Ds. D. Rietdijk - Zondag 37

Het hoge belang van de eed

De eed in de Heilige Schrift
De eed in de samenleving
De eed in de kerk
Deze preek is eerder gepubliceerd in ‘De Heidelbergse Catechismus’ van ds. D. Rietdijk en ds. C.G. Vreugdenhil (Uitg. Groen, 1998).

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 24: 2, 3
Lezen : Mattheüs 5: 33-48
Zingen : Psalm 15: 1, 3, 4
Zingen : Psalm 99: 8
Zingen : Morgenzang: 6

Gemeente, wij willen met elkaar overdenken Zondag 37 van onze Heidel­bergse Catechismus.

 

Vraag 101: Maar mag men ook godzaliglijk bij de Naam Gods een eed zweren?

Antwoord: Ja, als het de overheid van haar onderdanen, of anderszins ook de nood vordert, om trouw en waarheid daardoor te bevestigen, en dat tot Gods eer en des naasten heil; want zulk eedzweren is in Gods Woord gegrond, en daar­om ook van de heiligen in het Oude en Nieuwe Testament recht gebruikt geweest.

 

Vraag 102: Mag men ook bij de heiligen, of bij enige andere schepselen, een eed zweren?

Antwoord: Nee; want een rechte eed zweren is God aanroepen, dat Hij, als Die alleen het hart kent, der waarheid getuigenis wil geven, en mij straffe, indien ik valselijk zweer; welke eer aan geen schepsel toebehoort.

 

Gemeente, wij luisteren naar Zondag 37. Deze gaat over: Het hoge belang van de eed.

 

Wij letten op drie dingen:

1. De eed in de Heilige Schrift

2. De eed in de samenleving

3. De eed in de kerk

 

1. De eed in de Heilige Schrift

 

Mag men ook godzaliglijk bij de Naam van God een eed zweren?

In de tijd waarin de catechismus werd opgesteld, de tijd van de Reformatie, had men niet alleen te maken met Rome en de paus, noch alleen met de luthersen (die u bepaald anders moet inschatten dan Luther; de luthersen zijn een ander spoor gegaan dan Luther zelf heeft gewild). Maar men had in de tijd van de Reformatie ook te maken met de dopersen, de anabaptisten, de wederdo­pers. En tegen deze stroming richt zich de eerste vraag van de catechismus. De wederdopers hebben gebruik gemaakt van de hele beweging van de Reformatie en van het zich losmaken van Rome en ook van de opkomst van het humanisme, om zo hun revolutionaire ideeën ruimte te geven.

 

Het is u ongetwijfeld opgevallen dat het antwoord op de vraag: ‘Wat wil het derde gebod?’, ook naar de eed heen wijst. Het spreekt van onnodig zweren. Dat wij die Naam van God niet anders dan met vreze en eerbied gebruiken. Je zou je dus af kunnen vragen of het niet genoeg is om in één Zondag te spreken over het derde gebod. Maar dan moet u bedenken dat deze Zondag eigenlijk in het leven geroepen is om weerstand te bieden tegen de revolutionaire wederdopers, de anabaptisten, de mensen die je tegenkomt als vol­gelingen van Jan van Leiden.

Misschien herinnert u zich deze naam nog. Jan van Leiden wilde in Münster het koninkrijk Gods oprichten. Hij en zijn volgelingen keerden zich tegen de eed. Daar wilden ze niet van weten. Want die eed werd door de overheid gevorderd. En de overheid was in de opvattingen van de dopersen alleen nodig in het natuurlijke leven, voor de mensen die alleen maar een natuur­lijk leven hadden. Maar die overheid was helemaal niet nodig voor christe­nen, zoals ze zichzelf zagen en ook hooglijk prezen. Want Christus had hen verlost van de natuur, Christus had hen ook verlost van allerlei natuurlijke banden. Christus had hen gebracht in het paradijs. Zij hadden dus helemaal geen overheid nodig, want hun leven werd bestuurd door Christus en Zijn Woord, maar bovenal door Zijn Heilige Geest.

