Ds. D. Rietdijk - Zondag 38

Het sabbatsgebod

De oorsprong van de sabbat
De inzettingen van de sabbat
Het doel van de sabbat
Deze preek is eerder gepubliceerd in ‘De Heidelbergse Catechismus’ van ds. D. Rietdijk en ds. C.G. Vreugdenhil (Uitg. Groen, 1998).

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 63: 1, 2
Lezen : Markus 2: 23 - 3: 6
Zingen : Psalm 92: 1, 2
Zingen : Psalm 92: 3, 5
Zingen : Psalm 100: 3, 4

Gemeente, wij overdenken Zondag 38 van onze Heidelbergse Catechismus. Deze Zondag gaat over het vierde gebod. Daar lezen wij ons catechetisch onderwijs:

 

Vraag 103: Wat gebiedt God in het vierde gebod?

Antwoord: Eerstelijk, dat de kerkendienst, of het predikambt, en de scholen onderhouden worden, en dat ik, inzonderheid op de sabbat, dat is op de rustdag, tot de gemeente Gods naarstig kome, om Gods Woord te horen, de sacramenten te gebruiken, God de Heere openlijk aan te roepen, en de armen christelijke handreiking te doen; ten andere, dat ik al de dagen mijns levens van mijn boze wer­ken ruste, de Heere door Zijn Geest in mij werken late, en alzo de eeuwige sabbat in dit leven aanvange.

 

Het gaat over: Het sabbatsgebod.

 

En dan letten wij op drie dingen:

1. De oorsprong van de sabbat

2. De inzettingen van de sabbat

3. Het doel van de sabbat

 

1. De oorsprong van de sabbat

 

De catechismus laat ons horen wat de Heere ons gebiedt in het vierde gebod. Op de sabbatdag, één van de zeven dagen van de week, zullen wij rusten van ons werk. Sabbat wil letterlijk zeggen: rust. De sabbatdag, de zondag, is een rustdag. En de Heere gebiedt dat wij die rust zullen waarne­men.

 

Het is opmerkelijk dat de Heere in de voorgaande geboden zegt wat er níet moet geschieden: Gij zult geen andere goden hebben, gij zult geen gesne­den beelden maken, en gij zult de Naam van de Heere niet ijdel gebruiken… Maar bij het sabbatsgebod gaat het niet om het negatieve, maar daar staat precies in wat u wél moet doen.

Het begint letterlijk met de woorden: Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt. Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen ; maar de zevende dag is de sabbat des Heeren uws Gods, dan zult gij geen werk doen, gij, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw os, noch uw ezel, noch uw vreemdeling die in uw poorten is (Ex.20:8-10).

 

Gedenk de sabbatdag.

Het vierde gebod laat ons dus veel meer horen wat we wél moeten doen en waarmee we op die dag bezig moeten zijn, dan wat we níet moeten doen.

Om dat goed te verstaan moeten wij zien waar de oorsprong van die sabbatdag, die zevende dag, ligt. De eerste dag waar­op deze sabbatdag gegrond is, vinden wij terug in de schepping. Dit vierde gebod behoort tot de eerste tafel van de wet. Daar gaat het over dat wij God moeten liefhebben boven alles, met geheel ons hart, met geheel onze ziel en met al onze krachten.

Het verband tussen de sabbatdag en het liefhebben van God, is dat wij ook op die sabbatdag moeten lijken op God, dat wij navolgers van God moeten zijn, en dan de Heere moeten liefhebben. Want wat deed God op de zevende dag? Dat is in het sabbatsgebod verankerd, tenminste in het sab­batsgebod zoals dat gegeven is in het boek Exodus. Want daar staat dat God in zes dagen de hemel en de aarde geschapen heeft en al wat daarin is en dat Hij rustte op de zevende dag. In het vierde gebod wordt ons ten voorbeeld gehouden hoe God dat Zelf gedaan heeft. In zes dagen heeft Hij de hemel en de aarde geschapen uit het niet, maar op de zevende dag heeft God gerust.

 

Ging het in het eerste gebod om het Wezen van God, in het tweede om de dienst van God, in het derde gebod om de Naam van God, nu gaat het om het leven van God.

Zes dagen heeft Hij gearbeid en op de zevende dag rust­te Hij van Zijn werk. U moet goed zien hoe God rust. Er staat in de Bijbel dat de Schepper van hemel en aarde niet moede noch mat wordt. Dat wil zeggen: God was niet vermoeid op de zevende dag, zodat Hij ging rusten van het scheppingswerk. Dat rusten is totaal iets anders bij God; dat rusten is het Zich vermaken in het werk van Zijn handen. God zag al wat Hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed (Gen.1:31).

