Ds. J.S. van der Net - Mattheüs 12 : 43 - 45

De schijnbekering

Het begin van de schijnbekering
De voortgang van de schijnbekering
De afloop van de schijnbekering

MattheĆ¼s 12 : 43 - 45

Mattheüs 12
43
En wanneer de onreine geest van den mens uitgegaan is, zo gaat hij door dorre plaatsen, zoekende rust, en vindt ze niet.
44
Dan zegt hij: Ik zal wederkeren in mijn huis, van waar ik uitgegaan ben; en komende, vindt hij het ledig, met bezemen gekeerd en versierd.
45
Dan gaat hij heen en neemt met zich zeven andere geesten, bozer dan hij zelf, en ingegaan zijnde, wonen zij aldaar; en het laatste van denzelven mens wordt erger dan het eerste. Alzo zal het ook met dit boos geslacht zijn.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 139: 1, 14
Lezen : Mattheüs 12: 38-45
Zingen : Psalm 1: 1, 3, 4
Zingen : Psalm 119: 8
Zingen : Psalm 119: 36
Zingen : Psalm 32: 5, 6

Gemeente, we willen in deze dienst een gedeelte uit Mattheüs 12 overdenken, en wel de verzen 43 tot en met 45. We lezen daar in het Woord van God:

 

En wanneer de onreine geest van de mens uitgegaan is, zo gaat hij door dorre plaatsen, zoekende rust en vindt ze niet. Dan zegt hij: Ik zal wederkeren in mijn huis, van waar ik uitgegaan ben; en komende, vindt hij het ledig, met bezemen gekeerd en versierd. Dan gaat hij heen en neemt met zich zeven andere geesten, bozer dan hijzelf, en ingegaan zijnde, wonen zij aldaar; en het laatste van dezelve mens wordt erger dan het eerste. Alzo zal het ook met dit boos geslacht zijn.

 

Naar aanleiding van dit schriftgedeelte willen we stilstaan bij: De schijnbekering.

 

We vragen uw aandacht voor een drietal punten:

1. Het begin van de schijnbekering

2. De voortgang van de schijnbekering

3. De afloop van de schijnbekering

 

1. Het begin van de schijnbekering

 

Gemeente, wij overdenken vandaag een gelijkenis die de Heere Jezus tijdens Zijn omwandeling op de aarde verteld heeft. In deze gelijkenis beeldt Hij een schijnbekering uit. De Heere Jezus gebruikt daartoe het beeld van een mens die door de duivel bezeten is. Deze duivel, deze onreine geest, verlaat de bezetene voor korte tijd en hij komt later weer terug.

Het is een aangrijpend beeld dat hier gebruikt wordt. Bezetenheid betekent niet slechts dat je beheerst wordt door bepaalde waandenkbeelden, maar het wil zeggen dat je  geheel onder de macht van de duivel staat. Het Woord van God leert dan ook dat een bezetene naar lichaam en ziel geheel overheerst wordt door één of meer duivels.

 

In deze gelijkenis vergelijkt de Heere Jezus een onbekeerd mens met zo’n bezetene. Dat klinkt u misschien niet zo aangenaam in de oren. Misschien vindt u het wel hard dat de Heere Jezus een onbekeerde met een bezetene vergelijkt.

Toch is die vergelijking op zijn plaats. We zijn immers allen, jong en oud, door onze val onder de macht van de duivel gekomen. Want in het paradijs hebben wij in Adam door onze val het verbond met God verbroken. Toen hebben we vriendschap gesloten met de duivel, de overste van de macht der duisternis. Hij wordt daarom ook ‘de vorst der duisternis’ genoemd, dat wil zeggen dat de duivel in het rijk van de duisternis alle macht in handen heeft.

Van nature verkeren wij allen onder de macht van de duivel. Al voelen we in het geheel de tirannie van de duivel niet, wij verkeren wel degelijk onder zijn macht. Maar als het de duivel eenmaal gelukt is om ons in het eeuwige verderf te storten, zal hij ons bespotten met een helse spotlach.

 

Dus de mens is door zijn val in Adam onder de macht van de duivel gekomen. Weliswaar zijn we daardoor niet tot een bezetene verworden, maar eigenlijk is het met u en mij nog veel erger. Want een bezetene is uiteindelijk een willoos werktuig van de duivel, zijn eigen wil is opgeheven.

