Ds. J.J. van Eckeveld - Ruth 1 : 19 - 22

Danken in het licht van het lijden

Ruth 1
Geen doorzicht onder het lijden
Toch uitzicht uit het lijden

Ruth 1 : 19 - 22

Ruth 1
19
Alzo gingen die beiden, totdat zij te Bethlehem inkwamen; en het geschiedde, als zij te Bethlehem inkwamen, dat de ganse stad over haar beroerd werd, en zij zeiden: Is dit Naomi?
20
Maar zij zeide tot henlieden: Noemt mij niet Naomi, noemt mij Mara; want de Almachtige heeft mij grote bitterheid aangedaan.
21
Vol toog ik weg, maar ledig heeft mij de HEERE doen wederkeren; waarom zoudt gij mij Naomi noemen, daar de HEERE tegen mij getuigt, en de Almachtige mij kwaad aangedaan heeft?
22
Alzo kwam Naomi weder, en Ruth, de Moabietische, haar schoondochter, met haar, die uit de velden Moabs wederkwam; en zij kwamen te Bethlehem in het begin van den gersteoogst.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 103: 3
Lezen : Ruth 1
Zingen : Psalm 98: 2, 4
Zingen : Psalm 77: 6
Zingen : Psalm 85: 4

Gemeente, we houden dankdag, in een wereld vol verdriet. Voor veel mensen kan het zo moeilijk zijn om dankdag te houden. Als er allerlei zorgen en beproevingen in het leven zijn. Als er ziekte en rouw is. Het leven kan zo vol moeite en zo vol verdriet zijn. En wat kan het dan moeilijk zijn om dankdag te houden!

We kunnen gemakkelijk spreken over dankbaarheid, maar dankbaar zijn, dat is zo gemakkelijk niet. Er zijn mensen die niet zien dat er dankensstof is, omdat ze gewend zijn aan de zegeningen. Dat kan, dat we het zo vanzelfsprekend vinden dat we gezond zijn, dat we werk hebben, en ga zo maar door. Gewend aan de zegeningen. En dan zien we de dankensstof niet. Het kan ook zijn dat zorgen en verdriet ons zo in beslag nemen, dat we geen oog meer hebben voor het goede dat de Heere nog gegeven heeft, ook het afgelopen seizoen.

En als we wel dankensstof zien, dan weten we soms de woorden niet te vinden om er uitdrukking aan te geven. De discipelen hebben gevraagd aan Jezus: Leer ons bidden (Luk.11:1). En zo mogen wij ook wel vragen: ‘Leer ons danken.’

 

Dat moest ook Naomi leren, uit het boek Ruth. We zien Naomi vandaag als een door verdriet gebroken vrouw. Zij zag Gods zegeningen niet. Ze had er geen erg in. En hoe moet het dan toch ooit in Bethlehem, waar zij aankomt, dankdag worden? We willen er met elkaar op letten in deze dienst.

 

Ik noem u als tekst Ruth 1, de verzen 19 tot en met 22, maar in de preek komen ook enkele andere dingen uit dit hoofdstuk, die er mee samenhangen, aan de orde. We lezen nu vers 19 tot en met 22:

 

Alzo gingen die beiden, totdat zij te Bethlehem inkwamen; en het geschiedde, als zij te Bethlehem inkwamen, dat de ganse stad over haar beroerd werd, en zij zeiden: Is dit Naomi?

Maar zij zeide tot henlieden: Noemt mij niet Naomi, noemt mij Mara; want de Almachtige heeft mij grote bitterheid aangedaan.

Vol toog ik weg, maar ledig heeft mij de Heere doen wederkeren; waarom zoudt gij mij Naomi noemen, daar de Heere tegen mij getuigt, en de Almachtige mij kwaad aangedaan heeft?

Alzo kwam Naomi weder, en Ruth, de Moabitische, haar schoondochter, met haar, die uit de velden van Moab wederkwam; en zij kwamen te Bethlehem in het begin van de gersteoogst.

 

Het thema van de prediking is: Danken in het licht van het lijden.

                                                                

We staan stil bij twee gedachten:

1. Geen doorzicht onder het lijden

2. Toch uitzicht uit het lijden

 

1. Geen doorzicht onder het lijden

 

Alzo gingen die beiden. Zo begint het negentiende vers. Die beiden. We zien ze in onze gedachten samen gaan, de lange weg van Moab naar Bethlehem. Moab ligt ten oosten van de Jordaan, in het gebergte. We zien hen door dat bergland van Moab gaan en dan zo naar beneden toe naar de Jordaan. Ze gaan de Jordaan over en dan komen ze in de woestijn van Juda, en woestijnachtig gebergte. En dan gaat het weer naar boven, door dat woeste woestijnachtige gebergte heen. En dan zo in de richting van Bethlehem.

Alzo gingen die beiden. Een moeilijke weg. Een lange weg. Ook natuurlijk een gevaarlijke weg. Denk eens in, twee weerloze vrouwen, en dan in die tijd! Het was de tijd van de richters; een chaotische tijd in Israël. Een tijd waarin een ieder deed wat goed was in zijn ogen. Toch, daar gaan ze, die lange weg. Het verlangen naar Bethlehem trekt hen.