En dat ritme van God, zes dagen scheppen en op de zevende dag rusten en Zich vermaken in het werk van Zijn handen, dat moet nu ook de maatslag zijn voor het leven van Gods beelddrager. De mens kreeg in het paradijs de cultuuropdracht. Hij moest de aarde bebouwen en beplanten, hij moest kin­deren voortbrengen en de aarde vervullen, de heerschappij hebben over al het gedierte en over de vogelen des hemels. Maar op de zevende dag moest hij rusten van al zijn werk. Het leven Gods weerspiegelde zich dus in Zijn beelddrager. Zes dagen werken en op de zevende dag rusten en zich verma­ken in God.

U begrijpt wel dat daar niets meer van over is. De mens is gevallen. Als u op één punt wilt zien dat de mens inderdaad gevallen is, dan ziet u dat wel op de rustdag. Want de mens verloor het vermaak in het werk van God. Hij had ook geen vermaak in de rust, in die zin dat hij zich verblijdde in het werk van God. Nu wordt de mens, zegt Job, tot moeite geboren en jaagt rusteloos verder. Hij is geen beelddrager meer. Hij vertoont niet meer het levensritme dat er in God was. Hij jaagt door, zeven dagen lang. Dan is hij met het één bezig en dan met het ander.

 

In deze verloren wereld, waarin die gevallen beelddrager staat, die nergens meer rust in vindt, die zelfs geen rust meer heeft om in de dienst van God op te gaan en onder de prediking van het Woord van God te zitten, komt God in Christus Jezus tot deze mens. En Hij gaat die herscheppen naar het beeld van God. Hij gaat ze weer beelddragers maken van de Zoon van God. Ze moeten navolgers van God, als geliefde kinderen, worden.

 

Zes dagen werken, maar op de zevende dag zult gij geen werk doen. Het is een geweldige genade, dat God ons die dag gegeven heeft. Op één van die zeven dagen moeten wij rusten.

Die rust wilde God ook in de schepping. Denkt u maar aan de sabbatsjaren die de Heere in Israël gegeven had. Het zevende jaar moest het land rusten, dan moest het braak blijven liggen. Je mag de schepping dus niet uitputten. Dat is overigens een moderne les van­uit de oude Bijbel, ook voor onze dagen.

En denkt u maar eens aan het jubeljaar. Het jubeljaar is het zeven maal zevende jaar plus één, het vijftigste jaar, en dan was er rust en vrijheid, dan was er de sabbat op zijn allerheerlijkst. Dan werd men van dienstbaarheid ontslagen en het volk van Israël werd weer in de oude bezittingen terugge­zet. Dan was er echt iets van dat sabbatsfeest.

 

En, gemeente, waar wij die rust zo moeilijk meer kennen, vooral in onze gejaagde westerse wereld, wil de Heere leren hoe wij rusten zullen.

Dat wil dus niet zeggen dat wij niets doen, maar dat wij een navolger van God zijn, als geliefde kinderen. De Heere heeft op die zevende dag niet niets gedaan en Hij wil ook niet dat u niets doet. Hij heeft Zich vermaakt in Zijn werken en Hij wil dat ook u zich gaat vermaken in de werken van God. Want God is een werkzaam God. De Heere Jezus zegt: Mijn Vader werkt tot nu toe, en Ik werk ook (Joh.5:17). Er is in God nooit een stilte. Nee, God is een werkzaam God. En ook de rust die Hij neemt, is een werkzame rust.

De Heere roept ons op de sabbatdag, op de zondag, niet op tot niets doen, maar tot blijdschap in Zijn werk. Dat is dus geen ledigheid, dat is dus niet met je armen over elkaar zitten. Maar het is wel: slaafse arbeid laten liggen en te rusten in Hem en bezig te zijn in de werken van God, zoals Hij die in Zijn Woord heeft geopenbaard. De wer­ken van de herschepping. Bezig te zijn in de dingen van het koninkrijk van God. Daar heeft de Heere ons toe geroepen.

 

Dat sabbatsgebod is dus niet maar een nalaten, maar dat is een bezig zijn in de dingen des Vaders. Dat was het ook voor Jezus: ‘Mijn spijs en drank is het om te doen de wil van Mijn Vader, Die in de hemelen is.’ Wel, dat vraagt de Heere nu ook van Zijn kinderen op de zondag: ‘Mijn spijs en drank is het, om de wil van de Vader te doen.’

Hij heeft die dag gezegend. En omdat Hij die dag gezegend heeft, daarom heeft Hij die ook geheiligd. U moet op de volgorde letten, zoals die in het vierde gebod wordt genoemd. De Heere zegende de sabbatdag en heiligde dezelfde. Dus de dag is niet geheiligd en daarom gezegend. Nee, God zegent die sabbatdag, namelijk in Zijn huis, onder de bediening van Zijn Woord, in die rust, in dat vermaak in de werken Gods. Dan zegent de Heere die dag met een bijzondere zegen en daarom heeft Hij die ook apartgezet. Want dat wil dat woord ‘heiligen’ zeggen: apartzetten, afgezonderd van al de dagen van de week.