Maar een onbekeerd iemand daarentegen is een gewillig werktuig van de duivel. Een onbekeerd mens wil wat de duivel wil. Een onbekeerde wil het boze, want hij is niet alleen onbekwaam tot enig goed, maar ook geneigd tot alle kwaad. Iemand zonder genade wordt niet door de Geest der waarheid geleid, maar door een leugengeest, een onreine geest.

Gemeente, die onreine geest houdt ons blind. Blind voor de werkelijkheid van het leven. Blind voor de ernst van de dood. Die onreine geest doet ons van de ene dag in de andere voortleven, om ons uiteindelijk in het eeuwig verderf te storten. Zo spreekt Paulus er ook over. Hij spreekt over een wandelen naar de overste van de macht der lucht, over de geest die werkt in de kinderen der ongehoorzaamheid.

 

De Heere Jezus sprak tot de onbekeerde Joden over de duivel als hun vader. Dus, gemeente, als de Heere Jezus in deze gelijkenis een onbekeerd mens vergelijkt met een bezetene, is dat terecht. Zo was het gesteld met Israël in de dagen van de Heere Jezus.

In het zielenhuis van Israël woonde een leugengeest, een onreine geest, de duivel.

In de gelijkenis die voor ons ligt, vertelt de Heere Jezus dat die onreine geest uitgegaan is van de Joden. Wij lezen: En wanneer de onreine geest van de mens uitgegaan is…

Wat is er eigenlijk gebeurd? Waarom is die duivel, die onreine geest, uitgegaan?

Weet u wat er gebeurd was? Daar voor het levenshuis van Israël was de Heere Jezus verschenen. Denkt u maar aan de bekende woorden van Johannes: Hij is gekomen tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen (Joh.1:11).

De Heere Jezus vroeg toegang tot het hart van Israël. Hij klopte op de deur, predikte het koninkrijk der hemelen en verrichtte Zijn wonderen. Maar wat gebeurde er na die klop op de deur van het levenshuis van Israël?

‘Wel’, zegt de Heere Jezus, ‘de onreine geest ging van hen uit om rust te zoeken.’ De duivel, die in het hart van Israël woonde, werd onrustig. Hij genoot niet meer de rust die hij daar voorheen had. Immers, de Heere Jezus klopte voortdurend op de deur, en Zijn wonderen en prediking maakten indruk.

 

Gemeente, als Christus in de buurt komt, wordt de duivel onrustig. Daarom besluit de onreine geest het huis te verlaten en rust te zoeken. Let erop dat de Heere Jezus nadrukkelijk zegt: ‘De onreine geest gaat uit, zoekende rust.’ Dat betekent dat de duivel niet werd uitgeworpen door de Heere Jezus, maar dat hij vrijwillig weggaat. Hij besluit het huis te verlaten om betere tijden af te wachten, en later terug te keren.  

Zo was het nu bij Israël in de dagen van de Heere Jezus. Zo is het nog, bij ons. Want we zagen zojuist dat van nature de duivel in ons levenshuis woont. Een onreine geest, in wiens macht wij verkeren.  

Maar nu kan het gebeuren, net als bij die Joden, dat er iets is waardoor die onreine geest onrustig wordt, zodat hij ons om rust te zoeken voor een tijd verlaat. Want Christus is in de buurt en klopt op ons hart. Die onreine geest gaat dan vrijwillig van ons uit. Maar er is dan sprake van een bekering die niet uit God is. Het is een schijnbekering.

 

Verschillende oorzaken kunnen leiden tot zo’n schijnbekering. Om maar iets te noemen: het kan gebeuren dat u staande gehouden wordt in uw leven door een ernstig voorval. Het kan zijn dat u stilgezet wordt omdat u op een ziekbed terechtkomt, of te maken krijgt met een ernstig sterfgeval in uw naaste omgeving. Of door een preek, die u zo ernstig aangrijpt, dat u beseft: zo kan ik niet sterven, zo kan ik God niet ontmoeten.

Er kunnen zo diepe indrukken van dood en eeuwigheid bij u ontstaan. Het gebed welt als het ware uit uw hart op. Er komt een schreeuwen en er ontstaat een besef van zonde, omdat u ziet dat u heel uw leven verkeerd doorgebracht heeft.

Wat kan er dan een beven ontstaan! Een beven voor de straf. U werpt u met kracht op de verandering van uw leven. Want u voelt aan dat alles anders moet, uw leven moet veranderen. Dan kan het zijn dat het evangelie u aanraakt en dat u totaal in beroering komt, en dat er een besef ontstaat van zonde en ongeluk.

