Ds. D. Rietdijk - Zondag 36

De heiliging van Gods Naam

Wat in het derde gebod verboden wordt
Wat in het derde gebod bevolen wordt
Wat in het derde gebod bedreigd wordt
Deze preek is eerder gepubliceerd in ‘De Heidelbergse Catechismus’ van ds. D. Rietdijk en ds. C.G. Vreugdenhil (Uitg. Groen, 1998).

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 111: 6
Lezen : Jakobus 3: 1-12
Zingen : Psalm 5: 1, 4, 5, 12
Zingen : Psalm 141: 3
Zingen : Psalm 143: 2

Gemeente, wij gaan overdenken Zondag 36 van onze Heidelbergse Cate­chismus.

 

Vraag 99: Wat wil het derde gebod?

Antwoord: Dat wij niet alleen met vloeken of met valse eed, maar ook met onnodig zweren, de Naam Gods niet lasteren noch misbruiken, noch ons met ons stil­zwijgen en toezien zulke schrikkelijke zonden deelachtig maken; en in het kort, dat wij de heilige Naam Gods anders niet dan met vrees en eerbied gebruiken, opdat Hij van ons recht beleden, aangeroepen en in al onze woorden en werken geprezen worde.

 

Vraag 100: Is het dan zo grote zonde, Gods Naam met zweren en vloeken te lasteren, dat God Zich ook over diegenen vertoornt, die, zoveel als hun mogelijk is, het vloeken en zweren niet helpen weren en verbieden?

Antwoord: Ja gewisselijk; want er is geen groter zonde, noch die God meer vertoornt, dan de lastering Zijns Naams; waarom Hij die ook met de dood te straffen bevolen heeft.

 

Gemeente, het gaat over het derde gebod, dat handelt over: De heiliging van Gods Naam.

 

Wij letten op drie punten:

1. Wat in het derde gebod verboden wordt

2. Wat in het derde gebod bevolen wordt

3. Wat in het derde gebod bedreigd wordt

 

1. Wat in het derde gebod verboden wordt

 

Gemeente, deze Zondag gaat over het gebruik van de Naam van God. Dan komen wij bij de grote gaven terecht die God aan de mensenkinderen heeft gegeven, namelijk in de eerste plaats dat mensen met elkaar kunnen spreken. God heeft de mens de gave van het woord, van de taal gegeven, waardoor hij met zijn naaste kan spreken en schrijven, zodat die naaste kan luisteren en lezen.

Het woord, die gave van God, is verbasterd en door de zonden aangetast omdat het mensdom, nadat de zondvloed op de aarde geweest is, een een­heidsstreven heeft gekend in de torenbouw van Babel. Daar wilden de men­sen zich verenigen tot een machtig mensdom, dat nooit en te nimmer meer door een dergelijke vloed zou tenietgedaan kunnen worden en door het oordeel van God getroffen zou kunnen worden. Toen is de taal verworden. De Heere heeft het zo gemaakt, dat de spraak verward werd en dat de volkeren door die spraakverwarring uiteengedreven zijn. De één verstond de ander niet meer. Toch kunnen wij nog steeds in onze eigen taal spreken en op de eerste pinksterdag heeft de Heilige Geest gegeven dat het evangelie weer in alle talen zal worden gepredikt.

 

De taal is het woord waarmee wij met elkaar kunnen spreken. Het geschre­ven woord en het gesproken woord hebben een geweldige invloed op ons menselijk bestaan. Om gemeenschap met elkaar te kunnen hebben, heeft God het middel van het gesproken woord gegeven. En nu gaat er van die taal een invloed uit ten goede en ten kwade. In het gesproken woord tekent de mens wie hij is. Door dat gesproken woord geeft het vat uit wat erin zit. Wat in onze ziel is, wat in ons hart leeft, wat in onze gedachten een plaats heeft, dat komt door ons woord naar buiten.

Wij zijn boos, niet alleen door het oog, zoals de Heere dat zegt: Als uw oog boos is, dan zijt gij ook helemaal boos, als uw oog eenvoudig is, dan bent u helemaal eenvoudig. We zijn ook boos door het woord dat wij spreken. Wat wordt daardoor een zonde bedreven op allerlei wijze! In het bijzonder geldt dat met betrekking tot het gebod dat wij nu onder ogen hebben: het derde gebod.

 

De taal vertolkt wat er in ons leeft en dan hebben wij bij Jakobus gelezen: De tong is een klein lid. ‘Maar dat kleine lid van de mens, zie eens’, zegt Jakobus, ‘wat kan dat een hoop in brand steken. Wat kan die tong toch veel kwaad doen. Want door haar loven wij God en de Vader, en door haar vervloeken wij de mensen, die naar de gelijkenis van God gemaakt zijn (Jak.3:9).’