 

Gemeente, wat is dat een geweldige zaak! God wil namelijk aan de ziel, in de zegen die Hij op de zondag geeft vanuit Zijn Woord, de rust schenken. Aan zo’n mens, die uit de strijd en de zorg van het leven naar het huis des Hee­ren komt met zijn zonden en struikelingen, gaat de Heere één dag in de zeven dagen geven, waarop Hij zegt: ‘Ga nu maar zitten in Mijn huis. Dan geef Ik u onderwijs vanuit Mijn Woord. Ik geef u een zegen vanuit Mijn eeu­wig getuigenis.’

Dan hoef je niet bezig te zijn met je levensonderhoud. Dan hoeft de kerk des Heeren helemaal niet bezig te zijn met slaafse arbeid, maar dan mag ze bezig zijn met de dingen die boven zijn, waar Christus is, zittend aan de rechter­hand van God, en niet met de dingen die op de aarde zijn.

 

De Heere heeft nog een tweede dag gesteld waardoor Hij Zijn kerk bindt aan de sabbatdag. En die tweede dag was de dag waarop het volk Israël stond bij de Sinaï. Want daar heeft de Heere het hele volk van Israël in een verbond gesteld met Zichzelf. Dat volk was het verbondsvolk van het Oude Testa­ment, dat in het Nieuwe Testament over alle volken heengaat. Israël stond daar bij de Sinaï en de Heere stelde dat volk met Zich in een verbond. En tot teken van dat verbond heeft Hij de sabbatdag gegeven.

In Ezechiël 20 wordt gezegd dat Hij Degene is Die de sabbatdagen gege­ven heeft aan het volk van Israël tot een teken van Zijn verbond. Hij was de God van het verbond, Hij zorgde voor dat volk. Dat volk mocht zich één keer in de zeven dagen vermaken in de dienst van God.

Onder het Oude Testa­ment was de dienst van God in zeer scherpe bepalingen vervat. De sprokkelaar, die op de sabbatdag hout sprokkelde, moest zelfs gedood wor­den. Dat oudtestamentische verbond was dus in zeer wettische bepalingen vervat. Degene die op de sabbatdag ging sprokkelen, ontkende dat hij een God had Die voor hem zorgde, die weersprak dat er een God was Die hem zou spij­zen met het vette der tarwe en hem zou doen rijden op de hoogte der aarde. Die meende dat hij ook op die dag nog bezig moest zijn met zijn levenson­derhoud.

Israël mocht in de woestijn geen manna rapen op de sabbatdag. Dat was de enige dag waarop zij niet hoefden uit te gaan om manna in hun kruikjes te vergaderen. Ze mochten zich alleen maar verlustigen in de Heere.

 

En nu heeft Israël op twee manieren die dag verbroken. Zij hielden dat gebod niet, zodat die dag bestemd werd voor allerlei werk. Denkt u maar aan de dagen van Ezra. Men kocht en verkocht ook op de sabbatdag. Maar in het bijzonder hebben de farizeeën deze dag verbroken. Want de sabbatdag hebben zij gemaakt tot een dag waar je op allerlei manieren en langs slinkse wegen onderuit kon komen en waarbij je toch je eigen lusten kon naleven en ogenschijnlijk het gebod van God houden.

Daarom was dat oude verbond een onvolkomen verbond; dat kon echt niet bereiken wat God met Zijn genade in Zijn koninkrijk bereiken wilde.

 

Vandaar dat er een derde bijzondere dag is, die de zondag gestalte heeft gegeven en die de kerk des Heeren aan deze ene dag in de zeven dagen bindt.

In de eerste plaats is de Heere Jezus opgetreden tegen de farizeeën en heeft Hij die sabbatsonderhoudingen van hen gelaakt. Hij heeft laten zien wat de Heere van hen eist. Het is u voorgelezen uit het Markusevangelie, dat de Heere op de sabbatdag genas. ‘Is het op de sabbatdag ook geoorloofd om wel te doen?’ Het was een totaal vertekend beeld. Dacht u dat de Heere geen liefdebetoon wilde op de zondag? Dacht u dat de Heere wilde dat u een zieke zomaar op zijn ziekbed zou laten liggen en dat u dan zou zeggen: ‘Excuses, maar het is sabbat vandaag’? Nee, de Heere vraagt liefde, ontfer­ming, barmhartigheid en geen offerande.

En toen is die dag gekomen, de sabbatdag, waarop Jezus in het graf lag. Hij heeft in dat graf gerust van Zijn werken en in dat graf al de gebroken sab­batten van Zijn kerk verzoend. Hij heeft toen al die dagen die ver­broken werden onder het oude verbond en onder het nieuwe verbond, verzoend.

Hij heeft op de sabbat in het graf gelegen, maar op de eerste dag van de week is Hij opgestaan uit de doden, tot heerlijkheid van Zijn Vader. Die eerste dag van de week is de dag geworden waarop Hij Zijn kerk bijeenvergaderde, waarop Hij Zijn kerk heeft opgezocht en waarop Hij Zijn kerk ‘Vrede zij ulieden’ heeft toegeroepen.