Wanneer u op deze wijze stilgezet wordt, ontstaat er onrust bij die onreine geest. Die geest geniet dan niet meer de rust die hij vroeger bij u genoot. Hij gaat dan uit, zegt de Heere Jezus, om rust te zoeken.

 

Gemeente, ik noem u maar een enkel voorbeeld van een schijnbekering. Want hoe breed is het terrein van de zelfmisleiding en van vroom bedrog. Er schijnt sprake te zijn van bekering; de onreine geest verlaat ons, maar hij is vrijwillig van ons uitgegaan. Hij werd niet uitgeworpen door de kracht van Christus, zoals in de ware bekering. Nee, hij gaat vrijwillig uit, omdat het hem te onrustig werd. Daarom gaat het er in een schijnbekering vaak veel genoeglijker en met minder strijd aan toe dan in de ware bekering. 

Maar in de waarachtige bekering wordt de duivel uitgeworpen. De duivel worstelt daartegen. De onreine geest probeert zijn prooi vast te houden. Hij wordt uw tegenstander. Daarmee wordt strijd geboren tussen vlees en Geest.

U voelt het diepgaande onderscheid wel aan. In de schijnbekering gaat die onreine geest vrijwillig uit, omdat het hem onrustig gemaakt wordt. Omdat Christus in de buurt is gekomen. Maar in de ware bekering wordt de duivel door de kracht van Christus uitgeworpen. Daar hebt u nog een duidelijk verschil tussen die beide.

Weet u wat we in de schijnbekering ook zo vaak zien? Dan worden we van die mensen die toch wel aardig rein zijn in eigen oog. We worden wat in eigen oog, we hebben heel wat te vertellen over bevindingen en we krijgen allerlei gronden. We menen bekeerd te zijn; we hebben hier houvast aan en we hebben dáár houvast aan.

Maar in die waarachtige bekering wordt een mens arm in zichzelf. Straatarm. Dan wordt een mens ellendig en ontbloot. Hij wordt ongelukkig in zichzelf.

 

O gemeente, denk daar eens ernstig over na. Die onreine geest moet uitgeworpen worden in de kracht van Christus. Want als hij vrijwillig uitgaat, dan verlaat hij de mens maar tijdelijk, en komt hij weer terug!

Met een tijdgeloof komt een mens om. Als een onreine geest vrijwillig uitgaat, krijgen we rust op den duur. We rusten op allerlei gronden. Maar dan zegt het Woord van God: Wee, de gerusten te Sion (Amos 6:1).

Helaas zijn er wat van die gerusten, mensen die heimelijk rusten op een droggrond. Zij rusten op de grond van hun kerkelijkheid, op de grond van hun gevoelstranen, op een grond van de liefde voor de oude waarheid, waar ze pal voor staan en voor vechten. Er zijn er nogal wat die rusten op de grond van hun stipte leven.

Onderzoek uzelf eens. Hoe is dat in uw leven? Is die onreine geest uitgeworpen door de kracht van Christus? Of is die onreine geest vrijwillig uitgegaan? Het gaat om belangrijke zaken. Laat dan ieder van ons maar eens verontrust worden. Er is veel meer valse rust dan die noodzakelijke onrust. Laten we allemaal maar eens vragen: ‘Heere, doorgrond me en ken mijn hart.’

 

Gemeente, voor we verder gaan met onze tweede gedachte, zullen we eerst zingen uit Psalm 119, het achtste vers:

 

Ik zal, o God, bepeinzen Uwe wet,

In ’t onderzoek van Uw bevelen waken;

Terwijl mijn ziel op Uwe paden let.

In Uw geboôn zal zich mijn geest vermaken,

En, daar ik hulp verwacht op mijn gebed,

Uw heilig woord vergeten, noch verzaken.

 

Onze tweede gedachte is:

 

2. De voortgang van de schijnbekering

 

U denkt nu misschien wel bij uzelf: Hoe kan ik nu weten of die onreine geest vrijwillig van mij is uitgegaan, of door de kracht van Christus is uitgeworpen?