Bovendien, wat een kwaad veroorzaakt het gesproken woord, wanneer wij overwegen dat God de gaven van het woord en de taal aan Zijn kinderen heeft gegeven om daarmee Zijn Naam te prijzen! In het paradijs werd alles geschapen tot lof en eer van God. De levenloze schepping is geschapen tot eer en verheerlijking van God. De hemelen vertellen Gods eer, en het uitspan­sel verkondigt Zijner handen werk (Ps.19:2). De bloemen van het veld, daar heeft Jezus op gewe­zen, vertonen de zorg en de wijsheid van de hemelse Vader. De lelies die er zijn, het gras dat groeit, het zijn de gaven van de hemelse Vader.

 

Hoeveel gaat de mens niet boven dat scheppingskoor uit, met de spraak en met de taal die hij beheerst? De lippen moesten de eer van God vermelden en de tong de deugden van God verhogen. Door de zondeval is onze taal geschonden, zijn onze lippen onrein geworden. Jesaja zag, toen hij tegen­over de heiligheid en de heerlijkheid van God stond, dat zijn lippen onreine lippen waren en dat het volk in welks midden hij woonde, ook onrein van lippen was. Dat zag hij als hij keek naar de heerlijkheid van God.

Wat kunnen wij dan nog met onze lippen doen om God te verheerlijken? Want de taal is door de zonde verruwd. En hoe verder de zonde voort­schrijdt, hoe meer macht de zonde krijgt. Ook in ons volksleven verruwt en verloedert de taal en hoe verder we van God en Zijn dienst af leven, hoe meer wij dat zien doordringen in het woordgebruik van de mens. Wij spre­ken niet meer tot eer van God. Onze lippen zijn onrein geworden. Herschepping van de mens door de Heilige Geest is nodig om het te gaan nastreven om God te verheerlijken met onze tong en Zijn lof te vermelden, want dat zal de kerk des Heeren doen. Daarvan zegt de Heere Zelf in Zijn Woord: Dit volk heb Ik Mij geformeerd, zij zullen Mijn lof vertellen (Jes.43:21). Hier bij aanvang in dit leven en straks ongestoord in de eeuwige heerlijkheid.

 

God heeft ons niet alleen de taal gegeven, maar in die taal heeft Hij Zijn Naam geopenbaard. U weet wel, de Naam van God is God Zelf. De Naam van God duidt het Wezen van God aan, daarin openbaart God Zich. Wij hebben namen nodig om ons van andere mensen te onderscheiden, maar God heeft geen Naam nodig om Zich van andere goden te onderscheiden, want afgoden zijn geen goden. De Heere heeft de hemelen gemaakt. Als Hij Zichzelf een Naam geeft, dan doet Hij dat om Zich te openbaren.

De Naam van God is het openbaringsmiddel van God. Daarin maakt God bekend Wie Hij is, wat Hij is en wat Hij wil. Daarin heeft God de deugden van Zichzelf en de heerlijkheid van Zijn deugden geopenbaard. Zijn Naam is geopenbaard aan zondaren. Het is dus een grote gunst en genade, dat de Heere Zijn Naam heeft willen bekendmaken onder ons en dat Hij Zijn Naam en de Naam van Zijn Zoon heeft laten prediken op deze aarde. Dat is gedocumenteerd in het Woord van God.

 

En nu begrijpt u hoe teer die Naam van God is en hoezeer God ook let op het gebruik van die Naam. Wat doen we daar nu mee? Want God heeft Zijn Naam, Zichzelf en Zijn deugden natuurlijk niet geopenbaard opdat wij daar niets mee zouden doen. En zeker niet opdat wij die Naam zouden misbrui­ken, lasteren of opdat wij zouden stilzwijgen over deze Naam. Die openba­ring van Zichzelf heeft Hij ons gegeven tot onze zaligheid. In Zijn Naam heeft de Heere Zichzelf geopenbaard, opdat wij Hem zouden zoeken, opdat wij in die Naam een sterke toren zouden vinden. Daar zegt Salomo van: De Naam des Heeren is een sterke toren; de rechtvaardige zal daarheen lopen en in een hoog vertrek gesteld worden (Spr.18:10).

Die Naam is dus gegeven opdat u bij die Naam schuilen zou, in de Naam van de Almachtige, de Getrouwe, de Verbondsjehovah. In de Naam van Jezus, want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden. Opdat wij daar­in en daarbij zouden leven, opdat wij door die Naam de levende God in de hemel zouden leren zoeken en kennen.

 

Wat de Heere verbiedt in Zijn Woord, dat zijn eigenlijk drie dingen. Dat is die Naam lasteren, dat is die Naam misbruiken en dat is die Naam verzwij­gen. Lasteren betekent eigenlijk: doorboren, doorsteken. Als een vijand wordt doorstoken, dan is die vijand verslagen, dan heeft die geen kracht meer. Die Naam lasteren wil dus zeggen: die Naam doorsteken, zijn kracht ontnemen. Dan ga je de Naam van God de kracht ontnemen die God gege­ven heeft. En dan gaat u die Naam krachteloos maken, dan gaat u die Naam ijdel maken. Dat is eigenlijk een aanslag op God Zelf. Daarmee wil de mens, die kleine mens, die grote God verslaan en die grote God beledigen en uitschakelen.