Dat is de dag des Heeren geworden, de dag waarop Johannes op Patmos Christus heeft ontmoet. Dat is de dag gewor­den waarvan de apostelen hebben gesproken. Dat is de dag die door Chris­tus geheiligd is en als de eerste dag van de week apartgezet is, geheiligd door Zijn opstanding uit de doden.

 

En nu is die dag ook van karakter veranderd. Israël moest zes dagen lang leven en werken naar die zevende dag toe en dan, na zes dagen werk, rusten op de zevende dag. De nieuwtestamentische gemeente mag door het geloof leven uit de opgestane Heere Jezus en uit Zijn volbrachte arbeid. En dan mag zij vanuit de eerste dag van de week de overige dagen ingaan. Dan mag je vanuit het werk van Hem het leven ingaan en werken en doen wat je doen moet.

Dan is het wettische van de sabbat weg en dan is het evangelische van de sab­bat gekomen. Dan wordt de zondag de dag van de bron waarmee je de ande­re dagen van de week ingaat, waardoor je gevoed en gesterkt wordt vanuit het Woord van God. En door middel van de sacramenten kun je de weekda­gen versterkt ingaan. Dan wordt de zondag een schaduw van toekomende dingen. Ze gaat ons prediken het heerlijke van de bediening van Christus Jezus, zoals die zal zijn als de eeuwige sabbat zal zijn aangebroken en Hij Zijn kerk tot Zich nemen zal in de eeuwige rust.

 

Zo is de ontwikkeling geweest van de sabbat in de schepping, in de her­schepping, onder het oude Israël, maar ook toen Jezus was opgestaan uit de doden. Maar wat betekent dat nu voor ons? Hoe moeten wij de zondag doorbren­gen? In onze catechismus vind je helemaal niets over wel of niet autorijden. Er staat niets in over allerlei bijzondere buitenkantjes van het leven. De cate­chismus pakt, zo zou je kunnen zeggen, de koe bij de horens en begint zomaar onmiddellijk met: eerstelijk dat de kerkedienst, het predikambt en de scholen onderhouden worden.

U zult zeggen: ‘Nou ja, dat is toch eigenlijk wel een beetje erg nuchter, dat het predikambt, de kerkedienst en de scholen onderhouden worden?’ Bedenk wel dat de catechismus niet bedoelt dat je zondags kerk houdt. Natuurlijk, dat komt straks aan de orde, dat wordt in die tweede zin gezegd, maar het eerste is dat het predikambt en de kerkdienst en de scholen onder­houden worden. Dat is het sabbatsgebod, dat is een verplichting die wij met elkaar hebben te dragen.

U moet bedenken dat dat verder gaat dan alleen maar, laten we zeggen, onze gaven geven voor de kerkdienst. Natuurlijk moet die kerkdienst onder­houden worden, daar moeten we voor zorgen. Dat is een gemeenschappelij­ke last die de Heere in dit gebod op Zijn gemeente legt. Het blijkt heel dui­delijk uit de Handelingen der apostelen, dat die eerste gemeenten daar ook voor hebben gezorgd.

Het gaat om de dienst van het Woord in de allereerste plaats, en dan moet er een kerk zijn. In die kerk moet ook de bediening van het Woord zijn door middel van het predikambt. Want daar wordt de rust geschonken. Van die kerk des Heeren, van die dienst des Heeren, zingt Psalm 36:

 

Hier wordt de rust geschonken;
Hier ‘t vette van Uw huis gesmaakt;
Een volle beek van wellust maakt
Hier elk in liefde dronken.

 

De dienst van het Woord staat op de eerste plaats.

Wij moeten beginnen met zorgen voor de kerken. Maar dan ook voor het predikambt. Dat zorgen voor het predikambt klinkt u misschien een beetje vreemd in de oren. U zegt: ‘Maar hoe doe je dat dan? Daar kunnen wij toch niks aan doen, en is dat nu wel een taak voor ons om daarvoor te zorgen?’ Jawel. In de eerste plaats denk ik aan het gebod van de Heere. De Heere zegt: De oogst is wel groot, maar de arbeiders zijn weinige; bidt dan de Heere des oogstes, dat Hij arbeiders in Zijn oogst uitstote (Matth.9:37-38). Dat gebod ligt op de gemeente, en dat is ook iets wat je privé moet doen.

Dat sabbatsgebod is dus niet alleen maar een gebod voor de zondag, maar ook voor al de andere dagen van de week. Daar ligt een zorg in het gebed. Bidt dan de Heere des oogstes. Paulus gaat nog één stap verder en zegt in zijn brief aan Timotheüs: ‘Zie om naar jonge mannen, bekwaam om te leren.’ Kijk eens hier en daar, Timotheüs, of je jonge mannen ziet, die bekwaam zijn om te leren. Zijn wij daar nog mee bezig? Laat ik dat eens gewoon vragen aan u. Dat hoort bij het onderhouden van dat predikambt. Kijkt u er wel eens naar om, of zouden we als kerk er méér naar om moeten kijken?