 

En dan moet u dat zo zien: de Heilige Geest werkte niet door het Woord, de Heilige Geest bestuurde die wederdopers niet door het Woord. Wij zeg­gen: Woord en Geest, die verbinden wij, en houd dat vast alstublieft! De Geest onderwijst altijd en uitsluitend door het Woord. Dat moet ik bena­drukken, want het is nog steeds zo dat er mensen zijn die denken dat die Geest door visioenen werkt. En dat die Geest werkt door dromen en allerlei wonderlijke gezichten, door inspraken die zelfs tegen het Woord kunnen ingaan en niets met het Woord van God te maken hebben.

Zo leefden die anabaptisten ook. Die spraken van de Heilige Geest, Die hen bestuurde, maar dat gebeurde dan zonder het Woord.

Als Jan van Leiden een droom krijgt dat hij naar Münster moet trekken om daar het koninkrijk Gods op te richten, nou, dan trekt hij op en dan krijgt hij, ik weet niet hoe­veel, mensen met zich mee. Want het buitengewone, het wonderlijke, heeft de mens altijd aangetrokken, dat heeft de mens begeesterd. De ongelukkige mens heeft zich aan zo’n geest, maar dan met een kleine letter, overgegeven. Dwaalgeesten, geesten uit de afgrond zijn het, maar het is niet de Heilige Geest, Die uit God is.

 

De baptisten zeiden: ‘Wij leven in het paradijs, daar is geen overheid nodig, daar leven wij in vrede, daar leven wij zondeloos. Wij hebben geen overheid nodig om de zonden te beteugelen, want wij hebben geen zonden.’ Die overheid was ook niet nodig om een rechtvaardige oorlog te voeren, want de toestand van zondeloosheid bracht met zich mee dat er geen leger nodig was, dat er geen politie nodig was. Het evangelie bracht een geweldloze maatschappij.

Zo dachten de wederdopers, en dat vindt u vandaag de dag weer terug in allerlei wonderlijke theorieën over bevrijding en al dergelijke dingen meer. Dat doperse herhaalt zich telkens in het leven. Het is een puur wetticisme, het is een puur godloos gedoe.

 

In deze situatie was dus ook helemaal geen plaats voor een eed. Want als de overheid er niet is, dan is de eed er ook niet. De eed hoort bij een verleugende samenleving en daar had Christus hen van bevrijd. Waar deze theorieën allemaal toe leidden, heeft u kunnen zien in Münster. Dat heeft men kunnen zien in de hele beweging van Jan van Lei­den, want daar wilde men alle dingen gemeen hebben. Eigendom bestond niet, een christen had alle dingen gemeen.

Zij hadden ook het huwelijk niet meer nodig. Het was heel duidelijk dat de polygamie daar openlijk werd bedreven. Het is in een seksueel misbruik opgegaan en zelfs in een bloedbad geëindigd.

Zij hadden de leuzen als: ‘Ons ja is ja en ons nee is nee; weg met alle menselijke verordeningen!’ Ik denk dat wij in onze maatschappij ongeveer op hetzelfde punt terecht zijn gekomen. Alles mag en er is geen taboe. Dat is het doper­se leven en daar is dus ook geen plaats in voor een eed. U ziet: in onze maat­schappij is er ook geen plaats voor een eed. Men heeft die vervangen door een belofte.

Daar hebt u zo de plaats waarin onze Zondag gesteld is, tegenover dit wetteloze, bandeloze gedoe van de dopersen.

 

Nu hadden die dopersen daar wel een schriftuurlijke grond voor. Ze berie­pen zich op Mattheüs 5, de Bergrede, die altijd weer als het doperse gevoe­len naar voren treedt, die op het ogenblik hoog is en groot wordt gevoed vanuit het doperse denken.

Zij beriepen zich op de Bergrede, waarin Jezus zei: Ik zeg U: zweert ganselijk niet (Matth.5:34). En dat heeft Jakobus herhaald. Jako­bus heeft ook gezegd dat wij helemaal niet mogen zweren: Mijn broeders, zweert niet, noch bij de hemel, noch bij de aarde, noch enige andere eed ; maar  uw ja zij ja, en het neen neen, opdat gij in geen oordeel valt (Jak.5:12). Dus, met andere woorden, zij hadden de Schrift op hun hand. Zegt hier Jezus niet: Zweert ganselijk niet? Zegt Jakobus niet: Mijn broeders, zweert niet?