En dat vindt u in onze dagen. We houden geen rekening met Hem. Dat ziet u in onze maatschappij. Dat merkt u in de wetgeving, die telkens verder voortschrijdt en waarin we heel duidelijk mer­ken dat de Naam van God geen betekenis meer heeft, dat men die opzij wil zetten en dat men bepaald niet wil letten op de openbaring van de levende God in de Heere Jezus Christus.

God uitschakelen, Hem op non-actief zetten. Wat is de oorzaak daarvan? Dat God niet bestaat? Welnee! God leeft! Wat de oorzaak is, zit in het hart van de mens, die vijand van God geworden is, die God haat en Hem niet meer liefheeft. Dat zit in dat boze hart van de mens, die zich verzet tegen God en Zijn Gezalfde en die in haat en vijandschap de Naam van God uit de wereld wil hebben.

 

Onze catechismus noemt, als hij het heeft over het lasteren, het vloeken. Dat is de meest grove vorm van het lasteren van de Naam des Heeren. Vloeken wordt in onze taal in allerlei toonaarden, in allerlei woordvormen, verbaste­ringen en afleidingen gevonden. Vloeken is een stuk gewenning, een stuk taalarmoede, een armoede in het discussiëren, in het met elkaar spreken. De vloek en de bastaardvloek worden gewoon stopwoorden in de taal. Het taal­bederf brengt bastaardvloeken met zich mee als stopwoorden.

En, gemeente, zelfs kinderen gebruiken ze. Je kunt het op straat horen. Zelfs kindermonden ontadelen en ontluisteren de mens, want het is een ontade­ling van de mens. De mens, die zo hoog geschapen is tot heerlijkheid van God, om ook met zijn mond, met zijn lippen de lof des Heeren te vertellen, die gaat nu vloeken en de Naam van de Heere misbruiken. Dan wordt die mens ontadeld, dan wordt die mens een ontluisterd mens. Zijn adel is weg, hij is een bastaard geworden. De eerbied voor God is weg. En dan is de ken­nis van Zijn Naam en van Zijn Woord weg. Wat is dat in ons taalgebruik ingeburgerd, en wat hoort u dat op de straat en vele andere plaatsen!

 

De lastering van Gods Naam is dus de ontkenning van het bestaan van God. Naast dit lasteren is er ook het misbruik van die Naam. Gij zult de Naam van de Heere, uw God, niet ijdellijk gebruiken, zo staat er letterlijk in het derde gebod. IJdel gebruiken, dat is een leeg, hol, een oppervlakkig en lichtvaardig gebruik van de Naam van de Heere. Dat is tot een waan ophef­fen, staat er eigenlijk. Dat betekent dat de Naam van God zomaar een waan is, een denkbeeld. Dus die God is niets, die Naam van God betekent ook niets.

Leeg, hol, oppervlakkig en lichtvaardig die Naam gebruiken. Daar is ook de kerkmens niet onschuldig aan. Want die leeft onder de openbaring van de Naam van de Heere. De kerkmens leeft onder het Woord van onze God. En nu gebeurt het dat die mens op allerlei manieren die Naam ijdel gebruikt.

In het gebed kan de Naam van de Heere ijdel gebruikt worden, dat wil zeggen nodeloos gebruikt, als een stopwoord, gedachteloos, zonder erbij na te denken wat die Naam betekent.

Maar dieper grijpt dat in wanneer u een ongelovig gebed bidt, een gebed waarin u niet betrouwt op de Naam des Heeren. Dan nóemen wij die Naam wel, maar wij betrouwen niet op die Naam, wij steunen niet op die Naam, zodat wij ons niet onvoorwaardelijk toebetrouwen aan de Heere, Die heilig, groot en goed is.

 

En, gemeente, wat kun je in het gebed Hem oneerbiedig aanspreken. Het is zelfs een tijd de gewoonte geweest om de Heere soms aan te spreken met ‘Je’ en met ‘Jij’, maar dat wordt minder.

We moeten bedenken dat God in de hemel is en wij op de aarde zijn. Er is een vrijmoedige toegang tot God, geopend in het bloed van de Heere Jezus. Laat ons dan vrijmoedig toegaan tot de troon der genade! Daar is een kinderlijk toegaan tot de troon van Gods genade. Daar mag je vertrouwelijk met al je nood, met al je zorg en schuld, met alles wat in en aan je is, nade­ren in dat dierbare bloed van Christus. Er mag een vertrouwelijke omgang zijn in het gebed, zoals een kind ver­trouwelijk omgaat met vader en moeder. Maar – laten we dat ook in deze tijd erbij zeggen – een kind hoeft niet op een platte wijze met zijn vader en moe­der om te gaan. Ook daar kun je de eerbied in laten doorklinken. In je woordgebruik kun je op eerbiedige wijze vader en moeder aanspreken. En zo moet het ook zijn met de allerhoogste Majesteit, Die in de hemel geze­ten is. We moeten Hem aanspreken op een eerbiedige wijze, waarin we uit­drukken dat we een besef hebben van Zijn hoogheid en heerlijkheid.