 

Waar zullen ze het over gehad hebben onderweg? Dat staat hier niet. Ongetwijfeld hebben ze gesproken over alles wat er achter hen lag. Want wat was er veel gebeurd! Kijk eens goed naar die twee vrouwen. Ik zie die oudere vrouw Naomi. Aan haar kleding is te zien dat ze weduwe is. We zien haar getekend door het verdriet. Getekend door het lijden. En dan die andere vrouw. Nog een jonge vrouw. Maar ze is ook weduwe. En ze heeft ook, al is ze nog jong, veel verdriet meegemaakt.

Wat zat daar achter? Wel, we lezen in het begin van Ruth 1 dat in die richterentijd hongersnood uitbrak. En dan is daar dat gezin van Elimelech en Naomi en die twee jongens Machlon en Chiljon. Ze vertrekken! Ze vluchten weg uit Bethlehem, waar ze woonden, en ze gingen de weg naar Moab. Want in Moab was voedsel. Daar was geen hongersnood. We lezen niet dat ze de Heere gevraagd hebben. Daar lezen we niet met één woord over.

Hongersnood is in de Bijbel altijd een bijzonder oordeel van God. En juist in die richterentijd, waarin ieder deed wat goed was in zijn ogen, die chaotische tijd, die tijd vol zonden, boosheid en verwarring, juist in díe tijd kwam de Heere met Zijn oordeel. Omdat het volk van Zijn Woord en van Zijn wet was afgeweken. We weten niet precies onder welke omstandigheden die hongersnood er geweest is, maar in ieder geval: er was hongersnood.

En dan vlucht Elimelech met Naomi en die twee jongens naar Moab. Moab was een broedervolk, zeker, want Moab was voortgekomen uit Lot, de neef van Abraham. Maar al was het een broedervolk, het was een heidens volk. De Moabieten, heidenen, mochten in de vergadering van het volk niet komen.

 

En zo is dat gezin van Elimelech weggevlucht. Onder het oordeel vandaan. Zonder dat we iets lezen over een vragen naar Gods wil. Zonder dat we iets merken over verootmoediging onder het oordeel van God. Ze willen het oordeel ontlopen.

Dat gebeurt soms nog, dat mensen het oordeel proberen te ontlopen. Na de Tweede Wereldoorlog zijn er om die reden mensen gaan emigreren naar Australië of Canada. Welnu, zo ook Elimelech met zijn gezin. Ze zijn weggevlucht om het oordeel van God te ontlopen.

Maar de Heere wist hen te vinden in Moab. Drie doden, daar loopt het op uit. Als ze in Moab gekomen zijn, sterft allereerst Elimelech, de man van Naomi. Naomi blijft als weduwe achter. Gelukkig heeft ze nog wel twee zonen, Machlon en Chiljon.

Die jongens vinden Moabitische meisjes. Weer zoiets! Meisjes uit dat heidense volk, uit Moab… Machlon trouwt met Ruth. Dat lezen we in het vierde hoofdstuk, dat Machlon de man van Ruth geweest was. Chiljon trouwt met Orpa. Beide huwelijken hebben niet lang geduurd. Machlon stierf, Chiljon stierf, drie weduwen bleven over. Naomi op oudere leeftijd, en twee jonge vrouwen, Ruth en Orpa. Wat een verdriet! Wat een leed! Wat een gebrokenheid!

Wellicht zitten er vandaag ook gebroken mensen in de kerk. Als ze denken aan wat hun ontvallen is. Als hun hart vol zorg, vol verdriet is. Misschien vanwege omstandigheden in hun gezin. Misschien vanwege hun gezondheid. Ach, wat kan er al niet zijn! Ieder huis heeft zijn kruis, en ieder hart heeft zijn smart.

 

Uiteindelijk hebben ze een hele tijd daar in Moab gezeten. Er wordt hier over tien jaren gesproken. Dat is de tijd nadat Elimelech overleden is, maar het zullen uiteindelijk wel een jaar of twaalf of dertien zijn geweest, dat ze daar in Moab hebben geleefd.

Dat die twee jongens trouwden met Moabitische meisjes, is natuurlijk ook geen goed teken. Dat is een teken dat ze daar gewend geraakt waren en dat ze daar eigenlijk wel wilden blijven, in dat heidense land.

En dan, na al die jaren, na al dat verdriet, dan lezen we dat Naomi, Ruth en Orpa, drie weduwen, vol van hun verdriet, vertrekken. Weg uit Moab, naar Israël, naar Bethlehem.

 

Als die twee, Naomi en Ruth, die lange weg gaan, van Moab naar Bethlehem, dan kan het niet anders, of ze zullen over al die dingen hebben gesproken. Orpa is er niet meer bij. Zij heeft uiteindelijk op de grens van Moab en Israël, toch voor Moab gekozen. Maar Ruth heeft daar die indrukwekkende belijdenis uitgesproken: Uw volk is mijn volk en uw God mijn God (Ruth 1:16). Ze kon van Naomi niet scheiden en is met Naomi meegegaan.

 

Zo gaan ze samen op weg naar Bethlehem. Waarom terug naar Bethlehem? Was het de eenzaamheid? Was het hun verdriet, dat hen drong om terug te keren? Werden ze misschien onder de Moabieten gediscrimineerd? Want die oosterse volken konden soms heel hard en discriminerend zijn tegen vreemdelingen.

Ach, dat alles was het niet. Ze werden ook niet door de nood gedreven. Want op zichzelf drijft de nood niemand tot God. De Heere kan de nood wel gebruiken als een middel in Zijn hand, maar de nood kan je ook leren vloeken.