 

Inderdaad, dat staat er. Alleen, het gaat om de exegese, de uitleg van de Bijbel. Daar gaat het altijd om. Want iedereen beroept zich op de Schrift, maar het gaat erom hoe je die Schrift uitlegt. Wat is de exegese ervan? Kun je zomaar een woord uit zijn verband gerukt gebruiken en je dat toe-eigenen en zeggen: ‘Welaan, het staat toch geschreven, kijk maar, hier staat het’, en dan dat schriftgedeelte voor je karretje spannen? Kan dat?

Het gaat altijd om de uitleg. De gereformeerden hebben altijd geweigerd om zich zomaar op losse teksten te beroepen.Gemeente, tot op vandaag toe, hoed u er voor dat u uw ziel zomaar aan een tekst, losgerukt uit het verband waarin die staat, toebetrouwt. Een tekst heeft een context, die staat in een bepaald verband. En uit dat verband moet blijken welke betekenis die tekst heeft. Want die kan wel eens heel anders zijn dan u zo op het eerste gezicht leest. Het kan wel eens zo zijn dat die tekst een tegengestelde bedoeling heeft.

De gereformeerden hebben altijd de Schrift in zijn verband gelezen. En dat moet u hier ook doen. U moet zich nooit door een fragmentarisch schrift­bewijs van de wijs laten brengen.

 

De Heere Jezus zegt in de Bergrede iets van het verkeerde gebruik van de eed door de farizeeërs en de schriftgeleerden. Die hebben de eed helemaal zijn waarde ontnomen. U moet maar verder lezen in Mattheüs 5. Daar leest u hoe de eed door de schriftgeleerden en de farizeeërs in die tijd misbruikt werd. Want de Joden zworen gemakkelijk. Alleen, zweren bij God vonden ze ook wel gevaarlijk, want Hij was de heilige en de hoge God, dus dat doe je zomaar niet. Ze gingen zweren bij wat anders. Als je bij God zweert, dan ben je gehouden om dat ook te doen, om je woorden gestand te toen, om te doen wat je beloofd en gezegd hebt.

En nu probeerden de Joden er onderuit te komen. Daar heb je het farizese schriftgebruik. Je kon bij de hemel zweren en je kon bij de aarde zweren. Of je kon bij Jeruzalem zweren, of je kon bij je hoofd of je baard zweren. En als je dan zo’n eed gedaan had, nou, dan was je daar niet aan gehouden, dan had je dat niet allemaal zo zwaar te nemen. Zo’n eed verplichtte je niet zo krachtig tot het spreken van de waarheid. Daar kon je wel een beetje de hand mee lich­ten. Zo was het Joodse spreken helemaal vervuld met: ‘Zo waar als...’

 

En daartegen richt de Heere Jezus Zich. Dat doet ook Jakobus, die van huis uit van Jozef en Maria geleerd had hoe Jezus tegen dat spreken van ‘zo waar als ik hier sta’ of iets dergelijks was opgetreden. Telkens opnieuw had Hij gezegd: ‘Nee, broers, zo moeten jullie dat niet doen, zo mogen jullie niet spreken, dat mogen jullie niet zeggen.’

Nu zegt de Heere Jezus hier in Mat­theüs 5: ‘Mensen, denk er toch om, je kunt geen haar in je hoofd wit of zwart maken. Als je denkt dat je je minder bindt als je een eed zweert bij je hoofd of je baard, Jeruzalem of de hemel, dan misleid je jezelf. Want de hemel is Zijn troon en de aarde is de voetbank van Zijn voeten. De aarde is Zijn schepping. Al neem je die hemel, je zweert bij God, want Hij woont daar. En als je zweert bij de aarde, denk erom, het is de voetbank van Zijn voeten. Maar laat uw ja ja zijn, en uw nee nee.’

 

De Heere Jezus heeft de mens eigenlijk gebracht onder de zeggenschap van het negende gebod: Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naas­te. En nu heeft een kind van God geen extra verzekering in zijn spreken nodig. Zijn ja moet eenvoudig ja zijn en zijn nee moet eenvoudig nee zijn.