Als we ervan doordrongen zijn hoe groot God is, als wij met Jesaja hebben gestaan voor de heerlijkheid en voor de heiligheid van God, als wij verzoe­ning hebben ontvangen in dat dierbare bloed van de Heere Jezus, dan zal de omgang met de Heere des te vertrouwelijker zijn. Dan zullen we des te dich­ter bij de Heere leven, maar dan zullen we ook des te meer met eerbied tot de Heere naderen, tot Hem Die boven de aarde is en alle volkeren in Zijn handen houdt en alle leven bestuurt. Hij is de almachtige, de heilige, de heerlijke God. Hoe dichter bij de Heere, hoe vertrouwelijker de omgang, hoe eerbiediger wij Hem ook zullen benaderen.

 

Het misbruik van de Naam des Heeren, het lasteren, waaronder het vloeken valt, dat is het misbruiken, het ijdel gebruiken van de Naam des Heeren, het zonder enige betekenis gebruiken van die Naam. Het laatste is het negeren van die Naam, het stilzwijgen, het doodzwijgen van de Naam des Heeren.

Je kunt mensen verwonden met woorden. Woorden kunnen priemen, woorden kunnen pijn doen en kwetsen. Met woorden kan veel kwaad aangericht wor­den dat onherstelbaar is. Daar moeten wij aan denken. Wat is het erg als mensen elkaar met woorden priemen! Maar je kunt iemand ook negeren. En dat is nog erger. Als je iemand negeert, dan doe je net of hij niet bestaat. Dan kun je hem doodzwijgen. Dan doe je net of hij of zij er niet is. Je houdt geen rekening met die ander. Zolang je iemand nog bestrijdt met woorden, dan erken je nog dat hij bestaat, dan houd je rekening met het feit dat hij er is. Maar negeren, over hem zwijgen, laten blijken dat het de moeite niet waard is om over hem of haar te spreken of een woord aan hem vuil te maken, dat is de ergste ver­achting.

En zo is het nu als wij zwijgen als een ander de Naam van de Heere mis­bruikt. De catechismus wijst daar terecht op. Het Woord maakt ons duide­lijk dat de Heere ons ook de schuld toerekent als wij een ander horen laste­ren en wij dat maar over ons heen laten gaan alsof het ons niet raakt. Dat is het negeren van Gods Naam. Dan gebruiken we die Naam nog wel thuis in ons gebed of in een vertrouwde kring, in gezelschap, op het werk, op school. Maar zodra je daar buiten komt, zijn we dan mensen die voor die Naam uit dur­ven komen of negeren we Hem? Doen we dan net of Hij er niet is?

 

Je kunt ook op een andere wijze die Naam doodzwijgen. Niet alleen door te zwijgen wanneer een ander die Naam misbruikt, maar ook door niet te belij­den wat er bij de Heere te vinden is. Door niet meer uit te spreken wat er in het Woord van God staat. Door niet meer te zeggen wat er in de Bijbel te vinden is.

Als die Naam in ons leven betekenis heeft gekregen, als wij die Naam lief­hebben en hoogachten, als die Naam voor ons dé Naam geworden is waar­in we het leven gevonden hebben, dan zal dat blijken. Dat zal blijken als iemand vloekt of lastert, maar ook als er niemand vloekt of de Naam des Heeren lastert. Het gaat erom dat we dan over die Naam spreken, dat we over de Zaligmaker spreken, dat wij over de heerlijkheid van God spreken. In ons bidden, spreken, zwijgen en getuigen hebben we altijd de Naam van de Heere te vertellen en Zijn lof te beogen. Daar gaat het om.

Hoe dieper wij erover nadenken wat dat misbruik, dat lasteren, dat negeren van de Naam des Heeren eigenlijk is, hoe meer wij er achter komen dat er niemand is die vrij is van het kwaad dat de Heere hier verbiedt. Dan moe­ten wij bekennen met Jesaja: ‘Ik heb onreine lippen.’ Dan hebben wij verge­ving nodig in het bloed van de Heere Jezus Christus, maar ook de vernieu­wing naar Zijn beeld.