Waarom zijn ze teruggegaan naar Bethlehem? Dat lezen we in het zesde vers. Toen maakte zij zich op met haar schoondochters en keerde weder uit de velden van Moab; want zij had gehoord in het land van Moab, dat de Heere Zijn volk bezocht had, gevende hun brood (Ruth 1:6).

Dat gerucht had Moab bereikt. De honger is over in Israël! De Heere heeft Zijn volk bezocht, in Zijn onverdiende goedheid. Er is weer brood! De Heere heeft weer zegen gegeven over gewas en arbeid. Ondanks de zonde van het volk van Israël.

En dat is nog zo. Op deze dankdag mogen we zeggen: in het afgelopen seizoen heeft de Heere Zijn zegen nog gegeven over gewas en arbeid, ondanks de zonde van Nederland.

 

Zo zien we Naomi, samen met Ruth, op reis van Moab naar Bethlehem. Moab, dat is het leven ver bij God vandaan. Bethlehem, dat is naar God toe. Van Moab terug naar Bethlehem.

Want Naomi was toch een vrouw die de Heere vreesde. Ze heeft het heimwee gekend naar het land der vaderen, waar God zoveel zegeningen geschonken had. Daar is iets van Gods trekkende liefde in haar hart geweest, waardoor ze met al haar verdriet is teruggekeerd naar Bethlehem.

En Ruth kon niet zonder Naomi. Maar bovenal: Ruth kon niet zonder de God van Naomi. En zo lezen wij het in onze tekst, in het negentiende vers: Alzo gingen die beiden, totdat zij te Bethlehem kwamen.

 

Uiteindelijk, na die lange en moeilijke reis, komen zij in Bethlehem. Dat is wat geweest voor Naomi! Wat zal er veel door haar heen gegaan zijn. Terug in die oude omgeving van zoveel jaren geleden.

Aan de ene kant zal het haar goed gedaan hebben dat ze die oude omgeving van Bethlehem weer terugzag. Maar tegelijkertijd heeft in Bethlehem alles gesproken van een verleden dat voorgoed voorbij was. Daar stond haar ouderlijk huis, waar ze opgegroeid was. Daar was de straat waar ze gewoond hadden. Waar ze vroeger, als klein meisje, als kind gespeeld had. Daar waren de akkers die haar man Elimelech bewerkt had. Allemaal herinneringen. Die moeten haar droefheid gegeven hebben. Die moeten haar smart gegeven hebben. Het was allemaal voorbij.

En het was of alles haar aanklaagde: het is je eigen schuld, want je bent zelf naar Moab gegaan, met Elimelech en met je zonen. Zonder God.

Wat zal er veel door Naomi heen zijn gegaan!

 

En hoe was de ontvangst in Bethlehem? Dat lezen wij ook: En het geschiedde, als zij te Bethlehem inkwamen, dat de ganse stad over haar beroerd werd, en zij zeiden: Is dit Naomi?

Dat is te begrijpen. Bethlehem was natuurlijk maar een klein stadje. De steden in die tijd waren zo groot niet, en ze kenden elkaar allemaal. En het gerucht ging door Bethlehem: ‘Heb je het gehoord? Naomi is terug! Weet je nog dat ze gegaan is, dertien jaar geleden, met haar man en haar zonen? Ze is terug! En ze heeft een jonge Moabitische vrouw bij zich.’ Het gerucht ging door dat kleine stadje.

Ze hadden Naomi gekend als een welvarende vrouw. En nu? Van alles beroofd! Diep beproefd, getekend, gegroefd door het lijden. Straatarm! Vandaar dat ze gezegd hebben: Is dit Naomi? Ze hebben Naomi aangekeken, die oude vrouw, getekend door haar lijden, en ze hebben gezegd: ‘Naomi, ben je het echt? Ben je echt Naomi?’

O, dat is voor Naomi wat geweest! Het ging met haar door een weg van vernedering en van beproeving, en ze werd pijnlijk herinnerd aan alles wat er gebeurd was. En als ze dan zeggen: ‘Is dit Naomi? Naomi, ben je het echt?’, dan is het of er bij Naomi iets breekt. Dan breekt haar mond open, en dan zegt ze tot de Bethlehemieten: Noem mij niet Naomi, noem mij Mara; want de Almachtige heeft mij grote bitterheid aangedaan.

 

Gemeente, dit tekent het verdriet en de bitterheid in het hart van Naomi.

Hoe moeten wij deze woorden lezen: De Almachtige heeft mij grote bitterheid aangedaan? Als we het goed lezen – en ik hoop dat ook wel duidelijk te maken – dan is dit geen verwijt tegen God. Ze is niet boos op God. Ze neemt het de Heere niet kwalijk. Zo moeten wij het niet lezen. Ze aanvaardt wat God over haar gebracht heeft. Haar verdriet is zo peilloos diep en zo verschrikkelijk groot. Ze zegt: ‘Je moet mij niet Naomi noemen, maar Mara.’

Naomi is eigenlijk hetzelfde woord als Naäman. Deze naam betekent: de liefelijke. Naomi zal als jonge vrouw een knappe vrouw geweest zijn. Naomi, de liefelijke. Maar wat is er van overgebleven? ‘Noem mij nu niet meer Naomi. Zou ik die naam nog mogen dragen? Ik, die weggegaan ben, zonder God, met mijn man en met mijn jongens, die in een graf in Moab zijn achtergebleven? Ik, die een weg van bittere beproeving moest gaan? Die naam ‘Naomi’, de liefelijke, past niet meer bij mij. Noem mij maar Mara. Want Mara wil zeggen: bitterheid, de bittere.’