Dat zijn zo van die dingen die vanuit de catechismus en vanuit de brieven van de apostelen toch naar ons toe komen. Die mannen moeten er wel zijn. De Heere zegt in Zijn Woord: ‘Ze komen niet vanzelf, daar moet je voor bidden. En Timotheüs, kijk daar eens naar om!’

 

Ik moet u in de derde plaats zeggen dat in de Bijbel het voorbeeld van Hanna altijd geweldig aanspreekt. Hanna bad om een kind. En was dat nu zomaar om een kind? Nee, want Hanna bad niet om een kínd, maar om een zóón. En waarom bidt ze om een zoon? Opdat die zoon een nazireeër zal zijn in Israël, dat wil zeggen dat Hij met Zijn hele gedrag, gestalte en persoon in Israël zou laten zien hoe dat volk moest leven.

Hanna was dus voor de geboorte van haar kind al bezig met het vragen aan de Heere: ‘Heere, mag ik een kind van U krijgen dat in Uw dienst en in de predikdienst staat?’ De Heere heeft dat gebed verhoord. Samuël is geboren; de van de Heere gebedene. Hij is een geweldig groot richter en profeet in Israël geworden.

 

En, gemeente, dan ten slotte de vierde zaak. Hoe zijn we met onze kinde­ren bezig in onze huizen? De kerk roept om ambten. Er moeten ambtsdra­gers zijn, ouderlingen, diakenen en dienaren van het Woord. En als wij nu in onze gezinnen bezig zijn met de kinderen, denken we dan wel eens aan de vervulling van die ambten?

Onze vaderen, ik bedoel de nadere reformatoren uit de zeventiende eeuw en het begin van de achttiende eeuw, vonden in de geschriften waarin ze over de opvoeding spraken, dat de gezinnen eigenlijk de tuinen waren waarin de kinderen als plantjes werden geplant. Die wer­den daar geleid, verzorgd en tot de dienst van de Heere voorbereid. Daar heb­ben die vaderen niet alleen maar over geschreven in een wat duffe studeer­kamer, maar daar hebben ze zich in de praktijk ook aan gehouden. Daar hebben ze ook bij geleefd.

Kinderen leiden tot het ambt. Praten we daar wel eens over, ouders? Dat staat hier in het sabbatsgebod: predikambt en scholen moeten onderhouden worden. Of praten we nooit over de dienst van God? Houdt u er rekening mee, dat ook dat hoort bij de dienst van God? De armoede van deze tijd is het zwijgen in de huiskamer over het werk van God.

 

Scholen onderhouden. Als je het Schatboek neemt, het boek waarin de catechismus wordt uitgelegd door één van de opstellers, dan blijkt dat met die scholen bedoeld wordt: plaatsen waar de jeugd wordt onderwe­zen. Dus wij hebben ook te zorgen voor de scholen waar de jeugd wordt onderwezen in het Woord van God. Gezin, kerk en school. Dat in de aller­eerste plaats. Zal er van een sabbatsviering sprake zijn, dan is er eerst nodig dat wij de kerkdienst onderhouden, dat de jeugd wordt onderwezen en dat er predikanten komen.

 

Nu het tweede:

 

2. De inzettingen van de sabbat

 

Op de zondag kom je naarstiglijk op, dat wil zeggen: met grote lust, met liefde, met ijver. Want, gemeente, als de Heere Zijn dienst waarde geeft in ons leven en we die waarde hebben ervaren, wanneer dat Woord is opengegaan, dan komen we niet zomaar eens één keer in de kerk en hebben het dan weer bekeken voor die week, maar dan komen we elke week en wel zo dikwijls als de deuren van het huis van de Heere openstaan.

Gemeente, als de liefde van God, de liefde voor de dienst van God in de har­ten van mensen is uitgestort, dan kun je die mensen overal vinden. Die hoef je er niet bij te slepen; dan is het niet nodig om die mensen er telkens op te wijzen dat het hun plicht is om twee keer per zondag naar de kerk te gaan. Welnee, die zie je overal, die zijn er altijd. Dat zijn mensen die weten wat het is: ‘Hoe lieflijk, hoe vol heilgenot, o Heere, der legerscharen God, zijn mij Uw huis en tempelzangen!’

En als die behoefte ontbreekt, dan is er het bevel van de Heere, Die zegt: ‘Kom twee keer naar Mijn huis toe. Kom daar luisteren naar Mijn Woord!’ Wij moeten onze kerkgang niet afmeten aan onze behoeften. Want, gemeente, laten we eerlijk zijn, als we naar onze behoeften gaan bidden, bijbellezen en naar de kerk  gaan, dan bidden we straks helemaal niet meer en dan lezen we nooit meer in de Bijbel en dan zie je ons straks hele­maal niet meer in de kerk. Het gaat niet om de behoeften van uw leven, maar het gaat erom wat God van u vraagt.