 

Want, gemeente, Christus heeft nooit en te nimmer die Naam ijdel gebruikt, genegeerd of gelasterd, maar altijd de Naam van Zijn Vader verheerlijkt. Die Naam van Zijn Vader heeft Hij, dat blijkt bijzonder uit het Johannes-evan­gelie, altijd geroemd: ‘Vader, Ik heb Uw Naam verheerlijkt op de aarde, ver­heerlijk Mij met de heerlijkheid, die Ik bij U had, eer de wereld was.’ Die Naam van Zijn Vader heeft Hij voor Zijn discipelen verheerlijkt, de Naam van Zijn Vader heeft Hij voor de farizeeërs en Romeinen genoemd. De Heere Jezus heeft die Naam verheerlijkt in woord en daad.

Hij is als een godloochenaar aan het kruis gestorven. ‘Hij heeft de Naam gelasterd, Hij is des doods schuldig’, zo klonk het in de rechtszaal uit de mond van Kajafas. Toen is de Heere Jezus, de Enige Die na Adams val Gods Naam verheerlijkt heeft op de aarde, als een godslasteraar aan het kruis genageld. En daardoor is er nu vergeving in Zijn bloed, vernieuwing in Hem en door Zijn Geest, om weer opnieuw mensen te worden die de Naam des Heeren gaan verheerlijken.

 

Wat is er dan ook een waakzaamheid nodig. We hebben een wacht voor onze lippen nodig opdat wij bewaakt worden, elke dag en elk ogenblik van ons leven opnieuw, om die Naam des Heeren te verheerlijken, om de liefde tot die Naam in ons spreken en overleggen te bewijzen.

 

Dat voert ons naar onze tweede gedachte. We gaan spreken over:

 

2. Wat in het derde gebod bevolen wordt

 

Want elk gebod heeft twee kanten. Aan de ene zijde is er hetgeen verboden wordt en aan de andere zijde wat de Heere daarin beveelt. En dat noemt onze catechismus eigenlijk met twee woorden: ‘Dat wij de heilige Naam van God anders niet dan met vreze en eerbied gebruiken, opdat Hij door ons recht beleden, aangeroepen en in al onze woorden en werken geprezen worde.’

Met vreze en eerbied gebruiken, dat is het eerste. En dat met een bepaald doel: opdat Hij beleden, aangeroepen en met woord en daad verheerlijkt worde.

 

Vreze en eerbied. De rechte verhouding tussen een zondaar en de Heere wordt door deze twee woorden getekend. Het is de verhouding van een kind tot zijn vader en moeder. Een rechtgeaard kind ziet tegen vader en moeder op. Dat eerbiedigt de wil van vader en leeft daar naar. Dat vloeit voort uit de ware kinderlijke vrees. Want die kinderlijke vrees wortelt in de liefde.

Als u uit de vrees de liefde weghaalt, dan houdt u niets anders dan angst over. Daarom, vrees en liefde moeten samengebonden zijn. Want dan hebt u vrees en eerbied. Grondwoorden zijn dat voor het rechte gebruik van de Naam des Heeren. Vreze, kinderlijke vreze, en eerbied.

En, gemeente, dat zijn dingen die diep in het hart zitten. Vrees en eerbied voor de Naam des Heeren is geen kwestie van de buitenkant, maar van ons hart. Abraham, de vader aller gelovigen, heeft, toen hij voor de Heere stond, beleden: Ik heb mij onder­wonden te spreken tot de Heere, hoewel ik stof en as ben (Gen.18:27). Daar hoort u de ootmoedige, de deemoedige taal van Abraham. Diepe eerbied en kinderlijke vreze…

Die eerbied en die vrees kun je altijd merken als iemand de Heere vreest en eerbied heeft voor de Naam des Heeren. Dat merk je als zo iemand over de Bijbel spreekt, als hij bidt, als hij in de kerk zit, als hij de psal­men zingt. Bij al deze dingen kom je in aanraking met de Allerhoogste. Dan spreekt God door Zijn Woord in de prediking of in het lezen van dat Woord.

Abraham wist het: ik ben stof en as. Dat is iets wat wegvliegt voor de wind, iets wat zomaar wegstuift. Abraham zegt: ‘Zo nietig ben ik voor U, de hoge God, ik ben stof en as, een nutteloos wezen eigenlijk, een wezen dat alleen maar moeite veroorzaakt en alleen maar vuiligheid kan voortbrengen.’ Stof en as. Zo klein, zo gering is hij voor die hoge God. Abraham buigt voor zijn God in het stof.

 

Hoe meer godsdienstvorm er is, hoe minder eerbied en hoe minder vrees. De Joden hadden ook veel vormen, enorm veel vormen, maar daar ontbrak de godsvreze aan. Hun godsdienst was eigenlijk een soort automatisme. Dat bestond uit het doen van dingen die ze altijd al gewend waren.

Godsvreze is altijd een vrucht van genade. Godsvreze en eerbied worden geboren uit het geloof en door de waarachtige bekering. Dan krijg je kin­derlijke vreze in je hart, en daardoor de eerbied voor de Naam van de Heere, waardoor de Heere Zichzelf openbaart. Dat heeft als doel dat Hij daardoor recht beleden, aangeroepen en geprezen worde.