 

Gemeente, is dit toch geen aanklacht tegen God? Zo zou je het kunnen lezen. Maar ik ben er van overtuigd dat het zo niet is. En ik hoop dat dat straks duidelijker zal worden. Want Naomi spreekt toch groot van God. Tweemaal noemt ze Hem de Almachtige. In vers 20: De Almachtige heeft mij grote bitterheid aangedaan. En in vers 21: De Almachtige heeft mij kwaad aangedaan.

De Almachtige, dat is die grote Naam waarmee de Heere Zich aan Abraham heeft bekendgemaakt. El Shaddai; Ik ben God, de Almachtige. Naomi voelt Gods grootheid en haar eigen kleinheid. De hand van de Almachtige heeft haar bitterheid aangedaan, en ze heeft het verdiend… En die God vergist Zich niet. Hij is immers El Shaddai. God, de Almachtige.

Nee, het is geen verwijt in de richting van God. Wel een uiting van het diepe verdriet, van de bittere beproevingen die zij moet meemaken. En daarom zegt ze: ‘Die mooie naam Naomi, de liefelijke, die past niet meer bij mij. Die naam verdien ik niet meer. Die naam geeft niet meer aan wie ik ben. Ik ben Mara. Ik heb de bittere gevolgen van de zonde op een bijzondere manier moeten ervaren. Nee, niet Naomi, maar Mara. Vol toog ik weg, maar ledig heeft mij de Heere doen wederkeren; waarom zoudt gij mij Naomi noemen, daar de Heere tegen mij getuigd en de Almachtige mij kwaad aangedaan heeft?

Moet u eens goed kijken wat Naomi zegt. Vol toog ík weg. Alle nadruk op ík. Dat heb ík gedaan. Vol toog ik weg, maar ledig heeft mij de Heere doen wederkeren. Dus ze zegt eerst wat ze zelf gedaan heeft: ‘Ik toog vol weg.’ En ze zegt vervolgens wat de Heere gedaan heeft: ‘De Heere heeft mij ledig doen wederkeren.’

 

Vol toog ik weg. Vol. Waarschijnlijk was Naomi uit een rijke familie afkomstig, want later blijkt dat ze familie is van de rijke Boaz. Vol, want ze had een man en twee kinderen. Naar het aardse was ze rijk gezegend.

Misschien zit u zo ook op dankdag wel in de kerk, dat u vol bent van de aardse dingen. Als u terugkijkt op het afgelopen seizoen, wat een voorspoed hebt u dan gehad in economisch opzicht. Het is u voor de wind gegaan op uw werk. U zegt: ‘Ik ben er vol van!’ Maar bent u ook vol van God?

Vol toog ik weg. Naomi ziet haar eigen weg terug. Ik. Het was míjn weg. Het was een eigenwillige, zondige weg. Het was een weg waarop ik vol was van de aardse dingen, van vleselijke overleggingen. Het was een weg waarop ik vol was van mijzelf.

Hoort u dat? Dat is een schuldbelijdenis. Heel haar eigen weg komt terug, klaagt haar aan, beschuldigt haar. Weet u wat dat is? Als je terugkijkt op je leven, als je terugdenkt aan wat er achter je ligt, misschien ook wel als je terugdenkt aan het afgelopen seizoen, dan is er zoveel wat je moet beschuldigen en dan is er zoveel wat je moet aanklagen. Dan roept alles je toe: ‘Eigen schuld, eigen schuld!’

Vandaar die woorden van Naomi. Vandaar het woord van die inwoners van Bethlehem: ‘Is dat nu Naomi? Ben je het echt?’ O, dat is een aanklacht tegen haar! Het huis waar ze vroeger gewoond heeft en de straat waar ze als kind speelde, het is een aanklacht tegen haar. En de akkers waar haar man Elimelech gewerkt had, vroeger, in de goede dagen, het is een aanklacht tegen haar.

 

Zo gaat het, als de Heere je ogen opent voor de werkelijkheid van je leven. Dan gaat alles je beschuldigen en aanklagen. Je eigen leven en je eigen geweten, en de plaatsen waar je de zonde hebt bedreven, en de kerkbank waar je zat toen het Woord van God altijd maar over je heen ging en je er met je aandacht helemaal niet bij was. Wie zal zeggen, gemeente, wat er dan door een mens heen gaat?

Iets van dat alles is er in het hart van Naomi, als ze zegt: Vol toog ik weg, maar ledig heeft mij de Heere doen wederkeren. Ik was zo vol toen ik wegging. Vol van mezelf en vol van mijn plannen en voornemens: ‘Nu gaan we naar Moab en dan zullen we het goed hebben. Beter dan in Bethlehem!’

‘Vol toog ik weg. Maar nu ben ik leeg gemaakt. Leeg heeft de Heere mij doen wederkeren. Ik ben leeg gemaakt. En daarom, noem mij maar Mara; de bittere…’

 

Was Naomi boos op God? Het kan zo lijken. En het kan ook zo zijn op dankdag, dat je zo in de kerk zit en dat je denkt: ‘Alles is tegen mij!’ Dat je verbitterd in de kerk zit, omdat je het niet eens bent met de weg die God met je gaat en met je gegaan is het afgelopen seizoen. En omdat je niet buigen wilt onder God. O, vraag dan toch om die genade, die al die bitterheid aan stukken kan breken!