 

En dan lees ik in de Handelingen der apostelen hoe het ging met de gemeen­te die ontstond door de Geest van Christus, Die op de pinksterdag werd uit­gestort. De gemeenteleden waren volhardende in de leer der apostelen. Ze waren iedere keer als het kerk was aanwezig. Volhardende in de leer der apos­telen, in de gebeden, in de breking van het brood en in de gemeenschap.

Onze catechismus is gebaseerd op deze tekst. Naarstiglijk komen om het Woord van God te horen. En dan staat er: maar inzonderheid op de dag des Heeren, op de rustdag. Als er in de week wat is, dan kom je ook, natuurlijk. Wist u dat er in de dagen van Calvijn drie preek­avonden in de week waren? Dan kwam de gemeente van Genève in de kerk bijeen en ging luisteren naar de uitleg van het Woord van God. Dat was een vervolguitleg. Ze begonnen bij Genesis 1 vers 1 en dan gingen ze zo de hele Bij­bel door. Dat duurde jaren, natuurlijk. Twintig jaar soms. Maar ze deden het en die kerk was er en die werd gebouwd.

 

Gemeente, waar een levende gemeente is, waar het Woord van God leeft in de harten, waar het geloof levend is, daar komen wij tweemaal in de kerk. Natuurlijk zijn er de werken der noodzakelijkheid en der barmhartigheid, die gedaan moeten worden. Je kunt de ziekenhuizen niet leeg laten stromen en geen verpleegkundige of arts daar achterlaten.  Natuurlijk niet! Dat werk heeft zijn voortgang nodig, dat weet de Heere ook. Als je daarin werkzaam bent, dan weet de Heere best dat je die zondag dienst hebt.

Dan kan het wel eens zijn dat er een zondag bij is waarop je helemaal niet naar de kerk kunt. Soms kun je één keer, ga dan, al is het met veel moeite. Doe dat, de Heere zegent het. En als je niet kunt, neem dan maar rustig je Bijbeltje of een preek, lees dan daar maar in. Je zult zien dat de Heere daar Zijn zegen over wil geven, dat dat rijk wordt gezegend aan je hart.

God weet alle dingen van ons leven. Het gaat erom waar ons hart naar uit­gaat, waar onze liefde naar uitgaat. Wat is nu hetgeen onze gedachten bezet houdt? Is dat de wereld? Dan gaan we met de wereld ten onder. Maar is dat God, dan zullen we ook met dat Woord van God en met de dienst van God willen leven. Dan zullen we volharden in de leer der apostelen en in de gebe­den. Dan komen we met de gemeente Gods samen.

 

Luistert u! Er staat in deze catechismus: tot de gemeente Gods. Daar staat dus niet dat u naar die of die predikant moet gaan, maar daar staat dat u naar de gemeente Gods moet komen. Want die gemeente is een organisme, dat is een gezin. In een gezin komen de kinderen bij vader en moeder thuis om te eten, dat is vanzelfsprekend. Je gaat als kind niet zomaar drie straten verder eens aanbellen om te vragen of je daar kunt eten. Dat doe je niet. Je komt samen.

Kijk, zo heeft de Heere ook Zijn orde. Laat alle dingen met orde geschieden, staat er in de Korinthebrief, en dat is ook dit: tot de gemeente Gods komen. Dat is een organisme, daarin heb ik door Zijn leiding, door de voorzienigheid van God, een plaats gekregen. Daar wordt de voorbede gevraagd en dan wordt u geacht mee te bidden en die voorbede met u mee te dragen de week in, om dan te denken: Die moet vandaag geopereerd worden en die heeft vandaag een begrafenis. Ja, zo meeleven met de gemeente. Daar heb je een plaats in gekregen en daar word je ook verwacht. Daar geeft de Heere ook nu in Zijn Woord wat u nodig hebt op die dag en onder die omstandigheden.

 

De catechismus zegt hier dat wij daar komen om de Heere God openlijk aan te roepen en om de armen christelijke handreiking te doen. Kijk, dat geven voor de kerkedienst is een verplichting, maar de armen christelijke handreiking doen geschiedt door de liefde van Christus, ziende op die onuit­sprekelijke gave van God. Dat is een liefdesgave die wij geven voor de armen, en die hebben wij altijd bij ons.

 

Daar hebt u het sabbatsgebod. Gods Woord horen, de sacramenten gebrui­ken. Daar horen wij ook bij te zijn. We moeten niet zeggen: ‘Dat duurt zo lang. Aan het avondmaal hoor ik toch niet, dan blijf ik maar liever thuis.’ Kijk, dat is nu de sacramenten verachten. En van hen die dat doen zegt het avondmaalsformulier dat zij geen deel hebben in het rijk van God. Het ligt in het koninkrijk van God zo geweldig nauw.