 

Daardoor wordt Hij bele­den. Dat wil zeggen dat ik ga naspreken wat er in het Woord staat. Want belijden betekent: naspreken van het Woord van God, hetzelfde zeggen. Dan ga je aan een ander vertellen wat de Heere je in het Woord heeft laten zien. Dan krijg je daar lust in, dan krijg je daar begeerte toe.

Dacht u niet dat Jesaja, nadat de Heere zijn lippen gereinigd had, grote lust gehad heeft over de Naam van de Heere, over de heerlijkheid des Heeren en over de genade van God te gaan spreken? Daar heeft Jesaja vol van gezeten.

Zo gaan we nu ook doen als de Heere met Zijn Geest in ons hart gaat wer­ken en we door het oprechte geloof, dat de Heere Jezus als de enige en vol­komen Zaligmaker aanneemt, gaan leven. Dan krijg je er lust in om Hem te verheerlijken.

Als je gaat zien dat Hij om onze overtredingen ver­wond en om onze ongerechtigheid verbrijzeld is en de straf die ons de vrede aanbrengt op Hem geweest is en door Zijn striemen ons genezing geworden is, dacht u dan niet dat u lust krijgt om te gaan spreken over Hem? Gij zult Mijn getuigen zijn (Hand.1:8), heeft de Heere Jezus gezegd. Ze zullen spreken van Zijn Naam, van Zijn genade en van Zijn goddelijke liefde.

Belij­den. Dan heb je geen last van valse schaamte. Als de Heere door Zijn liefde die Naam in je hart heerlijk maakt, dan word je door die liefde ook gedreven over alle drempels van schaamte en vrees heen. ‘Dan zal ik mij niet schamen, noch Uw daân uit slaafs ontzag of dwaze vrees verhelen’, zegt de dichter van Psalm 119. Welnu, dat zul je inderdaad niet doen, want dan zul je van Hem gaan spreken en Hem belijden.

 

Maar dan ga je ook die Naam aanroepen. Want als er één ding is waarvoor de Heere Zijn Naam geopenbaard heeft aan de mensen, dan is dat wel opdat wij Hem aanroepen. Dat is bidden, want bidden is God aanroepen, God aan­spreken in eigen Persoon op Zijn beloften. En dat doen we dan niet gedach­teloos en behoefteloos omdat we eigenlijk niet weten wat we doen. Nee, dan kom je met een kinderlijke afhankelijkheid.

Met het oprechte geloof in het Woord van God nader je tot de Heere en dan zeg je: ‘Heere, U hebt het toch gezegd en U hebt het toch beloofd. Hier staat toch: Doe uw mond wijd open en Ik zal hem vervullen. U hebt het toch gezegd, Heere: Allen die U aanroepen, die U aanroepen in der waarheid, die zult U gehoor geven, want U bent de Hoorder der gebeden.’

Hem aanroepen en daar die Naam voor gebruiken. Gemeente, dan krijg je in die Naam ook tegelijkertijd een pleitgrond. De Naam des Heeren is de enige pleitgrond waar de kerk des Heeren op bouwt, Hem in aanroept en op steunt. Dan zegt men: ‘Heere, gedenk toch om Uws Naams wil. Denk aan Uw Naam!’ Zo heeft Mozes gebeden en zo heeft ook Jozua gebeden: ‘Heere, denk aan Uw Naam!’ De Naam des Heeren is de pleitgrond: Al wat gij de Vader zult bidden in Mijn Naam, dat zal Hij u geven (Joh.16:23).

De Naam des Heeren aanroepen… Dat is een bevolen gebruik. Want die niet gelovig tot Hem vluchten, miskennen die Naam. Zij veronachtzamen Hem. De Heere heeft het beloofd: Het zal zijn dat een iegelijk die de Naam des Heeren zal aanroepen, zalig zal worden (Hand.2:21). Die Naam is dus gege­ven als pleitgrond en als een Naam om aan te roepen, om daar onze hoop op te stellen.

 

En dat Hij in al onze woorden en werken geprezen worde.

Niet alleen met je woord, maar ook met de daad moet je Hem prijzen. Woord en daad moe­ten een eenheid zijn, zodat ze strekken tot Zijn eer. ‘Dat om onzentwil Uw Naam niet gelasterd, maar veeleer geëerd en geprezen worde.’ Het is niet best als men zegt: ‘Je moet wel naar zijn woorden horen, maar niet op zijn daden letten.’ Woord en daad gaan samen. En zijt daders des Woords, en niet alleen hoorders (Jak.1:22), zegt Jakobus. Die worden zalig. Het gaat om de eer van God in woord en daad.