Ledig heeft mij de Heere doen wederkeren. Dan legt ze dus alle nadruk op de Heere. Eerst zegt ze wat zíj gedaan heeft, en nu wat Gód gedaan heeft. De Heere heeft haar leeg gemaakt. De Heere heeft haar afgebroken. De Heere heeft haar beproefd. Tot in het diepst van haar hart.

Dat is de weg die de Heere met Zijn kinderen kan gaan, als ze eigen wegen gaan. Vanuit onszelf, gemeente, kunnen we zo vol zijn van onszelf, met onze hoogmoed en onze eigen gedachten en onze eigen wil en met de zonden en met de dingen van beneden. Dan kunnen we zo rijk en verrijkt zijn, ook op dankdag. Maar als de Heere je gaat beproeven, en als de Heere je gaat leeg maken, dan neemt Hij al je eigen rijkdommen weg. Dan maakt Hij je straatarm. Dan sta je met lege handen.

 

De Heere heeft Naomi leeg gemaakt, niet om haar te doen sterven in Moab, maar om haar te doen terugkeren. Ze zegt: ‘De Heere heeft mij doen wederkeren.’ Gemeente, daarin hoor ik toch het wonder van Gods genade doorklinken! De Heere had haar naar recht kunnen loslaten. Hij had haar in Moab kunnen laten sterven. Maar, wat een wonder: toen de Heere haar sloeg, was het om haar terug te brengen.

Dat kan, dat we diepe wegen moeten gaan, en dat de Heere dat doet om ons te brengen waar we zijn moeten. Het is alsof Naomi hier zegt: ‘Ik dwaalde af, maar de Heere bracht mij terug.’

Dat is het wonder van de trouw van de Heere. Hoe ver een kind van God ook kan afdwalen, de Heere laat de Zijnen nooit los. Al stort Hij golven van beproeving over hun leven heen. Maar Hij doet het om ze te brengen, om ze te brengen waar ze wezen moeten: met lege handen, voor God.

Naomi mag Gods doen goedkeuren. Maar o, die bitterheid en dat verdriet! Het is zo groot, het is zo diep! Ze zegt: ‘Waarom noemt u mij Naomi? Laat mij maar Mara heten. De Heere getuigt tegen mij. Al die beproevingen veroordelen mij.’ Naomi mag er onder buigen. Het is alles van El Shaddai, God de Almachtige. En zo stort ze haar hart als het ware uit voor die inwoners van Bethlehem, die zeggen: ‘Is dat nu Naomi?’

 

En dan is er toch iets in het hart van Naomi – dat blijkt uit haar woorden – wat er ook was in het hart van Eli. Hij is de Heere; Hij doe wat goed is in Zijn ogen (1 Sam.3:18). De Heere deed het!

Dat mogen we op dankdag wel bedenken, als we met verdriet in de kerk zitten, en met moeite, en met pijn, en misschien met bitterheid. Met verzet, omdat het in je leven zo anders gegaan is dan je gewild had, ook in het afgelopen seizoen. Ach, wij gaan zo vaak onze eigen wegen, zonder met God rekening te houden. Als je dat beseft, dan moet je toch zeggen: ‘Het is een wonder dat God me tóch nog zo veel geschonken heeft. Bij alle moeiten die er zijn, heb ik toch nog zo veel zegeningen ontvangen.’

 

Door een diepe weg heeft Naomi moeten leren: Ik was zo vol, ik had mijn eigen weg uitgestippeld, en zo ben ik weggegaan naar Moab. Het is mijn schuld. En dan is het nog een onverdiend wonder dat ik er nog zijn mag.

Begrijpt u dat, gemeente? We moeten eerlijk worden onder al Gods zegeningen. En weet u dan niet dat de goedertierenheden des Heeren u tot bekering willen leiden, maar dat de Heere met het oog daarop ook Zijn beproevingen zenden kan? Dat zijn óók Zijn goedertierenheden.

Nee, ik kan deze woorden niet zo lezen dat Naomi de Heere iets ongerijmds toeschrijft. Maar wel dat het voor haar zo bitter is, dat ze die weg heeft moeten gaan.

 

En gemeente, dan kan het zo moeilijk zijn om dankdag te houden. Je moet toch maar je man en twee van je kinderen verliezen. En je moet toch maar gebroken zijn van verdriet en pijn. En je moet toch maar staan op de puinhopen van je eigen leven.

Naomi zegt: ‘Ik ben Mara, bitter…’ Het is zo’n moeilijke weg. Het is zo’n zware weg. Haar verdriet en weemoed is zo groot. Ze is als het ware zo opgesloten in haar verdriet, dat ze niet werkelijk oog heeft voor de zegeningen die de Heere geeft.

Zo kan het zijn in het leven. Je merkt het soms aan een weduwe of weduwnaar: ze hebben alleen maar oog voor wat ze kwijtgeraakt zijn, en dat is te begrijpen. Het is hen zo bitter. Maar ze hebben geen oog voor wat de Heere nog geeft. Ze zien niet het zoete van Gods onverdiende zegeningen, die er toch nog zijn. Dat is de kortzichtigheid van het ongeloof. Ik mag ook zeggen: de kortzichtigheid van het kleingeloof. Ik zeg bij Naomi: de kortzichtigheid van het kleingeloof. Maar de Heere brengt haar op de plaats waar ze wezen moet.