Wel, als deze vraag in uw hart leeft, laat de Heere Jezus u niet in het onzekere. Want wat gebeurt er verder? De Heere Jezus vertelt dit in de gelijkenis. Die mens uit wie de onreine geest is uitgegaan, keert zijn levenshuis met bezemen. Hij veegt de vloer aan, en maakt het hele huis schoon. Alle sporen van de onreine geest worden uitgewist. Die mens heeft het er druk mee; de hele dag is hij bezig zijn levenshuis schoon te maken.

Misschien ziet u hem wel voor u. IJverig veegt hij zijn levenshuis aan. Wat gaat hij opeens stipt leven! Niets kan er meer mee door. Alle stof moet weg in zijn leven. Hij gaat zichzelf anders kleden, hij gaat met ander gezelschap om en hij gaat anders praten. Aan iedere preek die hij beluistert, mankeert wel wat. Nee, want het moet er allemaal veel dieper door.

 

De man hanteert de bezem. Maar hij reinigt daarmee zichzelf van de zonde. De ene na de andere zonde wordt overwonnen. Het gaat steeds beter. Hij strijdt tegen de zonde en probeert naar Gods geboden te leven.

Hij bezemt! Ja, zegt de Heere Jezus, hij veegt niet alleen het huis schoon, maar hij versiert het ook. U ziet het misschien wel voor u. Hij verfraait zijn levenshuis met allerlei deugden. Hij laat niet alleen het kwade na, maar hij doet ook het goede. De boze werken worden vervangen door goede werken. Wat een goede eigenschappen komen er openbaar en wat een voornemens! Zijn levenshuis wordt opgeknapt en hij past zich aan aan het volk van God.  

‘Maar’, zegt u, ‘is die voortgaande bekering dan niet in hem te prijzen?’

Of u zegt misschien: ‘Ja maar, zo gaat het toch? De ware bekering is toch de zonde haten, de zonde laten? Het gaat toch niet zómaar bij die man? Er is toch wel heel wat aan de hand met hem?’

 

Gemeente, in deze gelijkenis komt één woordje voor dat allesbepalend is.

Dat ene woordje maakt duidelijk dat die bekering, die net echt lijkt, als een schijnbekering aangemerkt moet worden. Eén woordje…

Weet u al welk woordje? Heb je het al ontdekt?

Weet u wat dat ene woordje is? Dat is het woordje ‘ledig’.

Want de Heere Jezus vertelt: Als die duivel straks terugkeert, dan vindt hij het huis ledig. Leeg! Hoort u dat?

Woont er niemand in dat mooi versierde en gereinigde huis?

Nee! Dat huis is wel fraai gemeubileerd. Bijna op iedere muur van het huis hangt een bijbeltekst. De boekenrekken staan vol met oude schrijvers. Er liggen alleen maar verantwoorde en christelijke weekbladen. Maar het is alles leeg.

Die onreine geest is uitgegaan, weggegaan, maar niemand heeft die lege plaats ingenomen. Het huis staat leeg! Geen ander is er ingekomen.

 

Gemeente, die ander moet een Ander met een hoofdletter zijn. Want die Ander is de Heere Jezus Christus. Hij heeft Zijn intrek niet genomen in het levenshuis. Met andere woorden: al dat aanvegen, dat versieren, die gedaante van godzaligheid, waar zoveel mensen misschien wel achting voor hebben, het is alles eigen werk! De kracht van Christus ligt er niet aan ten grondslag. Die onreine geest is wel uitgegaan, maar de Heilige Geest, de Geest van Christus, is er niet voor in de plaats gekomen.  

Hier hebt u nog een onderscheid tussen een schijnbekering en een ware bekering. Als er sprake is van een schijnbekering, zagen we net al, gaat die onreine geest vrijwillig uit. Maar het levenshuis blijft leeg. Christus komt er niet in. De Geest van Christus neemt Zijn intrek niet in het hart.  

Maar zo gaat het in de ware bekering niet. In de ware bekering blijft het huis niet leeg. Hoe verloopt een ware bekering dan wel?

Legt u nu allen uw hart er eens naast.

 

Gemeente, als die onreine geest, de duivel, wordt uitgeworpen, blijft uw levenshuis niet leeg. Dan komt de Heilige Geest in uw hart wonen. Die Geest stort de liefde van God uit in het hart. En door die uitgestorte liefde wordt een mens bedroefd. Dan wordt hij bedroefd naar God en leert hij dat die heilige God nooit gemeenschap kan hebben met zo’n onheilige.

Ach, dan nemen we in onszelf niets anders waar dan onheiligheid.