 

De sacramenten gebruiken, God de Heere openlijk aan te roepen en de armen christelijke handreiking te doen. Dan hebt u het druk! Dan hebt u op zondag voldoende om aan te denken, om te overwegen wat er in de kerk des Heeren geleerd is. Net zoals die van Berea, die voortreffelijker waren dan die van Thessalonica, omdat zij thuis in de Bijbel onderzochten of het alzo was, gelijk van Paulus gesproken werd.

 

We gaan nu eerst zingen, Psalm 92 vers 3 en 5:

 

Hoe groot zijn, Heer’, Uw werken!

Hoe ver gaat Uw beleid!

Gij stelt, met mogendheid,

Elk deel zijn juiste perken.

Een ziel, aan ‘t stof gekluisterd,

Beseft Uw daden niet;

Geen dwaas weet wat hij ziet;

Zijn oordeel is verduisterd.

 

Wie U durft wederstreven,

Wie onrecht durft begaan.

Zult Gij, o God, weerstaan,

Verstrooien en doen sneven.

Gij zult mijn eer vergroten,

Mij sterken in mijn stand;

Ik ben door Uwe hand,

Met olie overgoten.

 

Nu het laatste:

 

3. Het doel van de sabbat

 

Het doel van de sabbat is twee­erlei. ‘Dat is dat ik al de dagen van mijn leven van mijn boze werken ruste, de Heere door Zijn Geest in mij werken late en alzo de eeuwige sabbat in dit leven aanvange.’

Dus twee dingen: je boze werken laten vieren, en Gods Geest in je laten werken en de eeuwige sabbat aanvangen.

 

Onze boze werken, gemeente, dat zijn er heel wat. Je zou je wel eens af kun­nen vragen, in het licht van wat de Heere van ons vraagt: wat is er nu eigenlijk níet boos? Nu staat er in onze oude Nederlandse tekst dit: ‘Onze boze werken vieren late.’ Dat wil zeggen: de banden van die boze werken, die zon­den, moeten worden losgemaakt, die touwen moeten worden losgemaakt. En dat geldt voor alle dagen en niet alleen voor de zondag. Daar ben je elke dag mee bezig en elke dag word je daarmee geconfronteerd. Elke dag opnieuw moet je vragen: ‘Heere, verlos mij van de boze en leid mij niet in verzoe­king.’

Een schip dat aan de kade ligt, komt nooit aan de overkant. Wat aan de kade vastligt, vastgebonden met de trossen om de bolders heen, dat komt nooit weg, maar als je de trossen losgooit en het schip loskomt van de kant, dan gaat het naar de overkant. Daar gaat het om: onze boze werken laten vie­ren. Dat is het afsterven van de oude mens, het afsterven van de zonde en het uitzien naar die volmaakte vernieuwing, naar die grote toekomst die wacht, naar dat altijd bij de Heere zijn.

 

Het tweede is: God door Zijn Geest in mij laten werken. U zult zeggen: ‘Dat moet de Heere doen, God kan alleen maar met Zijn Geest in mij wer­ken.’ Maar dat staat hier niet. Er staat hier niet dat God dat moet doen, maar dat u God door Zijn Geest in u moet laten werken. Wat betekent dat? Wel, dat u alle deuren openzet. Alle deuren openzetten? Ja, de deur van uw geheugen bijvoorbeeld. Want de deur van uw geheugen kunt u dichtdoen door nooit meer eens terug te denken aan het Woord van God en aan de pre­diking van het Woord. Dan bent u er nooit meer mee bezig, dan komt u er niet mee voor Gods aangezicht, dan hebt u die deur gesloten. Je hebt het gehoord en het is goed, het is best, en je gaat naar huis en het is weg.

De deur van uw verstand moet u openzetten. Want als je nooit en te nimmer met de dingen van Gods koninkrijk bezig bent, wat zal dat Woord dan ver­der uitwerken? Het is geen verstandswerk, dat weet ik ook, dat hoeft u er niet onmiddellijk bij te zeggen. Maar het gaat niet buiten het verstand om, want het verstand is de poort van uw ziel. Denk daar goed aan. De Heere werkt ook door een verlicht verstand. Hij gaat het verstand ook verlichten, leest u daar maar over in onze Dordtse Leerregels, hoofdstuk 3 en 4, artikel 11.

U moet de deur van uw hart openzetten. Kijk, die zet je van nature open naar de wereld en dan heb je de wereld lief, dan kijk je daarnaar en dan heb je er nooit genoeg van en dan ben je daar altijd mee bezig. Of staat die poort van uw hart open naar God en naar Zijn koninkrijk? Dan is er dat verlangen naar de Heere, om meer van Hem te kennen.

 

Als zo die poort openstaat naar de Heere, dan ben je wel eens bewogen onder de dienst. Niet dat het om tranen gaat, dat het om bewogenheid alleen gaat. Nee, maar zonder bewogenheid gaat het ook niet. Als je nooit eens bewogen bent onder het Woord van God, als je nooit eens aan­gedaan bent, aangeroerd bent door de scepter van dat Woord van God, door het evangelie van Gods genade, door de liefde van de Heere Jezus, dan is dat hart dicht en gesloten. Je kunt de Geest bedroeven door het Woord te minachten, door je ogen te sluiten voor dat Woord, daar nooit eens in te lezen. Het uitblussen van de Geest wordt dat zelfs genoemd.