 

Danken in het licht van het lijden. Geen doorzicht onder het lijden, maar toch uitzicht uit het lijden. Het zal waar worden wat we nu gaan zingen uit Psalm 77 vers 6:

 

Zou God Zijn genâ vergeten,
Nooit meer van ontferming weten?
Heeft Hij Zijn barmhartigheên
Door Zijn gramschap afgesneên?
‘k Zei daarna: ‘Dit krenkt mij ‘t leven;
Maar God zal verand’ring geven;
D’ Allerhoogste maakt het goed;
Na het zure geeft Hij ‘t zoet.’ 

 

2. Toch uitzicht uit het lijden

 

Gemeente, Naomi is toch alles kwijt? Leeg heeft de Heere haar toch doen terugkeren? Heeft ze dan toch ook zegeningen van God gekregen? Ja, maar ze ziet het niet, in het bittere van haar verdriet. Ze heeft er geen oog voor. Wat waren die zegeningen doen?

Allereerst, ze ging niet alleen. Er loopt iemand naast haar: Ruth, die voor haar als een dochter is. Ruth, die de ontroerende belijdenis heeft uitgesproken: Uw volk is mijn volk en uw God mijn God (Ruth 1:16). Ruth, met wie Naomi een diepe geestelijke band heeft gehad. Ruth, die als een dochter voor haar geweest is. Naomi, ben je dan zo opgesloten in je verdriet, dat je dat helemaal niet ziet?

Aan het eind van dit boekje, in het vierde hoofdstuk, lezen we van Ruth dat ze voor Naomi meer was dan zeven zonen. Dat zegt wel wat. Wonderlijk, soms kunnen mensen op je levensweg worden geplaatst met wie je geestelijk spreken mag. In de kerk, of in de familie. Misschien zeg je wel: ‘Ik ben opgegroeid in een gezin waarin de vreze des Heeren was.’ Zou er dan geen dankensstof zijn? Naomi, zie je dat dan niet? Zijn je ogen zo beneveld door het bittere van je verdriet?

 

En vervolgens, als ze zegt: Ledig heeft mij de Heere doen wederkeren, dan zou je kunnen vragen: Naomi, is dat nu zo erg? Met lege handen terugkeren van een dwaalweg, tot de God van je vaderen? Het staat meer dan tien keer in dit hoofdstuk, dat woord ‘terugkeren’. En terugkeren is in de Heilige Schrift: bekering. Volgens verschillende bijbelverklaarders klinkt dat hier in mee. De Heere doet haar terugkeren, zoals de verloren zoon terugkeerde naar huis. Maar het is alsof Naomi het niet ziet, alsof er een donkere sluier voor haar ogen hangt.

 

Het is toch een zegen, als je al je eigen rijkdommen, op je eigen gekozen weg, kwijtraakt. Als je met lege handen terugkeert tot God. Daar heeft de Heere soms diepe wegen voor nodig. Maar soms kan het ook op een andere manier. Dat je uiterlijk gezegend wordt, maar dat je van binnen van stap tot stap leeg gemaakt wordt, en zo terugkeert tot God. Met lege handen.

Gemeente, hoe zitten wij vandaag op dankdag in de kerk? Vol van wat wij gedaan hebben het afgelopen seizoen? ‘Ik heb het zo gedaan en dat heb ik goed uitgedacht, want moet je eens kijken hoe mijn winsten zijn toegenomen…’ En zo zouden we door kunnen gaan. Vol van wat wij gedaan hebben…

Wat kunnen we daar mee bezig zijn! Dat kan in het hart leven. En dan denken we op dankdag dankbaar te zijn. Maar ik zeg u: dan is het de dankdag van de farizeeër. O God, ik dank U dat ik niet ben gelijk de andere mensen (Luk.18:11). ‘Want ik heb dit en ik heb dat en ik heb zus gedaan en ik heb zo gedaan…’ De dankdag van een farizeeër die vol was, zoals Naomi vol is heengegaan naar Moab. Als je zo vol bent, dan is het hard, heel hard nodig dat je leeg gemaakt wordt. Want dat is tot heil, tot eeuwig heil van je ziel. Opdat je werkelijk met lege handen voor God mag komen. Dan kan het echt dankdag worden. En dan mag er dankensstof overblijven, dat God zo goed is, voor zo één als ik. Dan is er blijdschap in de hemel over een zondaar die met lege handen terugkeert tot God.

Zitten hier mensen met lege handen, die moeten zeggen: ‘Ach, ik kan helemaal niets meenemen op dankdag, waarmee ik voor God bestaan kan. Alles klaagt me aan, alles veroordeelt me…’ Gemeente, zo kan het echt dankdag worden!

 

Naomi, zie je dan niet de zegeningen die God je geschonken heeft? Niet alleen dat ze Ruth gekregen heeft, die voor haar meer was dan zeven zonen. Niet alleen dat de Heere haar volle handen leeg gemaakt heeft. Maar kijk eens waar ze loopt. Ze loopt daar door de gerstevelden van Bethlehem. Dat is ook al weer zo’n zegen. Onze tekst eindigt er mee: Zij kwamen te Bethlehem in het begin van de gersteoogst.