Ik denk dat als je de hele dag bezig bent met te zeggen: ‘Zo waarlijk als ik hier sta’, je een zeer onbetrouwbaar mens bent. Ik heb in het maatschappe­lijk leven ervaren dat daar ook helemaal geen prijs op gesteld wordt, als je elke zin en elke bewering gaat bevestigen met een soort eed. Dus geen leu­gentaal, geen valse getuigenis, maar laat uw ja ja en uw nee nee zijn. Laat uw spreken eenvoudig zijn.

 

Heeft Christus de eed verboden als Hij zegt: Zweert ganselijk niet? Wel­nee! De eed is een van God gegeven middel en de Heere Jezus Zelf heeft een eed afgelegd toen de overheid dat van Hem vorderde. Toen Hij in de zaal van Kajafas stond voor het Sanhedrin, vroeg Kajafas: Ik bezweer U bij de levende God, dat Gij ons zegt of dat Gij zijt de Christus, de Zone  Gods (Matth.26:63). Toen heeft de Heere Jezus geantwoord: Gij hebt het gezegd (Matth.26:64). Ik zweer, dat Ik de Zoon van God ben.

De Heere Jezus Zelf heeft die dure eed afgelegd. Dat heeft Hij gedaan toen de overheid dat van Hem vorderde. Dat heeft Hij gedaan om de waarheid te bewijzen. Dat heeft Hij gedaan om trouw te zijn aan Zijn ambtelijke roeping, om de Christus te zijn, de Zoon van de levende God.

 

Onze catechismus zegt: ‘De overheid mag van haar onderdanen, om trouw en waarheid te bewijzen, die eed vorderen tot Gods eer en tot des naasten zaligheid. Want zulk een eedzweren is in Gods Woord gegrond, God heeft het gezegd, en daarom is het van de heiligen in het Oude en Nieuwe Testa­ment recht gebruikt geweest.’

Denk eens aan Abraham, de vader aller gelovigen, een godvrezend man, daar zijn we het allemaal over eens. Abraham stuurde Eliëzer uit om een vrouw voor Izak te gaan zoeken. Hij zei: ‘Eliëzer, je moet mij één ding beloven. Je moet geen vrouw zoeken uit de heidenen, maar uit mijn geslacht, daar in dat Ur der Chaldeeën. Ga daar maar naar toe, naar Haran, en probeer daar bij mijn familie een vrouw voor Izak te krijgen. Dat moet je mij beloven.’ Abraham wist niet of hij Eliëzer nog levend terug zou zien, noch met welke vrouw Eliëzer terug zou komen. En dan zegt Abraham: ‘Leg uw hand onder mijn heup en zweer mij, dat u zulk een vrouw voor Izak zult meebrengen.’ En dat heeft die trouwe, oude Eliëzer, die godvrezende man, gedaan. Die heeft gezworen. De eed is van de heiligen in het Oude Testament gebruikt geweest.

Denkt u ook maar eens aan Elia, die voor de goddeloze Achab staat. Elia was een godvrezend man. Hij zegt: Zo waarachtig als de Heere, de God van Israël leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, indien deze jaren dauw of regen zijn zal, ten­zij dan naar mijn woord (1 Kon.17:1).

Denk eens aan Psalm 95, de psalm waarin het gaat over het gebod van God: ‘Verhard u niet, maar laat u leiden.’ Die psalm eindigt met een eed, niet een eed van mensen, maar een eed van God. Daar zegt de Heere: Daarom heb Ik in Mijn toorn gezworen: Zo zij in Mijn rust zullen ingaan! (Ps.95:11) Het oordeel der verharding: Zo zij in Mijn rust zullen ingaan! De eed van God bij een bedrei­ging: ‘Verhard u niet!’

Maar er is ook een eed van God met een belofte. In Ezechiël 33 vers 11 zweert de Heere: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere Heere, zo Ik lust heb in de dood des goddelozen! Maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve.

 

De eed van God is niet alleen gegeven bij de bedreiging, maar ook bij Zijn beloften. God is de God des eeds en des verbonds. Zo wordt Hij genoemd. De God Die waar is, Wiens ja ja en Wiens nee nee is en Die vervullen zal hetgeen Hij beloofde en vastgelegd heeft in een eed.