Sabbat houden, eeuwig. God door Zijn Geest in mij laten werken. En, gemeente, waar de liefde van Christus in je hart komt en je hart wordt geo­pend en wedergeboren en al de deuren van je ziel gaan open, dan ga je begeren om Hem te kennen en de kracht van Zijn opstanding. Dan wil je Hem en Zijn liefde meer en meer kennen, om steeds meer van Zijn genade te mogen ontvangen.

Dan wordt het Woord ons lief. Dan wordt de dienst van God ons lief. Dan wordt het gebruik van de sacramenten ons lief. Dan gaan wij een begeerte krijgen naar de zondag. Dan is een week eigen­lijk te lang; dan gaat u van de maandag af weer naar de zondag toeleven. Dan is die zondag geen last, dan is die dag niet een kwelling.

Satan maakt er een kwelling van en zegt: ‘Op zondag mag je niks.’ Niet waar, jongens, je mag alles! Alles wat te maken heeft met de dienst van de Heere. Dat is zoveel, daar is één dag eigenlijk veel te kort voor. Eén dag in de week mag je alles wat de Heere van je vraagt en wat in het Woord van God staat en wat de Heere in Zijn Woord gebiedt.

Dan krijg je lust om anderen op te wekken, te nodigen en te roepen om samen naar het huis des Heeren te gaan. Dan zal de Heere vreugde bereiden voor Zijn volk in Zijn woningen, want Hij zal Zijn volk verheugen in Zijn bedehuis. Dat zal de Heere doen, dat belooft Hij. En dat zal Hij dan ook niet nalaten. Dat hééft Hij gedaan, en dat zal Hij doen tot in eeuwigheid. Straks zal de eeuwige sabbat van God aanbre­ken.

 

Gemeente, we komen nooit klaar met die onderwijzing van het Woord, met dat aanroepen van de Naam des Heeren, met dat laten werken van Zijn Geest in ons hart en leven. Als onze laatste adem is uitgeblazen, dan breekt die vierde dag aan, dan gaan we de eeuwige sabbat beginnen. ‘En alzo de eeu­wige sabbat in dit leven aanvangen.’

En waar bestaat die eeuwige sabbat dan uit? Uit niets doen? Welnee! Ik lees in Openbaring dat de heiligen voor de troon van God staan en van het Lam, met lange witte klederen bekleed, die gewassen zijn in het bloed van het Lam, en dan dienen ze God dag en nacht in Zijn tempel. Daar zijn ze dag en nacht mee bezig.

 

Welnu, die vierde dag komt als de Heere Jezus Zijn kerk thuishaalt. Dat is de dag waarop de eeuwige sabbat aanvangt. Een dag met alleen maar een morgen, waar geen avond op volgt, waar geen nacht meer zal zijn, maar waar eeuwige vreugde op hun hoofden zal zijn. Gemeente, dan mogen ze hier in het huis van de Heere wel eens de voorsmaken hebben van die eeuwige sab­bat. Als wij mogen ervaren wat het is om de Heere te ontmoeten in Zijn Woord en om de genade van Christus te mogen zien.

Dan zal ons hart vol worden van die voorsmaak, van die eeuwige sabbat, die eeuwige blijdschap, die de Heere geven zal. Dan gaat de kerk straks voor Gods kinderen aan, zonder ooit meer uit te gaan. Dan gaat de kerk straks eeuwig beginnen en dan zullen ze eeuwig zingen, storeloos. Zonder onder­breking zullen ze zingen van het heil dat Hij bereid heeft.

 

Dan is de sabbat van de Vader ten einde, want Hij heeft gezien wat Hij gemaakt had en dat was zeer goed.

Dan is de sabbat van de Zoon vervuld, want Hij heeft voor Zijn kerk de sabbat over in het graf gelegen.

Dan is de Geest ten einde met al Zijn werk en Die gaat dan sabbat vieren met de gemeente Gods tot in eeuwigheid. Want dan ziet de Geest ook die gemeen­te van Christus voor Hem staan, zonder vlek en zonder rimpel.

 

Dan zal de Vader met de Zoon en de Heilige Geest Zich in die kerk verheugen tot in eeuwigheid.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 100: 3, 4

 

Gaat tot Zijn poorten in met lof,
Met lofzang in Zijn heilig hof;
Looft Hem aldaar met hart en stem;
Prijst Zijnen Naam; verheerlijkt Hem.

 

Want goedertieren is de Heer’;
Zijn goedheid eindigt nimmermeer;
Zijn trouw en waarheid houdt haar kracht,
Tot in het laatste nageslacht.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in ‘De Heidelbergse Catechismus’ van ds. D. Rietdijk en ds. C.G. Vreugdenhil (Uitg. Groen, 1998).