Ze komt in Bethlehem in een tijd van overvloed. Ze had Moab verlaten, want ze had gehoord dat God Zijn volk bezocht had. Het Hebreeuwse woord heeft iets in zich van: God had Zijn volk genade bewezen. De hongersnood was voorbij. De golvende korenvelden rondom Bethlehem, spraken van Gods onverdiende goedheid. En het ruist als het ware boven de golvende akkers: ‘Hij handelt nooit met ons naar onze zonden, hoe zwaar, hoe lang wij ook Zijn wetten schonden.’

Zo kwamen ze in Bethlehem, in het begin van de gersteoogst. Het begin van de gersteoogst… dat houdt de belofte van verzadiging in! De leeg gemaakte Naomi zal verzadigd worden met Gods goedertierenheid.

Het begin van de gersteoogst… Ik zou zeggen: het was in Bethlehem dankdag geworden. Een ruisende oogst stond op de velden. De eerste sikkels werden in het koren geslagen. Heel Bethlehem was klaar om straks dankdag te vieren.

Die dankdag werd onder Israël Pascha genoemd. Ik lees in Deuteronomium 16 vers 9 en 10a het volgende: Zeven weken zult gij u tellen; van dat men met de sikkel begint in het staande koren, zult gij de zeven weken beginnen te tellen. Daarna zult gij de Heere, uw God, het feest der weken houden.

Wat betekenen die woorden? Ze wijzen erop dat als de eerste sikkel in de oogst werd geslagen, dat dan het Pascha moest worden gehouden. Want bij het Pascha dacht men niet alleen aan de uittocht uit Egypte, maar het was ook een oogstfeest. Het feest der weken, dat volgens die woorden uit Deuteronomium 16 zeven weken later moest worden gehouden, was het oudtestamentische pinksterfeest.

En let er dan op: nu lopen Naomi en Ruth door de velden van Bethlehem, langs de golvende korenakkers. En overal klinkt het als het ware in het ruisen van het graan: God heeft Zijn volk bezocht! Hij heeft gedacht aan Zijn genade, Zijn trouw aan Israël nooit gekrenkt.

 

Naomi, zie je dan niet dat ze in Bethlehem overal bezig zijn met de voorbereiding van het Pascha? Let dan toch op dat golvende graan. Straks zullen op het Pascha de eerste sikkels slaan in de gersteoogst; dan zullen de eerste garven van de gersteoogst aan de Heere worden gebracht als een dankoffer. Zeven weken later, op het pinksterfeest, zo lezen we in Exodus 34 vers 22, bracht men dan de eerste garven van de tarweoogst, die zeven weken later dan de gersteoogst werd binnengehaald. En, nog meer: straks zal op het Pascha in Bethlehem het paaslam worden geslacht, en het bloed worden gestreken aan de deurpost. Naomi, heb je daar dan geen oog voor, door de bitterheid van je verdriet? Naomi ziet het nog niet. Maar, gemeente, als dat open gaat, dan zien we de grote lijn van de geschiedenis van het heil.

Dat is de betekenis van dit kleine bijbelboekje. Het loopt uit op het Paaslam, de komende Christus, de komende Zaligmaker. Het begin van de gersteoogst, dat is Pasen. Dat is het Paaslam Dat geslacht wordt.

Naomi loopt daar, tussen die akkers van Bethlehem, middenin de zegeningen van God. Maar door haar verdriet ziet ze het niet. Beste vriend, beste vriendin, misschien is het zo ook wel bij u, dat u door uw verdriet Gods zegeningen niet ziet.

Maar straks zullen de ogen van Naomi open gaan voor de gunstbewijzen van God. En waaraan heeft ze dat te danken? Ze heeft het te danken aan het Paaslam, Jezus Christus, Die eens geboren zal worden in datzelfde Bethlehem, waar Naomi met Ruth naar toe getrokken is. Elk Pascha was één roep om de komst van dat grote Paaslam, Jezus Christus. In Hem zal een schat van zegeningen zondaren ten erfdeel zijn.

En gemeente, zo is het nog, als je er oog voor mag hebben. Naomi had er eerst nog geen oog voor. Haar ogen waren verduisterd door het verdriet.

 

Hoeveel zegeningen geeft de Heere ons niet? Je mag toch in vrijheid het Woord van God horen? Ondanks de zonden van Nederland en de zonden van je eigen leven. Je mag nog in de kerk zitten. We hebben nog mogen oogsten, het afgelopen seizoen. Waarom? Waar hebben we dat aan te danken?

God heeft Zijn volk bezocht! Hij heeft gedacht aan Zijn genade, Zijn trouw aan Israël nooit gekrenkt. Het is alleen om het Lam. Elk gunstbewijs is onverdiend. Dominee Fraanje schrijft in zijn Maandagse Catechisaties: ‘Als het bloed van het Lam niet gedruppeld had op de aarde, dan zou niet één grassprietje nog groeien.’ Heb je het zo al gezien? Heb je zo al teruggekeken op dankdag? Het afgelopen seizoen, alles wat God gaf in je werk en in je gezin… En jongelui, in je studie en in je werk, en kinderen op school. God is zo goed en Hij denkt aan Zijn genade. Als je echt die genade mag leren kennen, dan mag je nog veel dieper zien. Dan mag het geloof zeggen: ‘Wat de Heere me geeft, dat is betaald met het bloed van het Paaslam, Jezus Christus. Ik mag eten en drinken op kosten van het Lam van God!’