Maar toch kunnen we God niet missen! Iedere keer weer zeggen we: ‘Heere, ik ben enkel zonde. Maar ik kan U niet missen! Buiten U word ik nooit meer gelukkig. Hoe kom ik met U verzoend?’

 

In de ware bekering kan het ook gebeuren dat we vanuit de kracht van het verbroken werkverbond de bezem ter hand nemen en we ons levenshuis schoon gaan vegen. Alles moet er immers uit. Alle afgoden en alles waar we aan meegedaan hebben in de wereld. We gaan ons levenshuis versieren…

In de schijnbekering lukt dat opsieren aardig, maar in de ware bekering loopt alles vast. Want hoe ijveriger we de bezem hanteren, des te meer vuil komt er voor de dag.

Weet u waar het uiteindelijk op uitloopt? Dat we die bezem, die we zo ijverig gebruiken, aan de kant moeten gooien. Het loopt erop uit dat we met al dat opsieren moeten ophouden. We kunnen dan niets anders zeggen dan: ‘Ach Heere, ik kan wel van alles doen en alles oppoetsen, maar dat bederf vanbinnen…’ Het loopt erop uit dat we onvoorwaardelijk onder God moeten bukken met de belijdenis: ‘Uw doen is rein, uw vonnis gans rechtvaardig.’

 

Maar dan het wonder: de Geest, Die Zijn intrek heeft genomen in het levenshuis, gaat onderwijzen dat het van onze zijde nooit meer kan. Maar Hij leert ons ook dat er een Borg is, Die het wel kan. Dan wordt Christus dierbaar als de enige Weg om de verzoening met God te vinden.

Ja, het is de Heilige Geest Die leert zien op Christus, zodat we uit gaan roepen: ‘Mijn hart, vervuld met heilbespiegelingen, zal ‘t schoonste lied van ene Koning zingen!’

O, dan worden we net als die bloedvloeiende vrouw als het ware getrokken om de zoom van Zijn kleed aan te raken. Want die Geest leert toevlucht te nemen tot Christus met de bede: ‘O, Heere Jezus, breid Uw vleugelen over mij uit, want Gij zijt de Losser! Geef mij Jezus of ik sterf, want buiten Jezus is geen leven, maar een eeuwig zielsbederf!’

Ja, het is de Geest Die ons van alle gronden buiten Christus afdrijft. Hij rust niet voordat Christus een gestalte in ons hart heeft gekregen, zodat we alleen maar op Jezus leunen en alleen maar op Jezus steunen. Om enkel en alleen als een naakte zondaar bekleed te worden door Zijn gerechtigheid.

 

Weet u wat die Geest nog meer werkt? Hij leert dat de gemeenschap met Christus niet alleen plaatsvindt met Hem als Zaligmaker, maar dat er in Christus gemeenschap is met God Zelf. Dan komt door de Heilige Geest, Christus tot de ziel als de Zoon van God. Zodat we in Christus ook gemeenschap mogen smaken met de Vader.

O, gemeente, naarmate Gods kinderen door het geloof meer en meer in Christus mogen zien, des te meer mogen ze uit Christus ontvangen. Want die volle omhelzing van Christus houdt de verzoening met God de Vader in.

We worden geleerd een woonstede van God te worden. Nee, niet meer een woonplaats van de duivel, maar een woonstede Gods, door de Heilige Geest, Die wij in het paradijs zijn kwijtgeraakt.

 

Gemeente, wanneer er sprake is van een schijnbekering blijft het huis leeg. Wat was dat duidelijk bij Israël. Gebod op gebod, regel op regel. Het kon allemaal niet vroom genoeg zijn. De wet van Mozes was niet genoeg; allerlei regeltjes werden eraan toegevoegd. Het huis werd helemaal met bezemen gekeerd en versierd. Maar het bleef leeg, helemaal leeg. Geen plaats voor Christus.

We zien hier het wezen van de schijnbekering: leeg! Het huis met bezemen gekeerd, het gaat zelfs vlugger dan bij anderen. Maar een kind van God gaat steeds meer onreinheid ontdekken. Die gaat in het licht van de Heilige Geest steeds meer erfzonde zien, steeds meer dadelijke zonde. Hij of zij gaat inleven: ‘Een stroom van ongerechtigheden had de overhand op mij.’ Zij gaan inleven dat het onmogelijk is van ’s mensen kant om zalig te worden.