Dat zij uw goede werken mogen zien, en uw Vader, Die in de hemelen is, verheerlijken (Matth.5:16). Zo moeten wij vernieuwd worden ten leven, opdat wij getuigen zijn, aanroepers van Zijn Naam, opdat wij in woord en daad die Naam prijzen.

Wat moet dan ons leven gedurig vervuld zijn met die ene bede in allerlei omstandigheden, die we nu met elkaar willen zingen uit Psalm 141, daarvan het derde vers:

 

Zet, Heer’, een wacht voor mijne lippen;
Behoed de deuren van mijn mond,
Opdat ik mij, tot genen stond,
Iets onbedachtzaams laat ontglippen.

 

Gemeente, ten slotte nog:

 

3. Wat in het derde gebod bedreigd wordt

 

Want in de laatste vraag van onze catechismus staat: ‘Is het dan zo’n grote zonde, Gods Naam met zweren en vloeken te lasteren, dat God Zich ook over diegenen vertoornt die zoveel als hun mogelijk is, het vloeken en zweren niet helpen weren en verbieden?’ Met andere woorden: als je passief bent in de bestrijding van dit kwaad, lij­delijk, niets meer zegt of doet.

En dan staat er: ‘Ja, gewisselijk; want er is geen groter zonde, noch die God meer vertoornt, dan de lastering van Zijn Naam, waarom Hij die ook met de dood straffen wil.’ Er is dus geen groter zonde dan de lastering van de Naam des Heeren. Hier heft God Zelf eigenlijk van alle geboden het gebod van de heiliging van Zijn Naam boven alle andere uit. Daarom heeft Hij ook bevo­len de overtreding van dit gebod met de dood te straffen.

 

De stam van Dan heeft midden in Israël van de Heere een plaats gekregen, een stukje grond. Maar die stam vond dat stukje grond te klein, te nauw, te eng. Toen zijn de Danieten helemaal naar het noorden getrokken, waar ergens een plaatsje was waar een heel rustig volk leefde. Dat volk hebben ze listig over­vallen en uitgemoord en de plaats hebben ze in beslag genomen. Dat is de stad Dan.

U kent wel de uitdrukking: van Dan tot Berséba toe, of: van Dan tot Bethel. Dan tot Berséba duidt het hele land van Kanaän aan. Dan is de meest noor­delijke en Berséba de meest zuidelijke stad. Bethel is de zuidelijke stad van het tienstammenrijk. Wat God aan Dan gegeven had, was volgens hen niet genoeg. Ze zijn zelf gaan trekken en op de grens van Israël gaan zitten. Het zijn mensen die leven op de grens. Kerk en wereld. Precies op het randje. Ze kijken iedere keer weer hoe ver ze kunnen gaan.

Maar nu is dit het eindresultaat van de stam van Dan. Als u leest van de twaalf poorten in de Openbaring van Johannes, dan komt u daar de stam van Dan niet meer tegen. Er zijn wel twaalf poorten, maar dat komt omdat Jozef is opgedeeld in Manasse en Efraïm. Daarom zijn er wel twaalf poorten, maar daar hoort Dan niet bij. Dat is het gevaar van het leven op het randje van kerk en wereld. Jongens en meisjes, zullen jullie daar aan denken? Dat is het begin, net als Dan, die ten slotte afgevallen is. In het nieuwe Jeruzalem is geen poort voor de stam van Dan. Dat is wat!

 

Tijdens de woestijnreis van Israël was er een vrouw uit die stam. En die vrouw – kijk, daar heb je dat karakter van Dan – trouwt met een Egyptenaar, dus met iemand uit het volk dat Israël tot vijand was. Ze hebben dat land verlaten. Ze zijn uit Egyp­teland, uit het diensthuis uitgeleid. Maar die vrouw had zo’n Egyptenaar getrouwd. Een randvrouw.

En wat gebeurt er? Ze hebben een zoon. En nu staat er van die zoon geschreven dat hij de Naam lasterde. Dat is die grote Naam van God, van Jahweh. Die heeft hij gelasterd. En daar is in het leger van Israël zoveel ont­zetting over, want dat hebben ze nog niet eerder meegemaakt. Ze gaan naar Mozes toe en zeggen: ‘Mozes, die man heeft de Naam gelasterd!’ Er ontstaat een twistgesprek. U weet hoe dat gaat, de gemoederen worden verhit, steeds hardere woorden vallen er, en ten slotte gebeurt het: de Naam wordt gelasterd.

Mozes weet ook niet wat hij daarmee aan moet. Hij zegt: ‘Blijf hier staan.’ Mozes is in de tent der samenkomst gegaan en daar heeft hij de Heere gevraagd wat hij moest doen. Toen heeft de Heere hem het ant­woord gegeven en gezegd: ‘Gij zult hem stenigen.’ Dat heeft Mózes dus niet gezegd en dat is ook geen uitvinding van Israël, maar dat is een gebod van Gód geweest aan Mozes. Al degenen die de Naam lasteren, zullen uit het volk worden uitgeroeid, die zullen met de dood gestraft worden.