Dan blijft er alleen maar verwondering over, ook al is er de bitterheid van het verdriet in je leven. Maar dan toch dankdag! Ik ben geringer dan al deze weldadigheden en dan al deze trouw (Gen.32:10). ‘Ik heb de vloek verdiend, want ik ging mijn eigen weg toen ik vol van God ben weggegaan. Maar Hij droeg het oordeel en Hij heeft mij teruggebracht. En daarom mag ik nu terugkomen in Bethlehem, aan het begin van de gersteoogst.’

 

Dat Pascha in Bethlehem wijst op die Ene, Die komen zal. Dat is de grote lijn in dit boekje. Kijk eens, wie loopt er naast Naomi? Eén van de voormoeders van Christus. Want Ruth zal straks met Boaz trouwen en dan zal Obed hun kind zijn, de grootvader van David. Dit boekje loopt uit op: Obed gewon Isaï, en Isaï gewon David (Ruth 4:22). En dan zie je achter David zijn grote Zoon: Jezus Christus, het Paaslam, van Wie het begin van de gersteoogst in Bethlehem gesproken heeft.

Kijk eens goed! Wie loopt daar naast die bedroefde Naomi, die er nu nog geen oog voor heeft? Een voormoeder van Christus. Christus wandelt in Ruth al naast Naomi door de velden en de straten van Bethlehem. En daarom zal Naomi straks ervaren: ‘Na het zure geeft Hij het zoet.’ Daarom moest zij terugkomen, met lege handen.

Ledig heeft mij de Heere doen wederkeren. Opdat die lege handen vervuld zouden worden met het Kind, Jezus Christus. Wat is de Heere dan eindeloos goed en liefdevol, ook al breekt Hij een mens helemaal af en ook al maakt Hij je handen leeg. Zijn handen slaan, maar ze helen ook wonderlijk. Bij Hem zijn milde handen en vriendelijke ogen. En als je ooit in die vriendelijke ogen gekeken hebt, dan wordt de zonde zo verschrikkelijk bitter. Maar dan is het ook Gods goedheid die het hart verbreekt.

 

Zo mag Naomi met Ruth Bethlehem binnentrekken. De zwerfster komt eindelijk thuis. God heeft haar teruggebracht. Als het aan haar gelegen had, was ze nooit teruggekomen. Maar nu is ze terug in Bethlehem, het broodhuis. En daar zal eeuwen later Jezus Christus als het Brood des levens worden neergelegd in een kribbe.

Dat is ook een mooie gedachte. Met lege handen komt Naomi in het broodhuis Bethlehem. Ze komt met lege handen tot Christus. Opdat Hij ze zou vervullen met Zijn genade. Opdat je gevoed zou worden met dat Brood des Levens.

En zo zeg je: ‘Naomi, ik kan het begrijpen, de bitterheid van je verdriet. De beproeving is zo verschrikkelijk groot. Maar zie je dit dan niet? Smaakt en ziet dat de Heere goedertieren is!’

 

Straks zal er een kind geboren worden in Bethlehem. En dan zal Naomi met dat kind op haar knieën zitten. Obed, één van de voorvaders van Christus. En Naomi nam dat kind en zette het op haar schoot en werd zijn voedster (Ruth 4:16). Dat kind draagt hét Kind, Dat eeuwen later ook in Bethlehem geboren zal worden, al in zich. ‘Hij heeft gedacht aan Zijn genade, Zijn trouw aan Israël nooit gekrenkt.’

 

O gemeente, zit u altijd nog in Moab? Ben je op deze dankdag vol van jezelf, en ver van God?

Er is een boekje over het boek Ruth. Dat heet: Van Moab naar Bethlehem. Zit u altijd nog in Moab? Kom toch uit Moab naar Bethlehem! Daar is het Brood des levens neergelegd. Daar vond Naomi het Paaslam, samen met Ruth, aan het begin van de gersteoogst. Daar is volkomen verzadiging. Daar maakt God in Christus lege handen vol met Zijn genade.

 

Eeuwen later klinkt het, boven diezelfde velden van Efratha, als het Kind in de kribbe ligt: Ere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in de mensen een welbehagen (Luk.2:14). Het begin van de gersteoogst! Zie, het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt! (Joh.1:29) Ook al is er de bitterheid van het verdriet. Ook al is er vanbinnen misschien opstand en tegenstand. Zie, het Lam Gods!

Zo zal het echt dankdag worden. Hier in beginsel en straks volkomen. Dan zullen de tranen van de bitterheid en van het verdriet voor altijd zijn weggedaan. Dan zullen lege handen voor eeuwig vol zijn van die God.

Gode zij dank voor Zijn onuitsprekelijke gave! (2 Kor.9:15)

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 85: 4

 

Dan wordt genâ van waarheid blij ontmoet;
De vrede met een kus van ‘t recht gegroet;
Dan spruit de trouw uit d’ aarde blij omhoog;
Gerechtigheid ziet neer van ‘s hemels boog;
Dan zal de Heer’ ons ‘t goede weer doen zien;
Dan zal ons ‘t land zijn volle garven biên;
Gerechtigheid gaat voor Zijn aangezicht,
Hij zet z’ alom, waar Hij Zijn treden richt.