zichzelf voor haar overgegeven.

 

Ouders, probeer uw kinderen te begrijpen. Laat ze niet alleen. Praat met ze en denk na over de dingen die ze aan de orde stellen. Leef u in de wereld in waarin zij leven.

Maar kinderen, jullie moeten ook geduld hebben met de zwakheden en gebre­ken van je vader en moeder. Dan is het niet zo dat je elkaar ten slotte zult begrij­pen. Kinderen begrijpen misschien hun ouders niet en ouders hun kinderen niet. Er komt geen moment waarop u zegt: ‘Ik begrijp mijn kind ten volle.’ Maar er dient liefde te zijn. En als die er is in de lering en in de straf, als die er is in gehoorzaamheid van onderdaan aan overheid, van kinderen aan ouders, dan zal het goed gaan, dan zullen we geduld hebben met zwakheden en gebreken.

Dan belijden tegenover de Heere: ‘Heere, ik ben maar een slechte vader en ik ben maar een slechte moeder, zou U me dat willen vergeven, zou U mij wijsheid willen geven?’ En dan zullen kinderen gaan vragen: ‘Heere, geeft U mij maar meer liefde, dan zal ik temeer met hun zwakheden en gebreken geduld hebben.’

Dan zien wij als ouders en kinderen naar boven, en dan moeten we zeggen: ‘Wat is de Heere toch genadig. Hij handelt niet met ons naar onze zonden en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden.’ Als we dat gaan zien, dan krijgt u geduld met anderen, want dan zegt u: ‘Heere, wat heeft U een geduld gehad met mij en met mijn zwakheden; wat bent U een God Die lankmoedig is over onlankmoedige mensen!’

 

God geeft dit gebod opdat het ons brengen zou tot het gebed, opdat het ons brengen zou aan de troon der genade. Opdat wij zouden leven naar Zijn goddelijk bevel en opdat wij zouden mogen delen in de zegen van dat gebod: opdat gij lang leeft op de aarde, opdat het u welga.

En, gemeente, dan ontvang je een zegen. Dat wil niet zeggen dat je pad dan over rozen gaat. Al gaat uw weg dan wel eens door onbezaaide velden heen, dan mag u toch weten dat God met u is. Dat is de zegen waar u de tijd mee doorkomt en waar u de eeuwigheid mee kunt aandoen.

 

Dit weet ik, dat God met mij is (Ps.56:10).

Wie op Hem betrouwt, op Hem alleen, ziet zich omringd met Zijn weldadigheên.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 103:7

 

Geen vader sloeg met groter mededogen,
Op teder kroost ooit zijn ontfermend’ ogen,
Dan Isrels Heer’ op ieder die Hem vreest.
Hij weet wat van Zijn maaksel zij te wachten;
Hoe zwak van moed, hoe klein wij zijn van krachten,
En dat wij stof, van jongs af, zijn geweest.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in ‘De Heidelbergse Catechismus’ van ds. D. Rietdijk en ds. C.G. Vreugdenhil (Uitg. Groen, 1998).