 

Maar ook in het Nieuwe Testament, zegt onze catechismus. Ik denk even aan Paulus, die in 2 Korinthe 1 vers 23 zegt: Doch ik roep God aan tot een Getuige over mijn ziel, dat ik om u te sparen nog te Korinthe niet ben gekomen. God wordt dus aangeroepen in een eed. Paulus zegt: ‘Dat zweer ik, dat ik niet naar Korinthe gekomen ben om u te sparen.’

 

Zo zien we dat apostelen, profeten, de vader aller gelovigen en de Heere Zelf bij beloften en bedreigingen die eed gebruikt hebben.

 

In de Schrift is de eed toegestaan en bevolen en dat tot Gods eer en des naas­ten welzijn, als de overheid zulks vordert van haar onderdanen of de nood dat vordert om trouw en waarheid te bevestigen.

 

Dat is het tweede dat wij met elkaar gaan overdenken:

 

2. De eed in de samenleving

 

De overheid kan een eed eisen tot eer van God en tot heil van de naaste. De eer van God komt hierin openbaar, dat wij een eed zweren en daardoor de alwetendheid en alomtegenwoordigheid van God aanroepen en ons in de tegenwoordigheid van God stellen in ons spreken of in ons aanvaarden van een ambt in ons leven. Dat is tot eer van God.

Dat kan ook zijn tot heil van de naaste. Tot heil van de naaste in een rechts­geding of wanneer wij een ambt aanvaarden, een hoog ambt in het leger of bij de burgerlijke overheid of als arts of verpleegkundige. Dan wordt tot heil van de naaste de eed gevraagd. God is aanwezig in Zijn alwetendheid en alomtegenwoordigheid. Zo wordt die God aangeroepen. Die twee vingers die omhoog gestoken worden, wijzen als het ware naar de wijze en alomte­genwoordige God, voor Wie wij ons stellen.

 

En dan neem ik u mee naar een rechtszaal, waar een rechter van een getui­ge een eed vordert. Dan worden daar twee vingers omhoog gestoken, die heenwijzen naar de alwetendheid van God en naar de alomtegenwoordig­heid van God. Zo’n getuige zegt: ‘God weet dat ik hier sta, wat ik hier zeg en wat ik in mijn hart bedoel. God is hier in deze rechtszaal tegenwoordig.’ Dan wordt er een verklaring afgelegd en erbij gezegd: ‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig.’

Gemeente, is dat nu niet geweldig machtig als God daar aangeroepen wordt, zo midden in dat rommelige, goddeloze wereldje, en dat daar een mens staat die God aanroept in Zijn alwetendheid en alomtegenwoordigheid en zich beroept op Zijn almacht? Psalm 139 wordt actueel gemaakt: ‘Gij doorgrondt en kent mij, Gij doorziet al mijn gedachten. Niets is, o Opper­majesteit, bedekt voor Uw alwetendheid.’

De meeste mensen leven zonder God in deze wereld en denken dat er nie­mand in hun hart en hoofd kan kijken. Zo leven kerkmensen en zo leven niet-kerkmensen. Zodra God wáár wordt in uw leven, dan is Hij de alomte­genwoordige, de alwetende God, dan is Hij die God Die almachtig is om u te helpen de waarheid te spreken, om u te helpen getrouw te zijn in het doen van wat u beloofde. Dat is een zwak mens, die zich stelt voor de alwetend­heid en alomtegenwoordigheid van God en die zegt: ‘Heere, Gij zijt almachtig, U alleen kunt mij helpen.’

 

Dan vind ik het bijzonder pover en armoedig en klein als daar een man of vrouw staat, die zegt: ‘Ik beloof het.’ Gemeente, wat heeft dat voor waarde? Als er een officier wordt beëdigd in het leger, dan staat daar een man van wie verwacht wordt dat hij aan hoge normen voldoet en dat hij de zorg kent van degenen die onder hem gesteld zijn. Van hem wordt verwacht dat hij leven zal naar de krijgswetten die er zijn, dat hij trouw zal zijn aan de koning. Als zo’n man zegt: ‘Ik beloof dat’, wat heeft dat voor waarde in een verloren wereld, in een wereld waar de leugen heerst en waar de mensen leugenaars zijn?

Wat heeft het voor waarde als daar een kamerlid staat, die de eed moet afleg­gen, dat hij naar de grondwet en naar de wetten van het land zal handelen en spreken, en dan zegt: ‘Ik beloof het’? Dat is een mager, een armoedig zaakje.