Maar met een schijnbekering komen we een aardig eindje. Door dat bezemen wórden we wat. We kunnen daarmee aardig onze godsdienstige stand ophouden. Maar het blijft leeg. Er woont niemand in dat versierde huis. Al die heiligmaking is geen werk van de Heilige Geest. Alleen ons eigen ik woont er.

 

Dat ‘ik’, gemeente, heeft Christus niet nodig. Want ‘leeg’ wil zeggen: ik kan het buiten Christus stellen. Let u maar goed op. Hoe meer die schijnbekering vordert, des te beter kan die mens het buiten Christus stellen. Ja, we kunnen dan zelfs met veel kritiek in de kerk zitten en zeggen: ‘Tegenwoordig komen ze allemaal maar met Christus aan.’

Gemeente, er ís geen andere weg!

Maar ons eigen ik kan het steeds meer buiten Christus stellen. Er is dan geen behoefte aan genade. Geen behoefte om verzoend te worden met God. Er is dan geen wezenlijk besef van schuld. Daarom, wie u ook bent, onderzoek uzelf eens. Bent u zelf bezig de bezem te hanteren?

Ik hoop, gemeente, dat u moet antwoorden: ‘Ja, ik ben wel bezig die bezem te hanteren, maar het lukt niet. Het wordt steeds hopelozer. Met al mijn vegen wordt mijn schuld steeds groter. Ik ontdek dat het vastzit op alles hier vanbinnen. Daar komt steeds meer onreinheid openbaar. De zonde heeft zo’n macht in mijn leven.’

 

Gemeente, als het zo in uw hart ligt, blijft er maar één ding over: werp u op de genade van God in de Heere Jezus! Want het is zo noodzakelijk dat Christus in uw hart komt wonen en u de kracht van Zijn bloed doet ondervinden. Want als er sprake is van waarachtige bekering, krijgen we het nodig dat Christus Zijn intrek neemt in ons hart. Het wordt dan noodzakelijk dat Jezus de leegte in mijn hart met Zijn volheid vervult.

Dan houden we op met zelf ons huis op te sieren, want dat lukt niet meer. Nee, dan gaat Jezus ons levenshuis versieren met een stille, ootmoedige geest, die kostelijk is voor God. Christus versiert dan zo’n mens met vruchten van de Geest; met de vrucht van ootmoedigheid, lankmoedigheid en zachtmoedigheid, met de vrucht van een stille hoop op de eeuwigheid.

Kijk, dat is de ware bekering. Dan blijft het hart niet leeg. Dan gaan we ook inleven wat we eerst nog zullen zingen uit Psalm 119 vers 36:

 

’t Is goed voor mij, verdrukt te zijn geweest,

Opdat ik dus Uw Godd’lijk recht zou leren;

Sinds heeft mijn hart voor hovaardij gevreesd.

Ai, doe mij steeds Uw wil als heilig eren;

Ver boven goud en zilver en wat meest

De mens bekoort, zal ik Uw wet waarderen.

 

Gemeente, we hebben stilgestaan bij de schijnbekering in haar aanvang: het vrijwillig uitgaan van de onreine geest. Ten tweede in haar voortgang: het huis is wel mooi versierd en gereinigd, maar het blijft leeg. Nu letten we ten derde op:

 

3. De afloop van de schijnbekering

 

We lezen met elkaar de gelijkenis nog eens door. De Heere Jezus zegt: En wanneer de onreine geest van de mens uitgegaan is, zo gaat hij naar dorre plaatsen.

Dorre plaatsen. De Heere Jezus bedoelt daarmee: de wildernis. De wildernis is een plaats waar de duivel graag verkeert. De wildernis – daar heerst chaos. In tegenstelling tot de plaats waar de Heilige Geest woont. Want waar de Heilige Geest verkeert, heerst orde.

De Heere Jezus zegt vervolgens: Zoekende rust en vindt ze niet. Die onreine geest zwerft door de wildernis. Hij zoekt rust, want in het levenshuis van de mens werd zijn rust verstoord.  

Maar in de wildernis vindt hij evenmin rust. Want er zijn daar geen mensen in wie hij kan wonen. Wanneer dan de onreine geest, de duivel, daar in die wildernis geen rust vindt, besluit hij om terug te gaan, weer te keren naar het huis dat hij verlaten heeft.