 

In ons land staat op het lasteren van Gods Naam niet de doodstraf, dat is genoegzaam bekend. Als dat zo zou zijn, dan zou ons volk al behoorlijk uit­gedund zijn.

Gemeente, ontzaglijk, zo heilig is die Naam van God, dat Hij bevolen heeft die lastering van Zijn Naam met de dood te straffen. Nu begrijpt u wel, als de burgerlijke overheid dat niet doet en er verder niemand naar omkijkt, dat God Zich dan toch straks zal houden aan Zijn eigen bevel.

Dan zal God zorgen voor de straf, die Hij ingesteld heeft.

Als u gaat overwegen hoe heilig die Naam is en als u die Naam hebt liefge­kregen, dan verschrikken uw gedachten u soms. Wat ben je soms bang voor hetgeen in je hart opwelt! Wat kun je bevreesd zijn voor de gedachten die er bij je leven. Wat kunnen de ingevingen van satan soms benauwend zijn! Ze wekken vrees in je leven, geweldig veel vrees.

Maar dan is er nog de weg naar boven. Dan is het: ‘O God, Gij Die het al doorziet. Heere, als het aan woorden mij ontbreekt, zie dan maar welke overdenking in mij spreekt. Help mij!’

Want er is hulp! Daar is een Held, bij Wie voor Israël hulp besteld is. Daar is een Held Die verlossen kan van satans macht, maar ook van je eigen gedach­ten. Hij kan de zondemacht in je leven verbreken. Dat kan niemand anders. Het kan soms een ziekte zijn waardoor deze gedachten opgewekt worden, een dwang. Maar dan is er maar Eén de Machtige om dat te verbreken in je leven, en dat is Christus. Hij slaat koperen deuren in stukken en verbreekt ijzeren grendelen. Hij is machtig uw leven door Zijn eeuwige Geest te ver­nieuwen, te veranderen en te doorbreken. Er is nog vergeving. Zoek die vergeving!

 

Ik zei u zojuist: de overheid kijkt niet naar deze dingen, maar de Heere wel. Denk maar eens aan de laster van Farao. Farao heeft na elke plaag hoogmoe­dig gezegd: ‘Wie is de Heere, dat ik naar Hem luisteren zou?’ En wat gebeurt er als ze bij de Rode Zee komen? Farao zit Israël achterna, hij ziet dat pad en denkt: Dat volg ik ook, dat pad door de zee heen. En ineens slui­ten de golven zich toe over het leger van Farao en Farao en al zijn ruiters zijn in de zee verdronken. God heeft met hem afgerekend.

En denk aan Goliath, die geweldige Filistijn. Die reus hoonde de slagorden van Israël en hij heeft ook David gehoond toen hij daar aankwam met niet meer dan een slinger en wat steentjes in zijn hand. Maar de Heere rekende met hem af, want dat ene steentje – David heeft niet tweemaal hoeven te wer­pen – was voldoende om Goliath te vellen. En David heeft met het zwaard van Goliath zijn hoofd afgehouwen.

Sanherib, de generaal van de Syriërs, hoonde de God van Israël, de levende God. En hij schreef brieven aan de koning, lasterlijke brieven, zodat de koning ze uitlegde voor het aangezicht van de Heere. Hij streek ze als het ware glad en zei: ‘Heere, leest U dit eens.’ In één nacht werden door die engel 185.000 Syriërs gedood…

God rekent af. En dat doet Hij op allerlei wijze. Zo heilig is Zijn Naam!

Die Naam heeft Hij geopenbaard in een goddeloze wereld, maar Hij heeft er een scherm omheen gezet. Laten wij zoeken die Naam te kennen tot ons behoud. Dan wordt die Naam u lief en dierbaar. Dan wordt die Naam in uw leven alles. Dan vindt u in Hem, Die Jezus heet, maar ook Jezus is, de zaligheid. En dat voor een mens die zeggen moet: ‘Ik ben onrein van lippen en ik woon temidden van een volk dat onrein van lippen is.’

 

Dan is er zaligheid in het dierbare bloed van Hem. Voor ons persoonlijk, voor ons als kerk, maar ook, laten we het vragen, voor ons land en volk. Bij Hem, Die aan het hout gehangen heeft als een lasteraar van de Naam. Daar­om moest Hij gedood worden.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 143:2

 

Wil Uwen knecht, door schuld verslagen,
O Heer’, niet voor Uw vierschaar dagen;
Want niemand zal in dat gericht,
Daar zelfs zijn hart hem aan moet klagen,
Rechtvaardig zijn voor Uw gezicht.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in ‘De Heidelbergse Catechismus’ van ds. D. Rietdijk en ds. C.G. Vreugdenhil (Uitg. Groen, 1998).