Maar als daar dan iemand opstaat en zegt: ‘Ik stel mij in de tegen­woordigheid van de almachtige, de alwetende, de alomtegenwoordige God’, dan is dat een belijdenis. Dan staat daar een mens die zegt: ‘Ik kan het niet; ik beroep mij op Uw alwetendheid, Uw alomtegenwoordigheid, maar ook op Uw almacht. U alleen kunt mij helpen.’

 

Bovendien komt in de eed het protestantse karakter van onze natie tot uit­drukking. In roomse landen zweert men met een crucifix in zijn handen of onder de aanroeping van de heiligen. Maar wij zweren bij God almachtig, een kernachtige, reformatorische eed. Zo zweert men in Amerika met de hand op de Bijbel. Dat is de eed, die zich stelt in de tegenwoordigheid van God.

Een eed van verklaring vindt u in de rechtszaal. U vindt een eed van belofte bij de beëdiging onze staatshoofden. Zij hebben inderdaad gezegd: ‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig.’ We denken aan de officieren die beëdigd worden, aan de rech­ters die beëdigd worden, politiemensen, dokters, verpleegkundigen…

Een eed afleggen is een zaak van godzaligheid, zegt onze catechismus. Daar ben je met je ziel en zaligheid mee verbonden, daar sta je mee in de tegen­woordigheid van God, daarmee leef je, ziende op God en Zijn genade.

 

Nu kun je ook lichtvaardig een eed afleggen. Lichtvaardige eden worden zomaar afgelegd in het leven. Dan wordt er soms gezworen als een grapje. Dat is wat! De almachtige, alomtegenwoordige en alwetende God als een grapje gebruiken. Dat gebeurt bij een lichtvaardig eed zweren.

U komt dat in de Bijbel tegen. Koning Saul heeft dat gedaan. Dat was geen godvrezend man en die heeft lichtvaardig een eed afgelegd, namelijk dat het volk absoluut niet mocht eten toen het de Filistijnen achtervolgde. Niemand mocht enige ver­kwikking tot zich nemen. Dat had bijna het leven van Jonathan gekost. Want Jonathan, die van die eed niet afwist, vond een honingraat en heeft zijn staf daarin gestoken en van die honing gelikt. Zijn ogen lichtten op en hij kreeg weer nieuwe kracht om verder te gaan en hij heeft overwonnen. Toen Saul daar achter kwam, zei hij: ‘Ja, nu moet ik je doden, want ik heb een eed gezworen.’ Heel Israël is toen opgekomen voor Jonathan en heeft verhin­derd dat Saul de gevolgen van zijn eed ook daadwerkelijk zou uitvoeren.

Een lichtvaardige eed afleggen. Herodes deed dat ook. Die heeft een eed gezworen aan zijn dochter. Hij heeft dat wel uitgevoerd en dat heeft het leven van Johannes gekost, de dienstknecht van God, de heraut van de Heere Jezus, op het feest van Herodes.

 

Gemeente, een eed zweren is godzalig een eed zweren. Dat gaat in ons volksleven telkens verder achteruit. De Naam van God is men aan het terug­dringen uit ons volksleven. Een tijdlang is zelfs de Naam van God uit het slot van de troonrede weggedrukt. Gelukkig is die bede teruggekomen en vin­den we telkens de heenwijzing naar het feit dat we afhankelijk zijn van de zegen van de Heere.

Dat terugdringen van de Naam van God uit ons volksleven heeft te maken met het feit dat men de kerken en het christendom wil beschouwen als een sektarisch deel en een achtergestelde positie wil geven. Sektarisch vindt men ons en helemaal niet zo belangrijk. En dan te weten dat ons staatsbestel en het koninkrijk der Nederlanden zijn ontstaan uit de strijd voor de vrijheid om God te dienen naar Zijn Woord. Daaruit is ons land ontstaan. Dat is een vrijheidsstrijd geweest om te leven naar het Woord van God en overeen­komstig Zijn inzettingen.

Die vrijheid om God te dienen raakt weer in het geding, komt op de helling en vraagt weer onze aandacht. Nu zal blijken hoeveel de belijdenis van de kerken in ons land ons waard is.