 

Misschien zegt iemand: ‘Zou het mogelijk zijn dat de duivel weer in mijn huis teruggekomen is? Want ik heb toch wel eens een tijd in mijn leven gekend dat ik geloofde dat de Heere begonnen was. Maar de duivel en de zonde zijn weer teruggekomen. Zou dat dan een schijnbekering zijn?’

Gemeente, ook in de waarachtige bekering kan het gebeuren dat de duivel terugkomt. U kent dat beeld misschien wel uit de geschiedenis van de Heilige Oorlog van Bunyan. Nadat de stad was ingenomen kwam de duivel terug, maar hij kon er niet meer heersen. Hij kon wel de inwoners kwellen, maar koning Immanuël had er de macht. Christus had de heerschappij.

Voor we verder gaan vraag ik u daarom of de zonde u al tot een last is geworden. Is de zonde u tot een kwelling geworden? Heeft u in uw leven al geleerd dat u met al uw opknappen en met al uw vroomheid, met al uw rechtzinnigheid, de Heere Jezus in de weg staat? Heeft u ook geleerd dat u met al uw bezemen alsmaar armer werd, zó arm dat u uit moest roepen: ‘Wie zal mij verlossen?’ Hebt u toen ook geleerd dat er uit u geen vrucht meer in der eeuwigheid is? In der eeuwigheid! En dat de zonde zo levend geworden is, dat zij u tot diepe smart werd? Want dat zijn de blijken van de waarachtige bekering.

 

Nu de schijnbekering. Daar komt de duivel ook terug. Luister dan wat er gebeurt.

De Heere Jezus zegt: En wanneer die onreine geest van de mens uitgegaan is, zo gaat hij door dorre plaatsen, zoekende rust en vindt ze niet. De duivel zegt dan: Ik zal wederkeren in mijn huis, vanwaar ik uitgegaan ben.

Hoort u wat die duivel zegt? Hij zegt: Ik zal wederkeren naar mijn huis. Mijn huis! Dus die duivel zegt: ‘Dat huis is van mij. Ik heb dat huis wel een poosje verlaten, want het werd me daar te onrustig, maar het is van mij.’

Hoort u het? Christus is niet de Eigenaar geworden. Het huis is niet van eigenaar gewisseld. De duivel zegt: ‘Dat huis is van mij. Ik zal wederkeren in mijn huis, vanwaar ik uitgegaan ben.’ Die duivel komt terug!

 

Wat lezen we vervolgens?

En komende, vindt hij het ledig, met bezemen gekeerd en versierd. De duivel komt terug en treft een totaal veranderd huis aan! Hij herkent het niet meer. Wat is die mens veranderd! Het hele huis is gereinigd, met bezemen gekeerd, aan iedere wand van de muur bijbelteksten, oude schrijvers in de boekenrekken, het hele huis is versierd. Alle sporen van zijn verblijf zijn uitgewist.

Wat zal de duivel nu zeggen? Zal hij zeggen: ‘In dat huis voel ik me niet meer thuis; een huis met allemaal mooie bijbelteksten, een huis met allemaal oude schrijvers?’

Nee, dat zegt die onreine geest niet. Hij zegt niet: ‘In dat huis met die bijbelteksten hoor ik niet.’

Integendeel. De Heere Jezus tekent in de gelijkenis een scherpe veroordeling van alle zelf gewerkte gerechtigheid.

Ons eigen werk verhindert de onreine geest niet om terug te keren. Al die schijnvroomheid, die godsdienst en rechtzinnigheid, verhindert hem niet terug te keren. Welnee, u mag zo vroom en godsdienstig zijn als u maar wilt. Als uw levenshuis maar leeg is. De duivel lacht om al ons vegen en vermaakt zich om onze versieringen. Zo weinig is het waard.

 

Maar er gebeurt iets…

Die duivel, die dat mooie versierde huis vindt, gaat ervoor zorgen dat hij voortaan in zijn rust niet meer gestoord wordt. Voor hij het huis weer betrekt haalt hij eerst zeven andere geesten, die nog veel bozer zijn dan hijzelf. Opdat hij voortaan niet meer in zijn rust gestoord zal worden, neemt hij samen met die zeven andere geesten zijn intrek in het levenshuis. Wij horen het de Heere Jezus zeggen: Dan gaat hij – de duivel – heen en neemt met zich zeven andere geesten, bozer dan hijzelf. En ingegaan zijnde, wonen zij aldaar en het laatste van die mens wordt erger dan de eerste.