 

God eren tot in de rechtszaal toe. ‘Zo waar­lijk helpe mij God almachtig!’

 

We zingen nu eerst Psalm 99 vers 8:

 

Geeft dan eeuwig’ eer
Onze God en Heer’;
Klimt op Sion, toont
Eerbied, waar Hij woont,
Waar Zijn heiligheid
Haren glans verspreidt:
Heilig toch en t’ eren
Is de Heer’ der heren.

 

3. De eed in de kerk

 

Niet alleen zweren wij een eed in de maatschappij, maar wij zweren ook eden in de kerk. U zult zeggen: ‘Welke eden dan, want in de kerk zie ik nooit dat iemand twee vingers omhoog steekt, dan een ver­klaring aflegt en zegt: Zo waarlijk helpe mij God almachtig. Dat komt toch niet voor?’ Nee, zo niet. Maar, gemeente, denk eraan als u in de kerk komt, dat u altijd in de tegenwoordigheid van God bent. Zodra hier het votum en de zegen worden uitgesproken, begint de dienst. Maar dan staan we ook in de tegenwoordigheid van God. Want de Heere zegt: Waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in het midden van hen (Matth.18:20). Dan hoeft u niet te vragen of Hij alstublieft in ons midden komt, want Hij is er. Dat heeft Hij beloofd: Daar ben Ik in het midden. Als u in de kerk bent, dan staat u in de tegenwoordigheid van God.

 

En dan zijn er die bijzondere momenten in de kerk. Ik denk aan de doop­vont, waarbij ouders staan die met hun ja-woord beloven dat zij dat kind zul­len opvoeden in de voorzeide leer. Dat is een eed. Al gebruiken wij de eeds­formule niet, we staan in de tegenwoordigheid van de alwetende en alomtegenwoordige God en wij leggen daar dat ja-woord af als een eed. En als het recht is, dan doet u dat zoals de eedsformule luidt: ‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig.’ Dan hebt u de Heere nodig bij de opvoeding van uw kinderen.

Gemeente, God komt op die eden van ons, bij de doopvont uitgesproken, terug. Hij vraagt of wij inderdaad naar dat Woord van God onze kinderen hebben opgevoed. Hebben we dat gedaan of laten we ze zo een beetje slingeren? Nemen we ze mee in een vaste lijn naar het Woord van God, naar het huis van God? Of is het zo dat u daarmee een slingerpad bewandelt? God almach­tig zal laten zien wat wij met onze ja-woorden hebben gedaan.

Gemeente, wees getrouw in de kerkgang, want dan zult u kinderen hebben die getrouw in de kerkgang worden. Wees getrouw in het gebruik van het Woord in huis en u zult kinderen krijgen die dat Woord in huis ook gaan gebruiken. Als u met uw kinderen van hot naar her trekt, dan ben ik bang dat die kinderen straks nergens meer naar toetrekken en dat ze vreemdelin­gen van God en Zijn dienst, van Zijn huis en van Zijn Woord worden.

 

En wat denk je ervan als je hier in de kerk gestaan hebt en je hebt belijdenis gedaan van het geloof? Je hebt ‘ja’ gezegd tegen de Heere, en als je dan in je leven ‘nee’ gaat doen? Het is ellendig, maar het gebeurt regelmatig dat er belijdeniscatechisanten zijn die ‘ja’ zeggen en na een poosje weggaan. Wat is dat ja-woord waard? Was dat niet uitgesproken tegenover de almachtige, alwetende en alomtegenwoordige God? Hebben we daar een spel mee gespeeld?

 

Als het huwelijk gesloten wordt en we het ja-woord uitspreken in de kerk, dan gaat het over het trouw zijn aan elkaar als man en vrouw, ook als we ouder worden, ook als er moeite en zorgen in het leven komen, ook als het niet allemaal gaat zoals we dat ons hadden voorgesteld.

Wanneer we voor het aangezicht van God gestaan hebben en ons ja-woord hebben uitgesproken, dan houdt de Heere ons daar aan. En dan is dat nalaten, het echtbreken, een breken van een eed. Wie zegt: ‘Samenwonen is tegenwoordig de oplossing’, die heeft het mis. De Heere heeft het huwelijk in de Bijbel voorgesteld als de samenlevingsvorm tussen man en vrouw. Een duurzame samenlevingsvorm, zó duurzaam, dat die is vastgelegd in de eed die wij afleg­gen tegenover God. Twee mensen zeggen daar: ‘Zo waarlijk helpe ons God almachtig om elkaar trouw te blijven, voor elkaar te zorgen en samen het leven door te gaan totdat de dood ons scheidt.’