Zo ging het met het huis van Israël.

Gemeente, zo zal het u ook vergaan! Want voor iedere schijnbekeerde geldt: En het laatste van die mens wordt erger dan het eerste.

 

Het laatste van die mens...

Welke mens?

De mens die leeg is. De mens die leeg is van Christus. De mens in wiens hart Christus geen gestalte heeft gekregen. Want Paulus zegt: Indien iemand de Heere Jezus Christus niet liefheeft, die zij een vervloeking. Maranatha! (1 Kor.16:22).

Het laatste van die mens wordt erger dan het eerste.

Laten we er goed erg in houden. Het kwaad staat niet stil. U blijft niet dezelfde die u nu bent. U bent vandaag niet dezelfde die u gisteren was en die u eergisteren was. En morgen zult u niet dezelfde zijn als vandaag. Want de mens komt steeds vaster in de greep van de duivel, hij wordt steeds kouder en steeds harder.

 

Gemeente, er is niets zo erg dan bekeerd in eigen oog te zijn. Dat zijn de meest nare mensen die er zijn: bekeerde mensen. Die worden met hun vermeende bekering steeds kouder en steeds harder.

Het laatste van die mens zal erger zijn dan het eerste. En het allerlaatste zal zijn: met het hart leeg van Christus de eeuwige duisternis in, met alle godsdienst, met alle vroomheid, met alle rechtzinnigheid. Misschien wel een hoop ervaringen kunnen vertellen, maar met alle godsdienst leeg voor God. Zonder Borg, zonder Christus, zonder Jezus.

Het allerlaatste van die mens zal erger zijn dan het eerste.

Wat een ernstige waarschuwing!

O, sta toch naar de ware bekering. Wacht uzelf er toch voor, uzelf te bedriegen.

Het gaat op de eeuwigheid aan en straks zal uw lot beslist worden.

Daarom, laten we allen nu onze knieën buigen en zeggen: ‘Zend, Heer’, Uw licht en waarheid neder, opdat ik door die glans geleid, tot Uw gewijde tent zal wederkeren. Doorgrond me en ken mijn hart, o Heere!’

 

Misschien zit er nu wel iemand in de kerk die zegt: ‘Maar zou het voor mij dan nog wel kunnen? Want die onreine geest zit nog in mijn levenshuis.’

Ach, luister dan!

Het Woord van God zegt: Dit is een getrouw woord, en alle aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is, om de zondaren zalig te maken (1 Tim.1:15). We lezen zelfs van een Maria Magdalena dat zeven duivelen uit haar werden uitgeworpen. Zou het dan voor u hopeloos zijn?

Wanneer u nu misschien wel als een gebondene in de bank zit, als het u benauwd is en u moet zeggen: ‘O, misschien is het wel zo bij mij’, dan zeg ik: Naar Christus heen! Klaag Hem al uw leegheid maar en beken Hem al uw ellende en dorheid maar. Kom maar eens voor de dag met heel uw hoogmoedige godsdienst en uw vroomheid, waardoor u leeg bent. En als u dat niet kunt, zeg dan maar: ‘Heere Jezus, ik ben zo leeg en ik ben zo vroom met mezelf, maar Heere, verlos me van mijn vroomheid. Bekeer me, dan zal ik bekeerd zijn.’

 

Gemeente, mochten we het allen leren, dat we met al ons vegen, met al onze sieraden, niet voor God kunnen bestaan. Opdat we niets anders meer zouden weten dan: ‘Geef mij Jezus, of ik sterf! Want buiten Jezus is geen leven, maar een eeuwig zielsbederf.’

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 32: 5, 6

 

Wil toch niet stug, gelijk een paard, weerstreven,

Of als een muil, door domheid voortgedreven;

Gebit en toom, door ‘s mensen hand bestierd,

Beteug’len ‘t woest en redeloos gediert’;

Laat zulk een dwang voor u niet nodig wezen;

Wie God verlaat, heeft smart op smart te vrezen;

Maar wie op Hem vertrouwt, op Hem alleen,

Ziet zich omringd met Zijn weldadigheên.

 

Rechtvaardig volk, verheft uw blijde klanken,

Verheugd in God, naar waarde nooit te danken;

Zingt vrolijk, roemt Zijn deugden t’ allen tijd,

Gij, die oprecht van hart en wandel zijt.