 

En als je in het ambt wordt bevestigd als ouderling of als diaken of als die­naar van het Woord, moet je een eed afleggen: ‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig om te dienen naar Zijn Woord, om te dienen overeenkomstig Zijn getuigenis.’

 

Gemeente, dat zijn de eden in de kerk waar de Heere ons ook aan houdt. Het is om trouw en waarheid te bevestigen.

De Heere vertoornt Zich schrikkelijk als wij meineden plegen. Want het rechte eedzweren, wat ‘God aanroepen’ is, Die alleen het hart kent, Die alleen ons helpen kan, dat is een zaak van het evangelie.

 

U zou kunnen vragen: ‘Hoort dat nu ook in ons troostboek, dat godzalig eedzweren? Is dat nu wel een onderdeel van ‘wat is uw enige troost beide in leven en in sterven?’ Is dat nu niet veel meer iets wat je op een verloren avond of op een cate­chisatie zo eens een keer moet behandelen?’

Nee, gemeente, als u zo tegen de eed aankijkt, dan ziet u niet dat dit een puur onderdeel van het evangelie is. God heeft gezworen bij Zijn eigen hei­ligheid. God heeft gezworen in eeuwigheid. God heeft gezworen bij Zich­zelf omdat Hij niemand vinden kon bij wie Hij zweren kon. De zaligheid van de kerk ligt vast in de eed van God.

Als u het avondmaal viert, dan zweert God aan een mens: ‘Zo waarachtig als Ik leef, zijn Mijn lichaam en Mijn bloed verbroken en vergoten tot een volkomen verzoening voor al uw zon­den.’

Het sacrament is een krijgseed. Dat zegt Calvijn, en dan voegt hij er onmid­dellijk bij: ‘Maar het gaat niet om een eed van een mens, het gaat hier om de eed van God, die Hij zweert aan een nietig zondaar, dat Hij niet meer toornen en niet meer schelden zal.’ Bergen zullen wijken en heuvelen wan­kelen, maar Mijn goedertierenheid zal van u niet wijken, en het verbond Mijns vredes zal niet wankelen, zegt de Heere, uw Ontfermer (Jes.54:10). Alzo heb Ik gezworen, dat Ik niet meer op u toornen, noch u schelden zal (Jes.54:9).

God zweert. Gemeente, dat is evangelie! En wat dacht u van het troostboek van de kerk, als wij bedenken dat daar een mens staat die zichzelf kent en ontdekt is aan zijn eigen leugenachtigheid, aan zijn boze hart, aan zijn zon­dige bestaan? Die mens staat daar nu voor de almachtige God, de God Die eeuwig leeft en alle dingen weet. Is dat geen evangelie, geen troost dat zo’n mens een beroep mag doen op God en Hem mag aanroepen, Die alle din­gen weet en het hart kent?

 

Hij wil mij helpen als ik dat woord gestand wil doen, als ik als een arm mens de hand ophef en zeg: ‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig.’ Is dat geen evangelie? Hij straft mij indien ik valselijk zweer. Ik werp mij op God in de eed. God zweert en mensen zweren. God zegt ja en wij zeggen ja. God zal degene die het met Hem waagt en Hem nodig heeft, die als een klein, nie­tig mensenkind voor Hem neerbuigt en Zijn weg gaat, zeker helpen. Want Hij zal niet laten varen wat Zijn hand begon. Wat uit Zijn lippen ging blijft vast en onverbroken.

 

God is de God des eeds en des verbonds.

Het is het evangelie van Jezus Christus ten voeten uit.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Morgenzang: 6

 

Schenk Uwen zegen bij Uw Woord;
Het rijk des satans word’ verstoord;
Sterk leraars, sterk onz’ overheid,
In ‘t werk, door U hun opgeleid.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in ‘De Heidelbergse Catechismus’ van ds. D. Rietdijk en ds. C.G. Vreugdenhil (Uitg. Groen, 1998).